Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In de twee gevoegde zaken waarin ik thans conclusie neem, gaat het allereerst om de vraag of het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is voor beroepen gericht tegen verordeningen van de Raad in een vorm die deze hebben gekregen door de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassingen van de Verdragen .
2 . Het gaat bij de twee verzoeksters en de hen ondersteunende interveniënte om de destijds enige producenten van isoglucose in Spanje . Deze ondernemingen zijn van mening, dat zij ten opzichte van de overige isoglucoseproducenten in de Gemeenschap en ook ten opzichte van de Spaanse suikerproducenten worden gediscrimineerd . Daarom strekt hun beroep in de eerste plaats tot nietigverklaring van de bepalingen waarbij de produktiequota zijn vastgesteld, alsmede tot toekenning van redelijke quota; subsidiair vorderen zij vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden .
3 . De Raad van de Europese Gemeenschappen, verweerder, evenals de Commissie en de Asociación General de Fabricantes de Azucar de España ( de vereniging van Spaanse suikerproducenten ), die zich aan de zijde van de Raad in het geding hebben gevoegd, zijn van mening, dat het hier niet gaat om een handeling die vatbaar is voor beroep op grond van artikel 173 EEG-Verdrag . De bestreden rechtsregels zouden niet door een gemeenschapsinstelling zijn vastgesteld, maar door de oude en nieuwe Lid-Staten gezamenlijk . Omdat zij onderdeel uitmaken van een bijlage bij de Toetredingsakte, een volkenrechtelijk verdrag, zouden zij tot het primaire en niet tot het afgeleide recht behoren .
4 . Bovendien zou het bij de bestreden normen om algemene rechtsregels gaan, en niet om beschikkingen waardoor verzoeksters rechtstreeks en individueel worden geraakt .
5 . De Raad heeft het Hof derhalve verzocht, vooraf te beslissen over de ontvankelijkheid van de beroepen en deze niet-ontvankelijk te verklaren .
6 . Dienovereenkomstig vragen verzoeksters, de door verweerder opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen en de beroepen ontvankelijk te verklaren .
7 . Naar hun mening volgt uit artikel 8 Toetredingsakte, dat ook de door de Toetredingsakte gewijzigde bepalingen van de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt bepalingen van afgeleid recht zijn gebleven, die onder meer onderworpen zijn aan de normale regels betreffende de rechterlijke controle . Deze bepalingen zouden beschouwd moeten worden als tot verzoeksters gerichte individuele beschikkingen, aangezien het bij de drie Spaanse isoglucoseproducenten gaat om een naar aantal vaststaande groep van marktdeelnemers .
8 . Aangezien de Toetredingsakte - en in het bijzonder de daarin vervatte bepalingen tot wijziging van afgeleid recht - moet worden beschouwd als een rechtshandeling van de Raad, zou de vordering tot schadevergoeding overeenkomstig artikel 215 EEG-Verdrag eveneens ontvankelijk zijn .
9 . Bij beschikking van 26 maart 1987 heeft het Hof het verzoek van verweerder om vooraf te beslissen over de ontvankelijkheid van de beroepen, ingewilligd en de mondelinge behandeling voorshands beperkt tot de kwestie van de ontvankelijkheid .
10 . Ik zal hierna ingaan op wat partijen en interveniënten in concreto hebben aangevoerd; voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Discussie
I - Het beroep tot nietigverklaring
11 . Het lijkt inderdaad gewaagd van verzoeksters om ervan uit te gaan, dat een regeling die door de huidige Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap is vastgesteld in de vorm van een volkenrechtelijk verdrag, te weten een bijlage bij een toetredingsakte, in werkelijkheid een individuele beschikking van afgeleid recht is, die als handeling van een gemeenschapsinstelling krachtens artikel 173, lid 2, EEG-Verdrag kan worden aangevochten .
12 . Om ons hierover een oordeel te kunnen vormen, zullen wij eerst moeten nagaan wat het rechtskarakter is van bijlage I bij de Toetredingsakte, vervolgens of de genoemde bepaling van bijlage I aan één van de instellingen in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag kan worden toegeschreven, en ten slotte, inhoudelijk, of het bij de bestreden bepaling, te weten artikel 24 van verordening nr . 1785/81 ( 1 ), in de versie van artikel 26 Toetredingsakte ( 2 ) in samenhang met bijlage I, hoofdstuk XIV, sub c, nr . 2, werkelijk gaat om een verzoeksters rakende individuele beschikking .
a ) Het rechtskarakter van de bepaling
13 . Eén van de voornaamste punten in de voor het Hof gevoerde discussie was de vraag, of de omstreden wijziging van de marktordening voor suiker door de Lid-Staten vastgesteld primair recht is dan wel afgeleid recht . De Raad was uiteindelijk van mening, dat het bij die wijziging gaat om een wetgevende handeling van de Lid-Staten in het kader van een toetredingsakte en dus om een rechtsnorm van dezelfde rang als de oorspronkelijke Verdragen . Volgens de Raad kan het Hof de wettigheid van een dergelijke rechtsnorm niet toetsen, aangezien het enkel bevoegd is de wettigheid na te gaan van handelingen van de in artikel 173 EEG-Verdrag genoemde instellingen en niet van handelingen van de Lid-Staten in het kader van artikel 237 EEG-Verdrag .
14 . Bij het onderzoek van het rechtskarakter van bijlage I bij de Toetredingsakte moet ik allereerst wijzen op artikel 237, tweede alinea, van het Verdrag . Volgens deze bepaling vormen de toetredingsvoorwaarden en de daaruit voortvloeiende aanpassing van het Verdrag het onderwerp van een akkoord tussen de Lid-Staten en de staat die om toelating verzoekt . Er wordt daar dus wel gesproken over de door de toetreding van een nieuwe Lid-Staat noodzakelijke aanpassingen van het Verdrag, maar het artikel zwijgt over de aanpassing van het door de gemeenschapsinstellingen gestelde recht .
15 . Onder de toetredingsvoorwaarden in de zin van artikel 237, tweede alinea, EEG-Verdrag zijn de tijdelijke afwijkingen van het EEG-Verdrag te begrijpen ( 3 ), en daarnaast ook de in artikel 3 en 4 Toetredingsakte vervatte verplichtingen van de nieuwe Lid-Staten om toe te treden tot bepaalde besluiten, overeenkomsten of akkoorden, alsmede hun verplichting om hun aandeel in het kapitaal van de Europese Investeringsbank te storten ( Protocol nr . 1 bij de Toetredingsakte ).
16 . Het lijkt dus uitgesloten, dat ook de wijzigingen van het afgeleide recht tot de toetredingsvoorwaarden behoren . Daarvoor pleit ook de gedachte, dat het bij de toetredingsvoorwaarden moet gaan om regelingen die niet gewijzigd of ingetrokken kunnen worden door de gemeenschapsinstellingen, maar enkel door de verdragsluitende partijen gezamenlijk, via de herzieningsprocedure van artikel 236 EEG-Verdrag .
17 . Wanneer het afgeleide recht dus wordt aangepast niet door de op grond van het EEG-Verdrag bevoegde gemeenschapsinstellingen, maar door de oude en nieuwe Lid-Staten zelf, dan bevinden wij ons in een soort juridisch grensgebied, dat in artikel 237 EEG-Verdrag niet duidelijk is geregeld . Men mag echter aannemen, dat de staten, die het recht hebben om het EEG-Verdrag zelf op een voor de toetreding noodzakelijke wijze aan te passen, ook bevoegd moeten zijn om het afgeleide recht voor zover nodig in overeenstemming te brengen met de behoeften van de Gemeenschap in haar nieuwe samenstelling .
18 . Ook al blijkt uit artikel 27 Toetredingsakte, dat het niet strikt noodzakelijk was om de aanpassingen van het afgeleide recht te laten verrichten door de Lid-Staten in plaats van door de normalerwijze bevoegde gemeenschapsinstellingen, toch zou ik de rechtmatigheid van artikel 26 Toetredingsakte in samenhang met bijlage I ervan niet in twijfel willen trekken, temeer omdat geen der partijen dit punt in het geding heeft gebracht . Wellicht was het om praktische redenen noodzakelijk die weg te volgen . Eén ding moet echter worden vastgesteld : artikel 237 EEG-Verdrag schrijft in elk geval niet duidelijk voor, dat de aanpassingen van het afgeleide recht moeten worden geregeld in een akkoord tussen de Lid-Staten en de staat die om toelating verzoekt . Artikel 237 laat deze vraag veeleer open .
