Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . In het middelpunt van de zaak waarin ik heden concludeer, staat de vraag, op grond van welke verdragsbepalingen de Raad van de Europese Gemeenschappen voor 1986 de verordeningen inzake de algemene tariefpreferenties voor bepaalde industrie - respectievelijk textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden kon vaststellen, en of de Raad bij de vaststelling van die regelingen gehouden was, in de considerans van die verordeningen de verdragsbepalingen waarop hij zich had gebaseerd, specifiek te vermelden .
2 . Op 17 december 1985 stelde de Raad van de Europese Gemeenschappen, verweerder, telkens op voorstel van de Commissie, verzoekster, na advies van het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, de drie volgende verordeningen vast :
- verordening nr . 3599/85 van 17 december 1985 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor het jaar 1986 op bepaalde industrieprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden ( 1 );
- verordening nr . 3600/85 van 17 december 1985 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1986 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden ( 2 );
- verordening 3601/85 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1986 voor bepaalde landbouwprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden ( 3 ).
3 . Volgens genoemde verordeningen - waarvan de voorlopers uit 1971 dateren - kunnen voor een reeks van goederen uit ontwikkelingslanden de invoerrechten hetzij in volle omvang, hetzij in het kader van de communautaire tariefcontingenten respectievelijk communautaire plafonds, worden geschorst .
4 . Bij uitputting van de contingenten geldt automatisch weer het gemeenschappelijk douanetarief . Zodra de individuele plafonds op gemeenschapsniveau zijn bereikt, kan de heffing van invoerrechten bij invoer van de betrokken produkten weer worden ingesteld . Evenzo kan dan, zodra uit de verhoging van de invoer van produkten in het kader van een preferentiële regeling waarvoor geen plafonds of contingenten gelden, economische moeilijkheden in de Gemeenschap of in een deel van de Gemeenschap voortvloeien, tot het weer heffen van invoerrechten worden besloten . Het opnieuw instellen is echter niet toegestaan voor produkten uit de minst ontwikkelde ontwikkelingslanden .
5 . De preferentiële bedragen voor bepaalde produkten uit de meest concurrerende landen waarvoor de regeling van de tariefcontingenten geldt, worden daarentegen met 50% verminderd .
6 . De tariefcontingenten worden volgens forfaitaire quota over de Lid-Staten verdeeld, waarbij in het algemeen een eerste quotum wordt toegekend alsmede het recht om aanvullende quota uit een gemeenschapsreserve te verkrijgen .
7 . In het algemeen maken de verordeningen onderscheid naar de graad van ontwikkeling en het concurrentievermogen van de begunstigde landen, alsmede naar de "gevoeligheid" van de betrokken produkten .
8 . De essentie van de algemene tariefpreferenties bestaat derhalve in een schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, die zonder verplichting van de Gemeenschap en zonder wederkerigheidsvereiste, wordt toegekend om de invoer van bepaalde produkten uit bepaalde ontwikkelingslanden te vergemakkelijken .
9 . In internationaal verband is het stelsel van algemene preferenties terug te voeren op een initiatief van de VN-Conferentie inzake handel en ontwikkeling ( Wereldhandelsconferentie, Unctad ) uit het jaar 1964, nadat het Handvest van Havana van 1948 - dat reeds in de mogelijkheid van regionale preferenties had voorzien - niet in werking was getreden . Het beantwoordt aan de behoefte aan een nieuwe opvatting over de internationale handelsbetrekkingen tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, die aan de doelstellingen van de ontwikkelingspolitiek in het kader van de handelsbetrekkingen meer plaats moet inruimen .
10 . Reeds in een verklaring van 7 december 1961 hadden de verdragspartijen bij het GATT de innerlijke samenhang tussen ontwikkelingshulp en handel beklemtoond ( 4 ). Later vond de toekenning van tariefpreferenties ook in rechte erkenning; wegens de tegenspraak tussen de algemene preferenties en de grondbeginselen van de GATT, in het bijzonder de meestbegunstigingsclausule, werd om te beginnen in 1971 een in de tijd beperkte vrijstelling verleend . In 1979 kwam in het kader van de GATT een resolutie tot stand, waarbij de blijvende verenigbaarheid van preferenties voor ontwikkelingslanden met de GATT werd vastgesteld .
11 . Verordening nr . 3601/85 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1986 voor bepaalde landbouwprodukten - die in de onderhavige procedure niet wordt bestreden - heeft de Raad gebaseerd "op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43"; in de considerans van de verordeningen nr . 3599/85 en nr . 3600/85 komt echter alleen de zinsnede voor : "gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ".
12 . Reeds toen in 1971 voor de eerste keer algemene tariefpreferenties werden ingevoerd, had de Commissie voorgesteld om de desbetreffende verordeningen ( 5 ) op artikel 113 EEG-Verdrag te gronden . De Raad heeft zich daarbij echter niet aangesloten, maar als rechtsgrondslag enkel naar "het Verdrag" verwezen .
13 . Daar hij ook inhoudelijk van de voorstellen van de Commissie is afgeweken, heeft de Raad zijn besluitvormingsprocedure bovendien op artikel 149 EEG-Verdrag gegrond en derhalve ook om die reden met eenparigheid van stemmen besloten .
14 . De Commissie heeft in een proces-verbaal haar van de Raad afwijkende opvatting omtrent de inhoud van de preferentieregeling uiteengezet; het betrof hier in het bijzonder een sterkere differentiatie van de regeling en het beheer van de contingenten en plafonds .
15 . Verzoekster acht de door verweerder gevolgde procedure onwetmatig . Haars inziens is deze zowel in strijd met de in artikel 190 EEG-Verdrag neergelegde motiveringsplicht als met artikel 113 EEG-Verdrag, de enige mogelijke rechtsgrondslag .
16 . Onder afstand van haar recht op repliek op de conclusies van verweerder heeft verzoekster het Hof in mei 1986 krachtens artikel 55 van het Reglement voor de procesvorming verzocht, de zaak bij voorrang te berechten .
17 . Verzoekster concludeert dat het den Hove behage :
1 ) Primair :
- nietig te verklaren de verordeningen nrs . 3599/85 en 3600/85 van de Raad van 17 december 1985;
- vast te stellen dat de bepalingen van deze verordeningen nog effect zullen sorteren tot de inwerkingtreding van de ter uitvoering van het arrest van het Hof vast te stellen verordeningen;
Subsidiair :
- nietig te verklaren het besluit van de Raad van 17 december 1985, waarbij deze het voorstel van de Commissie om deze verordeningen op artikel 113 te baseren, heeft verworpen en daarvoor in de plaats de formulering "gelet op het Verdrag" heeft gebruikt .
2 ) de Raad te verwijzen in de kosten van het geding .
18 . Verweerder concludeert dat het den Hove behage :
1 ) zowel het primaire als het subsidiare verzoek af te wijzen;
2 ) verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding .
19 . Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, trekt verweerder in de eerste plaats in twijfel, of er daadwerkelijk sprake is van een geschil . Zijns inziens is het verzoekster in werkelijkheid te doen om een advies over de uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag .
20 . Verweerder twijfelt bovendien aan verzoeksters procesbelang, aangezien de verordeningen bij een nietigverklaring wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften met dezelfde inhoud opnieuw kunnen worden vastgesteld .
21 . Verweerder betreurt weliswaar dat de rechtsgrondslag van de betwiste verordeningen niet nauwkeuriger kon worden aangegeven, maar ziet daarin geen schending van wezenlijke vormvoorschriften . Wegens het met de vaststelling van verordeningen nagestreefde ontwikkelingspolitieke doel, kon artikel 113 EEG-Verdrag onmogelijk als enige rechtsgrondslag worden aanvaard . Dientengevolge moest op artikel 235 EEG-Verdrag worden teruggegrepen .
22 . Op een vraag van het Hof heeft verweerder verduidelijkt, dat hij bij de vaststelling van de verordeningen en van de formule "gelet op het Verdrag" daadwerkelijk de artikelen 113 en 235 EEG-Verdrag voor ogen heeft gehad .
23 . Op de argumenten van partijen zal ik in het kader van mijn standpuntbepaling voor zover nodig nader ingaan . Voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Standpunt
I - De ontvankelijkheid
24 . a ) Verweerder heeft een reeks argumenten tegen de ontvankelijkheid van het beroep aangevoerd . Aangezien verzoekster zich niet keert tegen de inhoud van de bestreden verordeningen, doch enkel tegen de bij de vaststelling ervan gevolgde procedure en tegen de aangegeven rechtsgrondslag, is er zijns inziens geen sprake van een werkelijk geding . Verzoekster zou het eerder te doen zijn om een advies over de uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag, dat op deze wijze echter niet kan worden verkregen . Verzoekster heeft bovendien geen procesbelang, daar verweerder bij een eventuele nietigverklaring op correcte wijze nieuwe verordeningen met dezelfde inhoud zou kunnen vaststellen .
25 . Verzoekster stelt, dat verweerder bij de vaststelling van de bestreden verordeningen ook inhoudelijk van de door haar geformuleerde voorstellen is afgeweken . Overigens behoeven haars inziens noch de gemeenschapsinstellingen noch de Lid-Staten bij het indienen van verzoeken om nietigverklaring een bijzonder procesbelang of hun procesbevoegdheid aan te tonen .
26 . b ) Artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag, dat de bevoegdheid van het Hof tot toetsing van de wettigheid van handelingen van de Raad regelt, bevat inderdaad geen aanknopingspunt voor de stelling dat de Lid-Staten, respectievelijk de Raad of de Commissie, een bijzonder procesbelang aannemelijk moeten maken wanneer zij beroep instellen . Derhalve kan volgens de bewoordingen van artikel 173 EEG-Verdrag, dat in de tweede alinea bij natuurlijke en rechtspersonen wel een procesbelang eist, van de in de eerste alinea genoemde bevoorrechte verzoekers niet het bewijs van een procesbelang worden verlangd .
27 . In zijn arresten met betrekking tot het vergelijkbare artikel 33 EGKS-Verdrag heeft het Hof dit in het arrest van 10 februari 1983 ( 6 bevestigd . Letterlijk heeft het Hof in dit arrest overwogen :
28 . "Anders dan bij de bepalingen die voorzien in beroepswegen ten behoeve van ondernemingen en verenigingen, zoals artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag, is voor de uitoefening van het vorderingsrecht van een Lid-Staat of van de Hoge Autoriteit geenszins vereist dat deze hun procesbevoegdheid of procesbelang aantonen ."
29 . Ik aarzel niet, dit ook voor het EEG-Verdrag te laten gelden . Dit ligt niet alleen voor de hand omdat het in zaak 230/81 ging om een beroep inzake de rechtsbetrekkingen tussen een Lid-Staat en het Europees Parlement op grond van de drie gemeenschapsverdragen, maar ook op grond van de volgende overwegingen .
30 . Artikel 155 EEG-Verdrag draagt de Commissie onder meer de taak op, toe te zien op de toepassing zowel van de bepalingen van het EEG-Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen . Ter uitvoering van die taak moet de Commissie derhalve ten minste beschikken over alle middelen die het EEG-Verdrag voor de handhaving van het recht geeft, in het bijzonder het recht om krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep in te stellen . Juist wegens de in artikel 155 EEG-Verdrag voorziene taak van de Commissie, mag haar beroepsrecht derhalve niet met voorbijgaan aan de bewoordingen van artikel 173 restrictief worden uitgelegd door van de Commissie te verlangen, dat zij een bijzonder procesbelang of een bijzondere procesbevoegdheid aantoont .
31 . Een restrictieve uitlegging van artikel 173 is voorts evenmin te rijmen met de arresten waarin het Hof heeft verklaard, dat de Gemeenschap een rechtsgemeenschap vormt waarin noch de Lid-Staten noch de instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het Verdrag . ( 7 ) Wanneer zelfs hieruit, te zamen met de vaststelling dat in het stelsel van het Verdrag rechtstreeks beroep openstaat tegen alle handelingen van de instellingen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen teweeg te brengen, de conclusie wordt getrokken dat ook tegen instellingen die in artikel 173 EEG-Verdrag niet worden genoemd, beroep kan worden ingesteld ( 8 ), dan moet ook een beroep van de Commissie waarmee louter de formele regelmatigheid van een besluit van de Raad aan de orde wordt gesteld, ontvankelijk zijn .
32 . Zo men van verzoekster toch nog een procesbelang mocht verlangen, kan haar dit mijns inziens in redelijkheid niet worden ontzegd . Aangezien de procedureregels van artikel 113 EEG-Verdrag - een Raadsbesluit met gekwalificeerde meerderheid - verschillen van die van artikel 235 EEG-Verdrag - een Raadsbesluit met eenparigheid van stemmen - heeft de Commissie in de respectieve procedures niet dezelfde invloed . In de procedure van artikel 235 EEG-Verdrag moet de Commissie bij de Raad een voorstel indienen waarmee alle - destijds tien, thans twaalf - Lid-Staten moeten instemmen . In de procedure van artikel 113 EEG-Verdrag is het voldoende, wanneer de Commissie een voorstel indient dat met gekwalificeerde meerderheid van de Raad, dus niet noodzakelijkerwijs van alle Lid-Staten, wordt goedgekeurd . De handelingsvrijheid van de Commissie om haar eigen ideeën over het welzijn van de Gemeenschap te verwezenlijken, is derhalve, overeenkomstig haar rol in de wetgevingsprocedure, groter in de procedure van artikel 113 EEG-Verdrag, in het bijzonder wanneer men in aanmerking neemt dat zij haar voorstellen op ieder moment kan veranderen en dus aan de ontwikkeling van de debatten in de Raad kan aanpassen; zij kan die voorstellen derhalve zodanig formuleren, dat zij voor een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad aanvaardbaar worden .
33 . Daar derhalve de vraag, of artikel 113 dan wel artikel 235 EEG-Verdrag de juiste rechtsgrondslag van de bestreden verordeningen was, ook van invloed is op de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie, kan een procesbelang haar niet worden ontzegd .
34 . Om die reden kan ik het evenmin eens zijn met verweerders opvatting, dat er in werkelijkheid geen sprake is van een geschil . Verzoekster heeft de betrokken verordeningen weliswaar niet op hun inhoud bestreden, maar in de onderhavige procedure gaat het om de vraag, welke invloed en welke bevoegdheden de verschillende gemeenschapsinstellingen hadden toen de verordeningen, over de formulering waarvan verschillen van mening hebben bestaan, werden vastgesteld . Daarmee verschilt het onderhavige beroep wezenlijk van de situatie die aan de beide arresten van het Hof van 11 maart 1980 en 16 december 1981 ( 9 ) ten grondslag lag . In casu gaat het om een werkelijk geschil, en niet om een "kunstmatige constructie ". Evenmin gaat het om de verkrijging van een advies over algemene of hypothetische vraagstukken, maar om een concrete afbakening van de wetgevende bevoegdheden van twee gemeenschapsinstellingen .
35 . Dat het bij bevoegdheidsconflicten tussen instellingen om juridische geschillen gaat, wordt bevestigd wanneer men kijkt naar de rechtsstelsels der Lid-Staten die een constitutionele rechter hebben . Constitutioneelrechtelijke procedures over de omvang van de rechten en plichten van de overheidsorganen treft men aan - zij het ook in verschillende vorm - in de Bondsrepubliek Duitsland, Spanje, Frankrijk en Italië . Bevoegdheidsconflicten zijn derhalve niet als politieke, maar als juridische geschillen te beschouwen .
36 . Ten slotte moet nog worden ingegaan op een argument dat ter terechtzitting naar voren is gebracht . De vraag werd aan de orde gesteld, wat de gevolgen van een eventuele nietigverklaring door het Hof zouden zijn . Voor het verleden, zo werd gesteld, zou zij geen gevolgen hebben, daar de Commissie het Hof heeft verzocht, overeenkomstig artikel 174, tweede alinea, vast te stellen dat de nietig verklaarde verordeningen nog effect zullen sorteren tot de vaststelling van nieuwe verordeningen; voor de toekomst zou die nietigverklaring evenmin gevolgen hebben, daar de verordeningen slechts tot 31 december 1986 moesten gelden en derhalve reeds buiten werking zijn getreden .
37 . Uit de omstandigheid dat verzoekster het Hof heeft verzocht, de materiële gevolgen van de verordeningen in stand te laten, kan niet reeds tot niet-ontvankelijkheid van het beroep worden geconcludeerd, daar het niet in verzoeksters macht ligt om te beslissen over de toepassing van artikel 174, tweede alinea, door het Hof . Hoe de beslissing van het Hof zal uitvallen, is derhalve nog geheel onbekend; daarmee is het ook nog een open vraag, of het arrest van het Hof betekenis zal hebben voor het verleden .
38 . Voor de toekomstige gevolgen van een eventuele nietigverklaring wijs ik op de volgende twee punten : in de eerste plaats gaat het stellig om de nietigverklaring van verordeningen die reeds buiten werking zijn getreden . In de tweede plaats gaat het echter ook om de vraag, hoe de bevoegdheden binnen de Gemeenschap zijn verdeeld . Nu het EEG-Verdrag geen bijzondere procedure kent ter beslechting van bevoegdheidsconflicten tussen gemeenschapsinstellingen, moeten dergelijke geschillen in het kader van een beroep tot nietigverklaring respectievelijk een beroep wegens nalaten worden beslist . Dit geldt ook, wanneer bevoegdheidsconflicten rijzen naar aanleiding van handelingen met een beperkte geldigheidsduur, daar het niet van de duur van de procedure voor het Hof mag afhangen of een oplossing van het bevoegdheidsgeschil mogelijk is .
39 . Overigens heeft de Commissie de procedure in mei 1986 willen bespoedigen door af te zien van repliek en het Hof overeenkomstig artikel 55 van het Reglement voor de procesvoering te verzoeken, de zaak bij voorrang te berechten . Dat de president dat verzoek niet heeft toegewezen, kan verzoekster niet tot nadeel strekken .
40 . Een naderhand ingesteld beroep tot nietigverklaring van een reeds buiten werking getreden verordening is derhalve ontvankelijk . In feite onderscheidt de nietigverklaring van een buiten werking getreden verordening zich nauwelijks van de nietigverklaring van een reeds ten uitvoer gelegde individuele beschikking . In het arrest van 24 juni 1986 ( 10 ) heeft het Hof een beroep tot nietigverklaring van een reeds ten uitvoer gelegde beschikking ontvankelijk verklaard met de overweging, dat nietigverklaring van die beschikking op zichzelf rechtsgevolgen kon hebben, met name doordat werd voorkomen dat verweerster in de toekomst nog eens op die wijze zou handelen .
41 . In de onderhavige zaak is het verzoekster juist te doen om die preventieve werking, dus om de gevolgen van een eventuele nietigverklaring door het Hof voor de jaarlijks terugkerende wetgevingsprocedure .
42 . Het beroep is derhalve ontvankelijk .
II - De gegrondheid
43 . Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan, die zich inhoudelijk echter niet gemakkelijk laten scheiden : schending van wezenlijke vormvoorschriften, te weten de motiveringsplicht van artikel 190 EEG-Verdrag, en schending van het EEG-Verdrag zelf, daar verweerder zich niet alleen op artikel 113 EEG-Verdrag, maar op zijn minst ook op artikel 235 EEG-Verdrag heeft gebaseerd .
44 . Met andere woorden, verzoekster verwijt verweerder, ter motivering van de bestreden verordeningen in ieder geval een onjuiste rechtsgrondslag te hebben aangevoerd en zijn besluit bovendien volgens de ter zake niet van toepassing zijnde verzwaarde procedure van artikel 235 EEG-Verdrag, te weten eenparigheid van stemmen, te hebben vastgesteld .
45 . Hierna zal ik om te beginnen onderzoeken, op welke bepalingen van het EEG-Verdrag de bestreden verordeningen konden worden gebaseerd, en pas daarna ingaan op de vraag, of in de omstandigheid dat verweerder in de consideransen van de beide verordeningen geen precieze rechtsgrondslag heeft aangegeven, ook een rechtsschennis gezien moet worden .
III - De rechtsgrondslag
46 . Bij het onderzoek van de vraag, welke rechtsgrondslagen voor de vaststelling van de bestreden verordeningen konden worden gebruikt, moet nogmaals kort de wezenlijke inhoud van de verordeningen worden genoemd : tariefverlagingen, tariefschorsingen, invoering van contingenten en plafonds, herinvoering van het douanetarief bij bereiking van de plafonds en bij economische moeilijkheden binnen de Gemeenschap, verdeling en beheer van de communautaire tariefcontingenten en communautaire tariefplafonds . In al die gevallen wordt onderscheid gemaakt naar de stand van ontwikkeling van de begunstigde landen van uitvoer alsmede naar de verschillende goederen en worden zowel de ontwikkeling van de invoer uit de ontwikkelingslanden alsook de absorptiemogelijkheden van de gemeenschappelijke markt in aanmerking genomen .
47 . Als rechtsgrondslag komen de volgende verdragsbepalingen in aanmerking : artikel 28, artikel 113 en artikel 235 EEG-Verdrag . Daarbij moet in aanmerking worden genomen, dat artikel 235 EEG-Verdrag alleen in aanmerking kan komen wanneer geen andere bepaling van het EEG-Verdrag ter beschikking staat .
Artikel 28 EEG-Verdrag
48 . Volgens artikel 28 EEG-Verdrag beslist de Raad met eenparigheid van stemmen over alle autonome wijzigingen of schorsingen van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief .
49 . Volgens zijn bewoordingen kan artikel 28 EEG-Verdrag stellig zowel op de verlaging of de schorsing van het douanetarief als op de toekenning van contingenten en plafonds worden toegepast . De vraag of die bepaling als rechtsgrondslag voor de bestreden verordeningen kan dienen, kan buiten beschouwing blijven . Op artikel 28 EEG-Verdrag behoeft immers niet diepgaand te worden ingegaan, daar beide partijen het erover eens zijn dat bij de vaststelling van de bestreden verordeningen van dat artikel geen gebruik is gemaakt .
50 . Bovendien heeft verzoekster - door verweerder onweersproken - het toepassingsgebied van artikel 28 willen afbakenen van dat van artikel 113 - dat eveneens betrekking heeft op wijziging van de douanerechten, maar dat in een andere, eenvoudiger procedure voorziet - door op te merken dat enkel een restrictieve uitlegging van artikel 28 in overeenstemming is met de internationale handelspraktijk . Artikel 28 EEG-Verdrag is haars inziens alleen van toepassing, wanneer douanetarieven worden gewijzigd om zuiver intern-communautaire redenen, die niets met de handelspolitiek te maken hebben, bij voorbeeld wanneer de behoefte aan bepaalde goederen binnen de Gemeenschap niet kan worden gedekt .
Artikel 113 EEG-Verdrag
51 . Artikel 113, lid 1, luidt als volgt :
"Na afloop van de overgangsperiode wordt de gemeenschappelijke handelspolitiek gegrond op eenvormige beginselen met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief - en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek, alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies ."
52 . Volgens lid 4 besluit de Raad bij de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij dit artikel zijn verleend, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen .
53 . a ) Het valt niet te ontkennen, dat de toekenning van tariefpreferenties onder het begrip "tariefwijzigingen" valt . Tussen partijen is uitsluitend in geding, of tariefwijzigingen niet meer binnen het bereik van de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen, wanneer daarmee bijkomende doeleinden moeten worden bereikt, bij voorbeeld op het gebied van het ontwikkelingsbeleid .
54 . Dit is de opvatting van verweerder, die stelt dat artikel 113 alleen autonome of contractuele handelingen van de Gemeenschap omvat, die tot doel hebben, een wijziging tot stand te brengen in het handelsvolume of de handelsstromen . In alle andere gevallen, waarin dat doel niet of slechts naast een of meer andere doelstellingen wordt nagestreefd, is artikel 113 EEG-Verdrag zijns inziens niet toepasselijk .
55 . Verzoekster is daarentegen van mening, dat iedere maatregel die objectief gezien de regeling van de internationale handel kan dienen, ongeacht de daarmee eventueel nagestreefde nadere doelstellingen tot het gebied van de internationale handel behoort .
56 . b ) Bij het concrete onderzoek van de vraag, of de omstreden verordeningen op artikel 113 EEG-Verdrag kunnen worden gegrond, zal ik niet te lang stilstaan bij de door partijen naar voren gebrachte theorieën .
57 . Volgens de door verweerder voorgestane subjectieve benadering behoort tot de handelspolitiek iedere maatregel die - uitsluitend en niet alleen naast een of meer andere doelstellingen - de beïnvloeding van het handelsvolume of de handelsstromen betreft en tevens wijziging moet brengen in die beide factoren ( subjectief/finalistische theorie ).
58 . Volgens verzoekster daarentegen is van een handelspolitieke maatregel reeds sprake, wanneer het handelsverkeer objectief wordt beïnvloed ( objectief/instrumentele benadering ).
59 . Deze beide theorieën hebben partijen in de onderhavige zaak in hun standpunten over advies nr.1/78 ( 11 ) reeds uitvoerig uiteengezet . Het ligt niet in mijn bedoeling om leerstellige theorieën te behandelen, waarvoor hier geen plaats is . Gelijk partijen ter terechtzitting hebben toegegeven, bedienen zij zich van beide theorieën naar gelang zij daar belang bij hebben . Zo gebruikt verzoekster tot staving van haar opvatting over de uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag een objectief/instrumentele theorie, terwijl zij zich ter afbakening van artikel 113 van artikel 28 EEG-Verdrag gedwongen ziet, een subjectief/finalistische theorie aan te wenden . Omgekeerd bedient verweerder zich tot staving van zijn opvatting over de uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag van een subjectief/finalistische theorie, terwijl hij zich bij de vaststelling van commerciële sancties op de objectief/instrumentele theorie moest baseren ( 12 ).
60 . Om te beginnen moet worden toegegeven, dat het EEG-Verdrag het begrip handelspolitiek niet definieert . In de arresten en adviezen van het Hof is dit begrip echter steeds meer geconcretiseerd . Reeds in de arresten van 12 juli 1973 ( 13 ) en 15 december 1976 ( 14 ) erkende het Hof, dat de Gemeenschap de bevoegdheid is overgedragen, zowel door eenzijdige maatregelen als door overeenkomsten een samenhangende regeling van de handelsbetrekkingen met het buitenland tot stand te brengen . Daarenboven heeft het Hof in zijn advies nr . 1/75 van 11 november 1975 ( 15 ) uitgemaakt, dat het begrip handelspolitiek steeds dezelfde inhoud heeft, ongeacht of het op het internationale handelen van een staat dan wel van de Gemeenschap wordt toegepast .
61 . Met die rechtspraak is echter geen statisch begrip handelspolitiek vastgelegd, zoals dat wellicht bestond toen de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht . Het Hof heeft dit in zijn advies 1/78 van 4 oktober 1979 bevestigd met de overweging, dat men artikel 113 EEG-Verdrag niet een uitlegging mag opdwingen waardoor de gemeenschappelijke handelspolitiek zou worden beperkt tot het gebruik van slechts die instrumenten die enkel de traditionele aspecten van de buitenlandse handel vermogen te beïnvloeden . Een aldus opgevatte handelspolitiek zou gedoemd zijn, geleidelijk elke betekenis te verliezen . ( 16 )
62 . Gelet op deze vaste rechtspraak valt moeilijk aan te nemen, dat subjectieve elementen het enige doorslaggevende criterium zouden zijn voor de toepasbaarheid van artikel 113, gelijk verweerder in overweging geeft, wanneer hij een uitsluitend handelspolitieke doelstelling verlangt . Zowel autonome handelspolitieke maatregelen als handelsakkoorden staan meestal ook in dienst van een andere politiek . Handelspolitieke maatregelen zoals handelsakkoorden of handelsembargo' s worden dikwijls ook bepaald door belangen van algemene buitenlandse politiek, waaronder ook veiligheidspolitieke belangen . Waarom dan juist bij handelspolitieke maatregelen, die ook in dienst staan van het ontwikkelingsbeleid, een uitzondering moet worden gemaakt, valt moeilijk in te zien .
63 . In dit verband zij opgemerkt, dat het Hof er in voornoemd advies 1/78 van 4 oktober 1979 reeds op heeft gewezen dat na de impuls die de Wereldhandelsconferentie van de Verenigde Naties ( Unctad ) heeft gegeven, een effectieve gemeenschappelijke handelspolitiek niet meer mogelijk lijkt wanneer de Gemeenschap niet ook over meer verfijnde, voor de ontwikkeling van de internationale handel bedoelde actiemiddelen zou kunnen beschikken . Het Hof heeft derhalve bevestigd, dat het begrip handelspolitiek voor ontwikkeling vatbaar is en aan de hand van de internationale handelspraktijk kan worden uitgelegd . Daarmee kunnen de door vele ontwikkelingslanden gepropageerde beginselen van een "nieuwe economische wereldorde" in de communautaire handelspolitiek worden geïntegreerd .
64 . Tot die beginselen en doelstellingen moet zeker ook gerekend worden de in resolutie 1995 ( XIX ) van de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 30 december 1964 vastgelegde statuten van de Wereldhandelsconferentie ( Unctad ), waar als een van de voornaamste functies van de conferentie wordt genoemd "to promote international trade, especially with a view to accelerating economic development, particularly trade between countries at different stages of development, between developing countries and between countries with different systems of economic and social organization ". Hieruit blijkt, dat de handel met de ontwikkelingslanden als een onderdeel van de "internationale handel" wordt gezien . Gelijke begrippen als "wereldhandel" en "internationaal handelsverkeer" komen ook voor in een bepaling van het EEG-Verdrag inzake handelspolitiek, te weten artikel 110, eerste alinea .
65 . Uit het vorenstaande volgt, dat handelsregelingen met ontwikkelingslanden ook nog onder artikel 113 EEG-Verdrag kunnen vallen, wanneer zij onder andere ook met ontwikkelingspolitieke overwegingen worden gerechtvaardigd .
66 . De omstandigheid dat met de vaststelling van de bestreden verordeningen wellicht een ontwikkelingspolitiek doel werd nagestreefd, kan derhalve niet beletten dat artikel 113 EEG-Verdrag een geldige rechtsgrondslag vormt .
67 . Daar komt nog iets anders bij . Bij onderzoek van de bestreden verordeningen blijkt, dat zij hun concrete vormgeving geenszins aan uitsluitend ontwikkelingspolitieke overwegingen ontlenen . Reeds in de considerans van de verordening is er sprake van, dat ook de opnamecapaciteit van de gemeenschappelijke markt voor bepaalde goederen in aanmerking genomen is . Daarenboven heeft verzoekster - door verweerder onbestreden - betoogd, dat ook de "gevoeligheid" van bepaalde goederen voor de gemeenschappelijke markt van invloed is geweest op de concrete omvang van de tariefpreferenties .
68 . Tenslotte nog een heel algemene vaststelling : wanneer door de invoering van algemene tariefpreferenties voor bepaalde goederen uit bepaalde ontwikkelingslanden die staten tijdelijk een mogelijk eenzijdig voordeel werd verleend, dan diende dat voordeel ook de handelsbelangen van de Gemeenschap . Door de handelsvoordelen die de betrokken landen aan de preferentieregeling kunnen ontlenen, worden die landen op hun beurt in een situatie gebracht waarin zij zich de nodige deviezen kunnen verschaffen om zelf op de wereldmarkt weer als koper te kunnen optreden . Daar naar alle waarschijnlijkheid de vraag van de begunstigde landen zich ook zal uitstrekken tot goederen en prestaties uit de Gemeenschap - de belangrijkste deelnemer aan de wereldhandel ( 17 - bevordert de preferentieregeling dus indirect ook de uitvoer uit de Gemeenschap en dus ook de klassieke handelsbetrekkingen van de Gemeenschap .
69 . Alles bij elkaar moet dus worden vastgesteld, dat er een dermate nauwe samenhang tussen de preferentieregeling en zelfs de klassieke handelspolitiek bestaat, dat het niet redelijk lijkt om de preferentieregeling, in strijd met de bewoordingen van artikel 113 EEG-Verdrag, buiten het toepassingsgebied van die bepaling te laten vallen .
70 . Tot slot van mijn uiteenzetting met betrekking tot artikel 113 EEG-Verdrag wil ik er nog op wijzen, dat de op de wereldhandelsconferentie van de Verenigde Naties geëiste en inmiddels ook door het GATT ondanks de afkeer van de meestbegunstigingsclausule aanvaarde "nieuwe economische orde", in werkelijkheid helemaal niet zo nieuw is .
71 . Reeds de preambule van het EEG-Verdrag spreekt van de verbondenheid van Europa met de landen overzee en van de wens, de ontwikkeling van de welvaart van die landen te verzekeren overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties . De concrete uitwerking van deze gedachte is neergelegd in het Vierde deel van het EEG-Verdrag, inzake de associatie van de landen en gebieden overzee .
72 . Ik besef heel goed, dat het Vierde deel van het EEG-Verdrag in de onderhavige procedure irrelevant is en intussen ook met de onafhankelijkheid van de meeste betrokken landen zijn belang heeft verloren . Toch noem ik dit deel van het EEG-Verdrag, omdat er reeds de erkenning in besloten ligt van de nauwe samenhang tussen de bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van die landen en het tot stand brengen van nauwe economische betrekkingen tussen die landen en de Europese Gemeenschap . In het bijzonder is in artikel 133 EEG-Verdrag ook sprake van een niet noodzakelijkerwijs op wederkerigheid berustende afschaffing van douanerechten - dus van tariefpreferenties .
73 . Wanneer dus reeds het EEG-Verdrag zelf de samenhang tussen handel en ontwikkeling heeft erkend en ook heeft vastgelegd, dan versterkt zulks de conclusie dat in het kader van de handelspolitiek maatregelen waarvan de verwezenlijking in artikel 113 is voorzien, ook dan onder artikel 113 EEG-Verdrag vallen wanneer daarmee gelijktijdig ook ontwikkelingspolitieke doelstellingen moeten worden bereikt . De hier voorgestane uitlegging van artikel 113 EEG-Verdrag is dus verregaand in overeenstemming met de objectief/instrumentele benadering die door verzoekster wordt aangehangen en die slechts door de subjectief/finalistische theorie mag worden beperkt in geval van duidelijk misbruik van bevoegdheid in de zin van détournement de pouvoir . Daarvoor ontbreken in de onderhavige zaak evenwel aanknopingspunten .
Artikel 235 EEG-Verdrag
74 . Artikel 235 EEG-Verdrag luidt als volgt :
"Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering de passende maatregelen ."
75 . Reeds uit de bewoordingen van artikel 235 EEG-Verdrag kan worden opgemaakt, dat het stelsel van algemene tariefpreferenties niet op dit artikel kan berusten, omdat het veronderstelt dat het EEG-Verdrag niet in de vereiste bevoegdheden voorziet . Nu de tariefpreferenties op artikel 113 EEG-Verdrag kunnen worden gebaseerd, is artikel 235 EEG-Verdrag derhalve niet toepasselijk .
76 . Derhalve behoeft slechts subsidiair, voor het geval het Hof mijn opvatting over artikel 113 EEG-Verdrag niet mocht delen, te worden onderzocht of artikel 235 als rechtsgrondslag voor de invoering van algemene tariefpreferenties kan worden gebruikt .
77 . Toepassing van artikel 235 zou vereisen, dat men de hulp aan ontwikkelingslanden als een doelstelling van het Verdrag erkent . Daartoe kan men zich op de zevende volzin van de preambule en op artikel 3, sub k, beroepen, wanneer men deze bepalingen ruimer uitlegt dan hun bewoordingen in die zin, dat zij niet slechts de indertijd van bepaalde Lid-Staten afhankelijke overzeese landen en gebieden omvat, maar alle ontwikkelingslanden, ook die welke nooit in een afhankelijkheidsbetrekking tot een der Lid-Staten hebben gestaan . Dat zou een voorbeeld van extensieve uitlegging van het Verdrag zijn .
78 . Een andere voorwaarde zou zijn, dat de bevoegdheden die ter bereiking van het doel noodzakelijk zijn, niet in het Verdrag zijn neergelegd . Hiertoe zou men artikel 113 zodanig moeten uitleggen, dat het niet de gehele internationale handel omvat, in ieder geval niet de handel met de ontwikkelingslanden, die op grond van tariefpreferenties op het onderhavige terrein wordt afgewikkeld . Dat zou neerkomen op een restrictieve uitlegging van het Verdrag . Ik betwijfel ten zeerste of een dergelijke uitleggingsmethode - extensieve uitlegging van de doelstellingen en daarmee van de bevoegdheid van de Gemeenschap en restrictieve uitlegging van de middelen en daarmee bemoeilijking van haar handelen - in overeenstemming is te brengen met het systeem van de drie Verdragen, die met effectieve middelen beperkte doelstellingen willen bereiken . Men zou in ieder geval op buitengewoon ingewikkelde wijze een doel bereiken, dat in overeenstemming met 's Hofs rechtspraak op veel eenvoudiger wijze te bereiken is door een objectieve uitlegging van artikel 113 .
79 . Concluderend komt het mij in ieder geval voor, dat artikel 235 EEG-Verdrag geen zekere rechtsgrondslag bood voor de vaststelling van de betrokken verordeningen . Het voordeel van de toepassing van artikel 235 EEG-Verdrag is derhalve enkel de eenparigheid van stemmen bij de besluitvorming van de Raad, dus een verzwaring van de procedure, maar geenszins meer rechtszekerheid .
80 . In zoverre onderscheidt zich de onderhavige procedure van zaak 8/73, waarin het Hof in zijn arrest van 12 juli 1973 overwoog dat aanwending van artikel 235 EEG-Verdrag in het belang van de rechtszekerheid was toegestaan . ( 18 ) In deze zaak was onder meer de vraag opgeworpen, of verordening nr . 803/68 van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen ( 19 ) rechtsgeldig op artikel 235 EEG-Verdrag kon worden gebaseerd . Het Hof overwoog, dat de effectieve werking van de douane-unie weliswaar een ruime uitlegging rechtvaardigt van de artikelen 9, 27, 28, 111 en 113 EEG-Verdrag en van de bevoegdheden die bij deze bepalingen aan de instellingen worden verleend ten einde hen in staat te stellen het buitenlandse handelsverkeer door autonome maatregelen en overeenkomsten coherent te regelen, doch dat de Raad ervan had mogen uitgaan dat toepassing van de in artikel 235 bedoelde procedure in het belang van de rechtszekerheid gerechtvaardigd was, te meer daar de betrokken verordening tijdens de overgangsperiode was vastgesteld . De handelspolitiek behoefde echter pas na het verstrijken van die periode, dus na 31 december 1969, op eenvormige beginselen te worden gegrond . ( 20 )
81 . Juist dit laatste vormt de eigenlijke verklaring voor dit gedeelte van 's Hofs beslissing, aangezien de verordening inzake de douanewaarde van de goederen werd vastgesteld op een tijdstip waarop het gemeenschappelijk douanetarief nog niet bestond, de overgangstijd nog voortduurde en onder andere artikel 113 EEG-Verdrag nog niet toepasselijk was, maar de overige bepalingen het de Gemeenschap nog niet mogelijk maakten de passende regeling in de vorm van een verordening vast te stellen . Om die reden was een beroep op artikel 235 EEG-Verdrag noodzakelijk . Voorts moet erop worden gewezen, dat de latere verordening ( 21 ), die na afloop van de overgangstijd de verordening van 1968 heeft vervangen, wel op artikel 113 was gebaseerd .
Schending van wezenlijke vormvoorschriften -schending van artikel 190 EEG-Verdrag
82 . Thans is komen vast te staan, dat verweerder in de overwegingen van de bestreden verordeningen geen specifieke rechtsgrondslagen heeft vermeld, maar dat hem bij de vaststelling ervan de artikelen 113 en 235 EEG-Verdrag voor ogen stonden . Bij zijn besluitvorming is hij overeenkomstig de procedure van artikel 235 EEG-Verdrag en, omdat hij van verzoeksters voorstellen is afgeweken, ook overeenkomstig artikel 149 EEG-Verdrag te werk gegaan en heeft hij derhalve met eenparigheid van stemmen beslist .
83 . De globale verwijzing naar het gehele EEG-Verdrag is wellicht in strijd met artikel 190 EEG-Verdrag, volgens hetwelk verordeningen van de Raad met redenen omkleed moeten worden; mogelijkerwijs is derhalve ook sprake van schending van wezenlijke vormvoorschriften .
84 . Volgens 's Hofs rechtspraak eist artikel 190 EEG-Verdrag, dat handelingen van de instellingen "een uiteenzetting bevatten van de redenen die de instelling tot de vaststelling ervan hebben gebracht, zodat toetsing door het Hof mogelijk is en zowel de Lid-Staten als de belanghebbende onderdanen kunnen zien hoe de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast ". ( 22 )
85 . De omvang van de in artikel 190 EEG-Verdrag vervatte motiveringsverplichting hangt echter af van de aard van de betrokken handeling . Bij handelingen van algemene strekking is aan de eisen van artikel 190 voldaan, wanneer in de motivering de wezenlijke inhoud van de vastgestelde maatregelen is toegelicht . ( 23 )
86 . Hoewel dit in de rechtspraak niet uitdrukkelijk wordt vermeld, kan uit de omstandigheid dat het Hof de voor een handeling aangevoerde rechtsgrondslag toetst, de conclusie worden getrokken dat uit de overwegingen van een verordening ten minste moet kunnen worden afgeleid, op welke rechtsgrondslag zij werd gebaseerd . In zoverre verschillen de standpunten van partijen ook niet veel van elkaar, wanneer verzoekster eist dat de rechtsgrondslag uitdrukkelijk wordt genoemd, terwijl het volgens verweerder voldoende is wanneer de rechtsgrondslag weliswaar niet door het noemen van een bepaald artikel, maar wel inhoudelijk wordt bepaald .
87 . Voorts zij erop gewezen, dat ook artikel 11 van het Reglement van Orde van de Raad van 24 juli 1979 bepaalt dat verordeningen van de Raad de aanduiding moeten bevatten van de bepalingen krachtens welke de verordeningen worden vastgesteld . ( 24 )
88 . In navolging van 's Hofs arrest van 5 mei 1981 ( 25 ) ben ik van mening dat aan de motiveringsplicht is voldaan, wanneer de rechtsgrondslag ten minste uit de overwegingen van een verordening kenbaar is .
89 . Aan die vereisten voldoen de overwegingen van de twee bestreden verordeningen echter niet . Zij geven weliswaar zeer duidelijk aan, wat met de algemene tariefpreferenties moet worden bereikt en hoe die regeling is te handhaven, maar laten zich niet uit over de thans aan de orde zijnde kwestie van de rechtsgrondslag . Daarbij moet worden bedacht, dat de rechtsgrondslag uit de bewoordingen van de overwegingen zelf moet kunnen worden opgemaakt, daar het niet voldoende is dat enkel de bij de wetgevingsprocedure betrokken instellingen ermee bekend zijn . Gelijk het Hof heeft vastgesteld, moeten ten slotte ook de betrokken onderdanen van de Lid-Staten zich er een beeld van kunnen vormen, op welke wijze de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast . De individuele onderdanen weten echter niet wat er in de ministerraad is besproken, daar deze niet in het openbaar vergadert en de processen-verbaal van zijn beraadslagingen niet algemeen toegankelijk zijn .
90 . Vormt dit gebrek aan motivering van de beide verordeningen nu voldoende reden voor nietigverklaring wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften, hoewel de verordeningen door verzoekster inhoudelijk juist niet zijn bestreden en zij door verweerder op rechtsgeldige wijze met dezelfde inhoud opnieuw zouden kunnen worden vastgesteld?
91 . In beginsel heeft schending van de motiveringsplicht de nietigheid van de gehele handeling ten gevolge; zij is een grond voor nietigverklaring wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften overeenkomstig artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag . Evenwel kan de uitdrukking "wezenlijke vormvoorschriften" naar mijn mening niet aldus worden verstaan, dat iedere onnauwkeurigheid of onvolledigheid een gebrek aan motivering is dat tot nietigheid van de gehele handeling leidt . Dit zal verweerder ook wel bedoeld hebben toen hij ter terechtzitting bereid was toe te geven, dat hij vormvoorschriften had geschonden, maar geen wezenlijke .
92 . Ik stel voor om in een geval als het onderhavige, waarin de inhoud van de handeling niet is betwist en de motivering van de handeling - afgezien van een vermelding van de juiste rechtsgrondslag - voor het overige voldoende is, te onderscheiden als volgt .
93 . Zo een vermelding van de juiste rechtsgrondslag ontbreekt en dit gebrek gevolgen kan hebben voor de besluitvorming, zal men van schending van een wezenlijk vormvoorschrift moeten spreken . Dat zal in het bijzonder het geval zijn, wanneer ten gevolge van de vermelding van een onjuiste bepaling of de niet-vermelding van de juiste bepaling, een andere dan de in het Verdrag voorziene procedure voor de besluitvorming is toegepast . Want juist voor de toepassing van de juiste procedure is de vermelding van de juiste rechtsgrondslag vereist .
94 . Zoals hiervoor reeds sub 32 is uiteengezet, speelt het voor het verloop van de beraadslagingen in de Raad een grote rol, of een besluit eenparigheid van stemmen vereist dan wel met gekwalificeerde meerderheid kan worden vastgesteld . Daarbij betekent besluitvorming volgens de regelen van artikel 113 immers niet, dat eenparigheid van stemmen verboden is, maar enkel dat geen Lid-Staat de besluitvorming alleen kan verhinderen .
95 . De Commissie heeft betoogd, dat zij over de inhoud van de betrokken verordeningen andere voorstellingen had dan de Raad . Zo de juiste besluitvorming had plaatsgevonden, zou zij een grotere kans hebben gehad om die opvattingen ingang te doen vinden . Mitsdien was de vorm van het besluit van wezenlijk belang voor de inhoud ervan . Haars inziens is derhalve zowel een wezenlijk vormvoorschrift als het EEG-Verdrag geschonden .
96 . Het beroep op artikel 235 EEG-Verdrag was niet de enige reden waarom de Raad met eenparigheid van stemmen heeft besloten . Wat ook een rol speelde, was dat hij niet alleen wat de rechtsgrondslag betreft, maar ook inhoudelijk is afgeweken van de voorstellen van de Commissie en derhalve ingevolge artikel 149, eerste alinea, EEG-Verdrag slechts met eenparigheid van stemmen kon beslissen . Zou hij echter artikel 113 EEG-Verdrag als rechtsgrondslag hebben genomen, dan had de Commissie haar voorstellen voor de verordening in een vorm kunnen gieten die voor een gekwalificeerde meerderheid in de Raad aanvaardbaar zou zijn geweest . Dan zou er voor besluitvorming volgens artikel 149, eerste alinea, EEG-Verdrag echter geen grond meer zijn geweest .
97 . Daar het dus niet is uit te sluiten, dat de bestreden verordeningen bij de vermelding en de toepassing van de juiste rechtsgrondslag inhoudelijk anders zouden zijn uitgevallen, moeten de onvoldoende nauwkeurige vermelding van de rechtsgrondslag en het niet ter zake dienende beroep op artikel 235 EEG-Verdrag bij de vaststelling van de verordeningen worden aangemerkt als schending van wezenlijke vormvoorschriften en tegelijkertijd als materiële schending van het EEG-Verdrag .
IV - Het verzoek om vast te stellen, dat de verordeningen materieel van kracht blijven
98 . Nu partijen het erover eens zijn, dat de materiële voorschriften van de bestreden verordeningen in deze procedure niet ter discussie moeten worden gesteld, en aangezien het beginsel van de rechtszekerheid gebiedt, de gevolgen van de verordeningen in het bijzonder in het belang van de deelnemers aan het economisch verkeer en van de begunstigde ontwikkelingslanden niet op losse schroeven te zetten, geef ik het Hof in overweging, overeenkomstig artikel 174, tweede alinea, te verklaren dat de gevolgen van de verordeningen als gehandhaafd moeten worden beschouwd totdat de bevoegde instellingen de maatregelen zullen hebben getroffen die voor het volgen van het arrest in deze zaak noodzakelijk zijn .
99 . Ter terechtzitting kwam de vraag aan de orde, of artikel 174, tweede alinea, zich niet tot bepaalde rechtsgevolgen beperkt . Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat niets in artikel 174, tweede alinea, het Hof belet, de gevolgen te handhaven die het nodig acht; met andere woorden, wanneer het Hof het nodig acht dat alle gevolgen van een nietig verklaarde maatregel blijven gelden, dan is het daartoe op grond van artikel 174, lid 2, zonder meer bevoegd . Verwezen zij naar de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder de arresten van 5 juni 1973 en 20 maart 1985 ( 26 ).
C - Conclusie
100 . Op grond van bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging, het verzoek toe te wijzen en verweerder in de kosten te verwijzen .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1985, L 352, blz . 1 .
( 2 ) PB 1985, L 352, blz . 107 .
( 3 ) PB 1985, L 352, blz . 192 .
( 4 ) "Aid can be no substitute for trade ".
( 5 ) Verordeningen nrs . 1308/71 tot en met 1314/71, PB 1971, L 142, blz . 1 en volgende .
( 6 ) Zaak 230/81, Luxemburg/Parlement, Jurispr . 1983, blz . 255, r.o . 24 .
( 7 ) Zie het arrest van 23 april 1986, zaak 294/83, Les Verts, Jurispr . 1986, blz . 1339, r.o . 23 .
( 8 ) Arrest van 23 april 1986, t.a.p ., r.o . 24; arrest van 31 maart 1971, zaak 22/70, Commissie/Raad, Jurispr . 1971, blz . 263, 277 .
( 9 ) Arresten van 11 maart 1980, zaak 104/79, Foglia, Jurispr . 1980, blz . 745, en 16 december 1981, zaak 244/80, Foglia, Jurispr . 1981, blz . 3045 .
( 10 ) Zaak 53/85, AKZO Chemie, Jurispr . 1986, blz . 1965, r.o . 21, blz . 1990 .
( 11 ) Advies van het Hof van 4 oktober 1979 uitgebracht krachtens artikel 228, lid 1, tweede alinea, EEG-Verdrag, Jurispr . 1979, blz . 2871 .
( 12 ) Vgl . verordening nr . 596/82 van de Raad van 15 maart 1982 tot wijziging van de invoerregeling voor bepaalde goederen van oorsprong uit de USSR, PB 1982, L 72, blz . 15; verordening nr . 877/82 van de Raad van 16 april 1982 houdende schorsing van de invoer van alle produkten van oorsprong uit Argentinië, PB 1982, L 102, blz . 1 .
( 13 ) Zaak 8/73, Massey-Ferguson, Jurispr . 1973, blz . 897 .
( 14 ) Zaak 41/76, Donckerwolcke en anderen, Jurispr . 1976, blz . 1921 .
( 15 ) Advies van het Hof uitgebracht krachtens artikel 228, lid 1, tweede alinea, EEG-Verdrag van 11 november 1975, Jurispr . 1975, blz . 1355 .
( 16 ) T.a.p . nr . 44 .
( 17 ) Vgl . Eurostat, Basisstatistieken van de Gemeenschap, 23e uitgave, blz . 35 .
( 18 ) T.a.p ., blz . 907 .
( 19 ) PB 1968, L 148, blz . 6 .
( 20 ) Artikel 119, lid 1, EEG-Verdrag .
( 21 ) Verordening nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980, inzake de
( 22 ) Vgl . het arrest van 7 juli 1981, zaak 158/80, Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH . en anderen, Jurispr . 1981, blz . 1805, 1833 .
( 23 ) Vgl . het arrest van 29 februari 1984, zaak 37/83, Rewe Zentrale, Jurispr . 1984, blz . 1229 .
( 24 ) PB 1979, L 268, blz . 1 .
( 25 ) Zaak 112/80, Duerbeck, Jurispr . 1981, blz . 1095, 1113 .
( 26 ) Zaak 81/72, Commissie/Raad, Jurispr . 1973, blz . 575 en zaak 264/82, Timex, Jurispr . 1985, blz . 851 .
Full & Egal Universal Law Academy