Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Juffrouw Samara, die al ambtenaar in de rang C*5, derde salaristrap was, werd in aansluiting op een algemeen vergelijkend onderzoek, waarin zij eerste was geworden, met ingang van 1*januari 1983 aangesteld als ambtenaar in vaste dienst in de rang C*3, eerste salaristrap . Haar verzoek om herindeling en haar klacht tegen de weigering van de Commissie van 16*februari 1983 om haar opnieuw in te delen, werden afgewezen bij besluit van 5*augustus 1983 . In het daarop door haar ingestelde beroep, waarin zij aanvoerde dat zij in een hogere salaristrap van haar rang had moeten worden ingedeeld, heeft het Hof beide besluiten bij arrest van het Hof van 15*januari 1985 in zaak 266/83 nietig verklaard . De Commissie werd opgedragen, "verzoeksters situatie te herzien met toepassing van artikel 32 Ambtenarenstatuut ".
Op 23 april 1985 stelde de Commissie Samara aan in de rang C*3, derde salaristrap, terugwerkend tot 1*januari 1983 . Op 13 juni 1985 betaalde zij haar het verschil tussen het salaris van de rang C*3, eerste salaristrap, en dat van de rang C*3, derde salaristrap, over de periode van 1*januari 1983 tot 31*mei 1985 . Op 21 juni 1985 vorderde verzoekster rente over dit verschil vanaf de vervaldatum van elke maandelijkse betaling . Dit verzoek werd beschouwd als een klacht in de zin van artikel*90, lid*2, Ambtenarenstatuut . Bij gebreke van een uitdrukkelijk besluit, werd het geacht stilzwijgend te zijn afgewezen . In het onderhavige beroep eist verzoekster deze rente op die, omdat de bedragen in het Groothertogdom Luxemburg betaalbaar waren, berekend zou moeten worden tegen een percentage van 9% overeenkomstig het groothertogelijk besluit van 22*november 1984 .
De Commissie werpt in de eerste plaats tegen, dat het beroep niet-ontvankelijk is . Indien verzoekster aanspraak op vergoeding van rente had willen maken, had zij dit in het eerste beroep waarin zij het indelingsbesluit van 1983 bestreed, moeten vorderen . Dit heeft zij niet gedaan en het Hof heeft niets bepaald omtrent het betalen van rente over achterstallig salaris . Nu komt zij met haar vordering te laat en kan zij in dit geding geen kwestie aan de orde stellen, die in het eerste had kunnen worden afgedaan .
Ik geloof niet dat deze procedure niet-ontvankelijk is . Het eerste beroep strekte tot nietigverklaring van de indeling . Het stond niet aan het Hof, de juiste indeling van verzoekster vast te stellen . Dat was de taak van de Commissie bij de uitvoering van 's*Hofs arrest overeenkomstig artikel*176 EEG-Verdrag, ook al stond het resultaat reeds zo goed als vast . Ofschoon zij in de eerste procedure vergoeding van rente zou hebben kunnen vorderen, had verzoekster mijns inziens het recht eerst om nietigverklaring te verzoeken en vervolgens een tweede beroep in te stellen op grond dat de Commissie het arrest van het Hof niet volledig heeft uitgevoerd . Indien de Commissie haar met terugwerkende kracht had heringedeeld zonder evenwel het salarisverschil uit te betalen, had verzoekster voor het Hof betaling hiervan kunnen vorderen . Haar rentevordering, voor zover gegrond, is een soortgelijk geval .
Of zij aanspraak kan maken op vergoeding van rente over deze bedragen ter zake van achterstallig salaris tot de dag waarop ze zijn uitbetaald, is moeilijker te beantwoorden, nu het Ambtenarenstatuut hierover geen uitdrukkelijke regeling bevat .
Voor verzoekster ligt de zaak eenvoudig . Zij had van meet af aan in de rang C*3, derde salaristrap, moeten worden ingedeeld en het daarmee overeenkomende salaris moeten ontvangen . Zij heeft dit echter niet ontvangen op de dagen waarop men dit haar had moeten betalen . Zij had dus haar geld niet gekregen en kon er ook niet over beschikken; daarentegen kon de Commissie, doordat zij het haar eerst op 13*juni 1985 betaalde, er wel over beschikken . De ten gevolge van de vertraging in de betaling veroorzaakte schade zou haar moeten worden vergoed .
Volgens de Commissie is een dergelijke vordering zonder meer ongegrond en in strijd met de arresten van het Hof .
