Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . De zaken waarin ik heden concludeer, hebben betrekking op een intern vergelijkend onderzoek bij de Commissie ( COM/A/8/84 ), dat plaatshad in de periode zomer 1984 tot zomer 1986 en bedoeld was om te komen tot een ( aanvankelijk tot 31.12.1986 geldige ) reservelijst voor A 7/A 6-posten . Alleen sollicitanten die in de rangen B 3 tot B 1 waren ingedeeld, mochten eraan deelnemen .
2 . In de aankondiging van vergelijkend onderzoek was onder meer vermeld, dat de jury aan de hand van het persoons - en het sollicitatiedossier en rekening houdend met de beoordeling van een verhandeling, uit de toegelaten sollicitanten de besten zou uitkiezen voor toelating tot een opleidingscursus . Daarbij moest rekening worden gehouden met het feit, dat het aantal toegelaten kandidaten het verwachte aantal vacatures ( er werd gesproken van een veertigtal ) met niet meer dan 50 % mocht overschrijden . Daarna zou een mondeling examen plaatsvinden en de kandidaten die voor dat examen minstens 30 punten op een maximum van 50 behaalden, zouden op de lijst van geschikte kandidaten worden geplaatst .
3 . Voor dit vergelijkend onderzoek meldden zich ongeveer 300 sollicitanten aan ( waaronder de verzoekers in de thans aan de orde zijnde zaken ). 270 van hen werden tot het schriftelijke werk toegelaten, waarvan er 252 in juni 1985 daadwerkelijk daaraan deelnamen . Na de globale beoordeling van de hiervóór genoemde onderdelen ( elk daarvan afzonderlijk kon niet tot uitsluiting leiden ) besloot de jury 87 kandidaten tot de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde opleidingscursus toe te laten . ( Op dat ogenblik werd ervan uitgegaan, dat er 48 vacatures zouden komen, en de jury meende daarom zich niet aan het in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde maximumaantal te hoeven storen; daarbij beriep zij zich op artikel 5 van bijlage III bij het Statuut, dat bepaalt dat het aantal op de lijst van geschikte kandidaten geplaatsten zo mogelijk ten minste tweemaal het aantal der ambten moet bedragen die de inzet van het vergelijkend onderzoek vormen .)
4 . De verzoekers in de gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78 en in zaak 149/86 ( de eerste groep van geschillen ) werden niet toegelaten tot de opleidingscursus . Dit werd hun meegedeeld bij brief van 12 december 1985 van het hoofd van de afdeling Aanwerving . Nadat hun vervolgens - naar aanleiding van hun klacht ( zaken 64, 78 en 149/86 ), of eenvoudig op hun verzoek om nadere motivering en met name om mededeling van de bij de beoordeling van de sollicitaties toegepaste criteria - bij brieven van 14 februari 1986 een aantal toelichtingen was verstrekt, zijn deze zaken in maart en juni 1986 bij het Hof aanhangig gemaakt .
5 . Alle verzoekers vorderen nietigverklaring van het besluit van de jury om hen niet tot de opleidingscursus toe te laten . Verzoeker in zaak 64/86 vordert voorts de nietigverklaring van de voorselectiefase van het intern vergelijkend onderzoek en eist te worden toegelaten tot de opleidingscursus van 17 maart 1986 . Dat is ook het geval in het beroep in zaak 78/86, waar bovendien de nietigverklaring van het intern vergelijkend onderzoek wordt gevorderd . In de zaken 71, 72, 73/86 wordt voorts - voor zoveel nodig - de nietigverklaring gevorderd van de door de jury gemaakte keuze met betrekking tot de toelating tot de opleidingsfase, alsook van alle handelingen en verrichtingen die op die keuze zijn gevolgd of zullen volgen, daaronder begrepen de aanstellingen op basis van de uitslag van het vergelijkend onderzoek .
6 . In zaak 228/86 is een tweede reeks geschillen aan de orde; de verzoekers in deze zaak waren toegelaten tot de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde opleidingsfase, die in maart en april 1986 te Brussel en te Luxemburg plaatsvond . Nadien namen 84 deelnemers deel aan een mondeling examen . Aangezien verzoekers in zaak 228/86 hiervoor niet het in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste minimumaantal punten behaalden, werd hun bij brief van 17 juni 1986 van het hoofd van de afdeling Aanwerving meegedeeld, dat zij niet op de reservelijst waren geplaatst ( waarop uiteindelijk slechts 38 kandidaten zijn opgenomen ).
7 . In augustus 1986 hebben zij dan ook beroep tot nietigverklaring van de afwijzing van hun sollicitaties ingesteld en, voor zoveel nodig, van de aanstellingen die op basis van het vergelijkend onderzoek zijn verricht .
B - Standpuntbepal ing
8 . Mijns inziens dient in deze zaken het volgende standpunt te worden ingenomen :
I - De eerste reeks geschillen ( gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78 en zaak 149/86 )
1 . De ontvankelijkheid van het beroep in zaak 149/86
9 . De Commissie betwijfelt de ontvankelijkheid, op grond dat verzoeker in die zaak geen procesbelang zou hebben . De Commissie baseert zich daarbij op het feit, dat er met betrekking tot verzoeker een procedure tot vaststelling van invaliditeit is gevoerd en dat hem - nadat de invaliditeitscommissie in januari 1987 blijvende en algehele invaliditeit had vastgesteld - bij besluit van 24 februari 1987 per 1 maart 1987 een invaliditeitspensioen in de zin van artikel 78, lid 3, van het Statuut is toegekend .
10 . Opgemerkt zij evenwel, dat verzoeker in zaak 149/86 ook beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Commissie ( van oktober 1986 ) om zijn geval aan de invaliditeitscommissie voor te leggen, alsook tegen de consequentie daarvan, te weten het besluit van 24 februari 1987 ( zaak 78/87 ). Deze zaak bevindt zich nog in het stadium van de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, waarbij verzoeker opmerkingen heeft ingediend . Een beslissing is nog niet gevallen, en bijgevolg kan op dit ogenblik niet worden gezegd, dat het besluit houdende beëindiging van verzoekers loopbaan definitief is geworden . Het valt dan ook niet te ontkennen dat hij er belang bij heeft op te komen tegen de modaliteiten en het verloop van het vergelijkend onderzoek, met de bedoeling zelf nog baat te hebben bij de uitslag ervan .
11 . Er zijn dus geen termen om het beroep in zaak 149/86 niet-ontvankelijk te verklaren . Hoogstens kan in overweging worden genomen, de behandeling van zaak 149/86 te schorsen in afwachting van een beslissing in zaak 78/87 . Dienaangaande refereer ik mij aan het oordeel van de betrokken kamer . Ik zal in ieder geval ook de gegrondheid van het beroep in zaak 149/86 onderzoeken .
2 . De gegrondheid van het beroep
12 . Bij het onderzoek van de middelen die de diverse verzoekers tot staving van hun aanspraken aanvoeren, houd ik mij niet aan de door verzoekers gekozen volgorde, doch behandel ik eerst het mijns inziens belangrijkste middel .
a ) Het schriftelijk examen
aa ) "Algemene kennis"
13 . Alle verzoekers klagen, dat de vermelding in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, dat bij het schriftelijk examen de algemene kennis zou worden getoetst, genegeerd is, doordat voor bepaalde onderwerpen specifieke kennis nodig was ( zaken 71, 72, 73/86; in de zaken 64 en 78/86 is die grief eerst in repliek aangevoerd en ook ter terechtzitting vermeld ).
14 . Zoals ons werd meegedeeld, had de jury op drie gebieden ( institutionele en administratieve aangelegenheden, economische, budgettaire en financiële aangelegenheden, en gemeenschapsbeleid en actuele thema' s van algemeen beleid ) telkens vier onderwerpen voorbereid . Daarvan werden voor elk gebied twee onderwerpen uitgeloot . Elke kandidaat moest een gebied kiezen en een van beide op dat gebied bij loting aangewezen onderwerpen behandelen ( zie het verslag van de jury van januari 1985 ). Eerst na zijn keuze op basis van een algemene omschrijving van de onderwerpen werd hem het precieze onderwerp meegedeeld en kreeg hij het bijbehorende dossier ( zo moeten wel de onweersproken verklaringen in de verzoekschriften en de repliek in de zaken 71, 72, 73/86 worden begrepen ).
15 . Uit het juryverslag van juni-juli 1985 blijkt voorts, dat de onderwerpen van het eerste gebied betrekking hadden op de verkiezingen voor het Europees Parlement en de "direction participative par objectifs", die van het tweede gebied op de landbouwproblematiek en de begroting van de Gemeenschappen, en die van het derde gebied op de problematiek van de ontwikkelingshulp en van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ( voor de precieze, vrij ingewikkelde formulering verwijs ik naar het overgelegde jurydossier ). Na bestudering van het bijbehorende dossier gedurende een half uur, stonden twee uur ter beschikking voor het schrijven van een verhandeling over het gekozen onderwerp; het maximaal te behalen aantal punten bedroeg 60 ( zie het juryverslag van januari 1985 ).
16 . Drie verzoekers ( zaken 71, 73 en 78/86 ) kozen het thema ontwikkelingshulp, twee ( zaken 72 en 149/86 ) het thema Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, en verzoeker in zaak 64/86 koos het thema verkiezingen voor het Europees Parlement . Bij de anonieme verbetering kregen zij tussen 10 en 27 punten . Aangezien het resultaat van de verhandeling in de globale beoordeling zwaarder woog dan de gegevens van het persoonsdossier en het sollicitatieformulier ( zie het juryverslag van juni-juli 1985 ) en de waardering van de verhandeling niet kon worden gecompenseerd door een hoge waardering van de schriftelijke bewijsstukken ( in dat geval hadden verzoekers wel moeten worden ingedeeld in de hoogste twee van vijf categorieën : 7, 18 -, 18, 18+ en 28 ), concludeerde de jury, dat zij niet tot de opleidingscursus konden worden toegelaten .
17 . In de aankondiging van vergelijkend onderzoek was zeer duidelijk vermeld, dat het ging om een verhandeling "welke betrekking heeft op de algemene kennis en het oordeelsvermogen" van de kandidaat . Aangenomen dat het oordeelsvermogen ook aan de hand van een zeer specifiek onderwerp kan worden beoordeeld, valt toch bezwaarlijk aan te nemen dat de voorgestelde, en nog minder de daadwerkelijk uitgekozen onderwerpen de toetsing van de "algemene kennis" mogelijk maakten ( waarbij men toch eerder denkt aan fundamentele vragen over de organisatie en doelstellingen van de Gemeenschappen en de werking van haar instellingen ). Mijns inziens hebben de kandidaten het bij het rechte eind waar zij stellen, dat voor een behoorlijke uiteenzetting over de opgegeven onderwerpen precieze en specifieke kennis op bepaalde gebieden nodig was .
18 . Dienaangaande kan evenmin het argument van de Commissie worden gevolgd, dat een algemeen onderwerp op het bezwaar stuitte, dat in dat geval kandidaten met een universitaire opleiding bevoordeeld waren, en dat de kandidaten hadden kunnen kiezen uit een lijst van onderwerpen die op de activiteiten van de Commissie in het algemeen betrekking hadden . Dit laatste is zeker niet juist, aangezien de uitgekozen onderwerpen slechts een deel van de activiteiten van de gemeenschapsinstellingen betroffen . Evenmin valt in te zien, dat de keuze van een of meer algemene onderwerpen bijzondere moeilijkheden zou hebben meegebracht . In zoverre de Commissie vreesde, dat dat mogelijk in het voordeel kon zijn van kandidaten met een universitaire opleiding, wordt daartegen terecht ingebracht, dat er bij een vergelijkend onderzoek voor posten van categorie A van uit wordt gegaan, dat alle kandidaten kennis op universitair niveau bezitten .
19 . Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de modaliteiten van het schriftelijk examen inderdaad niet in overeenstemming waren met de aankondiging van vergelijkend onderzoek; de duidelijke formulering daarvan beperkte zonder twijfel de - onbetwistbare - beoordelingsvrijheid van de jury . Bijgevolg staat eveneens vast, dat het in de rechtspraak van het Hof erkende beginsel dat de examens volledig identiek moeten zijn ( 1 ), is geschonden, aangezien mogelijkerwijs een aantal kandidaten in hun huidige functie de nodige bijzondere kennis hebben verworven . In die richting wijst ook de door verzoekers ter terechtzitting afgelegde - hier niet verder te onderzoeken ( en door de Commissie onweersproken ) - verklaring, dat de negen beste kandidaten diegenen waren die een verhandeling hadden kunnen maken die verband hield met hun functie .
20 . De eerste conclusie is dus, dat de vorderingen tot nietigverklaring van de besluiten van 12 december 1985, althans voor zover het de zaken 71, 72, 73/86 betreft, waarin het hierboven onderzochte middel uitdrukkelijk is geformuleerd, gegrond zijn . Ik meen echter, dat wij, gezien de ernst van de aangetoonde procedurefout, die grond oplevert voor een onderzoek ambtshalve, nog verder kunnen gaan en het feit dat deze middelen in de zaken 64 en 78/86 eerst in repliek zijn aangevoerd ( en vervolgens nog ter terechtzitting ter sprake zijn gebracht ), niet al te zwaar behoeven te laten wegen . Ook in deze zaken dient het besluit van 12 december 1985 derhalve op grond van dit middel te worden nietig verklaard .
21 . Dit geldt mijns inziens niet voor zaak 149/86 . Verzoeker in deze zaak heeft tegen de modaliteiten van het schriftelijk examen nooit dergelijke kritiek geformuleerd . Derhalve mag worden aangenomen, dat hij zich door de hierboven beschreven procedure niet bijzonder bezwaard achtte ( wat redelijk lijkt, gelet op zijn universitaire opleiding, waar hij zelf uitdrukkelijk op wijst ).
bb ) "Een samenvatting aan de hand van een dossier"
22 . Ik kan verzoekers niet volgen waar zij in het kader van hun kritiek op de naleving van de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek aanvoeren, dat zij een "samenvatting aan de hand van een dossier" moesten maken en dat hun geen echt dossier ter beschikking was gesteld .
23 . Het is weliswaar juist, dat bij de onderwerpen 9 en 10 slechts een "dossier" van enkele bladzijden werd aangeboden ( terwijl bij onderwerp 1 een vrij omvangrijke documentatie was gevoegd ), doch mijns inziens behoeft een "dossier" niet per se een grote stapel documenten te zijn, en is het zeker niet onmogelijk, aan de hand van weinig bladzijden ( statistieken, bepalingen van verordeningen ) een synthese te maken .
24 . Op de andere vraag die in dit verband kan rijzen, namelijk of er vanuit het oogpunt van de gelijke behandeling van de kandidaten bezwaren bestaan tegen de zeer verschillende omvang van de "dossiers" en de beperkte tijd voor het lezen ervan ( een half uur ), behoeft daarentegen niet verder te worden ingegaan . Verzoekers hebben dit feit niet uitdrukkelijk aan de orde gesteld, zodat mag worden aangenomen, dat zij zich daardoor - kennelijk gelet op het door hen gekozen onderwerp - niet benadeeld voelen .
cc ) Het maximumaantal geselecteerde kandidaten
25 . Verzoekers betogen voorts, dat het sub III, lid 1, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek bepaalde maximumaantal door de jury te laat is gecorrigeerd om nog te kunnen meespelen bij de beoordeling van de verhandelingen .
26 . Dit argument lijkt niet erg overtuigend . Ons werd immers op plausibele wijze verzekerd, dat de verhandelingen zo objectief mogelijk zijn verbeterd ( door verschillende personen ) en dat de keuze van de kandidaten voor de opleidingsfase eerst gemaakt is na de latere algemene beoordeling, waarbij ook de persoonsdossiers een rol speelden .
dd ) Verdere argumenten
27 . Na het voorgaande behoeft eigenlijk niet meer te worden ingegaan op de overige argumenten . Over de in zaak 149/86 geformuleerde kritiek - namelijk dat de jury meer belang heeft gehecht aan de verhandeling dan aan het persoonsdossier, zodat de verhandeling ( in tegenstelling tot het bepaalde in de aankondiging van vergelijkend onderzoek ) tot uitsluiting van het vergelijkend onderzoek kon leiden - wil ik enkel nog opmerken, dat zij mijns inziens niet relevant is .
28 . Uit de overgelegde tabel, op basis waarvan de keuze is gemaakt, blijkt dat een relatief slecht resultaat bij de verhandeling ( zelfs een waardering van minder dan 30 punten ) kon worden goedgemaakt door een hoge waardering van de inhoud van het persoonsdossier en de sollicitatiestukken . Zo zijn vijf kandidaten tot de opleidingsfase toegelaten, ofschoon zij bij de verhandeling slechts 20 punten of nog minder hadden behaald .
b ) De beoordeling van het persoonsdossier en de sollicitatiestukken
29 . In alle zaken hebben verzoekers - zij het met enige nuances - betoogd, dat bij de beoordeling van de vraag of zij aan de voorwaarden voldeden om tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, kennelijke fouten zijn begaan, gelet op de inhoud van hun persoonsdossier en de door hen uitgeoefende functies .
30 . Daarbij moet nog worden opgemerkt, dat verzoeker in zaak 73/86, die gedurende vijf jaren functies van categorie A zou hebben uitgeoefend, zich gediscrimineerd acht ten aanzien van A-ambtenaren die hetzelfde werk deden . Verzoeker in zaak 64/86 ( die betoogt dat rekening had moeten zijn gehouden met zijn eerdere toelating tot een ander vergelijkend onderzoek voor categorie A ) verwijt de jury, dat zij haar afwijkende beoordeling niet heeft gemotiveerd .
31 . Dienaangaande zij er in de eerste plaats op gewezen, dat de jury van een vergelijkend onderzoek volgens de rechtspraak van het Hof ( 2 ) over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en dat de juistheid van haar waardeoordelen door het Hof niet kan worden getoetst . In het kader van vergelijkend onderzoek COM/A/8/84 diende een groot aantal elementen globaal te worden beoordeeld ( zoals blijkt uit de aankondiging van vergelijkend onderzoek zelf, en meer in het bijzonder ook uit een door de jury opgesteld document met de titel "critères de cotation de titres "). Daarbij zijn de dossiers van alle verzoekers in de middelste van vijf groepen ( 18 punten ) gerangschikt, en kreeg alleen verzoeker in zaak 149/86 een lagere waardering ( 7 punten ).
32 . Verzoekers verwijzen naar hun persoonsdossier en hun sollicitatiestukken . Bepaalde elementen daarvan, zoals een universitair diploma, zouden huns inziens een hogere waardering rechtvaardigen . Voorts verwijzen zij naar hun opleiding, hun vroegere beroepservaring op hoog niveau, het niveau van hun huidige functie binnen de dienst ( en zelfs ten dele daarbuiten ), het feit dat zij tot andere vergelijkende onderzoeken voor A-posten waren toegelaten, en last but not least naar hun beoordelingsrapporten als bedoeld in artikel 43 Ambtenarenstatuut ( voor details verwijs ik naar het dossier ). Op basis daarvan menen zij recht te hebben op een betere beoordeling dan alleen maar "goed ". Zij verliezen daarbij evenwel uit het oog, dat van de jury een globale beoordeling werd verwacht, waarbij bepaalde positieve elementen tegen andere, aan het persoonsdossier ontleende negatieve elementen konden worden weggeschrapt of in waarde verminderd ( dit was uitdrukkelijk voorzien in het document "critères de cotation de titres "). Aangezien ik ter zake niet over een betrouwbaar totaalbeeld beschik, kan op basis van de door verzoekers ( op verschillende wijze ) aangevoerde positieve elementen niet zonder meer tot een kennelijk onjuiste beoordeling van de overgelegde documenten worden geconcludeerd .
c ) Kritiek op de aankondiging van vergelijkend onderzoek
33 . Ook de aankondiging van vergelijkend onderzoek is gekritiseerd, en wel omdat zij in een globale beoordeling voorzag en niet in een waardering van de verhandeling ( gevoegde zaken 64, 71, 72, 73, 78/86 ).
34 . Hier kan ik echt niet de stelling van de Commissie volgen, dat deze grief niet meer aangevoerd kan worden na afloop van de termijn om tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek op te komen . Dienaangaande beperk ik mij tot een verwijzing naar mijn conclusie in zaak 307/85 ( 3 ), waarin ik heb verklaard het niet eens te zijn met het in zaak 294/84 ( 4 ) ingenomen standpunt, en het Hof in overweging heb gegeven, zich te houden aan de overwegende rechtspraak, dat in een beroep tegen een aanstellingsbesluit ook eerdere handelingen als voorbereidende handelingen in de procedure worden betrokken ( de Vierde kamer heeft dat standpunt overigens overgenomen door te accepteren dat de vraag werd opgeworpen of het besluit om het vergelijkend onderzoek te organiseren, geldig was genomen ).
35 . De mening van de Commissie, dat de verhandeling niet zozeer een examen was als wel een schriftelijk bewijsstuk (" titre ") in de zin van bijlage III bij het Statuut, acht ik evenmin erg overtuigend .
36 . Men zal echter moeten toegeven, dat de in casu aan de orde zijnde aankondiging van vergelijkend onderzoek zeer bijzonder is ( omdat zij een globale beoordeling van schriftelijke bewijsstukken en de verhandeling voorschrijft ), en in het bijzonder, dat het gewraakte feit ( het ontbreken in de aankondiging, zelfs voor het enige schriftelijke werkstuk, van een waarderingsschaal ) geen negatieve invloed heeft gehad op het verloop van de procedure van het vergelijkend onderzoek . Het feit dat voor de verhandeling niet een minimum aantal punten werd behaald, leidde immers op zich niet tot uitsluiting van het vergelijkend onderzoek . Onder die omstandigheden ben ik van mening, dat de niet-eerbiediging van de bepalingen van bijlage III bij het Statuut niet als schending van een wezenlijk vormvoorschrift is aan te merken, en dat het onbillijk zou zijn het vergelijkend onderzoek om die reden ongeldig te verklaren .
d ) De samenstelling van de jury en de door haar gevolgde procedure
aa ) De voorzitter was geen ambtenaar
37 . Verzoeker in zaak 64/86 voert voorts aan - onder verwijzing naar het feit dat de voorzitter van de jury een voormalig ambtenaar was -, dat de samenstelling van de jury niet in overeenstemming was met de bepalingen van artikel 3 van bijlage III bij het Statuut . Gelijk de Commissie terecht opmerkt ( 5 ), is dit niet juist .
bb ) Het horen van hiërarchieke meerderen
38 . Voorts klaagt verzoeker in zaak 64/86, dat geen gebruik is gemaakt van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorziene mogelijkheid om de hiërarchieke meerderen van de kandidaten te horen ( bij voorbeeld om hun talenkennis te verifiëren of tot een betere waardering van de schriftelijke bewijsstukken te komen ).
39 . Dienaangaande is van belang, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek in die mogelijkheid voorzag voor zover dat nodig was (" en cas de besoin "), dat wil zeggen dat de jury over een beoordelingsvrijheid ter zake beschikte . Uit niets blijkt, dat de jury misbruik van deze beoordelingsvrijheid heeft gemaakt toen zij besloot, dat de stukken waarover zij beschikte, voldoende waren en dat zij geen nadere inlichtingen nodig had, en dat zij dus van die mogelijkheid geen gebruik behoefde te maken ( bij voorbeeld met betrekking tot de talenkennis of de beoordeling van nationale schriftelijke bewijsstukken ).
e ) Motiveringsgebreken
40 . Ten slotte klagen verzoekers, dat het besluit van de jury om hen niet tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek toe te laten, onvoldoende was gemotiveerd . De latere brieven van februari 1986 bevatten geen informatie over de beoordelingscriteria, de waardering van de verhandeling en de beoordeling van de diverse schriftelijke bewijsstukken ( gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78/86 ).
41 . Gelet op de rechtspraak van het Hof lijkt de kritiek van verzoekers zonder meer gerechtvaardigd . Ik herinner slechts aan de arresten in de zaken 31/75 ( 6 ), 4/78 ( 7 ), 89/79 ( 8 ) en met name ook aan de arresten in de zaken 195/80 ( 9 ), 225/82 ( 10 ) en 108/84 ( 11 ), volgens welke de jury verplicht is, de afgewezen kandidaten individueel de redenen van die afwijzing mee te delen ( hetgeen in casu zeker niet is gebeurd ). Aan de hand van de in de loop van de procedure verkregen informatie kan men zich thans een voldoende duidelijk beeld vormen van alle belangrijke details van de procedure van het vergelijkend onderzoek, met name dank zij de aan het Hof overgelegde juryverslagen en bijbehorende bijlagen . Bijgevolg ligt het voor de hand, de bestreden besluiten niet tevens wegens gebrek aan motivering nietig te verklaren, doch zich met betrekking tot dit middel op hetzelfde standpunt te stellen als in zaak 12/84 ( 12 ) ( waar de nodige verduidelijkingen ook eerst na het instellen van het beroep waren aangebracht ) en dus te verklaren, dat het middel ontleend aan motiveringsgebreken zonder voorwerp is geraakt .
f ) Slotsom
42 . In de gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78/86 zie ik derhalve geen bijkomende gronden voor nietigverklaring ( met verder reikende gevolgen voor de herhaling van het vergelijkend onderzoek ); over de in zaak 149/86 aangevoerde middelen kom ik aanstonds te spreken .
43 . Dergelijke gronden zijn ook niet te vinden in het in zaak 78/86 aangevoerde argument ( een kandidaat - één van de verzoekers in zaak 228/86 - is tot de laatste fase van het vergelijkend onderzoek toegelaten, ofschoon hij onvoldoende kennis van een taal van de Gemeenschap zou hebben ), noch in de in de gemeenschappelijke repliek in de gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78/86 aangevoerde bijkomende argumenten ( de in de kennisgeving van vergelijkend onderzoek vereiste kennis van een tweede taal zou niet zijn getoetst en kandidaten met de Italiaanse nationaliteit zouden zijn gediscrimineerd ).
44 . Zonder dat hierop verder behoeft te worden ingegaan, kan derhalve worden vastgesteld, dat de niet-toelating van verzoekers tot de opleidingscursus uitsluitend gekritiseerd kan worden op grond van de incorrecte vorm waarin het schriftelijk examen was georganiseerd .
3 . De in zaak 149/86 aangevoerde middelen
Zoals zojuist aangekondigd, kom ik thans tot de bijzondere middelen die in zaak 149/86 zijn aangevoerd .
a ) Het gebruik van de beoordelingsrapporten
45 . Zoals bekend, stelt verzoeker in deze zaak in de eerste plaats ( zij het niet steeds even begrijpelijk en overzichtelijk ), dat ten onrechte rekening is gehouden met de over hem overeenkomstig artikel 43 Ambtenarenstatuut opgestelde beoordelingsrapporten ( en wel omdat die betrekking zouden hebben op een sedert jaren door verzoeker uitgeoefende functie die niet aan zijn kwalificaties beantwoordde ).
46 . Op het feit dat rekening is gehouden met verzoekers beoordelingsrapporten, valt evenwel niets aan te merken . Die rapporten behoren tot het in de aankondiging uitdrukkelijk vermelde persoonsdossier, en zij zijn ook onmisbaar bij de beoordeling van de waarde van de - eveneens in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde - ervaring .
b ) Onvolledige dossiers
47 . Voorts stelt deze verzoeker, dat de jury niet de beschikking had over zijn volledig persoonsdossier . Was dat dossier wel compleet geweest ( volgens verzoeker ontbrak informatie over zijn deelneming aan eerdere vergelijkende onderzoeken en over een door hem ingediende klacht tegen de beschrijving van zijn functie ), dan zou de jury hem stellig een betere beoordeling hebben gegeven .
48 . In zoverre verzoeker eraan twijfelt - meer is het uiteindelijk niet -, of de jury wel wist van zijn deelneming aan eerdere vergelijkende onderzoeken, kon de Commissie wijzen op de door verzoeker zelf ingediende sollicitatiestukken, die alle nodige informatie bevatten . Met betrekking tot zijn verwijzing naar de afwezigheid van zijn klacht tegen de beschrijving van zijn functie zie ik voorts niet in, hoe daaruit iets doorslaggevends of zelfs maar belangrijks kan worden afgeleid voor het onderhavige vergelijkend onderzoek .
49 . Evenmin kan uit de omstandigheid, dat de Commissie in de processtukken slechts uittreksels uit de beoordelingsrapporten heeft geciteerd - ten einde het middelmatige karakter ervan aan te tonen -, worden geconcludeerd, dat de jury over een onvolledig beoordelingsrapport beschikte, gelijk verzoeker stelt .
50 . Gelet op het voorgaande, kan ik ook in dit geval niet concluderen, dat de beoordeling van de jury kennelijk onjuist was en dat het persoonsdossier van verzoeker daarentegen de beoordeling "goed" verdiende .
c ) "Subjectief besluit"
51 . Verder stelt verzoeker, dat er te zijnen aanzien een subjectief besluit is genomen .
52 . In de eerste plaats kon de Commissie daartegen inbrengen, dat zowel bij de verbetering van de verhandeling als bij de beoordeling van de persoonsdossiers ( waarvan alleen de voorzitter van de jury rechtstreeks inzage had gehad en waaruit, gelet op het grote aantal kandidaten, nagenoeg onmogelijk op grond van bepaalde gegevens - anciënniteit en deelname aan eerder vergelijkende onderzoeken - kon worden afgeleid om welke kandidaat het ging ) de anonimiteit van de kandidaten verzekerd was geweest .
d ) Bij - en nascholing niet vergemakkelijkt
53 . Verzoeker betoogt bovendien, dat de Commissie in strijd met artikel 24 Ambtenarenstatuut heeft gehandeld, omdat zij door haar gedrag de bij - en nascholing van verzoeker in de loop van het vergelijkend onderzoek niet heeft vergemakkelijkt .
54 . In dit verband kan worden volstaan met de opmerking, dat de jury zich in het kader van het onderhavige vergelijkend onderzoek aan de hand van een globale beoordeling over de bij - en nascholing diende uit te spreken . Niets wijst erop, dat hierbij een fout ten detrimente van verzoeker is begaan .
e ) Het horen van de hiërarchieke meerdere
55 . Ten slotte betoogt verzoeker nog, dat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek ten onrechte in de mogelijkheid was voorzien om hiërarchieke meerderen te horen .
56 . Hierop behoeft niet verder te worden ingegaan, omdat tijdens het vergelijkend onderzoek van die mogelijkheid in feite geen gebruik is gemaakt .
4 . De diverse vorderingen
57 . In het kader van de eerste reeks geschillen dient thans nog te worden onderzocht, of in de gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78/86 naast de nietigverklaring van het primair bestreden besluit ( de niet-toelating van verzoekers tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek ) de overige, aan het begin van deze conclusie vermelde vorderingen gegrond moeten worden verklaard . ( 13 )
a ) Toelating tot de opleidingscursus
58 . De vordering van verzoekers ( in de zaken 64 en 78/86 ) om tot de opleidingscursus te worden toegelaten, moet in ieder geval worden afgewezen .
59 . In de eerste plaats kan het Hof in principe de administratie ( en dus ook een jury ) geen concrete instructies geven . In de tweede plaats komt daar in casu bij, dat eerst na een nieuw schriftelijk examen en na beoordeling van de resultaten daarvan kan worden vastgesteld, of verzoekers voor de opleidingsfase in aanmerking komen . Zolang dat niet is gebeurd, zijn er geen termen om deze vordering van verzoekers toe te wijzen .
b ) Nietigverklaring van aanstellingen
60 . Tegen de vordering tot nietigverklaring van de op basis van het vergelijkend onderzoek verrichte aanstellingen brengt de Commissie terecht in, dat verzoekers niet rechtstreeks tegen de aanstellingsbesluiten zijn opgekomen . Voorts kan worden opgemerkt, dat verzoekers geen belang hebben bij die nietigverklaring . Waar het voor hen op aankomt, is dat zij met succes deel kunnen nemen aan een op regelmatige wijze georganiseerd vergelijkend onderzoek en dat zij vervolgens zelf op een A-post worden aangesteld . Zouden verzoekers alle hindernissen weten te nemen, dan kunnen zij dit doel ook zonder nietigverklaring van de reeds verrichte aanstellingen bereiken . Van de 48 posten waarin op basis van dit vergelijkend onderzoek moest worden voorzien, zijn er immers nog maar hoogstens 38 aan geslaagde kandidaten toegewezen . Bovendien mag worden aangenomen, dat er intussen nog andere vacatures in de rangen A 7 en A 6 zijn ontstaan, zodat verzoekers, zo zij in dit beroep zouden slagen, aan hun trekken kunnen komen .
c ) Nietigverklaring van de voorselectie
61 . In zoverre verzoekers voorts de nietigverklaring van de voorselectie ( dus van het besluit waarbij over de toelating tot de opleidingsfase is beslist ), van alle na de voorselectie getroffen maatregelen of van de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek vorderen, zij opgemerkt, dat uit de vaststelling van de onwettigheid van de eerste fase van het vergelijkend onderzoek niet de uiterste consequentie moet worden getrokken, namelijk de nietigverklaring van deze eerste fase en van alle daarop gebaseerde latere fasen . Integendeel, het is beter niet af te wijken van 's Hofs arrest in zaak 144/82 ( waar het ging om een beroep tot nietigverklaring van een besluit waarbij, na deelname aan een vergelijkend onderzoek, plaatsing op een reservelijst was geweigerd ) en een billijke oplossing na te streven zonder daarbij alle resultaten van het vergelijkend onderzoek op losse schroeven te zetten . Een dergelijke oplossing zou in casu hierin kunnen bestaan, dat de bestreden handeling in heroverweging wordt genomen en verzoekers in voorkomend geval de mogelijkheid wordt geboden verder aan het vergelijkend onderzoek deel te nemen . Gelet op hun belangen, is er stellig geen aanleiding tot verderreikende maatregelen .
d ) Slotsom
62 . Mijn conclusie is dan ook, dat de vorderingen die verder gaan dan nietigverklaring van de brief van 12 december 1985, niet kunnen worden toegewezen .
II - De tweede reeks geschillen ( zaak 228/86 )
1 . Aanvulling van de feiten
63 . Thans moet worden onderzocht of de verzoekers die aan de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek hebben deelgenomen en na het mondelinge examen niet op de lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst, op regelmatige wijze zijn afgewezen .
64 . Dienaangaande betogen verzoekers, dat een voldoende motivering ontbreekt ( omdat er namelijk niets gepreciseerd is met betrekking tot de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde "kwalificaties" en de "geschiktheid voor het uitoefenen van een functie van categorie A", en evenmin de toe te passen beoordelingscriteria zijn aangegeven ).
65 . Voorts bekritiseren zij de aard van het mondeling examen . De gestelde vragen zouden lukraak en zonder rekening te houden met het profiel van de kandidaat zijn uitgekozen en zij zouden te specifiek en van een te hoog niveau zijn geweest; bovendien zouden de kandidaten er niet op voorbereid zijn geweest ( bij voorbeeld door middel van de opleidingscursus en de in verband daarmee verstrekte bibliografie ).
66 . In repliek is verder de vraag opgeworpen, of de leden van de jury de taal van de kandidaten wel beheersten en of de leden van de jury die assistenten van directeuren-generaal zijn, hebben deelgenomen aan de beoordeling van de kandidaten uit de betrokken directoraten-generaal .
67 . In de loop van de procedure is ons meegedeeld, hoe de mondelinge proef is verlopen .
68 . Iedere kandidaat diende, na tien minuten voorbereiding, gedurende tien minuten over een bij loting uit een lijst van 76 algemene vragen aangewezen vraag te spreken . Vervolgens diende hij in het kort zijn opleiding en zijn huidige functie toe te lichten en vragen van de jury te beantwoorden over de "insertion de son activité présente dans une des politiques communautaires ". Bovendien moest hij nog één van twee vragen over andere gebieden van gemeenschapsbeleid beantwoorden, die de leden van de jury bij toerbeurt uit een lijst van 75 vragen uitkozen en die geen verband mochten hebben met de functie van de kandidaten op dat moment . ( 14 )
69 . Ieder lid van de jury gaf een cijfer voor de antwoorden ( waaraan naar gelang van het onderwerp een verschillend gewicht was toegekend ) en vervolgens werd daaruit een gemiddelde berekend . In verband met de in repliek opgeworpen kritiek merk ik nog op, dat in simultaanvertolking was voorzien voor kandidaten die een andere taal dan het Frans spraken . En telkens wanneer kandidaten uit een directoraat-generaal aan de beurt waren waarvan een assistent lid van de jury was, nam deze laatste niet aan de beoordeling deel of woonde hij zelfs het examen niet bij, ten einde belangenconflicten te vermijden .
2 . Standpuntbepaling
70 . Met het voorgaande voor ogen en met name na bestudering van de vragenlijst kan men alleen maar concluderen, dat de kritiek op het verloop van het mondeling examen inderdaad gerechtvaardigd is .
a ) "Questions générales"
71 . Dit blijkt reeds uit de "questions générales ".
72 . De lezing alleen al van de vragen leert, dat zij niet alle even eenvoudig te beantwoorden zijn . Men lette bij voorbeeld maar - en hier kunnen naar believen andere combinaties worden gemaakt - op vraag nr . 8 (" L' influence de la télévision ") of 36 (" Quels sont les progrès technologiques qui ont le plus transformé la société du vingtième siècle et pourquoi ?") en anderzijds op vraag nr . 23 (" L' influence du port d' uniforme sur le comportement ") of 79 (" La gestion du temps "). Aangezien de vragen echter bij loting werden uitgekozen, zonder rekening te houden met persoonlijke elementen, moet wel worden erkend dat de uniformiteit van de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek niet was gewaarborgd .
b ) "Insertion"
73 . Ook het punt "insertion de l' activité présente dans une des politiques communautaires" kan aanleiding geven tot bedenkingen . De zin van die vraag is immers niet duidelijk voor kandidaten die bij voorbeeld bij het Publikatiebureau of het directoraat-generaal Algemeen beheer werken, diensten die in feite niets uit te staan hebben met het beleid van de Gemeenschap . Voorts kan men zich voorstellen, dat dusdoende sommige kandidaten - zij het op niet echt tastbare wijze - benadeeld waren ten opzichte van kandidaten die uit hoofde van hun functie op dat moment nauw contact hadden met het gemeenschapsbeleid .
c ) "Questions communautaires"
74 . Daarentegen is het evident, dat de beoordeling van de kandidaten aan de hand van de "questions communautaires" vatbaar is voor kritiek .
75 . Ook hier moet worden erkend, dat de vragen - zelfs voor iemand die een algemeen beeld van de activiteit van de Gemeenschap heeft ( hetgeen niet zonder meer van ambtenaren van categorie B kan worden verwacht ) - ongelijk moeilijk waren en dat de kans op een behoorlijk antwoord varieerde naar gelang van de keuze van de vraag . Men denke bij voorbeeld maar aan vraag nr . 46 (" Qu' entend-t-on par la libre circulation des biens ") of nr . 75 (" Qu' est-ce que l' on entend par l' expression 'respect de la voie hiérarchique' ?"), of nog aan vraag nr . 34 (" Pourquoi harmoniser les droits des sociétés au niveau de la Communauté ?") of nr . 76 (" La politique commune de la pêche ").
76 . Vooral van belang is echter, dat de lijst van deels zeer algemene, deels zeer specifieke vragen een aantal thema' s bevatte die - in tegenstelling tot andere - tijdens de opleidingscursus ( waarvan het programma is overgelegd ) waren behandeld, ofschoon volgens het juryverslag van april/mei/juni 1985 "l' épreuve orale ne portera pas sur l' acquis de la formation ". Ik wijs bij voorbeeld op vraag nr . 4 (" Le SME : son rôle et son mécanisme ") of nr . 5 (" Rôle de la Commission en cas d' infraction d' un Etat membre au droit communautaire "), thema' s die in de voorbereidingscursus uitvoerig aan de orde waren gekomen, terwijl andere thema' s ( bij voorbeeld vraag nr . 3 : "Importance de la politique régionale dans la Communauté" en vraag nr . 25 : "La Communauté et la protection de l' environnement ") er nauwelijks of helemaal niet waren besproken .
77 . Ook al kan men met betrekking tot kandidaten die vragen moesten beantwoorden die niet in de opleidingscursus waren behandeld, bezwaarlijk spreken van schending van het vertrouwensbeginsel, de conclusie moet toch zijn, dat kandidaten die vragen kregen die verband hielden met de opleidingscursus, bevoordeeld waren ten opzichte van kandidaten die niet intensief op het te behandelen thema waren voorbereid, en dat derhalve het beginsel van de gelijke behandeling is geschonden . Dit had kunnen worden vermeden, indien alle vragen betrekking hadden gehad op in de opleidingscursus behandelde thema' s; verzoekers hebben gelijk waar zij stellen, dat dat in de lijn der verwachting lag .
78 . Niet ten onrechte hebben verzoekers ten slotte de vraag opgeworpen, of, gelet op de grote verscheidenheid van onderwerpen, alle leden van de jury even bekwaam waren om de antwoorden behoorlijk te beoordelen, en of bij de totstandkoming van het totaalcijfer , dat een gemiddelde was, niet veeleer het toeval een rol heeft gespeeld . Men kan deze vraag ook niet eenvoudig afdoen met de opmerking, dat het mondeling examen vooral was bedoeld ter beoordeling van het vermogen om problemen te begrijpen, logisch te argumenteren en zich duidelijk en overtuigend uit te drukken, en dat het er in wezen op aankwam, het culturele niveau en de intellectuele belangstelling voor de activiteiten van de Gemeenschappen te toetsen . Wanneer zeer concrete vragen worden gesteld, is de concrete inhoud van het antwoord toch zeker ook van aanzienlijk belang .
d ) Slotsom
79 . Dit alles weegt mijns inziens objectief beschouwd zo zwaar, dat moet worden geconcludeerd, dat het mondeling examen, waarvan de uitslag bepalend was voor de plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten, geen regelmatig verloop heeft gehad, en dat derhalve het mogelijkerwijs door de besproken gebreken beïnvloede besluit om verzoekers niet op de reservelijst te plaatsen, moet worden nietig verklaard .
e ) De overige middelen en vorderingen
80 . Ook bij deze tweede reeks geschillen behoef ik dus niet op de overige middelen in te gaan .
81 . Voorts is na het voorafgaande ook hier duidelijk, dat kan worden volstaan met nietigverklaring van de tot verzoekers gerichte besluiten van 17 juni 1986, waaruit de administratie de passende consequenties dient te trekken . Er is dus geen reden om alle aanstellingen op basis van de door de jury vastgestelde reservelijst nietig te verklaren . Verzoekers hebben daar geen belang bij, omdat zij die aanstellingen niet in het bijzonder hebben bestreden en omdat aan hun verlangen ( correct verloop van een mondeling examen dat hun uitzicht biedt op een post van categorie A ) kan worden voldaan zonder dat het daarbij nodig is andere aanstellingen ongedaan te maken .
C - Conclusie
III - Mitsdien geef ik het Hof in overweging hetgeen volgt :
82 . In de gevoegde zaken 64, 71, 72, 73 en 78/86 moet het besluit van de jury om verzoekers niet tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek toe te laten, worden nietig verklaard . De overige vorderingen van verzoekers moeten worden verworpen .
83 . Ook in zaak 228/86 moet het door verzoekers betwiste besluit van de jury om hen niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, worden nietig verklaard, met verwerping van het beroep voor het overige .
84 . In al deze zaken dient de Commissie in de kosten te worden verwezen . Dat geldt evenwel niet voor de in de zaken 64 en 78/86 gemaakte kosten in verband met de - afgewezen - verzoeken in kort geding; daarover moet overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering worden beslist .
85 . Het beroep in zaak 149/86 moet worden verworpen, zodat over de kosten in deze zaak eveneens overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering moet worden beslist .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Arrest van 14 juli 1983, zaak 144/82, Detti, Jurispr . 1983, blz . 2421, 2436 .
( 2 ) Arrest in zaak 144/82 ( zie noot 1 ).
( 3 ) Zie mijn conclusie van 21 januari 1987 in zaak 307/85, Gavanas, Jurispr . 1987, blz . 2435, 2444 .
( 4 ) Arrest van 11 maart 1986, zaak 294/84, Adams, Jurispr . 1986, blz . 977 .
( 5 ) Arrest van 16 oktober 1975, zaak 90/74, Deboeck, Jurispr . 1975, blz . 1123 .
( 6 ) Arrest van 4 december 1975, zaak 31/75, Costacurta, Jurispr . 1975, blz . 1563 .
( 7 ) Arrest van 30 november 1978, gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno, Jurispr . 1978, blz . 2403 .
( 8 ) Arrest van 28 februari 1980, zaak 89/79, Bonu, Jurispr . 1980, blz . 553 .
( 9 ) Arrest van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr . 1981, blz . 2861 .
( 10 ) Arrest van 9 juni 1983, zaak 225/82, Verzyck, Jurispr . 1983, blz . 1991 .
( 11 ) Arrest van 21 maart 1985, zaak 108/84, De Santis, Jurispr . 1985, blz . 947, blz . 954 .
( 12 ) Arrest van 27 maart 1985, zaak 12/84, Kypreos, Jurispr . 1985, blz . 1005 .
( 13 ) Zie paragraaf 5 .
( 14 ) Zie het verslag van de jury van maart-april 1986 en bijlage IV daarbij, alsook de antwoorden op de vragen van het Hof .
Full & Egal Universal Law Academy