19 . Ook wanneer men de beschreven wijzigingen tot het primaire gemeenschapsrecht rekende, zou daarmee nog niets zijn gezegd over de vraag of alle primairrechtelijke bepalingen werkelijk dezelfde rang in de hiërarchie van gemeenschapnormen hebben . Omdat het bij de toetredingsverdragen uiteindelijk gaat om overeenkomsten waardoor nieuwe staten in een reeds bestaande Gemeenschap worden opgenomen, is het denkbaar dat die verdragen enkel de noodzakelijke technische aanpassingen van het bestaande gemeenschapsrecht zouden mogen bevatten, zonder het karakter van de Gemeenschap wezenlijk te wijzigen . Een dergelijke wijziging zou dan volgens de procedure van artikel 236 EEG-Verdrag moeten plaatsvinden . Het is dus niet uitgesloten, dat de Lid-Staten zelf met het Verdrag strijdig primair recht zouden kunnen vaststellen, dat dan wel aan rechterlijke controle onderworpen zou moeten zijn, en dit niet alleen bij wege van uitlegging, zoals het Hof dat voortdurend doet in de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag ( 4 ), maar ook - zij het hoofdzakelijk op grond van artikel 164 - in een rechtstreeks-beroepprocedure .
20 . Laat ons nu de Toetredingsakte zelf bezien . Volgens artikel 6 kunnen de bepalingen ervan, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de in de oorspronkelijke Verdragen voorziene procedures voor herziening van die Verdragen, in casu dus door toepassing van de procedure van artikel 236 EEG-Verdrag . De artikelen 7 en 8 Toetredingsakte bevatten dergelijke in artikel 6 voorziene uitzonderingen . Volgens deze bepalingen behouden de door de gemeenschapsinstellingen genomen besluiten waarop de in de Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor die besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing ( artikel 7 ). Daarentegen verkrijgen de bepalingen van de Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de gemeenschapsinstellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn zij onderworpen aan dezelfde regels als laatstbedoelde bepalingen ( artikel 8 ).
21 . Aangezien de wijziging van de ordening van de suikermarkt door artikel 26 Toetredingsakte juncto bijlage I, hoofdstuk XIV, sub c ), nr . 2, een blijvende wijziging is ( 5 ), moet het rechtskarakter van deze wijziging worden bepaald aan de hand van artikel 8 Toetredingsakte .
22 . Wat dit artikel 8 betreft, kan ik mij niet vinden in de door de Raad en de Commissie gehuldigde opvatting, dat het een zuiver procedurevoorschrift is . Daartegen pleit de duidelijke tekst van deze bepaling, waarin zowel van het rechtskarakter van de gewijzigde bepalingen van de Toetredingsakte als van de daarop toe te passen regels wordt gesproken . Bij de toepasselijke regels kan het eventueel nog om procedurevoorschriften gaan, maar het lijkt mij uitgesloten, de verklaring omtrent hun rechtskarakter een materiële inhoud te ontzeggen . Bovendien, zelfs wanneer men aan de passage over de toepasselijke regels een zuiver procedurele betekenis toekent, kan ik mij nog niet aansluiten bij de restrictieve opvatting van de Raad, dat het hierbij slechts zou gaan om regels voor latere wijziging van het door de Toetredingsakte gewijzigde afgeleide recht . Uiteindelijk zou men toch ook de regels inzake de wettigheidscontrole tot de procedureregels kunnen rekenen .
23 . Ook al is het strikt logisch niet ondenkbaar dat in een regeling zoals een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt sommige bepalingen een hogere rang in de hiërarchie van normen hebben ( 6 ), de systematiek van de artikelen 6-9 Toetredingsakte pleit voor een andere uitlegging .
24 . Het stond de verdragsluitende partijen vrij om de basisregeling van artikel 6 Toetredingsakte - dat de bepalingen van deze Akte uitsluitend door middel van de procedures voor verdragswijziging gewijzigd kunnen worden - uit te breiden tot de bepalingen tot wijziging van het afgeleide recht . Dit echter hebben de Lid-Staten nu juist niet gedaan en in plaats daarvan hebben zij in de artikelen 7 en 8 de genoemde uitzonderingen op die hoofdregel vastgesteld . Welke betekenis men dus ook toekent aan de gedurende de toetredingsonderhandelingen in het afgeleide recht aangebrachte wijzigingen, men mag niet aannemen dat die wijzigingen behoren tot de "toelatingsvoorwaarden" ( in ruime zin ), die enkel kunnen worden gewijzigd via de zwaardere procedure tot herziening van het Verdrag - of, in de woorden van het Hof, "het handvest waarop de Gemeenschap is gegrond" ( 7 ) -, dus met eenparigheid van stemmen en met bekrachtiging door de nationale parlementen .
25 . Aangezien dus noch artikel 237 EEG-Verdrag noch de inhoud van de Toetredingsakte Spanje en Portugal nopen tot de conclusie, dat alle in die Akte opgenomen bepalingen primairrechtelijke normen zijn, en de formulering van de Akte eerder op het tegendeel wijst, concludeer ik dat artikel 24 van de verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, ook zoals geformuleerd in de Toetredingsakte, tenminste formeel als een norm van afgeleid recht is aan te merken .
b ) Handeling van een gemeenschapsinstelling
26 . Wij zullen nu moeten onderzoeken, of wettigheidscontrole van de aldus gewijzigde bepaling betreffende de marktordening voor suiker is uitgesloten omdat het formeel geen handeling betreft van de Raad als één van de in artikel 173 genoemde gemeenschapsinstellingen, maar van de oude en nieuwe Lid-Staten gezamenlijk .
27 . Nu wij hebben vastgesteld dat het bij de aanpassing van het afgeleide recht door artikel 26 Toetredingsakte gaat om handelingen van de Lid-Staten in plaats van de door het EEG-Verdrag aangewezen instellingen, in casu de Raad, dat voorts aanpassingen van handelingen van de instellingen door de Toetredingsakte hetzelfde rechtskarakter hebben als de gewijzigde bepalingen, en dat ten slotte de aanpassingen onderworpen zijn aan dezelfde regels als de gewijzigde bepalingen, dan moet daaruit worden geconcludeerd, dat elk der door de Toetredingsakte gewijzigde rechtshandelingen moet worden toegerekend aan de gemeenschapsinstelling die de oorspronkelijke handeling heeft verricht . Het is weliswaar ook denkbaar om in een vergelijkbare rechtssituatie rechtsbescherming te bieden door de mogelijkheid van een beroep, in te stellen tegen alle Lid-Staten van de Gemeenschap te zamen, maar aan de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag zou nog wel meer twijfel rijzen, vooral omdat het stelsel van rechtsbescherming van het EEG-Verdrag niet voorziet in een beroep van een particulier tegen een Lid-Staat . Aanvaardt men echter dat de Lid-Staten in de plaats treden van de tot vaststelling van afgeleid recht bevoegde gemeenschapsinstellingen, dan moet men daaruit ook de consequenties trekken voor de rechtsbescherming, die volgens het arrest van 23 april 1986 in zaak 294/83 ( reeds aangehaald ) in een rechtsgemeenschap zoals de Europese Economische Gemeenschap alle mogelijke situaties omvat .
28 . Voorlopig kom ik dus tot de conclusie, dat de beroepen tot nietigverklaring niet afstuiten op de omstandigheid dat zij zijn gericht tegen rechtshandelingen waarvan de concrete vorm door de Lid-Staten in het kader van de Toetredingsakte is vastgesteld .
c ) Het geraakt zijn van verzoeksters
29 . Rest nog de vraag, of voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag . Aangezien verzoeksters opkomen tegen artikel 24 van verordening nr . 1785/81 is hun beroep tegen deze bepaling enkel dan ontvankelijk, wanneer zij er rechtstreeks en individueel door worden geraakt, wat zou betekenen dat die bepaling als een tot verzoeksters gerichte beschikking ware te beschouwen .
