Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure - Herziening van arrest - Termijn voor indiening van verzoek - Aanvang - Kennis van nieuw feit - Te laat ingediend verzoek - Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art . 41; Reglement voor de procesvoering, art . 98 )
Partijen
In zaak C-403/85 rev .,
J.-F . Ferrandi, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Ajaccio, vertegenwoordigd door F . Jongen, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Wildgen, advocaat aldaar, Rue Zithe 6,
verzoeker tot herziening,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H . Van Lier als gemachtigde, bijgestaan door C . Verbraeken en D . Waelbroek, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot herziening van het arrest, door het Hof van Justitie ( Tweede kamer ) op 5 februari 1987 gewezen in zaak 403/85, F./Commissie van de Europese Gemeenschappen ( Jurispr . 1987, blz . 645 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
samengesteld als volgt : T . F . O' Higgins, kamerpresident, G . F . Mancini en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo,
griffier : J.-G . Giraud,
gezien de schriftelijke opmerkingen van partijen,
gehoord het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de advocaat-generaal in raadkamer,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 28 december 1990, heeft J.-F . Ferrandi, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG verzocht om herziening van het door het Hof van Justitie ( Tweede kamer ) op 5 februari 1987 gewezen arrest in de zaak F./Commissie van de Europese Gemeenschappen ( zaak 403/85, Jurispr . 1987, blz . 645 ).
2 Bij dat arrest heeft het Hof verzoekers beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 6 mei 1985 verworpen, welk besluit was genomen na een tuchtprocedure wegens het door verzoeker tegen de heer Morel, directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie, gepleegde geweld, en waarbij verzoeker de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag was opgelegd .
3 In dat arrest wordt met name overwogen, dat "niet is aangetoond dat, met betrekking tot de feiten, de motivering van het besluit gebrekkig is wegens verkeerd weergegeven of ten onrechte weggelaten feiten" ( r.o . 16 ), dat "het het Hof dan ook niet voorkomt, dat de Commissie een kennelijke fout heeft begaan door te overwegen dat verzoeker een - ondanks zijn impulsief karakter - 'onaanvaardbare kwalitatieve drempel heeft overschreden ten opzichte van een hoge ambtenaar in de uitvoering van zijn functie' " ( r.o . 22 ), dat "het het Hof niet voorkomt, dat de Commissie een kennelijke fout heeft begaan door de situatie waarin verzoeker zich destijds bevond, niet te beschouwen als een verzachtende omstandigheid die tuchtrechtelijk ontslag uitsloot" ( r.o . 23 ) en, ten slotte, dat "het Hof het niet mogelijk acht, het tuchtrechtelijk ontslag van verzoeker zonder vermindering of intrekking van pensioenrechten als een kennelijk onevenredige sanctie aan te merken ".
4 Verzoeker tot herziening concludeert dat het den Hove behage :
- het verzoek ontvankelijk en, na onderzoek ten gronde, gegrond te verklaren;
- het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 1987 te herzien, in zoverre daarbij verzoekers beroep tegen het besluit van de Commissie van 6 mei 1985 in zijn geheel is verworpen en de middelen ontleend aan verkeerde en onvoldoende motivering van het bestreden besluit en aan schending van het evenredigheidsbeginsel, ongegrond zijn verklaard;
- bijgevolg, de middelen ontleend aan verkeerde en onvoldoende motivering van het bestreden besluit en aan schending van het evenredigheidsbeginsel, ontvankelijk en gegrond te verklaren en het besluit van de Commissie van 6 mei 1985 waarbij verzoeker de sanctie van tuchtrechtelijk ontslag met behoud van pensioenrechten is opgelegd, nietig te verklaren;
- verweerster in alle kosten te verwijzen .
5 De Commissie concludeert in haar opmerkingen, dat het den Hove behage :
- het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeker in de kosten te verwijzen .
6 Volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG "kan herziening van een arrest aan het Hof slechts worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij die de herziening verzoekt ".
7 Artikel 100, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat het Hof, de advocaat-generaal gehoord en zonder de hoofdzaak te prejudiciëren, bij een in raadkamer gewezen arrest beslist over de ontvankelijkheid van het verzoek . De onderhavige procedure is overeenkomstig die bepaling verlopen .
8 Volgens verzoeker is het nieuwe feit dat van beslissende invloed is en dat herziening van het bestreden arrest rechtvaardigt, gelegen in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 26 september 1990 in zaak T-122/89 ( F./Commissie Jurispr . 1990, blz . II-517 ) betreffende het percentage van verzoekers blijvende, uit zijn beroepswerkzaamheden voortvloeiende invaliditeit . Bij dat arrest heeft het Gerecht het besluit van de Commissie van 15 juli 1988, voor zover daarbij de blijvende invaliditeit op 50 % was bepaald, nietig verklaard .
9 Verzoeker beroept zich met name op de passages in het arrest van 26 september 1990, waarin het Gerecht verwijst naar het advies van 26 mei 1988 van een medische commissie bestaande uit drie artsen, respectievelijk aangewezen door het tot aanstelling bevoegd gezag, de ambtenaar en, in onderlinge overeenstemming, door de eerste twee artsen, alsmede naar de conclusies van het medisch onderzoek door professor De Buck van 11 februari 1987 . Hij wijst erop, dat het Gerecht, gelet op het medisch advies en de conclusies van professor De Buck, in rechtsoverweging 16 van zijn arrest heeft overwogen, dat de Commissie "het medisch advies onjuist heeft uitgelegd door enkel te letten op het verband tussen het omstreden invaliditeitspercentage (...) en de feiten van 6 oktober 1982, zonder rekening te houden met de in het medisch rapport duidelijk vastgestelde samenhang tussen dit incident en de reeds bestaande ziektetoestand waarvan in het rapport wordt vastgesteld dat deze zijn oorsprong vond in verzoekers beroepswerkzaamheden", en dat de omstandigheid "dat zijn handelwijze tijdens het incident van 6 oktober 1982 in strijd was met het Statuut, (...) niet wegneemt dat deze feiten verband houden met verzoekers tevoren reeds bestaande psychische problemen ". Volgens verzoeker doet het arrest van het Gerecht daarmee uitkomen, dat het incident van 6 oktober 1982 zijn verklaring vindt in een pathologische toestand, die op 5 februari 1987, toen het arrest werd gewezen waarvan nu herziening wordt gevraagd, noch het Hof noch verzoeker bekend was .
10 De Commissie is van oordeel, dat het verzoek tot herziening niet ontvankelijk is . In de eerste plaats is in het arrest van het Gerecht enkel een met het incident van 6 oktober 1982 verband houdend invaliditeitspercentage als beroepsziekte erkend en wat dienaangaande is vastgesteld, impliceert niet, dat verzoeker op de betrokken datum niet toerekeningsvatbaar was . In de tweede plaats is het nieuwe feit, gesteld al dat daarvan sprake zou zijn, niet gelegen in het arrest van het Gerecht, doch in het medisch deskundigenrapport van professor De Buck van 11 februari 1987 dan wel het advies van de medische commissie van 26 mei 1988; omdat het beroep tot herziening niet binnen drie maanden te rekenen vanaf deze feiten is ingesteld, is het derhalve kennelijk tardief en mitsdien niet-ontvankelijk . In de derde plaats zouden de rechtszekerheid en het gezag van gewijsde ernstig in gevaar komen, indien men een simpel deskundigenadvies zou accepteren als een nieuw feit dat grond kan opleveren voor herziening van een arrest .
11 Wat de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek betreft, moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 98 van het Reglement voor de procesvoering herziening moet worden gevraagd uiterlijk binnen drie maanden na de dag waarop het feit dat aan het verzoek ten grondslag ligt, ter kennis van de verzoeker is gekomen .
12 Zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere bezwaren die de Commissie tegen het verzoek heeft geformuleerd, kan derhalve worden volstaan met vast te stellen, dat de enige feiten waarop verzoeker zich zou kunnen beroepen en die eventueel zouden kunnen worden aangemerkt als een nieuw feit dat tot herziening van het arrest van 5 februari 1987 aanleiding kan geven, de medische vaststellingen zijn welke zijn vervat in het deskundigenrapport van professor De Buck van 11 februari 1987 of in het advies van de medische commissie van 26 mei 1988, en dat het onderhavige verzoek is ingediend lang na afloop van de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop verzoeker van die documenten kennis heeft gekregen . Die datum kan immers in geen geval een latere zijn dan 5 juli 1989, de dag waarop verzoeker die documenten ter griffie van het Hof heeft neergelegd als bijlage bij zijn verzoekschrift in de zaak waarin het Gerecht zijn arrest van 26 september 1990 heeft gewezen .
13 Het arrest van het Gerecht van 26 september 1990 bevat weliswaar een juridische beoordeling van de door verzoeker ingeroepen feiten van medische aard, doch kan in geen geval zelf een nieuw feit zijn dat van invloed zou kunnen zijn op de wijze waarop het Hof in zijn arrest van 5 februari 1987 verzoekers toerekenbaarheid voor het incident van 6 oktober 1982 heeft beoordeeld . Zelfs indien men verzoekers stelling zou volgen, dat de beoordeling door het Gerecht in het arrest van 26 september 1990 zijn toerekenbaarheid ten tijde van het incident van 6 oktober 1982 uitsluit, neemt dat niet weg dat het Hof zich in het licht van de nieuwe feiten die het deskundigenrapport van 11 februari 1987 of het advies van de medische commissie van 26 mei 1988 eventueel had kunnen opleveren, daarover zelf had kunnen uitspreken in het kader van een verzoek tot herziening dat was ingediend binnen drie maanden na de dag waarop deze documenten ter kennis van verzoeker waren gekomen .
14 Uit het voorgaande volgt, dat het op 28 december 1990 ter griffie van het Hof neergelegde verzoek tardief is en mitsdien niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy