Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderhavige zaak vormt het vervolg van zaak 299/84, die eveneens betrekking had op een prejudicieel verzoek van het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main in het kader van hetzelfde geding tussen de firma Karl-Heinz Neumann en de Bundesanstalt fuer Landwirtschaftliche Marktordnung ( hierna : BALM ).
2 . De feiten en het juridisch kader van de zaak zijn u dus welbekend .
3 . In het arrest van 14 november 1985 in zaak 299/84 ( Jurispr . 1985, blz . 3663 ) verklaarde het Hof onder meer dat een algemeen rechtsbeginsel van de zogenoemde objectieve onbillijkheid (" sachliche Unbilligkeit ") in het gemeenschapsrecht niet bestaat .
4 . Daarmee volgde het de conclusie van de advocaat-generaal, die overigens de opvatting verdedigde dat er sprake was van een schending van het evenredigheidsbeginsel .
5 . Daar het Verwaltungsgericht van mening was dat de enige reden waarom het Hof de advocaat-generaal niet ook op dit laatste punt had gevolgd, was dat het Verwaltungsgericht geen verband had gelegd tussen de hoogte van de waarborg en het evenredigheidsbeginsel of althans geen uitdrukkelijke vraag dienaangaande had gesteld, heeft het een nieuw prejudicieel verzoek ingediend juist betrekking hebbend op de vraag, of artikel 16, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 van de Commissie ( 1 niet wegens schending van dit beginsel ongeldig is .
6 . Maar omdat de verwijzende rechter het beginsel van de objectieve onbillijkheid uitdrukkelijk als een bijzondere toepassing van het meer algemene evenredigheidsbeginsel had gekwalificeerd, heeft het Hof in het arrest van 14 november 1985 reeds in extenso onderzocht, of laatstgenoemd beginsel in zijn door het gemeenschapsrecht erkende vorm een oplossing kon bieden voor het bij de nationale rechter aanhangige geschil . Blijkens de rechtsoverwegingen 27 tot en met 33 van bedoeld arrest luidde het resultaat van dit onderzoek echter ontkennend . Op grond van het doel van het waarborgstelsel, te garanderen dat de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de koopaanvraag en de in de bepalingen van bedoelde verordening voorziene verkoopvoorwaarden door de koper worden nageleefd ( r.o . 29 ), heeft het Hof met name de opvatting van de hand gewezen dat het gedeelte van de waarborg dat niet wordt vrijgegeven, zou moeten worden berekend op basis van de door het betrokken interventiebureau geleden schade .
7 . Anders dan verzoekster in het hoofdgeding betoogt, is het Hof bij dit onderzoek uitgegaan van de concrete omstandigheden van het geval, zoals in het bijzonder blijkt uit de rechtsoverwegingen 28 en 33 van het arrest .
8 . In de onderhavige zaak behoeft het Hof dus slechts te onderzoeken, of de tweede verwijzingsbeschikking eventueel nieuwe gezichtspunten bevat . Welnu, hierin wordt voor het eerst de geldigheid van artikel 16, lid 2, van verordening nr . 2173/79 aan de orde gesteld .
9 . Bovendien legt het Verwaltungsgericht thans in het bijzonder de nadruk op het feit dat, ook al was de eerste koopovereenkomst inderdaad niet door de koper ( firma Neumann ) nagekomen, dezelfde koper ( of een zusteronderneming ) in plaats van het eerste contract - "in plaats daarvan" - en met medewerking van de verkoper, het interventiebureau BALM, voor dezelfde hoeveelheid nieuwe contracten heeft gesloten die volledig zijn nagekomen .
10 . Want als de BALM uitdrukkelijk zou hebben toegestemd in de beëindiging van de eerste overeenkomst zonder meer en in de vervanging ervan na de fatale 6 april 1981, toen de nieuwe groene koersen van kracht werden ( 2 ), rijst de vraag of hij die toestemming later nog wel kon intrekken door de voor de oorspronkelijke koopovereenkomst gestelde waarborg verbeurd te verklaren .
11 . Bij het uitwijzen van zaak 299/84 beschikte het Hof echter niet over nauwkeurige informatie over het precieze verloop van de contacten tussen de BALM en de firma Neumann of over de inhoud van eventuele afspraken over deze "vervanging ". Het moest zich daarom baseren op de beknopte mededelingen in de verwijzingsbeschikking, volgens welke de firma Neumann de BALM enkel had bericht, dat zij weigerde haar verplichting tot afname en betaling van het gekochte vlees na te komen, en vervolgens een nieuwe koopaanvraag had ingediend ( zie rechtsoverweging 8 van het arrest van 14 november 1985 ). De verwijzende rechter had nog vermeld dat "deze verplichting ( tot afname en betaling ) ook niet op andere wijze is tenietgegaan ".
12 . Indien er een "vervanging" heeft plaatsgevonden, moet het dus een eenzijdige vervanging zijn geweest .
13 . De in de nieuwe verwijzingsbeschikking verstrekte gegevens spreken dit niet tegen . Daarin staat namelijk het volgende : "Na telefonisch overleg te hebben gepleegd met functionarissen van verweerder, liet zij (( verzoekster )) door bemiddeling van de vennootschap Martin Lund GmbH bij telexberichten van 14 en 23 april 1981 het contract annuleren ." Verzoekster "diende gelijktijdig met de annulering twee nieuwe koopaanvragen in, die verweerder onder de nieuwe voorwaarden aanvaardde ". De aldus eventueel tussen partijen telefonisch overeengekomen regeling lijkt dus hoogstens te hebben bestaan in de eenzijdige beëindiging van de eerste overeenkomst door verzoekster en in de verplichting van verweerder om de hernieuwde koopaanvragen in aanmerking te nemen of zelfs te aanvaarden . Het gaat onmiskenbaar om twee opeenvolgende en gescheiden transacties . Het Verwaltungsgericht spreekt in de prejudiciële vraag overigens van "nieuwe contracten ".
14 . Uit de woorden "vervanging" en "medewerking" kan dus niet worden afgeleid, dat de overeenkomst in onderlinge overeenstemming zou zijn beëindigd . Derhalve kunnen de nieuwe overeenkomsten niet worden beschouwd als "vervangende contracten", zoals verzoekster in het hoofdgeding doet . De BALM, die in casu optrad op grond van een gemeenschapsrechtelijke bepaling, had overigens ook niet kunnen instemmen met een vervanging van het eerste contract door een nieuw contract, gepaard gaande met vrijgifte van de waarborg .
15 . Uit artikel 16, lid 1, blijkt namelijk dat, "wanneer de koper niet binnen de ... gestelde termijn de gehele in het contract bepaalde hoeveelheid van het produkt betaald heeft, ... het contract door het interventiebureau (( wordt )) geannuleerd voor de hoeveelheid die niet is betaald ".
16 . Krachtens artikel 16, lid 2, wordt bovendien de waarborg volledig verbeurd "wanneer de betaalde hoeveelheid minder dan 60% van de in het verkoopcontract vastgestelde hoeveelheid bedraagt ".
17 . In casu heeft de firma Neumann op grond van het eerste contract echter slechts 4 814 kg van een totale hoeveelheid van 40 000 kg afgenomen . ( Bij de eerste overeenkomst was er dus sprake van een begin van uitvoering ).
18 . Verzoekster in het hoofdgeding stelt echter herhaaldelijk dat de aankopen van haar of van haar zusteronderneming hebben geleid tot een vermindering van de rundvleesvoorraden van de Gemeenschap met 40 ton . Het doel van de verordening zou derhalve zijn bereikt en het zou onbillijk zijn de waarborg niet vrij te geven .
19 . Deze redenering kan niet worden aanvaard . De vermindering van de voorraden moet wel volgens de regels verlopen . Bovendien moet de waarborg niet alleen verzekeren dat de overeengekomen hoeveelheden worden afgenomen, maar ook dat de vastgestelde prijs wordt gerespecteerd . Dit is echter niet gebeurd .
20 . Gelet op het voorgaande komt de niet-nakoming van het eerste contract er dus op neer dat de firma Neumann een contractuele verplichting niet is nagekomen waarvan de waarborgregeling nu juist de naleving beoogt te garanderen ( zie rechtsoverweging 29 van het arrest van 14 november 1985 ).
21 . Ik stel voorts vast dat de nieuwe koopaanvragen eerst definitief zijn ingediend op 14 en 23 april 1981 . Volgens artikel 1, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 713/81 van de Commissie ( 3 ) begon de hier bedoelde verkoopcampagne, die voor het Duitse interventiebureau betrekking had op 4 000 ton, op 30 maart 1981 en eindigde zij op 30 april 1981 . Aangezien de koopaanvragen vanaf de publikatie van genoemde verordening, dat wil zeggen vanaf 20 maart 1981, konden worden ingediend ( de eerste aanvraag van de firma Neumann dateert van 27 maart 1981 ) en deze aanvragen "behalve in uitzonderlijke gevallen ... binnen vijf dagen na de dag van indiening ervan" werden aanvaard ( artikel 3, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 ), is het zeer waarschijnlijk dat de voorraden op de aangegeven data waren uitgeput . Het feit dat de door tussenkomst van haar zusteronderneming Martin Lund GmbH ingediende nieuwe koopaanvragen van de firma Neumann niettemin werden aanvaard, lijkt er op te wijzen dat deze aanvragen met voorrang werden behandeld alsof het de aanvraag van 27 maart 1981 betrof . Er was dus sprake van "medewerking" in die zin, dat de BALM de hoeveelheden waarop de eerste overeenkomst betrekking had, had afgezonderd en voor de firma' s Neumann en Lund had gereserveerd .
22 . Ingevolge de artikelen 2, 3 en 4 van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 worden de koopaanvragen evenwel gerangschikt naar de dag van indiening, waarbij een aanvraag uiteraard alleen maar voor behandeling in aanmerking komt, als zij is gecompleteerd met een waarborg ten gunste van het interventiebureau .
23 . In het arrest van 14 november 1985 heeft het Hof de aan de zorgvuldige handelaar geboden keuze tussen enerzijds het snel indienen van een koopaanvraag met het risico van een voordelige wijziging van de groene koers naderhand, en anderzijds het later indienen van de aanvraag met het risico dat de voorraden dan reeds zijn uitgeput, terecht tot fundamenteel uitgangspunt gemaakt van zijn oordeel, dat onder de gegeven omstandigheden de verbeurte van de waarborg niet onevenredig kon worden geacht .
24 . Want de concurrenten van de firma Neumann, die evenals deze vóór 6 april 1981 hun aanvraag hadden ingediend en de desbetreffende waarborg hadden gesteld, maar hun overeenkomst wel zijn nagekomen, zijn weliswaar met voorrang behandeld doch hebben de hogere prijs moeten betalen . Degenen die hun aanvraag eerst na 6 april 1981 hadden ingediend, konden weliswaar van een gunstiger verkoopprijs profiteren, maar alleen voor zover er nog vlees beschikbaar was .
25 . Daarentegen heeft de firma Neumann, behalve dat zij door het indienen van een nieuwe aanvraag na 6 april 1981 van een lagere verkoopprijs heeft geprofiteerd, ook een voorkeursbehandeling genoten waarop zij in beginsel geen recht meer had . Zodoende heeft zij de voordelen van beide aanvragen genoten zonder de daaraan verbonden risico' s te dragen .
26 . Per saldo heeft zij dus inderdaad een bijdrage tot het afbouwen van de rundvleesvoorraden van het Duitse interventiebureau geleverd, maar dan wel ten koste van de beginselen van gelijke toegang tot de produkten en van gelijke behandeling van de kopers, die genoemde bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 beogen te waarborgen ( zie de derde overweging van de considerans ).
27 . Onder deze omstandigheden zou eerder het vrijgeven van de waarborg onbillijk of onevenredig geweest zijn .
28 . Overigens is het juist, zoals de Commissie heeft betoogd, dat de regeling van artikel 16 van verordening nr . 2173/79 in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en dat de in deze verordening vastgestelde waarborg zeker niet als overdreven kan worden beschouwd . Wegens de zeer bijzondere situatie waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, lijken mij deze factoren hier echter geen rol te spelen .
29 . Om al deze redenen geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Verwaltungsgericht Frankfurt/Main vooral op grond van het arrest van 14 november 1985 te beantwoorden als volgt :
" Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die, gelet op het evenredigheidsbeginsel, de geldigheid kunnen aantasten van artikel 16, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 216/69 ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1)Verordening ( EEG ) nr . 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus en tot intrekking van verordening ( EEG ) nr . 216/69 ( PB 1979, L 251, blz . 12 ).
( 2)Verordening ( EEG ) nr . 850/81 van de Raad van 1 april 1981 houdende wijziging van verordening nr . 878/77 inzake de in de landbouw toe te passen wisselkoersen ( PB 1981, L 90, blz . 1 ).
( 3)Verordening ( EEG ) nr . 713/81 van de Commissie van 19 maart 1981 betreffende de verkoop, tegen vooraf forfaitair vastgestelde prijs, van bepaalde soorten rundvlees zonder been die door bepaalde interventiebureaus zijn opgeslagen ( PB 1981, L 74, blz . 27 ).
Full & Egal Universal Law Academy