Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In het onderhavige beroep vordert verzoeker, Georges*Kolivas, ambtenaar van de Commissie, nietigverklaring van de besluiten van de jury' s van de vergelijkende onderzoeken COM/LA/4/84 en COM/LA/5/84, om hem, gezien de beoordeling van zijn schriftelijke examens, niet tot de mondelinge examens toe te laten .
I - Overzicht van de feiten
2 . In november*1984 deed verzoeker de examens voor deze interne vergelijkende onderzoeken, welke waren georganiseerd met het oog op de vorming van een reserve van Griekstalige hoofdvertalers, respectievelijk reviseurs . De schriftelijke examens werden aanvankelijk nagekeken door twee externe bijzitters, beiden hoogleraar aan een Griekse universiteit .
3 . Later besloot de jury met meerderheid van stemmen, de door deze twee bijzitters voorgestelde beoordeling niet te aanvaarden, en droeg zij met eenparigheid van stemmen een externe deskundige, P.*Yannopoulos, op om een derde correctie te verrichten .
4 . In verband met de vertraging bij de correctie van de examens werd het besluit van de jury om tot een derde correctie over te gaan, meegedeeld aan de Griekse vertaalafdeling in Brussel door het toenmalige hoofd van de afdeling "Griekse vertalingen", A.*Christoyannopoulos, en aan de Griekse vertaaldienst te Luxemburg door het toenmalige hoofd van de dienst "Griekse vertalingen" aldaar, D.*Stefanidis, ten*einde het personeel gerust te stellen . Eerstgenoemde was lid van de jury' s van beide vergelijkende onderzoeken en laatstgenoemde was zijn plaatsvervanger in die jury' s .
5 . Op 13*november*1985 werd verzoeker meegedeeld, dat de jury hem, gezien de resultaten van zijn schriftelijke examens, niet tot de mondelinge examens toeliet .
6 . Op 12*februari*1986 stelde hij het onderhavige beroep in .
II - Beoordeling van de middelen van het beroep
A - Het eerste middel
7 . Verzoeker baseert zijn beroep in de eerste plaats op schending van artikel*5, derde en vierde alinea, van bijlage*III bij het Ambtenarenstatuut .
8 . Verzoeker beroept zich op het arrest van het Hof in zaak*21/65, Morina ( 1 ), en op de conclusie van advocaat-generaal C.*O.*Lenz in zaak 143/84, Vlachou ( 2 ), waaruit hij meent te kunnen afleiden, dat de jury bij vergelijkende onderzoeken op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, de beoordelingscriteria moet vaststellen voordat zij tot correctie van de schriftelijke examens en tot het mondelinge examen over gaat .
9 . In casu zou de jury de examens door twee onafhankelijke bijzitters hebben laten corrigeren en zou zij pas nadat de resultaten hiervan haar bekend waren geworden, hebben besloten om opdracht te geven tot een derde correctie door een andere bijzitter, zonder enige inlichting te geven over haar beoordeling van de eerste correcties, zelfs niet nadat verzoeker haar hierom had verzocht . Onder die omstandigheden zouden de vereiste garanties voor objectiviteit en het ontbreken van willekeur niet aanwezig zijn .
10 . Dit is de kern van het betoog waarop verzoeker zijn eerste middel doet steunen .
11 . Alvorens verder te gaan, wil ik wel zeggen dat ik het analogische argument dat verzoeker aan artikel*5, derde*en*vierde*alinea, van bijlage*III bij het Statuut wil ontlenen, niet steekhoudend acht .
12 . Immers, de derde alinea verlangt enkel, dat bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken de normen volgens welke deze stukken zullen worden beoordeeld, vooraf worden bepaald .
13 . Van een dergelijke situatie was sprake bij het vergelijkend onderzoek waarover het arrest Morina ging .
14 . Het lijdt voor mij geen twijfel, dat dit voorschrift uit de derde alinea geldt voor vergelijkende onderzoeken op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en van een examen voor zover het gaat om de vaststelling van beoordelingscriteria voor de schriftelijke bewijsstukken van de sollicitanten .
15 . Verzoeker is echter te snel met zijn beroep op de conclusie van advocaat-generaal C.*O.*Lenz in de zaak*Vlachou .
16 . Immers, wat daar wordt voorgesteld, is een analoge toepassing van de derde*alinea op de beoordeling van de toelatingsvoorwaarden voor het vergelijkend onderzoek met het oog op de opstelling van de in artikel*5, eerste*alinea, bedoelde lijst, wanneer het toelatingscriterium, dat in de kennisgeving van vergelijkend onderzoek zo is verwoord dat van de jury een waardeoordeel wordt verlangd over de opgegeven beroepskwaliteiten, moet worden aangevuld .
17 . Dat deze eis automatisch zou kunnen worden omgezet in een eventuele noodzaak voor de jury om vooraf beoordelingscriteria vast te stellen voor het schriftelijke examen, ligt echter niet zo voor de hand, tenzij de objectiviteit bij de correctie en de inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling van de sollicitanten hiervan af zou hangen .
18 . Daar komt bij, dat artikel*1, lid*1, sub*e, van bijlage*III bij het Statuut voor vergelijkende onderzoeken op grondslag van een examen enkel verlangt, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek "de aard van dit examen en de waardering der verschillende onderdelen hiervan" vermeldt, een voorwaarde waaraan in casu geheel is voldaan .
19 . Als garantie voor objectiviteit en het ontbreken van willekeur is in elk geval essentieel, dat de keuze van bevoegde en onpartijdige correctors en de omstandigheden waaronder de correctie van de examens plaatsvindt, een juiste toepassing van de "regelen der kunst" verzekeren .
20 . Afgezien daarvan staat vast, dat de Commissie ons bij haar antwoord een kopie heeft doen toekomen van het document dat zij aan alle correctors zou hebben gegeven, met "de belangrijkste criteria" die "door de jury zijn vastgesteld met betrekking tot de correcties ". De kern van verzoekers betoog komt hiermee op losse schroeven te staan .
21 . De andere argumenten die verzoeker in deze context aanvoert, houden meer verband met het derde middel ( schending van het vertrouwensbeginsel en van de beginselen van redelijkheid en billijkheid ); ik zal echter de volgorde waarin verzoeker ze plaatst, aanhouden en ze hier behandelen .
22 . Allereerst : in hoeverre wordt de geldigheid van de beslissingen van de jury beïnvloed door haar besluit om de examens opnieuw te laten nakijken door een derde bijzitter?
23 . Verzoeker stelt, dat de uitvoering van deze derde correctie in strijd was met de eerdere toezegging van de administratie om het vergelijkend onderzoek "op dezelfde wijze" te organiseren als andere, eerdere vergelijkende onderzoeken, dat wil zeggen uitsluitend met een dubbele correctie van de examens door externe bijzitters die onafhankelijk waren van de hiërachieke meerderen van de kandidaten .
24 . Laat ons dit argument nader bekijken .
25 . Laat ik beginnen met de opmerking, dat de wijze waarop de jury te werk is gegaan, in geen enkel opzicht in strijd is gekomen met de tekst van de aankondigingen van de vergelijkende onderzoeken en dat dit ook niet door verzoeker wordt gesteld . Verzoeker beroept zich enkel op een nota van 6*januari*1984 van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer aan de voorzitter van het centraal personeelscomité, waarin de directeur-generaal verwijst naar een eerder besluit van de administratie .
26 . Reeds in het arrest*Campogrande ( 3 ) verklaarde het Hof, "dat het besluit tot het houden van de vergelijkende onderzoeken zijn definitieve rechtsvorm krijgt in de aankondiging van vergelijkend onderzoek aan het personeel ". In dit zelfde arrest ( 4 ) wijst het erop, dat "de beraadslagingen van het bevoegde orgaan, zoals die zijn weergegeven in de verslagen, de duidelijke tekst van het betrokken besluit slechts terzijde vermogen te stellen, wanneer daaruit duidelijk blijkt dat het formele besluit niet verenigbaar is met hetgeen feitelijk in de beraadslagingen is vastgesteld ".
27 . Dit is hier niet het geval .
28 . Immers : a)*er zijn geen verslagen overgelegd van wat voor beraadslagingen dan ook over de wijze van uitvoering van de vergelijkende onderzoeken; b)*de nota van de directeur-generaal Personeelszaken spreekt enkel in algemene bewoordingen van een zeker besluit om een tweede reeks vergelijkende onderzoeken "op dezelfde wijze" te organiseren, zonder dit nader uit te werken; c)*de aankondigingen van de vergelijkende onderzoeken vermelden niet welke methode bij het nakijken van de examens zal worden gevolgd; d)*blijkens de instructies aan de correctors had de jury van de vergelijkende onderzoeken "besloten om externe correctors in te schakelen ( voor elk examen van de kandidaat twee ) om de onontbeerlijke objectiviteit bij de correctie te verzekeren ".
29 . Men kan de jury niet de discretionaire bevoegdheid en de vrijheid ontzeggen om in het licht van de resultaten van de twee correcties te besluiten dat een derde correctie noodzakelijk is .
30 . Immers, de onafhankelijkheid van de jury bij de organisatie van haar werkzaamheden mag niet in het gedrang komen, vooral niet wanneer het gaat om de beoordeling van de bekwaamheden of capaciteiten van de kandidaten aan de hand van een schriftelijk examen .
31 . De vaste rechtspraak van het Hof legt de nadruk op de onafhankelijkheid en de ruime discretionaire bevoegdheid van de jury' s van vergelijkende onderzoeken, zolang zij uitgaan van objectieve factoren en geen blijk geven van een duidelijke schending van de regels die voor de jurywerkzaamheden gelden . ( 5 )
32 . Zo heeft het Hof in de zaak Hoyer ( 6 ) uitgemaakt, "dat de jury in het kader van de beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt, gezien de bewoordingen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, de aard van de te bezetten post en de plaats van tewerkstelling, tot het oordeel heeft kunnen komen dat een 'goede' kennis van de Franse taal absoluut noodzakelijk was, ook al was in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omtrent het niveau van deze kennis niets bepaald ".
33 . Ook heeft het Hof in een zaak over de organisatie door de Commissie van verschillende vergelijkende onderzoeken voor een zelfde ambt ( dat van administrateur ), maar voor verschillende functies, beslist ( 7 ), dat het de taak van de jury van elk vergelijkend onderzoek was, "de wenselijkheid van een zekere harmonisatie van de examenvoorwaarden overeen (( te )) brengen met de noodzaak de kennis der kandidaten ... naar geëigende maatstaven te beoordelen" en "dat dit, in het kader van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, de eigen verantwoordelijkheid van elke jury is en wordt gewaarborgd door haar onafhankelijkheid en het statutair voorgeschreven geheim der beraadslagingen ". Onder deze omstandigheden, zo vervolgt het Hof, zijn "verschillen in waardering bij de verschillende onderzoeken ... niet slechts onvermijdelijk, maar ook rechtmatig ... zelfs in het geval van gemeenschappelijke examens, daar het hieraan toegekende belang in de ogen van de verschillende jury' s kan variëren naar gelang van de uiteenlopende bekwaamheden die nodig zijn voor het verrichten van onderscheiden werkzaamheden ".
34 . Wanneer de veronderstelling juist zou zijn, dat het niet mogelijk is om wat voor voorwaarde dan ook te wijzigen ten opzichte van vroegere vergelijkende onderzoeken, dan zou dit evidente problemen opleveren bij de organisatie van het nieuwe vergelijkend onderzoek, bij voorbeeld bij de uitwerking van het schriftelijke examen, zelfs indien men de zaak niet doordrijft tot de absurde conclusie dat de kandidaten van alle vergelijkende onderzoeken dezelfde vragen moeten beantwoorden .
35 . Er is een discrepantie tussen de memorie van antwoord van de Commissie en het juryverslag van het vergelijkend onderzoek COM/LA/4/84 wat betreft de redenen die de jury ertoe hebben gebracht om tot een derde correctie over te gaan .
36 . Immers, in haar memorie van antwoord verklaart de Commissie -*blijkbaar in navolging van een van de leden van de jury tijdens de informatieve vergadering met het personeel *-, dat deze beslissing was genomen omdat er "een groot verschil was vastgesteld tussen de beoordelingen van de twee externe correctors", terwijl uit het juryverslag blijkt, dat de reden meer in het bijzonder was, dat "de correctors" naar het oordeel van de jury "in hun beoordeling van de examens 'wel erg ruimhartig' waren geweest en dat deze beoordeling niet overeenkwam met de bij de EEG gebruikelijke kwaliteitsmaatstaven ".
37 . Deze verschillende lezingen -*die niet per se onverenigbaar zijn en die de gemachtigde van de Commissie ter terechtzitting met elkaar heeft trachten te verzoenen *- mogen vreemd lijken en een zekere besluiteloosheid verraden, doch dit kan de geldigheid van het besluit van de jury om opdracht te geven tot een derde correctie, niet "met terugwerkende kracht" aantasten .
38 . Wat de reden ook geweest moge zijn, zij kon de opvatting van de jury dragen, dat zij niet in staat was de kandidaten te rangschikken en dat een nieuwe correctie noodzakelijk was . Deze discretionaire bevoegdheid kan haar niet worden ontzegd .
39 . Na afloop van deze operatie besloot de jury, de beoordeling van de derde corrector aan te houden, wat niet zo vreemd is nu zij de resultaten van de eerste twee correcties niet betrouwbaar had geacht .
40 . Hier is de jury nog binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid gebleven, die moeten worden gerespecteerd .
41 . Daar de jury zich voor haar beslissing om kandidaten al dan niet tot het mondelinge examen toe te laten, op de indelingen op grond van de laatste correctie heeft gebaseerd, heeft de administratie deze aan verzoeker meegedeeld; mijns inziens behoefde dit niet ook te gebeuren met de beoordelingen van de eerste twee correctors, die enkel in het beslissingsproces van de jury aan de orde zijn gekomen . Verzoeker voert overigens ook niet als middel aan, dat het besluit onvoldoende met redenen is omkleed .
42 . Verder stelt verzoeker, dat de derde correctie had plaatsgevonden in aanwezigheid van enkele of alle juryleden en dus zonder waarborg voor de onafhankelijkheid en objectiviteit . In repliek stelt hij meer in het bijzonder, dat "de derde corrector -*en daarmee de jury *- het beginsel van gelijke behandeling lijkt te hebben geschonden door ermee akkoord te gaan, de examens van sommige kandidaten in aanwezigheid van leden van de jury na te kijken en de examens van andere kandidaten buiten hun aanwezigheid" ( cursivering toegevoegd ).
43 . Voor deze stelling, die met enig voorbehoud wordt geformuleerd, voert verzoeker echter geen enkel bewijs aan, en zij kan daarom ook niet worden geacht te zijn bewezen .
44 . De examens werden anders genummerd om de anonimiteit van de kandidaten te verzekeren . Volgens de Commissie is de anonimiteit pas opgeheven na de derde correctie en zijn de examens vóór deze correctie, op voorstel van de vertegenwoordiger van het Personeelscomité opnieuw genummerd, om de geheimhouding beter te kunnen verzekeren, en vervolgens alle ( met uitzondering van de Duitse ) opnieuw door de nieuwe corrector nagekeken . Verzoeker betwist dit niet .
45 . Verzoeker voert geen enkel bewijs aan voor de conclusie, dat de examens of de correctie daarvan, in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet voor alle kandidaten onder gelijke omstandigheden hebben plaatsgevonden . ( 8 )
46 . Dat blijkens het juryverslag, dat zich bij de stukken bevindt, een groep examens (( de examens*III.1.a ))) in samenwerking met de nieuwe bijzitter zijn gecorrigeerd, terwijl de examens van een andere groep (( de examens*III.1.c ))) door hem zijn gecorrigeerd, doet aan deze conclusie niet af . Immers, de jury kan zich op deze manier hebben willen vergewissen van de relevantie van de correctiecriteria en overigens blijkt ook niet, dat de examens van de verschillende kandidaten binnen elke groep verschillend zijn behandeld .
47 . Verzoeker trekt de onpartijdigheid van de derde corrector echter in twijfel omdat hij een leraar was die door de Commissie op contractbasis was aangenomen voor opleidingsacties, met een echtgenote in precies dezelfde positie, en van wie men destijds al wist, dat hij in de toekomst rechtstreeks onder een lid van de jury zou komen te werken, namelijk onder A.*Christoyannopoulos, die later naar de afdeling Opleidingen is overgeplaatst .
48 . Hiermee zou de eerdere toezegging van de administratie om de examens van de kandidaten niet aan ambtenaren van de Commissie voor te leggen, zijn geschonden .
49 . Ik kan een dergelijke formele toezegging echter niet terugvinden in de door verzoeker genoemde documenten; daarin wordt enkel gezegd, dat om een maximum aan waarborgen te scheppen was bepaald, "dat de jury' s de benoeming van externe bijzitters zouden overwegen voor de dubbele correctie van de examens en hierbij eventueel een beroep zouden doen op collega-linguïsten van andere instellingen, ten einde de nodige aansluiting bij de 'communautaire stijl' te waarborgen" ( cursivering toegevoegd ).
50 . Dit citaat vertoont veeleer de kenmerken van een inspanningsverplichting -*niet een resultaatsverplichting *- die de administratie aan de jury' s heeft opgelegd en die volgens haar eigen bewoordingen de onontbeerlijke bevoegdheid van de jury' s onverlet laat om in te spelen op de moeilijkheden waarop zij in verband met het karakter van vergelijkende onderzoeken bij hun taakvervulling zullen stuiten .
51 . Het Hof heeft er al herhaaldelijk op gewezen, dat een jury de vrijheid heeft om zich rechtmatig te laten bijstaan door bijzitters met een raadgevende stem, zolang zij "de eindcontrole op de gang van zaken en de beoordelingsbevoegdheid behoudt ". ( 9 )
52 . Aan deze voorwaarde is in casu voldaan : de jury deelde aan alle correctors de correctiecriteria mee, verzekerde de anonimiteit door de dubbele nummering van de examens en besloot op grond van een interne stemming om de rangorde van de derde corrector aan te houden .
53 . Bij de overige opmerkingen van verzoeker over de situatie van de derde bijzitter is sprake van loutere veronderstellingen, die mijns inziens niet de conclusie wettigen, dat deze niet in staat zou zijn om onafhankelijk de anonieme examens onder toezicht van een collegiale jury na te kijken .
54 . De derde bijzitter is overigens blijkens het juryverslag met algemene stemmen gekozen op voorstel van de vertegenwoordiger van het Personeelscomité .
55 . Hoewel de beslissingen van de jury in abstracto wellicht niet zijn aan te merken als de meest adequate reactie op de moeilijkheden waarmee zij te kampen had, kunnen zij niet worden gezien als toereikende aanwijzingen voor het ontbreken van onpartijdigheid of objectiviteit of als oorzaken van een schending van het beginsel van gelijke behandeling van de verschillende kandidaten onder omstandigheden die nadelig waren voor verzoeker .
56 . Verzoeker stelt, de enige kandidaat uit Brussel te zijn die voor geen van de vergelijkende onderzoeken is geslaagd . Dit volstaat op zichzelf niet voor het bewijs, dat hij ongelijk is behandeld ten opzichte van de overige kandidaten : de resultaten waren verschillend en het is zelfs niet duidelijk of verzoeker zou zijn aangenomen op grond van de eerste twee correcties .
57 . Op grond van het bovenstaande moet dit middel mijns inziens worden verworpen .
B - Het tweede middel
58 . Verzoeker acht artikel*6 van bijlage*III bij het Statuut geschonden doordat twee leden van de jury, A.*Christoyannopoulos en D.*Stefanidis het geheim van de jurywerkzaamheden hebben geschonden door hun personeel mee te delen, dat met algemene stemmen was besloten om tot een derde correctie over te gaan .
59 . Ook dit middel moet mijns inziens worden verworpen .
60 . Het Hof besliste reeds eerder ( 10 ), dat "(( de )) werkzaamheden (( van de jury )) ... geheim ( zijn ) verklaard ten einde de onafhankelijkheid en onbevangenheid der jury' s te waarborgen in dier voege dat zij tegen inmenging en druk van buitenaf, van de zijde van de communautaire overheid zelve, van de betrokken kandidaten dan wel van derden, worden beschermd ".
61 . Ik zie niet in hoe de mededeling betreffende het besluit om tot een derde correctie over te gaan, deze belangen in gevaar kan brengen .
62 . Weliswaar brengt "de eerbiediging van bedoeld geheim ... mede, dat de opvattingen der individuele juryleden niet ruchtbaar mogen worden en dat gegevens, verband houdende met de beoordelingen, de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten betreffende, niet aan de openbaarheid mogen worden prijs gegeven", aldus nog steeds het Hof ( 11 ), maar dit aspect speelt hier niet .
63 . Wel hebben de twee betrokken juryleden met de mededeling, dat de beslissing om tot een derde correctie over te gaan met eenparigheid van stemmen was genomen, impliciet aangegeven hoe alle anderen, met inbegrip van de vertegenwoordiger van het Personeelscomité, hadden gestemd .
64 . In casu valt niet in te zien, hoe dit de onafhankelijkheid en de geldigheid van het besluitvormingsproces van de jury zou kunnen aantasten .
65 . Immers deze mededeling betrof een zuiver objectief feit, dat in verband stond met de door de jury gevolgde procedure, alle kandidaten in gelijke mate betrof en niets te maken had met persoonlijke beoordelingen of onderlinge vergelijkingen van de verdiensten .
66 . "Aan de geheimhoudingsplicht mag", aldus wederom het Hof ( 12 ), "evenwel niet een zo vergaande strekking worden toegekend dat mededeling zou mogen worden geweigerd van objectieve gegevens ...".
67 . De belangen van verzoeker zijn door de in het tweede middel genoemde feit hoe dan ook in geen enkel opzicht geschaad en dit feit kan ook zijn positie ten opzichte van de andere kandidaten niet op bijzondere wijze beïnvloeden .
68 . Dit middel moet mijns inziens derhalve eveneens worden verworpen .
C - Het derde middel
69 . Verzoeker klaagt voorts, over schending van het vertrouwensbeginsel en het billijkheidsbeginsel .
70 . Het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden doordat, in strijd met advies nr.*2/76 van de paritaire commissie van 26*april*1976 en de hierop aansluitende toezegging van de administratie, twee hiërarchieke meerderen van de kandidaten zijn aangewezen om deel uit te maken van de jury' s, één als lid ( A.*Christoyannopoulos ) en één als plaatsvervangend lid ( D.*Stefanidis ).
71 . In de eerste plaats bevat het advies nr.*2/76 enkel de aanbeveling om het tot aanstelling bevoegd gezag niet in jury' s van vergelijkende onderzoeken te benoemen en om geen leden van de diensten voor wie de vergelijkende onderzoeken uitsluitend zijn bedoeld, als voorzitters aan te wijzen .
72 . Anders dan bij de eerdere vergelijkende onderzoeken ( waarbij hiërachieke meerderen van de kandidaten voorzitter van de jury' s waren ) zijn deze aanbevelingen bij de onderhavige vergelijkende onderzoeken gevolgd .
73 . Overigens moeten ook de bijzondere moeilijkheden bij de samenstelling van jury' s voor de groep van de talendienst en vooral voor de Griekse afdeling onder ogen worden gezien . Enkele leden van de paritaire commissie hadden naar aanleiding hiervan reeds gewezen op de moeilijkheden bij de toepassing op korte termijn van het beginsel om het voorzitterschap niet in handen te geven van leden van de betrokken dienst of het betrokken directoraat-generaal .
74 . Van de door verzoeker gestelde toezegging blijkt anderzijds niets uit de stukken .
75 . Veeleer het tegendeel : in een nota van 13*april*1983 van de directeur Personeelszaken aan de voorzitter van het centraal personeelscomité trekt eerstgenoemde juist duidelijk in twijfel, dat "tot zulke radicale voorwaarden voor de samenstelling van de jury' s was besloten", en geeft hij juist te kennen, dat het zijns inziens "logisch zou zijn dat één van de drie leden ( de voorzitter inbegrepen ) uit de Griekse vertaalafdeling kon komen ".
76 . Uit andere door verzoeker aangehaalde nota' s van de directeur Personeelszaken blijkt enkel van een toezegging om besprekingen te houden over de wijze waarop de vergelijkende onderzoeken zouden worden georganiseerd .
77 . Verzoeker voert overigens geen enkel wezenlijk feit aan dat steun zou kunnen bieden aan zijn verdachtmaking van twee leden van de jury, of waaruit van enige bijzondere vijandigheid jegens hem blijkt .
78 . Daar komt nog bij, dat artikel*3, derde*alinea, van bijlage*III bij het Statuut volgens de rechtspraak van het Hof ( 13 ) enkel verlangt dat, indien de juryleden ambtenaar zijn, zij ten minste dezelfde rang moeten hebben als aan het te bekleden ambt is verbonden, en niet dat zij per se tot een andere dienst behoren .
79 . Verzoeker ziet ook in het besluit om tot een derde correctie over te gaan, nog een schending van het vertrouwensbeginsel . Over dit middel heb ik mij reeds uitgesproken; ik acht het niet gegrond .
80 . Ten slotte acht verzoeker het billijkheidsbeginsel geschonden doordat de kandidaten niet in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op eventuele opmerkingen van hun hiërachieke meerderen tijdens de correctie van de examens .
81 . Het argument berust ook hier weer op een loutere veronderstelling en hecht weinig waarde aan het feit dat bij de correctie van de examens de anonimiteit van de kandidaten is verzekerd, terwijl voor het tegendeel geen enkel bewijs wordt aangevoerd .
82 . Ik concludeer derhalve ook tot verwerping van het derde middel .
III - 83 . Op grond van het bovenstaande kan ik het Hof slechts in overweging geven, het beroep te verwerpen wegens ongegrondheid van de verschillende middelen .
84 . Ik wil hier nog aan toevoegen, dat de vastgestelde discrepantie in de motiveringen voor de derde correctie verzoekers processuele positie mijns inziens niet heeft kunnen beïnvloeden en dat het gedrag van verweerster, wier kwade trouw niet is aangetoond, evenmin gevolgen heeft gehad die de toepassing van artikel*69, paragraaf*3, tweede*alinea, van het Reglement voor de procesvoering zouden kunnen rechtvaardigen .
85 . Concluderend geef ik het Hof derhalve in overweging om, met toepassing van artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering, elk der partijen de eigen kosten te laten dragen .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) Arrest van 14*december*1965, Jurispr.*1965, blz.*1334 .
( 2 ) Arrest van 6*februari*1986, Jurispr.*1986, blz.*459 .
( 3 ) Arrest van 9*oktober*1974, Jurispr.*1974, blz.*957, r.o . 66 .
( 4 ) Ibid . r.o.*67 .
( 5)*Zie arrest Campogrande ( reeds aangehaald ), op blz.*981; arrest van 14*juli*1983, zaak*144/82, Detti, Jurispr.*1983, blz.*2421, r.o.*27; arrest van 23*oktober*1986, gevoegde zaken 322*en*323/85, Hoyer, Jurispr.*1986, blz.*3215, 3224, r.o.*15*en*16 .
( 6 ) Reeds aangehaald, r.o.*15 .
( 7 ) Campogrande, reeds geciteerd, op blz.*977 en 978 .
( 8)*Zie arrest van 27*oktober*1976, zaak*130/75, Prais, Jurispr.*1976, blz.*1589, 1599 .
( 9)*Zie arresten van 16*oktober*1975, zaak 90/74, Deboek, Jurispr.*1975, blz.*1123, 1137; 26*oktober*1978, zaak*122/77, Agneessens, Jurispr.*1978, blz.*2085, 2097; 30*november*1978, gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno, Jurispr.*1978, blz.*2403, 2414 .
( 10)*Arrest van 28*februari*1980, zaak*89/79, Bonu, Jurispr.*1980, blz.*553, 562 en 563 .
( 11 ) Bonu, reeds aangehaald, blz.*563, r.o.*5 .
( 12 ) Bonu, reeds aangehaald, blz.*563, r.o.*5 .
( 13 ) Zaak*90/74, Deboek, reeds aangehaald, op blz.*1136 .
Full & Egal Universal Law Academy