Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Ter terechtzitting van 19 maart is uitsluitend de vraag aan de orde geweest, of het beroep dat Grumbach tegen de Commissie heeft ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing in de zin van artikel*7, lid*2, van het Statuut, ontvankelijk is . Bijgevolg behoef ik mij thans alleen over dit punt uit te spreken .
A - De feiten
2 . Ten aanzien van de feiten kan worden volstaan met eraan te herinneren dat verzoeker - destijds ambtenaar in de rang A*4 - van 2 februari 1981 tot 31*mei 1983 tot taak had, bij de delegatie van de Commissie te Genève de door directoraat-generaal*VIII ( waartoe hij behoorde ) behandelde problemen te volgen . Naar aanleiding van 's*Hofs arrest van 9*december 1982 ( 1 ) in een door een van zijn voorgangers ingeleide procedure kwam Grumbach kennelijk tot het besef, dat hij een A*3-functie bekleedde .
3 . De poging die hij vervolgens ondernam om in rang A*3 te worden ingedeeld, bleef evenwel zonder succes . Zijn verzoek daartoe werd op 14*juni 1983 afgewezen, en bij besluit van 16*januari 1984 zijn klacht tegen die afwijzing eveneens . In laatstbedoeld besluit werd uitdrukkelijk betwist, dat verzoeker een A*3-functie had bekleed . Verzoekers argumenten in die zin werden stuk voor stuk verworpen . In het besluit van het bevoegde lid van de Commissie van 16*januari 1984 werd ingegaan op verzoekers standpunt inzake de positie van zijn voorganger, zijn eigen positie in het kader van de delegatie van de Commissie te Genève, de hem toevertrouwde taken en zijn diplomatieke rang; het bevatte de conclusie dat de Commissie het niet eens was met verzoekers standpunt, dat zijn taak "onbetwistbaar met rang A*3" overeenstemde . Voorts werd in het besluit verklaard, dat verzoeker - zelfs in de veronderstelling dat hij werkzaamheden van een hoger niveau had verricht - volgens 's*Hofs rechtspraak geen recht had op een dienovereenkomstige indeling . Verzoeker vocht dit besluit niet aan .
4 . Een jaar later, op 28*februari 1985, verzocht verzoeker om een besluit, waarin zou worden erkend dat hij tussen 2*februari 1981 en 31*mei 1983 ad interim een A*3-functie had bekleed, en waarbij hem de in artikel*7, lid*2, van het Statuut voorziene aanvullende toelage zou worden toegekend . Ook dit verzoek bleef zonder succes . Zijn klacht van 14*juni 1985 werd afgewezen bij besluit van 4*december 1985, waarin uitdrukkelijk werd gesteld, dat het voorwerp van de klacht en de opmerkingen van verzoeker in wezen dezelfde waren als in de eerste klacht, en dat derhalve het besluit van 16*januari 1984 moest worden bevestigd . De bevoegde commissaris wees er uitdrukkelijk op, dat een beroep onder die omstandigheden niet-ontvankelijk zou worden verklaard . Op 25*februari 1986 werd de zaak niettemin bij het Hof aanhangig gemaakt en werd de onderhavige procedure ingeleid .
B - Standpunt
5 . Let men alleen op de data van het verzoek, de afwijzing hiervan, de indiening van een klacht en de uitdrukkelijke afwijzing daarvan ( weliswaar na vier maanden, maar binnen de beroepstermijn die inging op de datum van de stilzwijgende afwijzing - zie artikel*91 van het Statuut ), dan rijzen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid kennelijk geen problemen ten aanzien van de eerbiediging van de termijnen . Hier hoef ik thans mijns inziens niet nader op in te gaan .
6 . Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is echter wel van belang, dat het gericht is tegen de weigering van een besluit dat verzoeker moet begunstigen, anders gezegd dat het gaat om een soort vordering om iets te doen . Van belang is ook, dat in bovenbedoelde administratieve procedure ( gericht op wijziging van verzoekers indeling ) in een niet betwist besluit op verzoekers klacht is vastgesteld, dat verzoeker in Genève geen A*3-functie heeft bekleed . Het besluit van 16*januari 1984 berust overduidelijk op die vaststelling en niet op de bijkomende overweging, dat ook een hogere functie geen recht geeft op bevordering .
7 . Dit heeft inderdaad gevolgen voor de ontvankelijkheid, zoals hierna nader zal blijken .
8 . 1 . Wat in de eerste plaats het tweede punt betreft, gaat het mijns inziens te ver om te spreken van een defintieve vaststelling, dat verzoeker geen A*3-functie heeft bekleed, met als gevolg dat dit aspect niet meer ter discussie kan worden gesteld in een andere procedure, waarin het van belang kan zijn voor de toepassing van artikel*7, lid*2, van het Statuut . Men zou immers kunnen zeggen, dat voor het definitieve karakter het nagestreefde doel, het recht dat de betrokkene doet gelden, bepalend is . In zoverre echter zijn beide procedures kennelijk niet identiek ( in de eerste ging het immers om een nieuwe indeling en in de tweede alleen om de toepassing van artikel*7, lid*2, van het Statuut - ambtenaar aangewezen om ad interim een hoger ambt te vervullen tegen een aanvullende toelage ).
9 . Het onderhavige besluit zou ook kunnen worden beschouwd als een stilzwijgend besluit om artikel*7, lid*2, niet toe te passen, juist omdat het eerste besluit over verzoekers klacht uitdrukkelijke vaststellingen bevat over het niveau van de aan verzoeker toevertrouwde functie, die ook voor artikel*7, lid*2, van belang zijn . Dat zou betekenen, dat dit besluit destijds onmiddellijk voor het Hof had moeten worden aangevochten ten einde artikel*7, lid*2, toegepast te krijgen . Aangezien de houding van het tot aanstelling bevoegde gezag met betrekking tot de voorwaarden van artikel*7, lid*2, sedert januari 1984 duidelijk en ondubbelzinnig was, lijkt het mij echter niet mogelijk, dit probleem in een later verzoek opnieuw aan de orde te stellen en na een tweede administratieve procedure in februari 1986 aan het Hof voor te leggen .
10 . 2 . Zo men deze zienswijze niet zonder meer zou willen volgen, leidt een uitspraak van het Hof in een vergelijkbaar geval tot hetzelfde resultaat, zij het op grond van een andere redenering .
11 . Ik denk hier aan het arrest in zaak 59/70 ( 2 ), in een procedure op grond van artikel 35 EGKS-Verdrag ( dus eveneens betreffende een vordering om iets te doen ). Van de feiten wil ik slechts vermelden, dat de Franse regering de Franse staalindustrie goedkope leningen had verstrekt en de Hoge Autoriteit daarvan eind 1966 in kennis had gesteld . De Hoge Autoriteit was van oordeel, dat er geen reden was om toepassing van artikel*4, lid*c, ( verbod van subsidies ) te overwegen of om een aanbeveling krachtens artikel*67 EGKS-Verdrag te doen, en deelde zulks in december 1968 mee aan de Franse regering en aan de regeringen van de andere Lid-Staten . De Nederlandse regering was het niet eens met de Hoge Autoriteit . In juni 1970 verzocht zij de Hoge Autoriteit dan ook om een beschikking krachtens artikel*88 EGKS-Verdrag, houdende vaststelling dat de Franse regering haar uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet was nagekomen . Na de stilzwijgend gegeven afwijzende beschikking op dit verzoek ( die wordt geacht te zijn gegeven na het verstrijken van een termijn van twee maanden ) wendde de Nederlandse regering zich in oktober 1970 tot het Hof . Zoals bekend is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard . In de rechtsoverwegingen van het arrest werd stellig erkend, dat het Verdrag geen termijn stelt om zich krachtens artikel*35 EGKS-Verdrag tot de Hoge Autoriteit te wenden . Uit het systeem van de artikelen 33 en 35 en uit de beginselen van de rechtszekerheid en van de continuïteit van het optreden van de Gemeenschappen werd echter afgeleid, dat het recht om zich tot de Hoge Autoriteit te wenden niet onbeperkt mag worden uitgesteld, doch dat zulks binnen een redelijke termijn dient te gebeuren, in het bijzonder wanneer is gebleken, dat de Commissie heeft besloten niet te handelen . Aangezien deze voorwaarde niet was vervuld - de Nederlandse regering wendde zich eerst 18 maanden na de kennisgeving van het standpunt van de Hoge Autoriteit tot deze laatste - was het beroep te laat ingesteld .
12 . Mijns inziens is het volledig gerechtvaardigd, deze beginselen ook toe te passen op een beroep wegens nalaten in personeelszaken; immers ook daar mogen in het belang van een behoorlijk bestuur problemen niet overdreven lang blijven hangen .
13 . In casu moet ervan worden uitgegaan, dat verzoeker onmiddellijk na het arrest in zaak 191/81, dus vanaf 9*december 1982, werk had moeten maken van zijn probleem . Wat het verzoek tot indeling van verzoeker betreft is zulks inderdaad binnen een redelijke termijn gebeurd . Toen dit zonder succes bleef en bij verzoeker de vraag rees, of hij dan niet op zijn minst een recht had ex artikel*7, lid*2, van het Statuut, waren zijn stappen in die richting stellig gerechtvaardigd toen duidelijk werd, dat de Commissie ondubbelzinnig van mening was dat aan de daartoe gestelde voorwaarden ( de uitoefening van A*3-functies ) niet was voldaan . In geen geval mocht hij de zaak gewoon nog een jaar op zijn beloop laten . Al aangenomen derhalve, dat verzoeker niet reeds op grond van het op zijn eerste klacht gegeven besluit ( van 16.1.1984 ) beroep had moeten instellen, dan had hij de Commissie toch op zijn minst binnen een redelijke termijn na 16*januari 1984 om toepassing van artikel*7, lid*2, van het Statuut moeten verzoeken . Zijn eerst in februari 1985 geformuleerde verzoek, dat - na een nieuwe procedure - eerst in 1986 tot een contentieuze procedure heeft geleid, dus meer dan drie jaar na de feiten en meer dan vier en een half jaar na het vermeende ontstaan van het recht op een aanvullende toelage, voldoet mijns inziens niet aan dat vereiste .
14 . Volgens mij kan dus op zijn minst worden gesteld, dat de procedure met een onredelijke vertraging is ingeleid, en dat het beroep derhalve - gelijk de Commissie reeds in haar besluit van 4*december 1985 duidelijk maakte - niet-ontvankelijk moet worden verklaard .
C - Conclusie
15 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en over de kosten te oordelen overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 9 december 1982, zaak 191/81, Plug, Jurispr.*1982, blz.*4229 en volgende .
( 2 ) Arrest van 6*juli 1971, zaak 59/70, Koninkrijk Nederland/Commissie, Jurispr . 1971, blz . 639 en volgende .
Full & Egal Universal Law Academy