30 . Van de in 's Hofs rechtspraak ontwikkelde criteria om vast te stellen of iemand die tegen een regeling van algemene strekking opkomt, er rechtstreeks en individueel door wordt geraakt, is de een strenger dan de andere . ( 8 ) Nochtans kan in casu nauwelijks worden betwijfeld dat verzoeksters individueel worden geraakt . Weliswaar worden zij in de bestreden bepaling niet bij name genoemd, maar vaststaat dat het bij verzoeksters gaat om twee van de drie in Spanje bestaande isoglucoseproducenten . Wanneer nu artikel 24 voorschrijft dat aan iedere onderneming die in 1985 in Spanje isoglucose heeft geproduceerd, een quotum moet worden toegekend op de grondslag van haar produktie in 1983, en genoemd artikel tegelijkertijd de Spaanse basishoeveelheden vaststelt, dan wordt duidelijk dat de quota van de Spaanse isoglucoseproducenten rechtstreeks uit dit artikel 24 zijn af te leiden, zonder dat de Lid-Staat Spanje nog tussenbeide behoeft te komen . Deze conclusie vindt steun in de door verzoeksters geschilderde praktijk in een aantal Lid-Staten, die in het verleden de isoglucosequota ook niet zelf hebben vastgesteld, omdat zij meenden dat deze rechtstreeks voortvloeiden uit de marktordening voor suiker .
31 . Aan deze conclusie staat niet in de weg, dat de Lid-Staten volgens artikel 25 van verordening nr . 1785/81 onder bepaalde voorwaarden quota van de ene onderneming aan de andere kunnen overdragen of quota kunnen verminderen . De mogelijkheid om quota over te dragen of te verminderen, impliceert dat zij dan al zijn vastgesteld; in artikel 24 van de verordening is dit inderdaad gedaan . Latere overdrachten of verminderingen van quota kunnen niets veranderen aan de oorspronkelijke vaststelling . Daarom is het niet relevant, dat de Spaanse regering bij besluit van 23 juni 1986 met een beroep op voornoemde artikelen 24 en 25 de produktiequota voor de drie Spaanse isoglucoseproducenten heeft vastgesteld met een geringe afwijking van de waarden die zuiver rekenkundig uit artikel 24 resulteren . Overigens is tegen de vaststelling van de quota beroep ingesteld bij de nationale rechter, zodat nog niet kan worden gezegd of zij zo zullen blijven .
32 . Mijn conclusie is dus, dat de beroepen tot nietigverklaring van artikel 24 van de verordening betreffende de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, zoals gewijzigd door de Toetredingsakte, ontvankelijk zijn .
d ) De vordering om nieuwe quota te doen vaststellen
33 . Dat geldt echter niet voor de vordering om de Raad te veroordelen tot het vaststellen van niet-discriminerende quota . In het kader van de procedure krachtens artikel 173 EEG-Verdrag heeft het Hof tot taak, de wettigheid van handelingen van de instellingen na te gaan, terwijl de instelling die de nietig verklaarde handeling heeft verricht, ingevolge artikel 176 EEG-Verdrag verplicht is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof . Het Hof zou zijn bevoegdheid te buiten gaan, wanneer het hier concrete instructies zou geven . ( 9 )
34 . Voor zover verzoeksters vorderen dat verweerder zal worden veroordeeld om niet-discriminerende quota vast te stellen, zijn zij dus niet-ontvankelijk .
II - De vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 215 EEG-Verdrag
35 . Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag kan ik kort zijn . Tegen de ontvankelijkheid van die vorderingen is als belangrijkste argument aangevoerd, dat het hier niet gaat om een handeling van een gemeenschapsinstelling, maar om een handeling van de Lid-Staten .
36 . Nu wij echter uit artikel 8 Toetredingsakte de conclusie hebben getrokken, dat de marktordening voor suiker, ook in de door de Toetredingsakte eraan gegeven vorm, aan de Raad moet worden toegeschreven, ligt het voor de hand de Gemeenschap voor dit "fictieve" handelen van de Raad aansprakelijk te stellen . Enkel indien men niet van een fictief handelen van de Raad wil weten, zou onderzocht moeten worden of de Gemeenschap niet ook aansprakelijk is voor handelingen van de "instelling" "gezamenlijk handelende Lid-Staten ". Ten slotte kan de aansprakelijkheid van de Gemeenschap niet ervan afhangen, welke instelling toevallig voor de Gemeenschap heeft gehandeld; de aansprakelijkheid voor verkeerde gedragingen ligt immers niet bij de instellingen zelf, maar bij de Gemeenschap als rechtspersoon . Omdat een handelen van de Lid-Staten namens de Gemeenschap geen volledig onbekend verschijnsel is - men denke maar aan de maatregelen die in de verschillende Toetredingsaktes zijn neergelegd, of aan de procedure voor de benoeming van de leden van de gemeenschapsinstellingen -, zou de aansprakelijkheid van de Gemeenschap ook moeten worden aanvaard ten aanzien van andere "instellingen" dan de in het vijfde deel van het EEG-Verdrag uitdrukkelijk genoemde .
37 . Mijns inziens zijn dus ook de enkel subsidiair ingestelde schadevorderingen ontvankelijk .
38 . Wanneer ik u dus in overweging geef, de beroepen in ruime mate ontvankelijk te verklaren, dan is dat volledig in de lijn van 's Hofs recente rechtspraak . In dit verband moet namelijk worden beklemtoond dat, zoals het Hof vaststelde in zijn arrest van 23 april 1986 in zaak 294/83 ( reeds aangehaald ), "de Europese Economische Gemeenschap een rechtsgemeenschap is in die zin, dat noch haar Lid-Staten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest waarop de Gemeenschap is gegrond, namelijk het Verdrag ". 7 Hoewel die uitspraak enkel betrekking had op een handeling van het Europees Parlement, zie ik ze toch als een algemene conclusie, die zowel de rechtsgemeenschap van de Europese Economische Gemeenschap als haar systeem van rechtsbescherming karakteriseert . Daarom zou deze gedachte ook moeten gelden wanneer de Lid-Staten hebben gehandeld in plaats van de eigenlijk bevoegde gemeenschapsinstellingen .
C - Conclusie
Concluderend geef ik in overweging, over de door verweerder opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te beslissen als volgt :
"1 ) De beroepen tot nietigverklaring en de subsidiair ingestelde vordering tot schadevergoeding zijn ontvankelijk .
2 ) De vordering om verweerder te veroordelen tot het vaststellen van niet-discriminerende produktiequota, is niet-ontvankelijk .
3 ) De beslissing over de kosten wordt aangehouden ."
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1981, L 177, blz . 4 .
( 2 ) PB 1986, L 302, blz . 23 .
( 3 ) Zie de opmerkingen van de Commissie in zaak 93/78 ( arrest van 22 november 1978, Lothar Mattheus, Jurispr . 1978, blz . 2203, 2208 ).
( 4 ) Over de uitlegging van een toetredingsakte, zie het arrest van 29 mei 1974 ( zaak 185/73, Koenig, Jurispr . 1974, blz . 607, 616 en volgende ).
( 5 ) De beperkte geldigheidsduur van deze regeling ( van maart tot juli 1986 ) vloeide voort uit artikel 394 Toetredingsakte, waarbij de toepassing van de gemeenschapsregeling inzake de produktie van en de handel in landbouwprodukten tot 1 maart 1986 werd uitgesteld, en uit artikel 23 van de verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening voor suiker, volgens hetwelk de artikelen 24-32 van die verordening slechts golden tot het einde van het verkoopseizoen 1985/1986 .
( 6 ) Zo kunnen naar Oostenrijks recht sommige bepalingen van een normale wet het karakter van een grondwettelijke bepaling hebben; ingevolge artikel 44 van het Oostenrijkste Bundes-Verfassungsgesetz 1920 kan dit echter enkel op grond van een uitdrukkelijke bepaling .
( 7 ) Zie het arrest van 23 april 1986 ( zaak 294/83, Les Verts, Jurispr . 1986, blz . 1339, r.o . 23 ).
( 8 ) Zie de arresten van 14 december 1962 ( gevoegde zaken 16 en 17/62, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes, Jurispr . 1962, blz . 941 ), 5 mei 1977 ( zaak 101/76, Scholten Honig, Jurispr . 1977, blz . 797 ), 4 juli 1983 ( zaak 231/82, Spijker Kwasten, Jurispr . 1983, blz . 2559 ).
( 9 ) Zie laatstelijk het arrest van 17 november 1987 ( gevoegde zaken 142 en 156/84, British American Tobacco Company Ltd en anderen, Jurispr . 1987, blz . 4487, r.o . 13 ).
Full & Egal Universal Law Academy