Het Hof heeft zich al vaker over rentevorderingen moeten uitspreken . Een algemene, voor alle rentevorderingen geldende regel kan ik in deze rechtspraak echter niet ontdekken . Zo is onderscheid gemaakt tussen rentevorderingen wegens vertraging in de betaling van een geldschuld en vorderingen wegens vertraging in de nakoming van een andere verbintenis, die meer weg hebben van een vordering tot schadevergoeding . Voor rentevorderingen wegens vertraging in de betaling van een geldschuld heeft het Hof in sommige gevallen de eis gesteld, dat een ernstige fout en dus meer dan een gewone rekenfout moest zijn begaan ( zaken 3/66, Alfieri, Jurispr . 1966, blz . 632; 106/76, Deboeck, Jurispr . 1977, blz . 1623 en 14/77, Van der Branden, Jurispr . 1977, blz . 1683 ). In andere gevallen werd rente wegens onrechtmatige niet-betaling toegewezen zonder dat bewijs van een bijzonder ernstige fout werd verlangd . Bovendien werd soms enkel rente toegewezen vanaf de dag waarop een klacht in de zin van het Ambtenarenstatuut was ingediend, vanaf de dag waarop de procedure voor het Hof was ingeleid dan wel vanaf de dag waarop de betaling verschuldigd werd, indien die na het indienen van de klacht of van het verzoekschrift lag ( cf . de zaken 58/75, Sergy, Jurispr . 1976, blz.*1139; 9/81, Williams, Jurispr . 1982, blz.*3301 ). Het Hof heeft echter niet in alle zaken zo geoordeeld . Zo werden in zaak 115/86 ( Leonardini, Jurispr . 1978, blz.*735 ) moratoire interessen wegens te late betaling van een invaliditeitsuitkering toegewezen, evenwel niet vanaf de dag van indiening van de klacht in 1976, maar vanaf het tijdstip in 1968 waarop de uitkering redelijkerwijs had moeten worden vastgesteld . Overigens fluctueerde het rentepercentage van tijd tot tijd al naar gelang de omstandigheden .
Naar het schijnt, bestaan er tussen de Lid-Staten verschillen met betrekking tot de betaling van rente over een schuld, en in de loop van dit geding is niet van een algemene, in de Lid-Staten uniform toegepaste regel gebleken . Zo gaat bij voorbeeld de stelling van de Commissie, dat de rentevergoeding nimmer kan ingaan vóór de dag van indiening van de klacht waarin ze worden gevorderd, terug op het vereiste van een "ingebrekestelling", dus een formeel verzoek om betaling van rente . Voor het Hof werd betoogd, dat dit de regel is in het Belgische en Luxemburgse recht; als ik goed zie, is dat niet in alle Lid-Staten zo . Ook het in het Franse, Belgische en Luxemburgse recht gemaakte onderscheid tussen "compensatoire" en "moratoire interesten" is, zoals de Commissie erkent, in althans sommige andere Lid-Staten onbekend .
Nu een communautaire renteregeling en een door alle Lid-Staten gevolgde gedragslijn ontbreken, moet het geschilpunt in beginsel worden beslecht in het kader van de discretionaire bevoegdheid die het Hof in ambtenarenzaken ontleent aan artikel*91, dat bepaalt dat "bij geschillen van geldelijke aard het Hof van Justitie volledige rechtsmacht heeft ".
In het eerste arrest heeft het Hof vastgesteld, dat Samara' s oorspronkelijke indeling onregelmatig was, omdat deze niet voldeed aan de criteria van artikel 32 Ambtenarenstatuut . Na de nietigverklaring van die indeling heeft de Commissie verzoekster op 23*april 1985 opnieuw ingedeeld, terugwerkend tot 1*januari 1983, en haar het verschil tussen beide salaristrappen betaald . In confesso is, dat na haar indeling door de Commissie het bedrag van dit verschil verschuldigd was geworden . Verviel deze schuld nu op 23*april 1985, ook al was zij berekend over de periode vanaf 1 januari 1983, of moet zij worden geacht vanaf 1 januari 1983 maandelijks te zijn vervallen als gevolg van verzoeksters herindeling met terugwerkende kracht? Als ik het goed zie, moet volgens de Commissie ten gevolge van de herindeling met terugwerkende kracht de schuld worden geacht vanaf 1*januari 1983 per maand opeisbaar te zijn geworden . Mijns inziens terecht, want er is geld dat had moeten worden betaald indien de aanstelling conform het Statuut had plaatsgevonden, niet betaald op het tijdstip waarop het opeisbaar was . Verzoekster heeft dus niet kunnen beschikken over het haar verschuldigde geld . Mijns inziens moet voor de vertraagde betaling rente worden vergoed .
Indien de schuld niet vóór 23*april 1985, toen verzoeksters indeling met terugwerkende kracht werd herzien, verviel, zou kunnen worden verdedigd, dat vóór die datum geen interessen verschuldigd kunnen zijn . Dit standpunt kan ik niet delen . De Commissie was verplicht, verzoeksters situatie opnieuw te onderzoeken en haar fout te herstellen . Om verzoekster te herstellen in de situatie waarin zij zich had moeten bevinden ( en om het arrest van het Hof volledig uit te voeren ), had zij het verschil vermeerderd met moratoire interessen moeten ontvangen over de periode waarin zij niet over haar geld kon beschikken .
De Commissie beklemtoont, dat het Hof in rechtsoverweging*14 van zijn eerste uitspraak op de "onduidelijke context" heeft gewezen die uit het Ambtenarenstatuut voortvloeide . Hoewel ik het ermee eens ben, dat het Statuut voor tweeërlei uitlegging vatbaar was, zie ik hierin geen geldig verweer tegen verzoeksters vordering . Al bij al was het geld ten onrechte niet betaald, en mijns inziens gaat het niet aan het recht op vergoeding van rente in een zaak als deze, waarin een onrechtmatige aanstelling heeft plaatsgevonden, te relateren aan de ernst van de fout . Indien het noodzakelijk is dat "de bij de betaling der uitkering ontstane vertraging moet worden toegeschreven aan een door de (( Commissie )) begane onrechtmatige daad welke (( verzoekster )) metterdaad schade heeft berokkend" ( zaak 101/74, Kurrer, Jurispr . 1976, blz.*259 ), dan is mijns inziens in casu aangetoond, dat de foutieve indeling door de Commissie schade heeft veroorzaakt, te weten het verlies van de beschikking over het geld, overeenkomend met de rente over het maandelijks opeisbaar geworden bedrag, berekend tegen het passende rentepercentage .
Mijns inziens ligt de zaak anders, wanneer in de wetgeving van de Raad of van de Commissie een fout is geslopen en, na herstel daarvan in aansluiting op een uitspraak van het Hof, geld te laat wordt uitbetaald . Dit is met name het geval, indien de vaststelling van het toe te kennen bedrag een zekere discretionaire bevoegdheid insluit . Dit is mijns inziens de ratio decidendi van de arresten van het Hof van 30*september 1986, waaronder het arrest in zaak 176/83 ( Allo e.a ., Jurispr . 1986, blz.*2687 ). Bovendien heeft het Hof in die zaak beslist, "dat een verplichting om vertragingsrente te betalen, hoe dan ook slechts denkbaar is wanneer het bedrag van de hoofdvordering vaststaat of althans op grond van vaststaande objectieve gegevens kan worden bepaald ". In de onderhavige zaak stond vanaf het ogenblik dat over de indeling was beslist, vast welk bedrag verschuldigd was en kon verzoekster, alle objectieve omstandigheden in aanmerking genomen, bij correcte toepassing van artikel 32 Ambtenarenstatuut niet anders dan in de rang C*3, derde salaristrap, worden ingedeeld . Aanvaardt men, dat ingevolge het besluit van 23*april 1985 het salarisverschil terugwerkend verschuldigd was, dan bestond er een schuld ten belope van een bepaald bedrag in de zin van het aangehaalde arrest .
Evenmin acht ik het uitgesloten, dat nimmer aanspraak op vergoeding van rente kan worden gemaakt, indien de hoofdsom vóór het geding is betaald . Indien rente vergoed had moeten worden, is het mijns inziens onbillijk als een verzoeker die niet zou krijgen als gevolg van de betaling van de hoofdsom voordat een klacht of beroep wegens het niet betalen van verschuldigde rente wordt ingediend .
Hoewel er zeker gevallen kunnen zijn waarin terecht enkel rente wordt betaald over de periode, ingaande op de dag van de indiening van de klacht in de zin van het Ambtenarenstatuut ( bij voorbeeld wanneer eigenlijk een schadevergoeding wordt gevorderd ), lijkt het mij niet billijk zulks te doen in een zaak als de onderhavige, waarin een vaststaand bedrag wordt gevorderd als zijnde een opeisbare en niet voldane schuld . Wanneer men met mij van mening is, dat Samara het recht had in een eerste fase enkel de nietigverklaring van de onjuiste beslissing te vorderen, dan heeft zij, toen haar positie eenmaal was rechtgezet, dunkt mij ook het recht om rente te vorderen over de periode van verzuim .
Volgens mij moet haar vordering tot vergoeding van rente over elke, terugwerkend als opeisbaar geworden te beschouwen schuld dan ook slagen . In elk geval echter behoort, wanneer - anders dan ik meen - naar gemeenschapsrecht een ingebrekestelling vereist zou zijn, rente te worden vergoed vanaf de datum van indiening van haar klacht in zaak 266/83, dus vanaf 26 april 1983 .
Verzoekster stelt dat de rente ( voor zover verschuldigd ) moet worden berekend tegen het in Luxemburg, waar de betaling had moeten plaatsvinden, geldende percentage . Dit is mijns inziens niet juist . In beginsel behoort voor wat het gemeenschapsrecht betreft in alle gevallen hetzelfde percentage te gelden . Indien rente vergoed moet worden, dan lijkt mij voor de betrokken periode het percentage van 8% redelijk, dat in enkele recente zaken ( arresten van 20 juni 1985, zaak 118/84, Royale Belge, en 8*oktober 1986, gevoegde zaken 169/83 en 136/84, Leussink ) werd toegekend .
Ik geef het Hof derhalve in overweging, de Commissie te veroordelen om aan Samara rente op de voet van 8% over het verschil tussen het salaris in rang C*3, eerste salaristrap, en dat in de rang C*3, derde salaristrap, te betalen vanaf het tijdstip na 1*januari 1983 waarop elke salarisbetaling verschuldigd werd, tot aan de betaling van deze bedragen op 13 juni 1985 . Voorts ben ik van mening, dat over dit verschuldigde bedrag eveneens rente moet worden betaald over de periode van 13 juni 1985 tot de dag van betaling en dat de Commissie in Samara' s kosten moet worden verwezen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy