Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het eerste van de vijf beroepen waarin ik vandaag conclusie neem, dat Stahlwerke Peine-Salzgitter heeft ingesteld tegen de Commissie ( zaak 33/86 ), strekt tot nietigverklaring van artikel 5 van beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie ( 1 ) tot verlenging van het quotastelsel, omdat daarin niet is voorzien in de mogelijkheid van een billijke aanpassing van het deel van de produktiequota, dat binnen de gemeenschappelijke markt kan worden geleverd, voor ondernemingen waarvan dat gedeelte ( ook wel leveringsquotum genoemd ) aanzienlijk onder het communautaire gemiddelde ligt . Hoogovens Groep BV intervenieert ter ondersteuning van de conclusies van Peine-Salzgitter .
2 . De beroepen van Peine-Salzgitter in de zaken 44 en 110/86 strekken tot nietigverklaring van de individuele beschikkingen van de Commissie, houdende vaststelling van de leveringsquota van die onderneming voor het eerste en het tweede kwartaal van 1986 . De zaken 226 en 285/86 ten slotte betreffen twee beroepen die door Hoogovens Groep BV zijn ingesteld tegen de aan die onderneming voor het derde en vierde kwartaal 1986 toegekende quota . De verzoeksters beroepen zich bij wege van incident op de onwettigheid van beschikking nr . 3485/85/EGKS .
I - De ontvankelijkheid van het beroep in zaak 33/86
3 . De Commissie concludeert primair, dat het door Peine-Salzgitter tegen de algemene beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard . Zij betoogt, dat zij wegens het ontbreken van de instemming van de Raad niet over enige discretionaire bevoegdheid beschikte, zodat er geen sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid harerzijds .
4 . Voor de ontvankelijkheid van dit middel is echter reeds voldoende, dat het uitdrukkelijk wordt aangevoerd en dat op relevante wijze de redenen worden vermeld op grond waarvan volgens verzoekster sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid jegens haar . Het bewijs dat er werkelijk misbruik van bevoegdheid is gepleegd, dient bij het onderzoek ten gronde te worden bezien . ( 2 ) Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan .
II - Ten gronde
5 . Op 25 september 1985 richtte de Commissie tot de Raad een mededeling inzake de "invoering van een systeem van produktiequota krachtens artikel 58 van het EGKS-Verdrag na 31 december 1985" (( doc . COM(85 ) 509 def .)).
6 . In die mededeling stelde de Commissie :
"VII . ...
2 ) Aangezien de handelsstromen in de ijzer - en staalsector tussen de Gemeenschap en de rest van de markt sinds de invoering van de quotaregeling ingrijpende veranderingen hebben ondergaan, moet tevens de positie worden herzien van die bedrijven waarbij de verhouding tussen het deel van de produktiequota dat bestemd is om in de Gemeenschap te worden afgezet en de produktiequota voor alle onder de regeling vallende produkten zeer aanzienlijk onder het communautaire gemiddelde ligt .
Deze historisch bepaalde situatie beantwoordt niet meer aan de doelstellingen van het communautaire ijzer - en staalbeleid en de Commissie is voornemens om bovengenoemde verhouding voor de produktie van elk afzonderlijk bedrijf terug te brengen tot een waarde die niet meer dan 10 percentpunten onder het communautaire gemiddelde ligt, indien dit tot dusver niet het geval was .
VIII . Behalve deze volstrekt noodzakelijke aanpassingen ..."
7 . In antwoord op een hem door het Hof gestelde vraag, deelde de Raad mee, dat hij niet had ingestemd met dit onderdeel van de mededeling van de Commissie . Voor deze weigering heeft de Raad geen redenen gegeven .
8 . In aansluiting op de mededeling stelde de Commissie beschikking nr . 3485/85/EGKS vast, die niet een dergelijke bepaling bevat .
9 . Naar aanleiding van de onderhavige beroepen rijzen twee belangrijke problemen :
- was de Commissie bevoegd, de bedoelde bepaling vast te stellen zonder de instemming van de Raad?
Subsidiair :
- indien de instemming vereist was, kunnen en moeten de bestreden beschikkingen dan toch worden nietig verklaard?
A - Was de Commissie bevoegd bedoelde bepalingen vast te stellen zonder de instemming van de Raad ?
10 . Het vraagstuk van de omvang van de bevoegdheden van de Commissie in het geval waarin door het Verdrag de instemming van de Raad wordt geëist, heeft reeds voor het Hof ter discussie gestaan .
11 . Toen de Hoge Autoriteit op eigen houtje een met instemming van de Raad vastgestelde beschikking had gewijzigd, heeft het Hof in zijn arresten van 13 juli 1965, ( zaak 111/63, Lemmerz-Werke GmbH, Jurispr . 1965, blz . 935, blz . 961/2 en zaak 37/64, Mannesmann AG, Jurispr . 1965, blz . 993, blz . 1015/1016 ) onderscheiden tussen de "grondslag zelf" en de "bestanddelen" van de in artikel 53, sub b, EGKS-Verdrag neergelegde financiële voorziening en de andere elementen van deze voorziening . Het Hof overwoog "dat er geen grond bestaat om aan te nemen, dat beschikkingen, door de Hoge Autoriteit genomen met instemming van de Raad, slechts door een nieuwe, eveneens door de Raad goedgekeurde beschikking gewijzigd zouden kunnen worden, zelfs wanneer het betreft wijzigingen van niet essentiële bestanddelen ".
12 . Met betrekking tot de rol van respectievelijk de Hoge Autoriteit en van de Raad bij de toepassing van de eerste twee leden van artikel 58 had advocaat-generaal VerLoren van Themaat gedetailleerd de verschillende wijzen onderzocht waarop die bepalingen kunnen worden uitgelegd, alsmede de dienaangaande in de rechtsleer verkondigde opvattingen ( conclusie van 26 mei 1982 in zaak 119/81, Jurispr . 1982, blz . 2627, 2658 en 2672-2677 ).
13 . Hij kwam tot de slotsom, dat de Commissie bij de uitwerking van het quotastelsel in zekere zin zelfstandig te werk gaat en dat de Raad niet alle bijzonderheden van het stelsel behoeft goed te keuren . De Raad behoeft slechts akkoord te gaan met de "fundamentele opzet" en de "hoofdlijnen" van het stelsel . Ik deel deze zienswijze volledig .
14 . Het Hof heeft zich over dit probleem uitgesproken in zijn arrest Kloeckner van 11 mei 1983 ( zaak 244/81, Jurispr . 1983, blz . 1451 en blz . 1477 ). Na erop te hebben gewezen dat wanneer bepaalde voorwaarden zijn vervuld, de Commissie verplicht is een stelsel van produktiequota in te voeren, overwoog het Hof :
"De bevoegdheid tot het nemen van passende maatregelen wordt in artikel 58 aan de Commissie voorbehouden, met dien verstande evenwel dat zij slechts na 'instemming' van de Raad kan optreden .
Deze in artikel 58 voorziene vorm van overleg tussen Commissie en Raad wordt niet nader uitgewerkt . Het ligt derhalve op de weg van de beide instellingen om, in gemeen overleg en met eerbiediging van wederzijdse bevoegdheden, tot bepaalde samenwerkingsvormen te komen . Aan de in artikel 58 gestelde eisen is dan ook voldaan, wanneer bedoelde samenwerking ertoe leidt dat de Raad met de 'quotaregeling' die de Commissie zich voorstelt in te voeren, akkoord gaat, waartoe door beide instellingen geen in bijzonderheden uitgewerkte ontwerp-beschikking behoeft te worden besproken" ( r.o . 10 en 11 van het arrest ).
15 . Ik geloof dat men inderdaad uit de aangehaalde arresten kan afleiden, dat volgens het Hof eveneens de Raad slechts met de wezenlijke bestanddelen van de regeling moet instemmen, en dat de Commissie krachtens haar eigen bevoegdheden gerechtigd is, alle andere onderdelen ervan te regelen . Het is niet zo, dat de Commissie enkel tot taak heeft regels die de Raad tot in de kleinste details heeft vastgesteld, in de vorm van artikelen te gieten .
16 . Lid 2 van artikel 58 bepaalt namelijk :
"De Hoge Autoriteit stelt, op grondslag van de in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen gemaakte studies, de quota op een billijke grondslag vast, daarbij rekening houdend met de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 ."
17 . Het quotastelsel mag niet van dien aard zijn, dat het de Hoge Autoriteit belet, zich van die taak te kwijten . Het moet de Hoge Autoriteit voldoende beslissingsbevoegdheid laten om rekening te kunnen houden met hardheidsgevallen, dat wil zeggen te harde gevolgen die het louter en alleen toepassen van het algemene stelsel in bepaalde bijzondere gevallen zou kunnen meebrengen en om in geval van onvoorziene gebeurtenissen passende maatregelen te kunnen nemen . De Commissie moet vrij zijn om in de algemene beschikking bepalingen daartoe op te nemen .
18 . Ik geloof niet, dat de Commissie deze problemen geval voor geval rechtstreeks op grond van artikel 58 zou moeten beslissen . Het is wel aan te bevelen dat zij zelf gedragsregels en criteria dienaangaande vaststelt en deze opneemt in de tekst van de beschikking waarbij het quotastelsel wordt ingevoerd of verlengd .
19 . In deze beschikkingen moeten dunkt mij derhalve twee soorten bepalingen staan : die welke de wezenlijke bestanddelen van dit stelsel uitmaken en zijn vastgesteld na instemming van de Raad, en die welke door de Commissie krachtens haar eigen bevoegdheden zijn vastgesteld of hadden kunnen worden vastgesteld . Tot de laatste groep behoren onder meer de billijkheids - en flexibiliteitsbepalingen, zoals de artikelen 14 en volgende van de onderhavige beschikking .
20 . Een van de door de Commissie krachtens haar eigen bevoegdheden vastgestelde bepalingen is artikel 18, lid 1, dat meer is dan een billijkheids - of flexibiliteitsbepaling . Het luidt als volgt :
"Indien zich op de ijzer - en staalmarkt ingrijpende wijzigingen voordoen of de toepassing van deze beschikking op onvoorziene moeilijkheden stuit, brengt de Commissie langs de weg van een algemene beschikking de vereiste aanpassing aan ."
Deze bepaling bestaat al sedert de tweede quota-beschikking, dat wil zeggen beschikking nr . 1831/81 van 24 juni 1981 ( PB 1981, L 180, blz . 1 ). De eerste beschikking ( nr . 2794/80 van 31 oktober 1980, PB 1980, L 291, blz . 1 ) bevatte zelf ook een artikel waarin werd voorzien, dat de Commissie de bepalingen van de beschikking kon aanpassen, zij het op verzoek van een onderneming en uitsluitend in geval van uitzonderlijke moeilijkheden ( artikel 14 ).
21 . Artikel 18, lid 1, doet zich op het eerste gezicht voor als een machtigingsvoorschrift . Men mag echter niet uit het oog verliezen, dat in het kader van het EGKS-Verdrag de bevoegdheid om beschikkingen met algemene strekking vast te stellen toekomt aan de Commissie en niet aan de Raad en dat de Commissie verantwoordelijk is voor de vaststelling van de quota van het bedrijfsleven .
22 . Derhalve is artikel 18, lid 1, in feite niets anders dan een bevestiging van of een herinnering aan de bevoegdheid van de Commissie krachtens het EGKS-Verdrag om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om het billijke karakter van de quota te verzekeren .
23 . Tot dusverre zijn door de Commissie op basis van deze bepaling zeventien beschikkingen vastgesteld en is tegen geen enkele van deze beschikkingen beroep ingesteld door de Raad of door een individuele Lid-Staat . Hoe groot de draagwijdte van sommige dier beschikkingen is blijkt bij voorbeeld bij lezing van de considerans van beschikking nr . 2804/81 ( PB 1981, L 278, blz . 1 ) waarbij de Commissie onder meer een verschillend verminderingspercentage voor rond betonstaal en handelsstaal en afzonderlijke quota voor de categorieën V en VI heeft ingevoerd en nieuwe mogelijkheden voor uitzonderingen op de algemene regels heeft geschapen .
24 . De enige op artikel 18 gebaseerde beschikkingen van de Commissie die door het Hof zijn nietig verklaard, zijn zulks naar aanleiding van door ondernemingen ingestelde beroepen ( zie het arrest van 21 februari 1984, gevoegde zaken 140, 146, 211 en 226/82, Walzstahl-Vereinigung en Thyssen, Jurispr . 1984, blz . 951, waarop ik nog zal terugkomen ). Noch de Raad, noch een individuele Lid-Staat heeft dus ooit voor het Hof de bevoegdheid van de Commissie in twijfel getrokken om zelfstandig te handelen indien zich op de ijzer - en staalmarkt ingrijpende wijzigingen voordoen of de toepassing van het quotastelsel op onvoorziene moeilijkheden stuit; noch heeft een hunner de wijze betwist, waarop de Commissie tot op heden de omvang van haar bevoegdheden in het kader van deze zeventien beschikkingen heeft uitgelegd .
25 . Het is de Commissie natuurlijk volstrekt niet verboden om de instemming van de Raad te vragen ten aanzien van bepalingen die onder haar eigen bevoegdheden vallen . Het is zeer begrijpelijk, dat in een situatie waarin de noodzaak van een versoepeling zich ongeveer op het einde van de geldigheidsduur van het quotastelsel doet gevoelen, de Commissie de gelegenheid van de verlengingsbeschikking wil aangrijpen om met goedvinden van de Raad nieuwe bepalingen in te voeren .
26 . Er zou evenwel sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, wanneer de Commissie zich zou vergissen op het punt van de aard van de bepalingen waarvoor instemming nodig is, en wanneer zij, bij gebreke van instemming van de Raad, niet de maatregelen zou vaststellen die haar op zichzelf noodzakelijk lijken om zich behoorlijk van haar taak - het vaststellen van de quota op een billijke grondslag - te kunnen kwijten .
27 . Nu dient derhalve te worden nagegaan, of dat in casu het geval was .
28 . In de relevante zinsnede van de door haar op 25 september 1985 tot de Raad gerichte mededeling, zette de Commissie op buitengewoon krachtige wijze uiteen, waarom het "volstrekt noodzakelijk" was de positie te herzien van de bedrijven waarbij de verhouding tussen het deel van de produktiequota dat bestemd is om in de Gemeenschap te worden afgezet en de produktiequota ( I : P relatie ) voor alle onder de regeling vallende produkten zeer aanzienlijk onder het communautaire gemiddelde lag . Zij meende dat de handelsstromen in de ijzer - en staalsector tussen de Gemeenschap en de rest van de markt sinds de invoering van het quotastelsel ingrijpende veranderingen hadden ondergaan en dat deze historisch bepaalde situatie "niet meer beantwoordt aan de doelstellingen van het communautaire ijzer - en staalbeleid ".
29 . Uit deze verklaring valt af te leiden, dat volgens de Commissie zelf de leveringsquota van de betrokken ondernemingen niet meer als billijk konden worden beschouwd .
30 . Zelfs degenen die niet de stelling zouden aanvaarden, dat artikel 18, lid 1, slechts een bevoegdheid in herinnering terugroept, die de Commissie toch al heeft, zouden dunkt mij moeten toegeven dat de Commissie, omdat zij in de overtuiging verkeerde dat er sprake was van ingrijpende wijzigingen op de ijzer - en staalmarkt in de zin van dat artikel, op grond van deze bepaling bij algemene beschikking de door deze nieuwe situatie vereiste aanpassing kon aanbrengen .
31 . Door de Commissie werd het noodzakelijk geacht "om bovengenoemde verhouding ... terug te brengen tot een waarde die niet meer dan 10 percentpunten onder het communautaire gemiddelde ligt, indien dit tot dusver niet het geval was ". Ik geloof dat deze maatregel geen der fundamentele of wezenlijke bestanddelen van het quotastelsel zou hebben aangetast . Wezenlijke bestanddelen zijn mijns inziens het beginsel zelf van los van de produktiequota staande quota die op de binnenlandse markt kunnen worden geleverd, en de berekening van die quota op basis van een bepaalde referentieperiode .
32 . Het voornemen van de Commissie om een gedeeltelijke uitzondering op die laatste regel in te voeren voor ondernemingen die zich in de hiervoor beschreven moeilijke situatie bevinden, had naar mijn mening alleen maar een uitzondering betekend die de regel bevestigt .
33 . Blijkens een tabel in het verweerschrift hebben zes ondernemingen een I : P relatie die voor één categorie produkten beneden het communautaire gemiddelde ligt, en is zulks bij drie ondernemingen voor twee categorieën het geval . Bij Peine-Salzgitter gaat het om vier categorieën . Gaat men evenwel uit van het beginsel - zoals de Commissie van plan schijnt te zijn geweest - dat een herstel van de relatie slechts zou worden toegestaan wanneer de I : P relatie van een bepaalde onderneming lager is dan het communautaire gemiddelde voor alle produkten van het stelsel ( zonder twijfel ook gemiddeld ), dan hadden deze tien ondernemingen niet alle van de maatregel hebben geprofiteerd .
34 . Evenmin kan men zich op het standpunt stellen, dat de betrokken ondernemingen een "groep van ondernemingen met bepaalde structurele kenmerken" zijn, zoals dat het geval was in de gevoegde zaken 140, 146, 211 en 226/85 ( Walzstahlwerke en Thyssen, reeds genoemd ), aangezien zij niet dezelfde specialisatie hebben .
35 . Nog minder zou men de Commissie kunnen verwijten, dat zij de procedure van artikel 14 van de beschikking heeft willen omzeilen, aangezien die voor het onderhavige probleem niet bevredigend een oplossing kan bieden .
36 . Men mag derhalve concluderen, dat de door de Commissie beoogde maatregel niet een wijziging van een wezenlijk bestanddeel van het quotastelsel vormde . De Commissie mocht krachtens haar eigen bevoegdheden te dien einde een artikel invoeren, hetzij in beschikking nr . 234/84 die tot 31 december 1985 gold, en wel met een beroep op artikel 18 van die beschikking, hetzij rechtstreeks in de nieuwe beschikking nr . 3485/85, die geldt vanaf 1 januari 1986, hetzij na die datum met een beroep op artikel 18 van die nieuwe beschikking ( dat zonder wijziging is overgenomen ).
37 . De Commissie meende, dat voor de vaststelling van de betrokken maatregel instemming vereist was; aldus vergiste zij zich echter in de omvang van haar bevoegdheden . En omdat zij in beschikking nr . 3485/85/EGKS niet heeft voorzien in de mogelijkheid om de I : P relatie aan te passen in de gevallen die, naar zij zelf erkent, onbillijk zijn, heeft de Commissie haar bevoegdheid misbruikt ten opzichte van de onderneming Peine-Salzgitter ( die zich blijkens het verweerschrift in de bedoelde situatie bevindt ).
38 . Ten slotte moet nog worden uitgemaakt of artikel 5 van de beschikking, zoals verzoekster vordert, moet worden nietig verklaard, dan wel een ander artikel of de gehele beschikking .
39 . Artikel 5 bepaalt in hoofdzaak : "De Commissie stelt per kwartaal voor elke onderneming de produktiequota vast en het gedeelte ervan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd :
- op basis van de referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden als bedoeld in artikel 4, lid 5, en in artikel 6;
- door toepassing op die referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden van de in artikel 8 bedoelde verminderingspercentages ."
40 . Nietigverklaring van deze bepaling zou dus praktisch hetzelfde gevolg hebben als nietigverklaring van de gehele beschikking . Nietigverklaring van artikel 6, dat de referentieperiodes omschrijft, zou eveneens de grondslag ontnemen aan alle individuele beschikkingen waarin quota' s worden vastgesteld . Zoals de Commissie heeft opgemerkt, had de door Peine-Salzgitter verlangde bepaling in een afzonderlijk artikel moeten worden opgenomen . Opgemerkt zij verder, dat het EGKS-Verdrag niet een aan artikel 174 EEG-Verdrag analoge bepaling bevat, op grond waarvan het Hof de gevolgen van de vernietigde verordening kan aanwijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd .
41 . Mitsdien zou ik het Hof in overweging willen geven, de volgende, aan de conclusies van verzoekster ontleende formulering te gebruiken, waarmee naar mijn mening de geldigheid op zichzelf van de algemene beschikking en van de meeste daarop gebaseerde individuele beschikkingen kan worden gehandhaafd :
"Beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie wordt nietig verklaard, voor zover op grond daarvan geen billijke leveringsquota kunnen worden vastgesteld voor ondernemingen waarvan de I : P-relatie, voor alle onder het stelsel vallende produkten, aanzienlijk onder het communautaire gemiddelde ligt ."
42 . Duidelijkheidshalve en omdat ter zake formele conclusies bij het Hof zijn ingediend, zou hieraan echter moeten worden toegevoegd, dat de individuele beschikkingen die het onderwerp zijn van de zaken 44, 110, 226 en 285/86, eveneens worden nietig verklaard .
B - Indien de instemming in casu volstrekt noodzakelijk was, wat zijn de gevolgen daarvan voor de onderhavige beroepen?
43 . Thans wil ik - subsidiair - ingaan op de tweede vraag .
44 . In zijn arrest Kloeckner van 7 juli 1982 ( zaak 119/81, Jurispr . 1982, blz . 2627 ) heeft het Hof in rechtsoverweging 6 vastgesteld dat "het verkrijgen van de instemming van de Raad een van de wezenlijke vormvoorschriften is die in het Verdrag op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven ".
45 . De Commissie kan derhalve niet een maatregel vaststellen, waaraan de Raad zijn instemming heeft onthouden . Indien voor de in de onderhavige zaken bestreden bepaling inderdaad instemming van de Raad volstrekt noodzakelijk was en indien de Commissie de maatregel heeft vastgesteld in weerwil van het ontbreken van die instemming, dan is het Hof verplicht deze nietig te verklaren, wanneer een verzoek daartoe bij hem wordt ingediend .
46 . Anderzijds kan noch een onderneming, noch de Commissie of een Lid-Staat beroep wegens nalaten instellen tegen de Raad omdat deze zijn instemming niet heeft gegeven, omdat volgens het EGKS-Verdrag slechts een beroep wegens nalaten kan worden ingesteld tegen de Hoge Autoriteit .
47 . Ten slotte kan de beraadslaging in de Raad omtrent de weigering van de instemming evenmin onderwerp zijn van een beroep tot nietigverklaring . Dergelijke beroepen, die in ieder geval niet openstaan voor ondernemingen maar uitsluitend voor Lid-Staten en de Commissie, kunnen enkel worden gegrond op onbevoegdheid of schending van wezenlijke vormvoorschriften ( artikel 38 ). Welnu, een weigering van instemming zal steeds geschieden in het kader van de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Raad om een ingewikkelde economische toestand te beoordelen .
48 . De Commissie heeft dus geen middel de Raad te verplichten, haar instemming te verlenen . Derhalve zou een beroep wegens nalaten, dat door een onderneming tegen de Commissie wordt ingesteld, omdat zij de bestreden bepaling niet in haar algemene beschikking heeft opgenomen, geen zin hebben .
49 . Wil dit zeggen dat al deze bijzondere kenmerken van het EGKS-Verdrag tot gevolg hebben dat de weigering van de Raad om in te stemmen met een bijzondere bepaling die een onderneming opgenomen zou willen zien in het quotastelsel, nooit kan worden bestreden, zelfs niet indirect ?
50 . Ik geloof van niet . Men mag namelijk niet vergeten, dat volgens artikel 31 EGKS-Verdrag "het Hof de eerbiediging van het recht verzekert bij de uitleg en toepassing van dit Verdrag en deszelfs uitvoeringsvoorschriften ". Deze bepaling alsmede het beginsel van de rechtsbescherming eisen in het bijzonder, dat het Hof de in artikel 58, lid 2, neergelegde regel volgens welke de quota moeten worden vastgesteld op een billijke grondslag, kan laten naleven .
51 . Bij bestudering van de algemene beschikking of van een individuele beschikking waarin quota worden vastgesteld, zou het Hof kunnen constateren dat dit resultaat op grond van het thans bestaande stelsel niet kan worden bereikt . Het zou zich niet behoeven te laten beïnvloeden door de vraag, of die situatie al dan niet voortvloeit uit het ontbreken van instemming van de Raad met een bijzondere bepaling die de Commissie wilde invoeren .
52 . Zo dit voor het Hof aanleiding mocht zijn om de algemene beschikking nietig te verklaren of de onwettigheid ervan vast te stellen, zou het vervolgens aan de Commissie staan, voor instemming aan de Raad een mededeling te zenden, waarin bepalingen worden voorzien, op grond waarvan zij de quota op een billijke grondslag kan vaststellen . Indien die mededeling een bepaling inhoudt die gelijk is aan die ter zake waarvan de Raad een eerste keer zijn instemming had geweigerd, zou de Raad goed moeten overwegen of een tweede weigering de meest verstandige houding zou zijn .
53 . De Commissie zou de Raad ook een oplossing kunnen voorleggen, op grond waarvan billijke quota kunnen worden vastgesteld met behulp van andere maatregelen dan die welke oorspronkelijk waren voorzien .
54 . Uit een en ander volgt, dat een nietigverklaring van de algemene beschikking en van de individuele beschikkingen in casu niet is uitgesloten, zelfs indien het Hof tot de conclusie zou komen dat de instemming van de Raad noodzakelijk was .
55 . Is een dergelijke nietigverklaring, wat de grond betreft, gerechtvaardigd ? Ter zake hebben wij hiervoor vastgesteld dat men uit de mededeling van de Commissie van 25 september 1985 kan afleiden, dat zij van mening was, dat de betrokken aanpassing noodzakelijk was om quota op een billijke grondslag te kunnen vaststellen . Verzoeksters delen die mening . Het Hof heeft de Raad gevraagd, waarom hij zijn instemming heeft geweigerd, doch de Raad heeft op die vraag niet geantwoord .
56 . Mij komt het dan ook voor, dat in de onderhavige zaak geen behoefte bestaat aan een "onderzoek door het Hof ... ( dat ) betrekking ( heeft ) op een beoordeling" door de Commissie "van de toestand die voortvloeit uit economische feiten of omstandigheden" ( artikel 33, tweede zin, EGKS-Verdrag ), aangezien die beoordeling niet door verzoeksters wordt aangevochten .
57 . Het volstaat dus dat het Hof vaststelt, dat volgens de instantie die bevoegd is ter zake van de vaststelling van de quota en volgens verzoeksters de bestreden beschikking die instantie niet in staat stelt, zich op juiste wijze van haar taak te kwijten .
58 . Met andere woorden, zelfs in het subsidiair gestelde geval dienen de algemene beschikking en de individuele beschikkingen die het onderwerp van de door Peine-Salzgitter en Hoogovens ingestelde beroepen zijn, te worden nietig verklaard .
Conclusie
59 . Om de onder punt A van deze conclusie uiteengezette redenen geef ik het Hof in overweging :
- beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 nietig te verklaren, voor zover op grond daarvan geen billijke leveringsquota kunnen worden vastgesteld voor ondernemingen waarvan de I : P-relatie, voor alle onder het stelsel vallende produkten, aanzienlijk onder het communautaire gemiddelde ligt;
- de individuele beschikkingen tot vaststelling van de quota, die het onderwerp uitmaken van de beroepen in de zaken 44, 110, 226 en 285/86, nietig te verklaren;
- verweerster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten van interveniënte in zaak 33/86 .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Beschikking van 27 november 1985 van de Commissie tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie ( PB 1985, L 340, blz . 5 ).
( 2 ) Zie met name het arrest van 21 februari 1984, gevoegde zaken 140, 146, 221 en 226/82, Walzstahl-Vereinigung en Thyssen, Jurispr . 1984, blz . 951, r.o . 18 .
Full & Egal Universal Law Academy