CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 28 oktober 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De Raad heeft krachtens artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen het op 26 februari 1986 door Asociación provincial de armadores de buques de pesca de Gran Sol de Pontevedra (hierna: Arposol) ingestelde beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 tot vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen tegen degenen die bepaalde voorschriften inzake visserijactiviteiten welke zijn vervat in de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, niet in acht nemen (PB 1985, L 363, biz. 26).
2.
Volgens artikel 1 worden bij deze verordening „de maatregelen vastgesteld die de naleving moeten garanderen van de regeling inzake de toelating tot de wateren en de visbestanden, als bedoeld in de artikelen 163, 164, 165, 349, 351 en 352 van de Toetredingsakte, door vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat zijn geregistreerd”.
3.
Deze maatregelen en de regeling waarvan zij de naleving moeten waarborgen, zijn gedetailleerd uiteengezet in het rapport ter terechtzitting.
4.
De Raad, daarin gevolgd door de Commissie die in het geding optreedt als interveniente, meent dat de bestreden verordening een „echte” verordening is, met een algemene strekking en een normatief karakter, zodat een particulier krachtens artikel 173, tweede alinea, niet kan worden ontvangen in een beroep tot nietigverklaring van deze verordening. Dit argument baseert de Raad vooral op het feit, dat verordening nr. 3781/85 niet alleen betrekking heeft op de situatie van de Spaanse vissers, doch evenzeer van toepassing is op de vissers uit Portugal en uit de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien.
5.
Verzoekster brengt hiertegen in, dat een beperkt en nauwkeurig bepaald aantal schepen door de in de verordening voorziene sancties kan worden getroffen, namelijk 1268 van de 76818 schepen die de vissersvloot van de twaalf Lid-Staten van de Gemeenschap vormen. Met name op het gebied van de niet-gespecialiseerde visserij kunnen slechts 300 Spaanse vaartuigen, die met naam zijn genoemd op de basislijst, bedoeld in artikel 158, lid 1, Toetredingsakte, welke is opgenomen als bijlage IX bij de Toetredingsakte, onder de toepassing van bedoelde verordening vallen, aangezien alleen zij toestemming kunnen verkrijgen om in bedoelde visserijzones te vissen. De 57 door Arposol vertegenwoordigde vaartuigen komen op deze basislijst voor.
6.
Alvorens te onderzoeken, of verordening nr. 3781/85 genoemde vaartuigen rechtstreeks en individueel raakt, wil ik in dit verband de volgende opmerking maken.
7.
Arposol maakt, zakelijk weergegeven, bezwaar tegen het feit dat de vaartuigen die zij vertegenwoordigt, in voorkomend geval kunnen worden getroffen door de sanctie dat zij niet worden ingeschreven op de periodieke lijsten die een opsomming bevatten van de vaartuigen die gelijktijdig gedurende een bepaalde periode visserijactiviteiten mogen uitoefenen. Ter zake voert Arposol hoofdzakelijk aan, dat inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling en op een aantal strafrechtelijke beginselen (rechten van de verdediging en ne bis in idem).
8.
Arposol komt dus in wezen op tegen het stelsel van de periodieke lijsten zelf en de mogelijkheid dat een vaartuig dat ter visvangst uitvaart zonder op deze lijst voor te komen, daarop naderhand gedurende een aantal maanden niet meer kan worden ingeschreven.
9.
Het beginsel van deze regeling komt niet voor in een „handeling van de Raad” in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag, doch in de Toetredingsakte, dat wil zeggen een internationale overeenkomst, waartegen voor dit Hof niet kan worden opgekomen.
10.
Zo de bij Arposol aangesloten vaartuigen moeten worden geacht, rechtstreeks en individueel te worden geraakt, enkel omdat zij voorkomen op de basislijst van 300 vaartuigen, zou deze individualisering dus voortvloeien uit artikel 158 Toetredingsakte en niet uit de bestreden verordening.
11.
Met betrekking tot de visserijactiviteiten van Spaanse vaartuigen in de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien is overigens in artikel 163, lid 3, eerste alinea, Toetredingsakte, ten einde de naleving van de in andere bepalingen van de Toetredingsakte vastgestelde regeling te verzekeren, de mogelijkheid ingevoerd om een vaartuig geen toestemming te verlenen om gedurende een bepaalde periode te vissen. Verordening nr. 3781/85 geeft slechts een nadere regeling van de details en de wijze van uitvoering van deze bepaling.
12.
Misschien wilt u dit aspect echter buiten beschouwing laten en de ontvankelijkheid van het beroep enkel onderzoeken met inachtneming van de handeling waarvan formeel nietigverklaring wordt gevraagd. In dit verband wil ik het volgende opmerken.
13.
Gesteld al, dat Arposol slechts als woordvoerster kan worden beschouwd van de (voor allen identieke) belangen van elk harer leden, zou het beroep van Arposol toch slechts ontvankelijk zijn, wanneer elk van deze leden door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
14.
Deze vraag wil ik thans aansnijden, doch zonder de — door mij gedeelde — redenering van de Raad te herhalen, volgens welke verordening nr. 3781/85 de visserijbetrekkingen tussen Spanje, Portugal en de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien op algemene wijze regelt en dus de reders namens wie het beroep is ingesteld, niet individueel kan raken. Ik zou mij vooral willen concentreren op de door Arposol aangevoerde bepalingen, namelijk de regeling die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 158 Toetredingsakte betreffende de niet-gespecialiseerde visserijactiviteiten van de Spaanse vaartuigen in de wateren die vallen onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien.
15.
Aangezien wij hier te maken hebben met een situatie die sterk verwant is aan die welke heeft geleid tot het arrest van 16 maart 1978 (zaak 123/77, Unicme e. a./Raad, Jurispr. 1978, blz. 845), wil ik mij laten leiden door de logische opbouw van dat arrest, zoals die met name blijkt uit de rechtsoverwegingen 8 tot en met 20.
16.
In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat bij onderzoek van de bestreden verordening zelf niet kan worden vastgesteld, of één der bij Arposol aangesloten vaartuigen door de in de regeling voorziene sancties zal worden getroffen.
17.
De daarin neergelegde regeling kan namelijk de belangen van de eigenaren, reders of exploitanten van bedoelde vaartuigen slechts aantasten, wanneer hun daadwerkelijk de sanctie zou worden opgelegd, dat zij niet worden ingeschreven op de ontwerpen van periodieke lijsten.
18.
Vastgesteld moet echter worden, dat dit krachtens artikel 2 van verordening nr. 3781/85 slechts het geval is, wanneer eerst:
—
het betrokken vaartuig in de loop van een bepaalde maand niet op de periodieke lijst is ingeschreven;
—
het zich niettemin met de visserij heeft beziggehouden;
—
het daarbij op heterdaad is betrapt;
—
de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat in wiens wateren de overtreding is begaan, deze hebben geconstateerd en de Commissie en de Lid-Staat onder wiens vlag het vaartuig vaart, in kennis hebben gesteld van eventuele strafrechtelijke of administratieve procedures en andere maatregelen en van iedere desbetreffende rechterlijke beslissing. ( 1 )
19.
Ten slotte moeten de ontwerpen van de periodieke lijsten krachtens artikel 163, lid 2, Toetredingsakte nog ter goedkeuring aan de Commissie worden voorgelegd.
20.
De sanctie van niet-inschrijving van een vaartuig op de periodieke lijsten blijken de autoriteiten van de Lid-Staat van het land onder wiens vlag het schip vaart, slechts te kunnen opleggen na de beëindiging van een procedure waarvoor de medewerking van verschillende instanties van andere Lid-Staten noodzakelijk is en zij wordt formeel pas definitief, nadat de lijsten door de Commissie zijn goedgekeurd.
21.
Aangezien de toepassing van de bestreden verordening voor de door Arposol vertegenwoordigde vaartuigen slechts schade kan veroorzaken nadat verschillende andere feiten zijn ingetreden, kunnen deze vaartuigen dus niet worden geacht, rechtstreeks door de verordening te worden geraakt.
22.
Bovendien kan, zoals de president van het Hof in zijn beschikking in kort geding van 22 april 1986 overwoog, bij uitsluiting uit de periodieke lijst, die lijst
„... zowel op nationaal als op communautair vlak worden betwist”, (r. o. 19)
23.
In het kader van een daartoe door de reder ingesteld beroep, kan hij de onwettigheid van verordening nr. 3781/85 aanvoeren, en wel voor het Hof of voor de nationale rechter, die zich op zijn beurt tot het Hof kan wenden met een verzoek om een prejudiciële beslissing dienaangaande. In voorkomend geval kan de reder eveneens vergoeding vorderen van de door een eventuele onwettigheid veroorzaakte schade.
24.
Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof, „dat de mogelijkheid om het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig te bepalen, geenszins inhoudt dat deze subjecten moeten worden geacht daardoor individueel te worden geraakt”. ( 2 )
25.
In casu is het feit, dat alle door Arposol vertegenwoordigde vaartuigen eventueel van de periodieke lijsten kunnen worden geschrapt op grond van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 3781/85, geen voldoende grond om aan te nemen dat zij individueel worden geraakt op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking.
26.
Enerzijds krijgen de gevolgen van deze verordening pas een individueel karakter, wanneer zij door de Spaanse autoriteiten wordt toegepast, dat wil zeggen wanneer zij bij de opstelling van de aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van periodieke lijsten de gestrafte vaartuigen uitsluiten.
27.
Anderzijds is de basislijst niet eens voor altijd vastgesteld. Indien in de toekomst een ander vaartuig op de basislijst zou worden geplaatst in de plaats van een buiten gebruik gesteld en van de lijst geschrapt vaartuig, zoals artikel 159, lid 2, Toetredingsakte voorziet, en indien het vaartuig vervolgens op de periodieke lijst zou voorkomen, zou het op gelijke voet aan de regeling van de bestreden verordening zijn onderworpen als de vaartuigen die van meet af aan op de lijst voorkwamen.
28.
Men kan dus niet zeggen dat „de rechtspositie” van de door Arposol vertegenwoordigde vaartuigen wordt beïnvloed
„... uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat”. ( 3 )
29.
Derhalve worden zij door verordening nr. 3781/85 ook niet individueel geraakt, zelfs wanneer men — zoals ik zojuist heb gedaan — alleen rekening houdt met de situatie van Spaanse vissers die de niet-gespecialiseerde visserij beoefenen in de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien.
30.
Mitsdien geef ik u in overweging, het door Arposol ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren en verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) De Lid-Staten zijn gehouden dergelijke handelingen te verrichten op grond van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten (PB 1982, L 220, biz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 3723/85 (PB 1985, L 361, biz. 42).
( 2 ) Zie bovengenoemd arrest Unieme, r. o. 16; zie ook het arrest van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz en Gelder-mann/Raad, Jurispr. 1987, blz. 941, r. o. 17.
( 3 ) Zie inzonderheid liet arrest van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz en Geldcrmann/Raad, reeds aangehaald, r. o. 9.
Full & Egal Universal Law Academy