Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Belgische Raad van State heeft in de zaken 27, 28 en 29/86 drie vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn*71/305 van de Raad van 26*juli 1971 ( 1 ) betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken .
Deze richtlijn draagt dezelfde datum als richtlijn 71/304 ( 2 betreffende de opheffing van de beperkingen van het verrichten van diensten op het gebied van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken en van de gunning van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken door bemiddeling van agentschappen of filialen . Richtlijn*71/304 verplicht de Lid-Staten meer in het bijzonder de beperkingen op te heffen welke de begunstigden verhinderen hun diensten te verrichten onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als eigen onderdanen, die welke voortvloeien uit administratieve praktijken waardoor de begunstigden minder gunstig worden behandeld dan eigen onderdanen, en die welke voortvloeien uit praktijken die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, toch uitsluitend of in hoofdzaak de beroepswerkzaamheid van onderdanen van de andere Lid-Staten belemmeren ( zie artikel*3 van richtlijn*71/304 ). Ik hield eraan deze bepalingen in herinnering te brengen, omdat zij een idee geven van de doelstellingen van de Raad op dit gebied .
De thans in geding zijnde richtlijn*71/305 wil, parallel met het opheffen van de beperkingen, komen tot een cooerdinatie van de nationale procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken .
Volgens de tweede overweging van de considerans van de richtlijn, dient deze cooerdinatie zo veel mogelijk de thans in elk van de Lid-Staten bestaande procedures en praktijk te respecteren .
Bijgevolg passen de aanbestedende diensten voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken hun nationale procedures toe, aangepast aan de bepalingen van de richtlijn ( artikel*2 ).
Daaruit volgt, dat alle problemen die niet in het kader van richtlijn*71/305 zijn geregeld, overeenkomstig het nationale recht moeten worden opgelost ( voor zover althans geen sprake is van discriminatie tussen onderdanen van de Gemeenschap ).
De vragen van de Raad van State betreffen titel IV van de richtlijn, die het opschrift draagt "Gemeenschappelijke regels inzake de deelneming", en meer in het bijzonder hoofdstuk*1 daarvan, betreffende de criteria voor de kwalitatieve selectie . De tekst van de artikelen 25, 26 en 28, waarop de vragen betrekking hebben, is weergegeven in het rapport ter terechtzitting .
Artikel*25 bevat een opsomming van de bewijsmiddelen (" referenties ") waarmee de aannemer zijn financiële en economische draagkracht kan aantonen .
Artikel 26 betreft de wijze waarop de technische bekwaamheid van de aannemer kan worden aangetoond . In artikel*28 wordt geregeld, welke waarde moet worden toegekend aan de officiële lijsten van erkende aannemers, die in sommige Lid-Staten worden bijgehouden .
In het voorstel van de Commissie ( 3 ) kwam na deze bepalingen een artikel dat luidde :
"De aanbestedende diensten bepalen welke referenties (( Frans :*' le niveau des références' )) door de ondernemer overeenkomstig de artikelen 20, laatste lid, en 22 tot en met 25 moeten worden verstrekt . Daarbij dient rekening gehouden te worden met de aard, de omvang en het bedrag van de uit te voeren werken en met de overeenkomstig de artikelen 14 en 16 vastgestelde betalings - en financieringswijze" ( artikel*26 van het voorstel ).
In het voorstel regelde artikel*23 het bewijs van de financiële en economische capaciteit, en artikel*24 dat van de technische bekwaamheid van de ondernemer; naar deze artikelen werd dus in de aangehaalde bepaling verwezen .
Zij is echter door de Raad niet gehandhaafd in de definitieve tekst van de richtlijn .
Het begrip "niveau van de referenties" is thans echter wel in een andere vorm terug te vinden in artikel*16, waarin het heet :
"In de openbare procedures bevat de aankondiging ten minste de volgende gegevens :
...
l ) de economische en technische minimumeisen die de aanbestedende diensten aan de aannemers stellen voor hun selectie; deze eisen kunnen geen andere zijn dan die der artikelen 25 en 26 ."
De bepaling die in het voorstel van de Commissie hiermee overeenkwam ( artikel*14 ), luidde :
"In de openbare procedures bevat de aankondiging ten minste de volgende gegevens :
i ) de stukken die bij de aanbieding moeten worden gevoegd, ten einde de technische en economische kwalificatie van de inschrijver te kunnen beoordelen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 20 tot en met 26 ."
De Raad lijkt dus van oordeel te zijn geweest, dat het voorstel van de Commissie een lacune bevatte in die zin, dat de aankondiging niet de minimumeisen of het niveau van de referenties behoefde te vermelden die van de aannemers werden verlangd om op een bepaalde aanbesteding te kunnen inschrijven . De Raad heeft het artikel betreffende de aankondiging dan ook aangevuld met het vereiste van publikatie van de minimumeisen, en achtte toen het oude artikel*26 overbodig . Toen hij in het nieuwe artikel*16, sub*l, bepaalde dat "deze eisen ... geen andere ( kunnen ) zijn dan die der artikelen 25 en 26", verloor de Raad evenwel uit het oog, dat verder in de tekst helemaal geen sprake meer is van het niveau van de referenties, doch alleen van de soorten referenties . Logischerwijs had de tekst van de Raad dus ongeveer als volgt moeten luiden : "Het bewijs dat aan deze eisen is voldaan, kan alleen worden geleverd op een van de wijzen voorzien in de artikelen 25 en 26 ."
Ook indien mijn voorstelling van wat er bij de opstelling van de richtlijn is gebeurd, niet helemaal juist zou zijn, blijft het een feit dat ingevolge artikel*16, sub*l, de aankondiging "de economische en technische minimumeisen die de aanbestedende diensten aan de aannemers stellen voor hun selectie" moet bevatten . Het enkele overleggen van een bankverklaring, van een balans of van een verklaring betreffende de omzet, kan echter onmogelijk betekenen dat aan een minimumeis is voldaan; in het uiterste geval zou dat er immers op neerkomen, dat een onderneming enkel maar behoeft aan te tonen dat zij 1*000*ecu op de bank heeft, om in aanmerking te komen voor gelijk welke omvangrijke opdracht .
Uit een en ander mag dus worden afgeleid, dat de artikelen 25 en 26 enkel de bewijsmiddelen noemen en dat de aanbestedende dienst bij iedere aanbesteding moet bepalen wat er moet worden bewezen, anders gezegd wat het niveau is van de verlangde referenties . Deze uitlegging is in overeenstemming met het gehele stelsel van de richtlijn, die uitsluitend bedoeld is om tot een cooerdinatie te komen van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en die ook op dat vlak ernaar streeft, de nationale procedures zoveel mogelijk in stand te laten . Afortiori valt dus aan te nemen, dat de nationale autoriteiten moeten uitmaken, hoe groot de economische draagkracht en technische bekwaamheid van de aannemer moet zijn .
De antwoorden op de vragen van de Raad van State vloeien goeddeels voort uit deze vaststelling .
I - De eerste vraag in zaak 27/86
De eerste vraag luidt :
"Bevat artikel 25 van richtlijn*71/305/EEG een limitatieve opsomming van de referenties aan de hand waarvan de financiële en economische draagkracht van een aannemer kan worden beoordeeld?"
Partijen in het hoofdgeding zijn het er nagenoeg over eens, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, en ik sluit mij bij deze opvatting aan .
Artikel*25, eerste alinea, bepaalt immers:*"In het algemeen kan de financiële en economische draagkracht van de aannemer worden aangetoond door ... de volgende referenties ."
De tweede alinea vervolgt:*"De aanbestedende diensten geven ... aan, welke ... niet onder a, b en c genoemde, afdoende referenties ... zij verlangen ."
Ten*slotte bepaalt de derde alinea van artikel*25:*"Indien de aannemer om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende diensten gevraagde referenties te verschaffen, kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen door andere documenten die de aanbestedende diensten geschikt achten ."
Het Hof heeft deze duidelijke en ondubbelzinnige betekenis van de tekst bevestigd in zijn arrest van 10*februari 1982 : ( 4 )
"Zo preciseert artikel*27 dat de aanbestedende dienst de aannemer slechts binnen de grenzen gesteld in de artikelen*23 en 26 ( 5 ) van de richtlijn kan verzoeken, de overgelegde getuigschriften en bescheiden aan te vullen . Ingevolge deze artikelen mogen de Lid-Staten slechts andere dan de uitdrukkelijk in de richtlijn vermelde referenties vragen bij de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van de ondernemingen, waarvan sprake is in artikel*25 van de richtlijn ."
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt :
"Artikel*25 van richtlijn*71/305/EEG bevat geen limitatieve opsomming van de referenties aan de hand waarvan de financiële en economische draagkracht van een aannemer kan worden beoordeeld .
Wel kunnen de aanbestedende diensten in de aankondiging of in de uitnodiging tot inschrijving aangeven, welke andere, niet onder a, b en c genoemde, afdoende referenties zij verlangen ."
II - De tweede vraag in zaak 27/86
Met zijn tweede vraag wenst de Raad van State te vernemen of
"het bedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, beschouwd kan worden als een referentie ter beoordeling van de financiële en economische draagkracht van een aannemer in de zin van artikel 25 van de richtlijn?"
Hier valt meteen al op te merken, dat "het bedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd" geenszins een referentie in de zin van artikel 25 kan zijn . Het gaat hier uiteraard om een beoordelingscriterium, waarvan het de vraag is of het, gelet op de bepalingen van de richtlijn, wel mag worden gehanteerd .
De lijst en het bedrag van de werken die een onderneming op een bepaald tijdstip gelijktijdig uitvoert, is daarentegen wel een referentie . Waar de aanbestedende dienst de aannemers die in zaak 27/86 hadden ingeschreven, heeft verzocht "hem een lijst te doen toekomen met de bedragen van de openbare en particuliere werken die u, gelet op de voortgang van de werken in uitvoering, gelijktijdig moet of zal moeten uitvoeren indien de opdracht ( de verbinding Chénée-Grosses Battes ) aan u wordt gegund" ( 6 ), heeft hij die aannemers dus inderdaad om een referentie verzocht . Het gaat daarbij immers om feitelijke gegevens die moeten voorkomen in een door de inschrijver over te leggen document .
Blijft nog te onderzoeken, of een dergelijke referentie is te beschouwen als een van de referenties bedoeld in artikel*25, aan de hand waarvan de financiële en economische draagkracht van de aannemer kan worden aangetoond .
Ingevolge artikel 20 van de richtlijn moet de aanbestedende dienst de geschiktheid van de aannemers nagaan overeenkomstig de in de artikelen 25 tot en met 28 vermelde criteria betreffende de economische, financiële en technische capaciteit .
Zoals gezegd, worden in artikel 25 - zoals ook in artikel 26 - eigenlijk geen criteria opgesomd, doch wel bewijsmiddelen . Artikel 16, sub*l, daarentegen schrijft de openbaarmaking voor van "de economische en technische minimumeisen die de aanbestedende diensten aan de aannemers stellen voor hun selectie ".
Uit deze bepaling volgt, dat van de aannemers die niet krachtens artikel*23 ambtshalve zijn uitgesloten ( bij voorbeeld wegens faillissement ), alleen diegenen die aan bepaalde minimumeisen voldoen, in aanmerking kunnen komen voor de gunning van de opdracht .
Deze minimumvoorwaarden betreffen vanzelfsprekend in de eerste plaats de grootte van de onderneming, zoals die blijkt uit de omzet over de laatste drie boekjaren, de balans, de bedragen op de bankrekeningen of de kredieten die de banken bereid zijn aan de onderneming te verstrekken .
De omstandigheid dat een aannemer in het verleden een aanzienlijke omzet heeft behaald of over grote financiële reserves beschikt, heeft echter niet dezelfde betekenis in het geval van een onderneming die gelijktijdig vijf grote projecten uitvoert, en in het geval van een die er vijftig onder handen heeft .
De financiële draagkracht van gelijk welk soort onderneming kan immers niet in abstracto worden beoordeeld; men dient rekening te houden met de schulden van de onderneming en met de bedragen die zij in de nabije toekomst zal moeten uitgeven ( lonen, leveringen, aankoop van materieel op krediet, enzovoort ).
Het totaalbedrag van de werken die een onderneming op een bepaald tijdstip moet uitvoeren, is een van de gegevens waarmee logischerwijs rekening moet worden gehouden bij de beslissing of zij er nóg een project van een bepaalde omvang bij kan nemen .
De artikelen*20 en 25 laten het een aanbestedende dienst dus alleszins toe naar dat bedrag te vragen, en die dienst kan heel goed tot de conclusie komen, dat een onderneming van een bepaalde economische en financiële omvang niet zonder risico werken op zich kan nemen die een bepaald bedrag overschrijden .
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt evenwel, dat het criterium inzake het totaalbedrag van openbare en particuliere werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, ook andere oogmerken dient, die niets te maken hebben met het eigen potentieel van de onderneming . Zoals de Raad van State zelf heeft verklaard, beoogt dit criterium "monopolievorming te voorkomen, een eerlijke werkverdeling te verzekeren en te verhinderen, dat de concurrentie uit de hand loopt of de ondernemingen gaan speculeren en verplichtingen aangaan die hun capaciteiten te boven gaan".(7 )
Zo de Belgische wetgever zich op dit punt inderdaad heeft laten leiden door, onder*meer, het streven te voorkomen dat de ondernemingen verplichtingen aangaan die hun mogelijkheden te boven gaan, dan lijkt dit criterium mij zeer wel verenigbaar met artikel*25 . Het gaat daarbij immers om een legitiem en aannemelijk streven en indien het zonder discriminatie wordt toegepast, vormt het geen beletsel voor de vrijheid van dienstverrichting van ondernemingen uit de andere Lid-Staten .
Verder moet worden erkend, dat de andere doelen die ermee worden beoogd, niet in strijd zijn met de bepalingen van het EEG-Verdrag en beleidsaspecten betreffen die buiten het bestek van richtlijn*71/305 vallen .
Voorts betoogt CEI nog, dat het criterium inzake het totaalbedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, een "extern" criterium is en niets te maken heeft met de werkelijke economische en financiële draagkracht van de onderneming . In feite zou het een uitsluitingsgrond zijn, vergelijkbaar met die van artikel*23 .
Uit het voorgaande volgt evenwel, dat de situatie hier niet anders is dan bij de andere in artikel*25 genoemde referenties, en dat dit argument dus niet kan slagen .
De bankverklaring, de balans, de verklaring betreffende de omzet, het totaalbedrag van de werken in uitvoering, zijn referenties waaruit veel kan worden afgeleid over de gezondheid van de onderneming . Daarentegen zijn de drempels die door de aanbestedende dienst worden vastgesteld, dat wil zeggen het minimumbedrag van de tegoeden of van de eigen middelen, de minimumbalansresultaten, de voorgeschreven minimumomzet en het maximumbedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, criteria die "extern" zijn aan de onderneming en die afhankelijk zijn van de aard en de omvang van de aan te besteden werken . Zoals gezegd, is de vaststelling van deze criteria niet enkel legitiem, maar zelfs noodzakelijk .
Zij stellen de bevoegde autoriteiten in staat om offertes ter zijde te leggen, die weliswaar laag zijn, maar afkomstig van ondernemingen die niet de noodzakelijke economische en financiële draagkracht hebben om de betrokken werken tot een goed einde te brengen, of die zoveel belangrijke werken hebben aangenomen, dat men zich kan afvragen of zij, ondanks de hun ter beschikking staande middelen, wel in staat zijn ze alle tot een goed einde te brengen .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de tweede vraag te beantwoorden als volgt :
"Het totaalbedrag van de werken die een onderneming gelijktijdig zou moeten uitvoeren indien de aan te besteden werken haar werden toegewezen, is een van de referenties die het mogelijk maken de economische en financiële draagkracht van een onderneming te beoordelen . Indien dat bedrag een door de aanbestedende dienst volgens objectieve criteria bepaald maximum overschrijdt, kan die dienst tot het oordeel komen, dat de financiële en economische draagkracht van een onderneming ontoereikend is ."
Ingevolge artikel*25 dient de aanbestedende dienst er in de aankondiging uiteraard op te wijzen, dat deze referentie moet worden meegedeeld .
De Belgische Raad van State dient uit te maken, of in casu aan deze voorwaarde is voldaan .
Uitgesloten lijkt dit mij niet . In de aankondiging betreffende de aanbesteding was de klasse vermeld waartoe de tot de inschrijving toegelaten aannemers moesten behoren . In België nu vloeit het maximumbedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, automatisch voort uit de klassificatie . Een aankondiging waarin van de aannemers wordt verlangd dat zij tot een bepaalde klasse behoren, zou derhalve kunnen worden geacht te impliceren dat zij een referentie betreffende het totaalbedrag van de werken in uitvoering moeten overleggen en dat het criterium inzake het voor die klasse geldende maximumbedrag van toepassing is .
Ten slotte voert verzoekster in het hoofdgeding nog aan, dat drie van de vier voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de bevoegde Belgische autoriteiten aan de erkenningscommissie een voorstel tot afwijking van het maximumbedrag van de werken zouden kunnen voorleggen, eveneens criteria zijn die "extern" zijn aan de inschrijver of aan zijn onderneming .
Dit is ongetwijfeld juist . Maar het Hof heeft zich mijns inziens niet bezig te houden met de voorwaarden waaronder een Lid-Staat afwijkingen toestaat van zijn eigen wettelijke regeling inzake het bedrag van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, zolang deze regels niet tot discriminatie tussen de onderdanen van de verschillende Lid-Staten leiden .
In dit stadium heeft de Raad van State het Hof enkel gevraagd, of -*in beginsel *- een op het totaalbedrag van de werken gebaseerd criterium gehanteerd mag worden . Ik heb het Hof in overweging gegeven deze vraag bevestigend te beantwoorden .
III - De prejudiciële vraag in de zaken 28 en 29/86
In de twee door Bellini aanhangig gemaakte zaken heeft de Belgische Raad van State een gelijkluidende prejudiciële vraag gesteld :
"Kan ingevolge richtlijn*71/305/EEG van 26*juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, inzonderheid de artikelen*25 en 26, sub*d, de inschrijving van een Italiaanse aannemer door een Belgische aanbesteder ter zijde worden gelegd op grond dat de aannemer niet het bewijs levert dat hij beschikt over het door de Belgische wettelijke regeling vereiste minimumbedrag aan eigen middelen en op grond dat hij niet het eveneens door die wettelijke regeling verlangde gemiddelde minimumaantal arbeiders en kaderleden in dienst heeft, zulks terwijl deze werkgever in Italië is erkend in een klasse die overeenkomt met de klasse die in België in verband met de omvang van de aan te besteden werken vereist is?"
Uit wat hierboven is uiteengezet, volgt dat een aanbestedende dienst ook minimumvoorwaarden mag vaststellen met betrekking tot het bedrag aan eigen middelen en het personeelsbestand -*arbeiders en kaderleden *- van de inschrijvers .
De derde vraag komt er in wezen op neer, of deze voorwaarden niet meer kunnen worden gesteld wanneer de klassificatie van een onderneming in het land waar zij is gevestigd, het mogelijk maakt dat zij aldaar werken uitvoert van gelijke omvang als de aan te besteden werken .
Met andere woorden, indien in België een aannemer alleen dan werken voor een bedrag van 130*miljoen*BFR mag uitvoeren wanneer hij 30*miljoen*BFR aan eigen middelen heeft en 100*arbeiders en 4*kaderleden in dienst heeft, moet hij dan ingevolge artikel*28 van de richtlijn geschikt worden geacht voor de uitvoering van die werken wanneer de wetgeving van zijn eigen land hem toestaat werken uit te voeren voor een bedrag van 142*miljoen*BFR, ook al beschikt hij niet over de eigen middelen en het personeelsbestand dat in België voor een dergelijk contract wordt verlangd?
De vraag is dus, waarop het vermoeden van geschiktheid als bedoeld in artikel 28, lid 3, van de richtlijn betrekking heeft .
In rechtsoverweging*13 van het arrest Transporoute overwoog het Hof, dat de inschrijving op zulk een lijst een alternatief bewijsmiddel is .
Ik ben het met de Belgische Regie der Gebouwen, de Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf, de Belgische Staat, het Koninkrijk Spanje en de Commissie eens, dat het in artikel*28 van de richtlijn bedoelde vermoeden van geschiktheid inhoudt, dat het bewijs van inschrijving op een nationale lijst van erkende aannemers ten aanzien van een andere Lid-Staat dezelfde waarde heeft als de overlegging van de balans en de verklaring betreffende de omzet ( artikel*25, sub*b en c ), en van de verklaring betreffende de personeelsbezetting ( artikel*26, sub*d ).
Het feit echter dat het om een eenvoudig vermoeden van geschiktheid gaat, betekent dat het kan worden weerlegd . Enkel "de gegevens welke uit de inschrijving op de officiële lijst kunnen worden afgeleid, mogen niet in twijfel worden getrokken" ( artikel*28, lid*3, tweede alinea ). Voor wat die gegevens betreft, geldt een onweerlegbaar vermoeden .
Dat het bewijs van inschrijving een alternatief bewijsmiddel is, doet mijns inziens niet af aan de vrijheid van de aanbestedende dienst om bijzondere referenties te verlangen of drempels vast te stellen met betrekking tot de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de richtlijn ( zoals bij voorbeeld een minimumaantal arbeiders en kaderleden ).
Dit blijkt naar mijn gevoelen uit de tweede volzin van artikel*28, lid*2, bepalende dat op het bewijs van inschrijving de referenties worden vermeld op grond waarvan de inschrijving op de lijst mogelijk was, alsmede de classificatie die zij behelst .
De vermelding van deze referenties op het bewijs van inschrijving heeft alleen nut indien de aanbestedende dienst daaraan objectieve informatie kan ontlenen met betrekking tot de bewijskracht van het inschrijvingsbewijs . De vrijheid van de bevoegde instantie om een drempel vast te stellen voor de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid, heeft als uitvloeisel, dat deze instantie de opdracht kan weigeren aan inschrijvers die niet aan deze minimumvereisten voldoen . Aan de hand van de "referenties op grond waarvan de inschrijving mogelijk was", en zonder deze gegevens in twijfel te mogen trekken, beslist de toewijzende dienst van Lid-Staat*A of de erkenning door Lid-Staat*B het bewijs vormt van de geschiktheid die voor de te gunnen opdracht is vereist .
De aanbestedende dienst kan dus de gegevens die kunnen worden afgeleid uit het bewijs van inschrijving, dat een vermoeden van geschiktheid oplevert, waarderen en soeverein tot de conclusie komen, dat de eigen middelen en het gemiddelde personeelsbestand niet beantwoorden aan de minimumeisen waaraan een aannemer moet voldoen om geschikt te zijn voor een bepaalde opdracht . De aanbestedende dienst kan dus het vermoeden van geschiktheid weerleggen . Aangezien voor de Belgische aannemers dezelfde geschiktheidseisen gelden, kan niet worden gesproken van discriminatie .
Om al deze redenen geef ik het Hof in overweging, de derde vraag te beantwoorden in de bewoordingen die de Commissie heeft voorgesteld :
"Artikel 28, lid 3, tweede alinea, van richtlijn*71/305 van 26 juli 1971 betreffende de cooerdinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, verbiedt de Lid-Staten de gegevens welke uit de inschrijving van een aannemer op een officiële lijst van erkende aannemers kunnen worden afgeleid, in twijfel te trekken; wel mogen de Lid-Staten nagaan, of de criteria voor inschrijving op een officiële lijst even talrijk en streng zijn als de criteria waaraan de op hun eigen grondgebied gevestigde aannemers moeten voldoen om te worden erkend .
Artikel*28, lid*3, eerste alinea, bepaalt, binnen welke grenzen de inschrijving op een dergelijke lijst een vermoeden van geschiktheid oplevert; voor het overige behoudt de aanbestedende dienst zijn beoordelingsbevoegdheid .
De artikelen 25, 26, sub d, en 28 van de richtlijn verzetten zich er niet tegen, dat een aanbesteder van een in een andere Lid-Staat gevestigde aannemer het bewijs verlangt, dat hij beschikt over het door de nationale wetgeving van alle inschrijvers zonder onderscheid vereiste minimumbedrag aan eigen middelen en het minimumaantal arbeiders en kaderleden, ook indien die aannemer in de Lid-Staat waar hij is gevestigd, is erkend in een klasse welke overeenkomt met die welke wegens de omvang van de aan te besteden werken door bedoelde nationale wetgeving wordt verlangd ."
(*) Procestaal:*Frans .
( 1)*PB*1971, L*185, blz.*5 .
( 2)*PB*1971, L*185, blz.*1 .
( 3)*Gepubliceerd door het Economisch en Social Comité in het kader van zijn advies*65/187/EEG ( PB*1965, blz.*929 ).
( 4)*Arrest van 10*februari 1982, zaak*76/81, Transporoute, Jurispr.*1982, blz.*417, r.o.*9 .
( 5)*Er staat ten onrechte "artikelen 23 en 26"; in artikel*27 is sprake van de "artikelen*23 tot en met 26 ".
( 6)*Uittreksel uit een brief door de Raad van State aangehaald in zijn arrest van 15*januari 1986, in de zaak CEI, blz.*2 .
( 7)*Dat dit een van de oogmerken van het criterium is, valt af te leiden uit de toelichting op de voorbereidende werkzaamheden van de besluitwet van 3*februari 1947, Pasinomie*1947, blz.*72 ( aangehaald op blz.*9 van de opmerkingen van het Wegenfonds ).
Full & Egal Universal Law Academy