Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij verzoekschrift van 28 februari 1986 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof verzocht vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk, door de Road Vehicles Lighting Regulations 1984 vast te stellen, is afgeweken van de bepalingen van richtlijn 76/756 van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( PB 1976, L 262, blz . 1 ), en derhalve de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Ingevolge die Regulations kunnen vanaf 1 april 1987 motorvoertuigen alleen worden goedgekeurd en in het verkeer gebracht, indien zij met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting zijn uitgerust; dit is een inrichting die, wanneer de motor wordt gestart, automatisch de intensiteit van de reeds brandende parkeerlichten verhoogt, evenwel zonder de intensiteit van het dimlicht te bereiken .
Volgens de Britse regering bevordert de "dim-dip"-verlichtingsinrichting de verkeersveiligheid . Lang niet iedereen is het daarmee eens, maar daarom gaat het niet in dit geding . Waarover het Hof thans uitspraak heeft te doen, is de uitlegging van genoemde richtlijn, met name artikel 2 daarvan, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/276 van 26 mei 1983 ( PB 1983, L 151, blz . 47 ). Dat artikel bepaalt, dat vanaf 1 oktober 1977 de Lid-Staten voor een type voertuig de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring niet mogen weigeren noch het in het verkeer brengen mogen weigeren of verbieden om redenen die verband houden met de installatie van de verplichte of facultatieve verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen, vermeld onder de punten 1.5.7 tot en met 1.5.20 van bijlage I, indien deze inrichtingen overeenkomstig de voorschriften van bijlage I zijn aangebracht .
2 . Eerst een opmerking vooraf . In de Engelse versie van artikel 2 staat, anders dan in alle andere taalversies, na de woorden "bijlage I" geen komma; daarop baseren partijen een reeks - uiteraard tegenstrijdige - overwegingen met betrekking tot de draagwijdte van die bepaling . Dat debat lijkt mij volstrekt onbeduidend . Het al dan niet plaatsen van een interpunctieteken - waarvan het gebruik grotendeels subjectief is en in ieder geval verschillend van taal tot taal - kan niet het belang hebben dat er door de ene en door de andere partij aan wordt gehecht . Daarbij komt, dat wanneer de taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht uiteenlopen, de betrokken bepaling moet worden "uitgelegd met het oog op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt" ( arrest van 28 maart 1985, zaak 100/84, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1985, blz . 1177, r.o . 17 ).
Juist op deze benadering is de stelling van de Commissie gebaseerd . In de eerste plaats stelt zij, dat richtlijn 76/756 een volledige harmonisatie van de voorschriften betreffende de verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen voor motorvoertuigen beoogt . Artikel 2 ziet dus op alle inrichtingen die krachtens het gemeenschapsrecht in bedoelde voertuigen moeten of mogen worden geïnstalleerd . Dit betekent, dat de Lid-Staten voor de goedkeuring van motorvoertuigen niet op eenzijdige wijze de aanwezigheid van niet in het gemeenschapsrecht voorziene inrichtingen mogen verlangen . Anders zouden de nationale wettelijke regelingen immers vroeg of laat uiteen gaan lopen en zou de richtlijn haar doel niet bereiken .
De Britse regering daarentegen legt artikel 2 strikt letterlijk uit . Haars inziens verwijzen de woorden "deze inrichtingen" naar de inrichtingen die in bijlage I zijn vermeld, en staan zij er bijgevolg aan in de weg, dat het betrokken verbod wordt uitgebreid tot inrichtingen die niet in die lijst voorkomen . Voorts beoogt de richtlijn geenszins een volledige harmonisatie tot stand te brengen, doch gemeenschappelijke bepalingen in te voeren die, hoe gedetailleerd ook, de Lid-Staten de bevoegdheid laten om andere, in voorkomend geval strengere regels vast te stellen . Het niet-uitputtend karakter van de gemeenschapsregeling vindt bevestiging in het feit, dat in Groot-Brittannië sedert geruime tijd een bijzondere - en door de Commissie nooit gekritiseerde - regeling voor de verlichtings - en lichtsignaalinrichting van vrachtwagens met aanhangwagens en ambulances bestaat .
3 . Laten wij eerst eens zien, wat de achtergrond en de doelstelling van de betrokken bepaling is . Op grond van de constatering dat de voorschriften betreffende de verlichtingsinrichtingen van motorvoertuigen van land tot land sterk verschilden, achtte de gemeenschapswetgever het wenselijk dat de Lid-Staten hun wettelijke regeling zouden aanvullen met of vervangen door gelijkluidende voorschriften, "met name om voor elk type voertuig de in richtlijn 70/156 bedoelde EEG-goedkeuring mogelijk te maken ". De betrokken bepaling vormt dus de eerste stap van een beleid dat een veel ambitieuzer doel nastreeft : de invoering van een enkel conformiteitscertificaat, op basis waarvan in een bepaalde Lid-Staat gebouwde voertuigen in alle andere Lid-Staten van de Gemeenschap zonder verdere controle kunnen worden goedgekeurd .
Dat resultaat is lang niet bereikt, maar niettemin is reeds voldaan aan een aantal voorwaarden die het mogelijk moeten maken, en wel juist op het gebied dat ons bezighoudt : na de inwerkingtreding van richtlijn 76/756 en op zijn minst voor voertuigen die voor uitvoer zijn bestemd of die van oorsprong zijn uit andere Lid-Staten, mogen de Lid-Staten immers geen nieuwe technische voorschriften invoeren, ongeacht de aard en het doel ervan . Was dat niet het geval, dan zou het verplicht stellen door een Lid-Staat op zijn grondgebied van een niet in de richtlijn voorziene inrichting de goedkeuring ( en dus de verkoop ) aldaar beletten van in de overige Lid-Staten conform de communautaire voorschriften gebouwde voertuigen; de in de betrokken Lid-Staat gebouwde voertuigen zouden bij uitvoer naar Lid-Staten die een dergelijke inrichting niet kennen, op dezelfde belemmeringen stuiten .
Artikel 2 nu beoogt juist dergelijke problemen te voorkomen . Deze bepaling strekt ertoe, alle Europese constructeurs in staat te stellen hun produkten in de gehele Gemeenschap te verkopen zonder verplicht te zijn ze telkens met bijzondere verlichtingsinrichtingen uit te rusten, al naar gelang van de Lid-Staat waarvoor zij bestemd zijn . Mijns inziens volstaat dit om de door de Britse regering voorgestelde uitlegging van die bepaling te kunnen afwijzen .
Volstrekt onaanvaardbaar is voorts het argument dat de Britse regering ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat de diverse harmonisatierichtlijnen eerst in werking zullen treden wanneer er een "volledige" regelgeving bestaat, dit wil zeggen een regelgeving die alle aspecten van het verkeer van motorvoertuigen omvat . Dit standpunt houdt immers geen rekening met het feit, dat het bedoelde harmonisatieproces geleidelijk verloopt, sector na sector, en dat de verwezenlijking van de uiteindelijke doelstelling ervan - de invoering van een communautair conformiteitscertificaat - afhangt van de stipte naleving van elke richtlijn .
Ten slotte is het feit, dat de Commissie nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de eisen die het Verenigd Koninkrijk stelt voor de goedkeuring van ambulances en andere voertuigen die in het verkeer voorrang hebben, irrelevant . Dienaangaande volstaat het op te merken, dat bijkomende inrichtingen voor speciale voertuigen buiten de werkingssfeer van richtlijn 76/756 vallen, gelijk duidelijk blijkt uit punt 10.3 van bijlage I bij richtlijn 70/156 van 6 februari 1970 ( PB 1970, L 42, blz . 1 ).
4 . Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te verklaren, dat het Verenigd Koninkrijk, door de constructeurs te verplichten de voertuigen die na 1 april 1987 moeten worden goedgekeurd of in het verkeer gebracht, uit te rusten met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting, de bepalingen van richtlijn 76/756 van 27 juli 1976 heeft geschonden en daarmee de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Voorts geef ik het Hof in overweging over de kosten te beslissen volgens het beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy