Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het onderhavige beroep is gericht tegen een besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 25*februari 1985, gebaseerd op een aanbeveling van december 1984 van het Raadgevend Bevorderingscomité ( hierna : het Comité ), waarbij uit een lijst van 24*kandidaten vier ambtenaren van de rang*A*7 naar de rang A*6, werden bevorderd; met name verzoeker en vier andere kandidaten die, evenals hij, waren aangeworven door middel van een algemeen vergelijkend onderzoek en een hogere anciënniteit in de rang*A*7 hadden, werden niet bevorderd .
2 . Daarentegen hadden de vier ambtenaren die door het Comité waren aanbevolen en inderdaad waren bevorderd, en die de rang*A*7 hadden bereikt door middel van een intern vergelijkend onderzoek, meer anciënniteit in de dienst doch minder anciënniteit in de rang en de categorie .
3 . Bovendien was, anders dan ten aanzien van deze ambtenaren, noch voor verzoeker noch voor zijn vier collega' s die zich in dezelfde situatie bevonden, van tevoren een beoordelingsrapport opgesteld .
4 . Bij brief van 19*februari 1985 hadden laatstgenoemde ambtenaren nog getracht te voorkomen, dat de aanbeveling van het Comité zou worden gevolgd, doch zonder succes .
5 . Toen het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement bekend werd, diende verzoeker, J.*Vincent, op 18*juni 1985 bij hem een klacht in, op grond dat de bevorderingsprocedure onregelmatig was, en verzocht hij om per 1*oktober 1984 tot de rang*A*6 te worden bevorderd .
6 . Op 16*december 1985 antwoordde de voorzitter van het Europees Parlement op verzoekers klacht, dat de nodige maatregelen waren genomen om onverwijld zijn beoordelingsrapporten op te kunnen stellen, ten*einde een nieuw onderzoek van zijn geval mogelijk te maken .
7 . Daar verzoeker evenwel van mening was dat zijn klacht reeds eerder stilzwijgend was afgewezen, in de zin van artikel*90, lid*1, van het Statuut, heeft hij op 14*januari 1986 het onderhavige beroep ingesteld .
8 . Sedertdien is verzoekers beoordelingsrapport opgesteld en aan het Comité voorgelegd, doch dit hield, na hernieuwd beraad, vast aan zijn eerdere standpunt; op basis daarvan bevestigde de secretaris-generaal van het Europees Parlement op 16*juli 1986 zijn besluit van 25*februari 1985 .
I - De ontvankelijkheid van het beroep
9 . Het Europees Parlement betoogt primair dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het zonder voorwerp is, of althans prematuur is ingesteld .
10 . Verweerder ontkent niet dat de statutaire termijn van vier maanden voor de beantwoording van de door verzoeker op 18*juni 1985 ingediende klacht was verstreken .
11 . Zijns inziens vormde de brief van de voorzitter van het Parlement van 16*december evenwel een uitdrukkelijk besluit van de administratie, waarin de verzoeken van Vincent werden ingewilligd, voor zover daarin werd aangekondigd dat zijn beoordelingsrapport zou worden opgesteld en zijn geval opnieuw zou worden onderzocht .
12 . Omdat de termijn voor het instellen van het beroep in rechte op dat tijdstip nog niet was verstreken, betoogt het Europees Parlement, dat verzoeker het beroep niet had moeten instellen of althans niet had moeten voortzetten .
13 . Mijns inziens kan deze exceptie niet slagen .
14 . Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft verklaard, zijn de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen van openbare orde en hebben zij ten doel de duidelijkheid en zekerheid van rechtens bestaande situaties te waarborgen, zodat het de meer direct betrokken partijen niet kan vrijstaan deze termijnen naar believen ( 1 ) te verlengen, ongeacht aan welke partij zulks ten goede kan komen .
15 . Toen de termijn van vier maanden waarbinnen het Parlement op verzoekers klacht had moeten antwoorden, was verstreken, ging overeenkomstig artikel*90, lid*2, laatste zin, en artikel*91, lid*3, tweede streepje, van het Statuut de termijn van drie maanden voor beroep in rechte in .
16 . Daar na het stilzwijgende besluit, doch binnen de beroepstermijn, geen uitdrukkelijk besluit tot afwijzing is afgekomen, is de beroepstermijn niet opnieuw ingegaan overeenkomstig artikel*91, lid*3, laatste zin .
17 . Daarentegen kan de brief van de voorzitter van het Europees Parlement van 16*december, anders dan verweerder meent, mijns inziens niet worden beschouwd als een volledig gunstig antwoord op verzoekers klacht, waardoor het beroep zonder voorwerp zou zijn geraakt .
18 . Verzoeker vraagt in zijn klacht namelijk uitdrukkelijk om per 1*oktober 1984 tot de rang*A*6 te worden bevorderd, terwijl in het antwoord slechts wordt verklaard, dat zijn beoordelingsrapport zal worden opgesteld en dat een nieuw onderzoek naar zijn geval zal worden ingesteld .
19 . Het staat vast, dat er nog geen naar behoren opgemaakt beoordelingsrapport van de betrokkene was noch een advies van het Comité, en dat het tot aanstelling bevoegde gezag het gevraagde besluit niet kon nemen, voordat de betrokken documenten waren opgesteld .
20 . Aangezien echter niet blijkt dat tegelijk met de brief de aanvankelijke bevorderingen zijn nietigverklaard of althans zijn opgeschort, heeft het bij brief van 16*december 1985 meegedeelde besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag een louter interlocutoir karakter en kan het geen wijziging brengen in verzoekers feitelijke of rechtssituatie ten tijde van de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek, of het rechtsgevolg teweegbrengen dat de termijn voor het beroep in rechte wordt verlengd .
21 . Zo gezien, liep verzoeker het risico dat zijn beroep wegens tardiviteit zou worden verworpen, indien hij het niet binnen de termijn van drie maanden zou instellen en een nieuw besluit zou afwachten, dat hem uiteindelijk toch niet had bevredigd ( 2 ).
22 . Mitsdien ben ik van mening, dat het beroep ontvankelijk moet worden geacht .
II - Het beroep ten gronde
23 . Verzoeker concludeert in zijn verzoekschrift dat het den Hove behage :
- nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 25*februari 1985 en de bevordering van de vier bevorderde ambtenaren;
- nietig te verklaren het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoekers schriftelijke klacht van 18*juni 1985;
- het Europees Parlement te gelasten, het bevorderingsdossier met de lijst van voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te heropenen en per 1*oktober 1984 in de vier vacatures te voorzien met inachtneming van artikel*45 van het Statuut en het non-discriminatiebeginsel, zoals dit door de instelling traditioneel is toegepast;
- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding .
24 . Tot staving van zijn beroep voert verzoeker de volgende middelen aan :
- het bestreden besluit is in strijd met artikel*45 van het Statuut;
- het wijkt af van de vroegere praktijk van de instelling;
- het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel .
25 . Ik wil deze punten een voor een behandelen .
A - 26 . Om te beginnen het argument ontleend aan artikel*45 van het Statuut .
27 . Volgens deze bepaling geschiedt de bevordering van ambtenaren bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimum diensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken .
28 . Verder wordt volgens artikel*43 "op de door elke instelling ... vastgestelde wijze van iedere ambtenaar ... ten minste om de twee jaar een periodiek beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst ".
29 . Het belang van dit periodiek beoordelingsrapport is door het Hof beklemtoond in de volgende bewoordingen : "Het beoordelingsrapport moet voor de goede administratie en rationalisatie van de diensten der Gemeenschap en ter waarborging van de belangen der ambtenaren verplicht worden opgemaakt", aangezien het "telkens wanneer de loopbaan van de ambtenaar door het hiërarchisch gezag in aanmerking wordt genomen, ... een onontbeerlijk beoordelingscriterium" vormt .
30 . "Een van de gebiedende plichten van de administratie bestaat er derhalve in, ervoor te zorgen dat dit rapport periodiek op de door het Statuut voorgeschreven data op deugdelijke wijze wordt opgemaakt."*(3 )
31 . Daaruit leidde het Hof af ( 4 ), dat "het onderzoek naar de verdiensten van kandidaten, wier beoordelingsrapport overeenkomstig artikel*43 reeds was opgesteld, en andere kandidaten bij wie dat nog niet was geschied, niet voldoet aan de eis van een vergelijking, zoals bedoeld in artikel*45 ".
32 . In het onderhavige geval blijkt, dat verzoeker op 1*mei 1982 bij het Parlement in dienst is getreden, dat hij op 1*februari 1983 in vaste dienst is benoemd, doch dat zijn eerste beoordelingsrapport eerst op 25*maart 1986 is opgesteld .
33 . Daarentegen zijn de beoordelingsrapporten van een aantal ambtenaren die op de lijsten voor bevordering waren opgenomen -*onder andere van de ambtenaren die zijn bevorderd *- wel tijdig opgesteld .
34 . Deze feiten gezamenlijk leveren een inbreuk op de artikelen 43 en 45 van het Statuut op, zodat de onderhavige bevorderingsprocedure onregelmatig is .
35 . Het feit dat verweerder -*eerst ter zitting *- een beroep heeft gedaan op verzoekers beoordeling aan het einde van de proeftijd doet aan deze conclusie niet af, daar deze een ander doel heeft . Hoe dit ook zij, het besluit inzake de bevorderingen is op 25*februari 1985 genomen, meer dan twee jaar nadat de genoemde beoordeling van verzoeker is opgesteld en het lijkt mij niet geoorloofd het beoordelingsrapport voor een zo lange periode te vervangen door mondelinge of schriftelijke inlichtingen van hiërarchieke meerderen waarover verzoeker zich niet heeft kunnen uitspreken .
36 . Uit het dossier blijkt evenwel dat na verzoekers klacht en spoedig na de instelling van het onderhavige beroep het betrokken beoordelingsrapport is opgesteld en definitief is geworden op 25*maart 1986 . Toen dit er was, heeft het Comité op 10*april 1986 een nieuw onderzoek ingesteld, waarbij dit keer een vergelijking werd gemaakt met de andere kandidaten, doch werd geconcludeerd tot bevestiging van het eerdere advies, "gezien de geringe mogelijkheden voor bevordering en de geringe anciënniteit van de betrokkene ". Op basis van dit advies bevestigde de secretaris-generaal van het Parlement in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 16*juli 1986 het door verzoeker bestreden besluit van 25*februari 1985 .
37 . Onder deze omstandigheden zijn theoretisch twee oplossingen denkbaar .
38 . Een van de oplossingen is nietigverklaring van de aanvankelijke bevorderingen, op grond dat deze een onherstelbare onregelmatigheid bevatten wegens een wezenlijke vormfout . Ook al zou deze nietigverklaring niet van invloed zijn op de geldigheid van het advies van het Comité van 10*april 1986 en van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 16*juli 1986, dan nog kan dit laatste niet worden beschouwd als een bevestigend besluit dat enkel ex*nunc gevolgen heeft, daar de anciënniteit van bevorderde ambtenaren eerst wordt berekend vanaf de datum waarop het besluit is genomen, met alle gevolgen van dien .
39 . Deze oplossing vindt misschien steun in oudere rechtspraak van het Hof*(5 ) en sluit aan bij een opvatting die verdedigbaar ware in het licht van de administratieve rechtspraak van bepaalde Lid-Staten .
40 . Gelet op de omstandigheden in de onderhavige zaak verdient een andere oplossing evenwel de voorkeur; zij is bovendien meer in overeenstemming met de recente rechtspraak van het Hof in de arresten Gratreau en List, en zelfs in het arrest Oberthuer .
41 . Nog duidelijker dan in de zaak List ( 6 ), aangezien verzoeker in*casu geen bezwaar lijkt te hebben gemaakt tegen het beoordelingsrapport dat als grondslag voor het nieuwe onderzoek van zijn geval diende, is namelijk aannemelijk dat het tot aanstelling bevoegde gezag alle nodige maatregelen heeft genomen in verband met de onregelmatigheid van het aanvankelijke besluit, zodat het Hof zich niet behoeft uit te spreken over de nietigverklaring van dit besluit .
42 . Anderzijds kan uit het feit dat het Comité en het tot aanstelling bevoegde gezag hun eerdere besluiten hebben bevestigd, niet worden opgemaakt, dat het aanvankelijk ontbreken van het beoordelingsrapport van beslissende betekenis is geweest voor de bestreden benoemingsprocedure, waarin 25 kandidaten solliciteerden naar 4*posten.*(7 )
43 . Onder deze omstandigheden zou nietigverklaring van de vier bevorderingsbesluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag van 25*februari 1985 een sanctie zijn die in geen verhouding staat tot de begane onregelmatigheid en de betrokken ambtenaren nodeloze schade toebrengen, zonder dat daartegenover een eventueel voordeel voor verzoeker zou staan .
B - 44 . Verzoeker betoogt voorts, dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met de tot dusver door de instelling gevolgde praktijk inzake bevorderingen, neergelegd in de "Interne richtlijn inzake de samenstelling en de werking van het Raadgevend Bevorderingscomité ". Volgens artikel*4 van deze Interne richtlijn moeten bij bevorderingen binnen de loopbaan de volgende criteria in aanmerking worden genomen, in volgorde van afnemende belangrijkheid : anciënniteit in de rang; anciënniteit in de loopbaan; anciënniteit naar dienstjaren; leeftijd; beoordelingsrapporten en alle andere gegevens uit het persoonsdossier .
45 . Verzoeker betoogt dat het feit dat geen beoordelingsrapport over hem is uitgebracht tot gevolg heeft gehad, dat hij enkel met andere ambtenaren is vergeleken op het punt van de anciënniteit . In dit kader heeft het Comité meer belang gehecht aan de anciënniteit naar dienstjaren dan aan de anciënniteit in de rang en de loopbaan, hetgeen indruist tegen zijn vroegere praktijk, zulks ten nadele van verzoeker .
46 . De betrokken Interne richtlijn kan echter niet in strijd zijn met het bepaalde in artikel*45 van het Statuut, volgens hetwelk bevordering bij keuze geschiedt uit die ambtenaren welke reeds een minimum diensttijd in hun rang hebben ( dit minimum wordt bepaald in artikel*45, lid*1, tweede alinea ), na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren onderling worden vergeleken, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht .
47 . Zoals het Hof reeds heeft verklaard ( 8 ), beschikt het tot aanstelling bevoegde gezag in het kader van het in deze bepaling van het Statuut bedoelde besluit over een "ruime discretionaire bevoegdheid", en moet het Hof "zich beperken tot de vraag, of de administratie binnen redelijke grenzen is gebleven en niet een kennelijk onjuist gebruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt ".
48 . Dienaangaande zij opgemerkt dat anciënniteit slechts "een van de beoordelingscriteria is" en in geen geval belangrijker kan zijn dan de verdiensten van de kandidaten . ( 9 ) De anciënniteit wordt volgens artikel*44 slechts automatisch in aanmerking genomen voor de overgang naar de volgende salaristrap van dezelfde rang .
49 . Bijgevolg kan noch aan genoemde Interne richtlijn noch aan de beweerde praktijk van de instelling, noch aan enigerlei interne nota die daarnaar verwijst, een argument worden ontleend op grond waarvan het meeste gewicht moet worden toegekend aan het criterium van de anciënniteit in de rang en de loopbaan, hetgeen even laakbaar zou zijn als het systematisch voorrang geven aan het criterium van diensttijd .
50 . Anders zou aan het vergelijkend onderzoek van de verdiensten der kandidaten, en in het bijzonder aan de beoordelingsrapporten, het beslissende belang worden ontzegd, die het Hof daaraan in overeenstemming met het Statuut heeft toegekend . Dit argument kan zelfs in tegenspraak worden geacht met verzoekers vorige middel .
51 . Ook de door het Parlement ter terechtzitting afgelegde verklaringen omtrent de redenen voor de beweerde "praktijk" van de instelling ontkrachten dit argument in belangrijke mate .
52 . Toen het tot aanstelling bevoegde gezag op basis van een nieuw vergelijkend onderzoek van de kandidaten die voor bevordering in aanmerking komen, zijn besluit van 16*juli 1986 nam, maakte het gebruik van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid .
53 . Dit besluit wordt niet aangevochten door verzoeker, die overigens slechts een maand meer anciënniteit heeft dan de ambtenaren die zijn bevorderd .
C - 54 . Bovenstaande overwegingen brengen mijns inziens mee, dat verzoekers derde middel moet worden verworpen, waar niet is aangetoond dat er sprake is van "voortdurende discriminatie van ambtenaren die door middel van een extern vergelijkend onderzoek zijn aangeworven ".
55 . Overigens heeft verzoeker ons zelf medegedeeld, dat het Comité bij een later besluit twee ambtenaren met meer anciënniteit in rang en loopbaan voor bevordering heeft aanbevolen, zulks ten nadele van andere ambtenaren met meer anciënniteit naar dienstjaren .
D - 56 . Na onderzoek van de voorgestelde middelen kan ik U dus in overweging geven, verzoekers beide eerste conclusies om identieke redenen ongegrond te verklaren .
57 . Dit brengt uiteraard ook de ongegrondheid mee van de derde conclusie, die bovendien indruist tegen de beginselen betreffende de verdeling van bevoegdheden tussen het Hof en de administratieve autoriteiten van de Gemeenschap, op grond waarvan zij zelfs niet-ontvankelijk zou kunnen worden geacht . ( 10 )
III - De in repliek aangevoerde nieuwe conclusies
58 . In repliek heeft verzoeker nieuwe conclusies aangevoerd; hij concludeerde dat het den Hove behage :
- het Europees Parlement te gelasten een nieuw besluit te nemen omtrent zijn verzoek, per 1*oktober 1984 te worden bevorderd tot de rang*A*6, rekening houdende met de uitspraak van het Hof;
- subsidiair, ingeval het Hof van oordeel is dat het besluit niet moet worden nietigverklaard, het Europees Parlement te veroordelen aan verzoeker als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden door de onregelmatigheden in de bevorderingsprocedure, een bedrag te betalen, door het Hof vast te stellen met inachtneming van de netto salarisverhoging van 7*000*BFR per maand, die verzoeker vanaf oktober 1984 zou hebben genoten indien hij was bevorderd, en van het verlies in anciënniteit in de rang*A*6, dat hij zijn gehele verdere loopbaan zal blijven lijden;
- het Europees Parlement te veroordelen, verzoeker een door het Hof ex*aequo et*bono te bepalen bedrag te betalen als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het feit dat de instelling zich te laat van haar statutaire verplichtingen heeft gekweten .
59 . Deze conclusies moeten niet-ontvankelijk worden geacht, daar verzoeker ingevolge artikel*38, paragraaf*1, sub*c, van het Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding zijn conclusies niet kan wijzigen of in repliek nieuwe conclusies kan indienen . ( 11 ) Slechts bij hoge uitzondering heeft het Hof aanvaard dat de verzoeker het onderwerp van het beroep uitbreidt en nieuwe middelen aanvoert, namelijk wanneer in de loop van de schriftelijke behandeling ( 12 ) van nieuwe gegevens, hetzij feitelijk of rechtens, is gebleken ( artikel*42, paragraaf*2, van het Reglement voor de procesvoering ).
60 . Mitsdien wil ik u voorstellen deze conclusies niet-ontvankelijk te verklaren en gezien het karakter van deze exceptie van niet-ontvankelijkheid zie ik ervan af, subsidiair deze conclusie ten gronde te behandelen .
61 . Ik heb mij niettemin afgevraagd of het geen aanbeveling verdient om, evenals het Hof heeft gedaan in de zaak Oberthuer ( 13 ) en andere eerdere arresten ( 14 ), verzoeker ambtshalve een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het feit dat door de nalatigheid van de administratie geen beoordelingsrapport is opgesteld .
62 . Ik meen evenwel, dat niet voldaan is aan de voorwaarden die zulks zouden rechtvaardigen, aangezien niet is aangetoond, dat verzoeker daardoor werkelijk schade is veroorzaakt; evenmin zijn er concrete elementen aangevoerd, waarvan het ontbreken beslissend kon zijn voor het genomen besluit .
IV - Conclusie
63 . Daarentegen acht ik het volkomen gerechtvaardigd dat het Parlement ingevolge artikel*70, paragraaf*3, van het Reglement voor de procesvoering wordt veroordeeld in alle kosten, ofschoon verzoeker op verschillende punten in het ongelijk is gesteld, daar het instellen van het beroep volledig te wijten is aan nalatigheid van de instelling, die trouwens het latere besluit tot bevestiging van het eerdere besluit eerst na het indienen van de repliek heeft genomen .
64 . Mitsdien geef ik u in overweging :
- het beroep ongegrond te verklaren wat de in het verzoekschrift neergelegde conclusies betreft;
- de in de repliek neergelegde conclusies niet-ontvankelijk te verklaren;
- verweerder te verwijzen in alle kosten van het geding .
(*)* Vertaald uit het Portugees .
( 1)*Arrest van 12*december 1967, zaak*4/67, Collignon/Commissie, Jurispr.*1967, blz.*455, inz.*blz.*465; arrest van 14*april 1970, zaak*24/69, Nebe/Commissie, Jurispr.*1970, blz.*145, inz.*blz.*151, 152; arrest van 7*juli 1971, zaak*79/70, Mullers/ESC, Jurispr.*1971, blz.*689, inz.*blz.*698; arrest van 17*februari 1972, zaak*40/71, Richez-Parise/Commissie, Jurispr.*1972, blz.*73, inz.*blz.*79 .
( 2)*Vergelijk de in noot*1 aangehaalde jurisprudentie .
( 3)*Arrest van 14*juli 1977, zaak*61/76, Geist/Commissie, Jurispr.*1977, blz.*1419, r.o . 44 en 45; zie ook het arrest van 5*juni 1980, zaak*24/79, Oberthuer/Commissie, Jurispr.*1980, blz.*1743, inz.*blz.*1758; arrest van 18*december 1980, gevoegde zaken 156/79 en 51/80, Gratreau/Commissie, Jurispr.*1980, blz.*3943, inz.*blzz.*3953 en 3954; arrest van 27*januari 1983, zaak*263/81, List/Commissie, Jurispr.*1983, blz.*103, inz.*blz.*117 .
( 4)*Arrest van 23*januari 1975, zaak*29/74, De*Dapper/Parlement, Jurispr.*1975, blz.*35, 41 en 42 .
( 5)*Bij voorbeeld in het hierboven aangehaalde arrest De*Dapper; zie ook de door advocaat-generaal Mayras in zijn conclusies in de zaak Gratreau, aangehaalde jurisprudentie, Jurispr.*1980, blz.*3961 .
( 6)*Jurispr.*1983, t.a.p ., blz.*117 en 118 .
( 7)*Vergelijk in dit verband de r.o.*24-26 van het hiervoor geciteerde arrest Gratreau en r.o.*28 van het hiervoor geciteerde arrest List .
( 8)*Zie het arrest van 25*november 1976, zaak*123/75, Kuester/Parlement, Jurispr.*1976, blz.*1685, inz.*blz.*1709; arrest van 14*juli 1983, zaak*9/82, Ohrgaard en Delvaux/Commissie, Jurispr.*1983, blz.*2379, inz . blz.*2390 .
( 9)*Ohrgaard, t.a.p ., blz.*2390, r.o.*19 .
( 10)*Vergelijk het arrest van 14*december 1965 zaak*11/65, Morina/Parlement, Jurispr.*1965, blz.*1311, inz.*blz.*1322; arrest van 15*december 1966, zaak*62/65, Serio/Commissie, Jurispr.*1966, blz.*807, inz.*blz.*822; arrest van 27*oktober 1977, zaak*121/76, Moli/Commissie, Jurispr.*1977, blz.*1971, inz.*blz.*1979 .
( 11)*Arresten van 8*juli 1985, zaak*83/63, Krawczynski/Commissie, Jurispr.*1965, blz.*805, 819, en van 16*maart 1971, zaak*48/70, Bernardi/Parlement, Jurispr.*1971, blz.*175, inz.*blz.*183 .
( 12)*Arrest van 3*maart 1982, zaak*14/81, Alpha*Steel/Commissie, Jurispr.*1982, blz.*749, inz.*blz.*763 .
( 13)*Arrest van 5*juni 1980, t.a.p ., blz.*1759 .
( 14)*Arrest van 16*december 1960, zaak*44/59, Fiddelaar/Commissie, Jurispr.*1960, blz.*1117, inz.*blz.*1143; arrest van 9*juli 1970, zaak*23/69, Fiehn/Commissie, Jurispr.*1970, blz.*547, inz.*blz.*560 .
Full & Egal Universal Law Academy