Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze vier gevoegde zaken vormen een nieuw hoofdstuk van het lange verhaal van de communautaire steun aan Griekse producenten van tomatenconcentraat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ( die op het in casu relevante tijdstip werd beheerst door verordening nr . 516/77 van de Raad, PB 1977, L 73, blz . 1, zoals gewijzigd ). Het doel van de steun was om ervoor te zorgen, dat de produktie in de Gemeenschap van tomatenconcentraat met importen uit derde landen kon concurreren, alsmede om een passend inkomen te verzekeren aan de telers van verse produkten; het steunbedrag werd berekend op basis van een "referentieprodukt" ( op het beslissende tijdstip 100 kg concentraat - onmiddellijke verpakking inbegrepen -, dat tussen 28% en 30% droge stof bevatte en was verpakt in eenheden van 1,5 kg ) en vervolgens aangepast door de toepassing van coëfficiënten, om rekening te houden met verschillen in verpakking en concentraat .
Op grond van artikel 103 van de Toetredingsakte Griekenland ( PB 1979, L 291, blz . 17 ) moest het niveau van de produktiesteun voor Griekse producenten van concentraat anders worden berekend dan dat van de producenten in andere Lid-Staten . Voor de verkoopseizoenen 1981/1982, 1982/1983 en 1983/1984 werden daarom twee steunniveaus vastgesteld; de voor het seizoen 1981/1982 vastgestelde coëfficiënten werden voor de twee volgende seizoenen gehandhaafd en waren gelijk voor Griekenland en voor de andere Lid-Staten ( steun : verordeningen nrs . 1963/81, PB 1981, L 192, blz . 16; 1585/82, PB 1982, L 178, blz . 20; 1618/83, PB 1983, L 159, blz . 52; coëfficiënten : verordeningen nrs . 1962/81, PB 1981, L 192, blz . 13; 1602/82, PB 1982, L 179, blz . 16, en 1615/83, PB 1983, L 159, blz . 48 ).
De maatregelen van de Commissie werden voor het eerst bestreden in zaak 250/81 ( Greek Canners, Jurispr . 1982, blz . 3535 ), waarin verzoeksters nietigverklaring vorderden van verordening nr . 1962/81 op grond dat de vastgestelde coëfficiënten onvoldoende rekening hielden met de in Griekenland meestal gebruikte kleine verpakkingen en met de hogere verwerkingskosten in dat land . Dit beroep werd verworpen op grond dat de betrokken verordening, hoewel zij gevolgen kon hebben voor verzoeksters, hen niet rechtstreeks en individueel raakte in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag .
In zaak 192/83 ( Griekenland/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 2791 ) kwam Griekenland op tegen de verordeningen nrs . 1618/83 ( steun ) en 1615/83 ( coëfficiënten ), die enkel het verkoopseizoen 1983/1984 betroffen . In zijn arrest overwoog het Hof, dat de Commissie "een technische fout heeft gemaakt door het stelsel van voor alle producenten eenvormige coëfficiënten, zoals het vóór de toetreding van de Helleense Republiek functioneerde, te transponeren op een stelsel van gedifferentieerde steun voor de Griekse producenten enerzijds en de producenten in de andere Lid-Staten anderzijds" ( r.o . 33 ).
Dit leidde volgens het Hof "tot een ongerechtvaardigde vermindering van de steun voor die Griekse producenten wier produkt niet overeenkomt met" het standaardprodukt . Hoewel niet gewild, was het resultaat een aantoonbaar verschil in behandeling, in strijd met artikel 40, lid 3, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag, volgens hetwelk alle producenten van de Gemeenschap gelijk moeten worden behandeld, dat bovendien in de weg kon staan aan de verwezenlijking van de doelstelling van verordening nr . 516/77, namelijk te verzekeren dat de prijzen van de communautaire produkten concurreren met die van produkten uit derde landen .
Bijgevolg verklaarde het Hof verordening nr . 1615/83 nietig, in zoverre de vastgestelde coëfficiënten leidden tot ongelijke behandeling van Griekenland ten opzichte van de andere Lid-Staten in verband met "het gebruik van kleinere verpakkingen dan de standaardverpakking" ( r.o . 35 en dictum van het arrest ). Het Hof overwoog verder dat het "ingevolge artikel 176 EEG-Verdrag aan de Commissie staat, voor Griekenland hetzij nieuwe coëfficiënten hetzij enig ander compensatiesysteem vast te stellen, dat rekening houdt met de gedifferentieerde steunregeling voor Griekenland en voor de overige Lid-Staten" ( r.o . 36 ).
In tegelijkertijd aanhangig gemaakte zaken ( gevoegde zaken 194-206/83, Asteris, Jurispr . 1985, blz . 2815 ) vorderden verzoeksters, Griekse producenten van tomatenconcentraat, vergoeding van de schade die zij stelden te hebben geleden ten gevolge van de wijze waarop bij de verordeningen nrs . 1962/81 respectievelijk 1602/83 de coëfficiënten voor de verkoopseizoenen 1981/1982 en 1982/1983 waren vastgesteld . Het Hof verwees naar zijn op dezelfde dag gewezen arrest in zaak 192/83, waarin het had vastgesteld dat de bij verordening nr . 1615/83 vastgestelde eenvormige coëfficiënten voor het verkoopseizoen 1983/1984 onwettig waren, en overwoog dat "deze vaststelling op gelijke gronden eveneens heeft te gelden voor de verordeningen nrs . 1962/81 en 1602/82 van de Commissie, waarbij de coëfficiënten zijn vastgesteld voor het verkoopseizoen 1981/1982 respectievelijk het verkoopseizoen 1982/1983" ( rechtsoverweging 19 ). Het Hof overwoog echter, dat de "technische fout" van de Commissie bij de vaststelling van de coëfficiënten niet kon worden aangemerkt als een gekwalificeerde schending van een hogere rechtsregel, noch als een klaarblijkelijk ernstige miskenning door de Commissie van de grenzen van haar bevoegdheden, ook al had zij objectief gezien geleid tot ongelijke behandeling van de Griekse producenten ( die het Hof in zaak 192/83 als een inbreuk op het beginsel van artikel 40, lid 3, had aangemerkt ). Derhalve werd de Commissie niet aansprakelijk geacht op grond van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag .
Voordat deze arresten werden gewezen had de Commissie bij verordening nr . 1709/84 ( PB 1984, L 162, blz . 8 ) de coëfficiënten vastgesteld voor de verkoopseizoenen 1984/1985, 1985/1986 en 1986/1987, aan het eind waarvan de overgangsperiode van artikel 103 Toetredingsakte Griekenland verstreek . Artikel 4 en bijlage I bij die verordening stellen coëfficiënten vast voor produktiesteun voor tomatenconcentraat, zonder te onderscheiden tussen Griekenland en de andere Lid-Staten .
In aansluiting op het arrest in zaak 192/83 stelde de Commissie op 20 februari 1986 verordening nr . 381/86 ( PB 1986, L 44, blz . 16 ) vast inzake "de aanvullende betaling van produktiesteun voor in het verkoopseizoen 1983/1984 uit Griekse tomaten verkregen tomatenconcentraat in bepaalde verpakkingsgrootten ". Daarin overwoog de Commissie, dat de in het arrest van het Hof gesignaleerde ongelijke behandeling moest worden verholpen, maar zij ondernam niets om het steunbedrag dat was of moest worden betaald voor de verkoopseizoenen voor of na 1983/1984, te verhogen . In het bijzonder bracht zij geen wijziging in verordening nr . 1709/84, met betrekking tot de seizoenen 1984/1985, 1985/1986 en 1986/1987, zodat de ongelijke behandeling bleef bestaan .
De vijftien verzoekende ondernemingen in de zaken 97/86 en 193/86 ( hierna : de producenten ) vertegenwoordigen, naar het Hof is meegedeeld, 99% van de Griekse produktie van tomatenconcentraat . Zij betogen met de Griekse regering, dat de Commissie ingevolge de arresten van het Hof verplicht is, rectificaties aan te brengen . De Commissie erkent dat zij stappen kon en kan nemen om de steun voor vroegere en latere jaren aan te vullen . Zij meent echter, dat zij ter uitvoering van 's Hofs arresten alleen maatregelen hoefde te nemen voor het verkoopseizoen 1983/1984, wat zij heeft gedaan bij verordening nr . 381/86 . Voor de andere seizoenen heeft zij de beleidsbeslissing genomen, het stelsel niet te wijzigen .
Zaken 97 en 99/86
De producenten en Griekenland beogen in de zaken 97 respectievelijk 99/86 hetzelfde resultaat, te weten nietigverklaring van verordening nr . 381/86 en een uitdrukkelijk bevel van het Hof, dat de Commissie zich dient te voegen naar de arresten 192/83 en gevoege zaken 194-206/83 en aanvullende steun moet verlenen voor de verkoopseizoenen 1981/1982, 1982/1983, 1984/1985 en 1985/1986 ( en - alleen in de zaak van de producenten - 1986/1987 ), om een einde te maken aan de ongelijke behandeling van de Griekse producenten . In repliek vordert de Griekse regering enkel nog nietigverklaring van verordening nr . 381/86, maar ik vat dit eerder op als een bondige manier van zeggen en dan als een beperking van het in het verzoekschrift gevorderde . Voorts blijkt uit het gehele dossier van de Griekse regering, dat zij ook verzoekt om een bevel voor het verkoopseizoen 1986/1987, omdat naar dat seizoen wordt verwezen in haar argumenten die zowel op dit seizoen als op de vroegere seizoenen betrekking hebben . De Commissie heeft over deze twee punten geen opmerkingen gemaakt .
Ofschoon zij de ontvankelijkheid van het door Griekenland ingestelde beroep niet betwist, betoogt de Commissie dat het beroep van de producenten niet-ontvankelijk is, aangezien verordening nr . 381/86 een zuiver normatieve handeling is en verzoeksters derhalve niet rechtstreeks en individueel raakt, gelijk het Hof in het arrest Greek Canners besliste voor de voorganger van die verordening, verordening nr . 1962/81 . De omstandigheid dat de bestreden verordening, die gevolgen heeft voor de sector waarin de producenten werkzaam zijn, werd vastgesteld om uitvoering te geven aan een arrest van het Hof, zou irrelevant zijn .
De producenten stellen daarentegen, dat de verwijzing in r.o . 36 van arrest 192/83 naar de krachtens artikel 176 EEG-Verdrag op de Commissie rustende verplichtingen, in combinatie met de vaststellingen in arrest 194-206/83 volstaat om verordening nr . 381/86, ondanks de uiterlijke vorm ervan, te beschouwen als een beschikking die verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt .
In het arrest van 14 december 1962 ( gevoegde zaken 16 en 17/62, Confédération Nationale des Producteurs de Fruits et Légumes, Jurispr . 1962, blz . 943 ) overwoog het Hof, dat bij het onderzoek van de vraag of een handeling een verordening of een beschikking is, rekening moet worden gehouden met doel en inhoud en niet met de officiële benaming ervan . Het criterium voor het onderscheid van deze twee "moet in de al dan niet algemene 'strekking' van de betrokken handeling worden gezocht ". Een verordening, die in de eerste plaats een normatieve verhandeling is, "is niet van toepassing op een beperkt aantal met name genoemde of bepaalbare natuurlijke of rechtspersonen, doch op groepen, die in hun geheel en in abstracto worden aangeduid; ... indien een handeling, die door haar auteur als verordening is omschreven, bepalingen bevat van dien aard dat sommige natuurlijke of rechtspersonen daardoor niet alleen rechtstreeks doch ook individueel worden geraakt, dient te worden erkend dat in ieder geval, daargelaten de vraag of deze handeling in zijn geheel terecht als een verordening is beschouwd, deze bepalingen niet het karakter van een verordening dragen en derhalve door bedoelde personen niet kunnen worden bestreden op grond van artikel 173, lid 2" ( r.o . 2 ).
Het leed geen twijfel dat verordening nr . 1962/81, die in de gehele Gemeenschap gold, een normatief karakter had . Daarom waren verzoeksters in de zaak Greeks Canner niet-ontvankelijk . Op het eerste gezicht zou men kunnen denken dat verordening nr . 381/86, die dezelfde materie betreft, tot dezelfde groep behoort en dat het beroep van de producenten niet-ontvankelijk is op grond van vroegere uitspraken van het Hof, volgens welke artikel 173 met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekers die geen Lid-Staten zijn, enigszins restrictief moet worden uitgelegd .
Hoewel dit probleem bepaald niet gemakkelijk is, is dit uiteindelijk naar mijn gevoel toch een te simplistische opvatting .
Om te beginnen heeft verordening nr . 381/86 uitsluitend betrekking op Griekenland en op een klein aantal ondernemers die in het verkoopseizoen 1983/1984 Griekse tomaten tot concentraat verwerkten; verzoeksters in de onderhavige zaken hebben 99% van de produktie in handen .
De verordening had duidelijk betrekking op deze ondernemers en hén alleen; niets wijst erop dat sommige verzoekende ondernemingen in 1983/84 niet in de onderhavige sector werkzaam waren of dat de Commissie desgewenst geen volledige lijst van die ondernemers had kunnen opstellen . De verordening heeft dunkt mij dan ook meer het karakter van een beschikking, die uitsluitend deze ondernemers raakt, dan van een verordening van algemene strekking . Omdat de personen "waarop de bepalingen betrekking hadden, konden worden geïdentificeerd" op het moment waarop de "verordening" werd vastgesteld, kan mijns inziens redelijkerwijze worden gezegd dat zij individueel werden geraakt ( zaak 112/77, Toepfer, Jurispr . 1978, blz . 1019; gevoegde zaken 41-44/70, International Fruit Company, Jurispr . 1971, blz . 411; zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr . 1985, blz . 207; laatstgenoemde zaak betrof ondernemers die met Franse afnemers contracten voor de levering van garens hadden gesloten, voordat vrijwaringsmaatregelen werden toegestaan .
Het lijdt geen twijfel, dat de nationale autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van de maatregel geen beoordelingsvrijheid hadden . Bijgevolg had de maatregel mijns inziens rechtstreekse gevolgen voor de ondernemers en moet zij worden geacht hen rechtstreeks te raken in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag ( International Fruit Company, hiervoor genoemd ). Zelfs wanneer de nationale autoriteiten in theorie wel beoordelingsbevoegdheid mochten hebben, kan een particulier door een dergelijke gemeenschapsmaatregel rechtstreeks worden geraakt ( Piraiki-Patraiki, hiervoor genoemd ).
Ik meen dan ook, dat de producenten nietigverklaring kunnen vorderen van deze verordening, die bewust is vastgesteld om een in hun nadeel werkende technische fout in de algemene wettelijke regeling, die onvoldoende met hun bijzondere positie rekening hield, te herstellen .
Volgens artikel 176 EEG-Verdrag is de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht of wier nalatigheid strijdig met dit Verdrag is verklaard, "gehouden de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest ". De partij die een procedure voor het Hof heeft gewonnen, is "gerechtigd door het Hof te doen vaststellen dat de instelling haar verplichtingen krachtens de toepasselijke bepalingen niet is nagekomen" ( zaak 30/76, Koester, Jurispr . 1976, blz . 1719 ).
In zaak 192/83 verkreeg Griekenland de verklaring voor recht, dat de verordening voor 1983/1984 nietig was . Voor vroegere verkoopseizoenen was een dergelijke verklaring niet gevraagd en de betrokken verordeningen werden dan ook niet nietig verklaard, ook al overwoog het Hof in de gevoegde zaken 194-206/83, dat de verordeningen voor 1981/1082 en 1982/1983 dezelfde onwettigheid vertoonden . Voor het seizoen 1983/1984 is de situatie gecorrigeerd ( hierover wordt niet geklaagd ), maar de coëfficiënten voor de jaren 1984 tot 1987, vastgesteld bij verordening nr . 1709/84 van 19 juni 1984, zijn duidelijk niet in overeenstemming met 's Hofs arrest in zaak 192/83 van 19 september 1985 .
Op twee principiële punten moet ik nog nader ingaan . In de eerste plaats stelt artikel 173 EEG-Verdrag een korte termijn om de geldigheid van door de Commissie vastgestelde maatregelen te bestrijden; worden zij niet binnen die termijn bestreden en nietig verklaard, dan worden zij als geldig aangemerkt . In de tweede plaats moet de Commissie de maatregelen treffen die nodig zijn om uitvoering te geven aan 's Hofs arrest .
Wat het eerste punt betreft, heeft Griekenland duidelijk nagelaten om de geldigheid van de verordeningen voor 1981/82 en 1982/83 alsmede verordening nr . 1709/84, voor de latere verkoopseizoenen, binnen de gestelde termijn aan te vechten . Deze verordeningen blijven daarom gelden, tenzij zij door de Commissie worden gewijzigd . Met betrekking tot de op de datum van het arrest reeds verstreken verkoopseizoenen, kan de Commissie zich mijns inziens op het verstrijken van de beroepstermijnen beroepen . Anders zouden de termijnvoorschriften steeds kunnen worden omzeild, wanneer een Lid-Staat niet opkomt tegen jaarlijks te vervangen verordeningen, maar later de verordening betreffende een bepaald seizoen aanvecht met de stelling, dat ook voor de voorgaande seizoenen wijzigingen moeten worden aangebracht . De rechtszekerheid verlangt dat reeds uitgevoerde regelingen moeten blijven gelden, ook indien komt vast te staan dat zij op een onjuiste grondslag berusten .
Ik meen derhalve dat 's Hofs arrest de Commissie niet verplicht tot intrekking of wijziging van de verordeningen voor de verkoopseizoenen 1981/1982, 1982/1983 en 1984/1985, die op de dag van het arrest van het Hof alle waren beëindigd ( het laatste seizoen op 30 juni 1985 ).
De seizoenen 1985/1986 en 1986/1987 waren echter nog niet beëindigd . Weliswaar kan worden betoogd, dat Griekenland er geheel zelf de schuld van draagt, dat zij de geldigheid van de desbetreffende verordeningen - hieronder begrepen verordening nr . 1709/84 - niet binnen de gestelde termijn heeft bestreden, toch geloof ik dat de Commissie op grond van artikel 176 EEG-Verdrag verplicht was, een wijziging aan te brengen in de verordeningen voor het lopende en de latere verkoopseizoenen . Ook al kon het Hof die verordening niet nietig verklaren omdat Griekenland de beroepstermijn had laten verstrijken, heeft de Commissie gehandeld in strijd met de krachtens artikel 176 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen, door geen wijziging in de situatie te brengen zodra zij wist dat de vastgestelde methode niet deugde . Die verplichtingen strekten zich niet alleen uit tot het verkoopseizoen 1983/1984, waarvoor de desbetreffende verordening werd nietig verklaard . Griekenland heeft binnen de gestelde termijn beroep ingesteld tegen verordening nr . 381/86 en heeft mijns inziens recht op een verklaring voor recht, dat verordening nr . 381/86 nietig is voor zover zij voor de seizoenen 1985/1986 en 1986/1987 geen regeling treft op de in het arrest van het Hof aangegeven grondslag .
Het mag op het eerste gezicht vreemd lijken, dat voor de seizoenen 1983/1984 en 1985/1986 en volgende een aparte oplossing moet worden gezocht, maar dat de regeling voor het seizoen 1984/1985 ongewijzigd blijft . Toch is dit niet onlogisch wanneer men bedenkt, dat Griekenland tegen de verordening voor dat seizoen beroep had kunnen instellen, maar dit heeft nagelaten .
De producenten waren geen partij in de zaak die leidde tot nietigverklaring van de verordening voor 1983/1984 . Niettemin mochten zij mijns inziens om dezelfde reden als Griekenland verwachten, dat verordening nr . 381/86 niet alleen de situatie voor dat seizoen zou corrigeren maar ook die voor het lopende en de toekomstige seizoenen . Zij hebben het volste recht te stellen dat het op zijn minst verwonderlijk is, dat de Commissie zich zo vastbesloten verdedigt met het argument van de verstreken termijn en voor de nog niet verstreken verkoopseizoenen op een onwettig verklaarde grondslag te werk wil gaan . Dat het beroep tot schadevergoeding is mislukt, is niet doorslaggevend, daar de artikelen 173 en 215 onafhankelijk van elkaar zijn en een verschillend doel beogen . Dat het Hof het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, staat er mijns inziens niet aan in de weg dat verzoeksters in de onderhavige zaak in het gelijk worden gesteld . Mitsdien hebben zij in zaak 97/86 recht op dezelfde verklaring voor recht als Griekenland .
Zaken 193 en 215/86
Verzoeksters hebben verklaard, dat de andere twee beroepen susbsidiair zijn aan de eerste twee . Zij hebben in deze twee zaken geen uitspraak nodig, wanneer zij in de eerste twee in het gelijk worden gesteld . Op basis van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, behoef ik de laatste twee beroepen derhalve niet te onderzoeken .
Voor het geval verzoeksters in de eerste twee zaken echter in het ongelijk mochten worden gesteld, moet ik toch nog ingaan op hun vorderingen in de twee laatste beroepen . Beide zijn tijdig ingesteld en partijen hadden de vereiste procesbevoegdheid . Ik acht de beroepen dan ook ontvankelijk .
Nadat de Commissie verordening nr . 381/86 had vastgesteld, verzochten de producenten en Griekenland haar bij brieven van 10 respectievelijk 17 april 1986, uitvoering te geven aan de arresten van 19 september 1985 en voor de seizoenen voor en na 1983/1984 aanvullende steun vast te stellen . Dit verzoek was met zoveel woorden gebaseerd op artikel 175 EEG-Verdrag . Bij brieven van 11 en 19 juni 1986 antwoordde de Commissie, dat zij uitvoering had gegeven aan het arrest in zaak 192/83 en dat geen nader handelen harerzijds nodig was . Verzoeksters vorderen in beide zaken nietigverklaring van deze standpuntbepaling en van de huns inziens daarin vervatte weigering van de Commissie om zich naar het arrest van het Hof te voegen . Mijns inziens moeten deze beroepen in de eerste plaats op artikel 175 EEG-Verdrag worden gebaseerd wegens de beweerde nalatigheid om een standpunt te bepalen, en in de tweede plaats op artikel 173 EEG-Verdrag wegens de weigering van de Commissie om te handelen, hetgeen op zich een voor beroep vatbare beschikking is .
Het beroep op grond van artikel 175 zal moeten worden verworpen, omdat de Commissie wel een standpunt heeft bepaald . Zij heeft te kennen gegeven, dat zij haars inziens niets behoefde te doen en niet van zins was te handelen . Deze weigering kan echter wel aan artikel 173 worden getoetst, als een nalaten om een verordening vast te stellen voor de andere seizoenen dan 1983/1984 - een nalaten dat de producenten rechtstreeks en individueel raakte en waartegen zij en Griekenland in beroep kunnen komen . Op dezelfde gronden als in de eerste twee zaken, was de weigering om de situatie voor de seizoenen 1985/1986 en 1986/1987 recht te trekken, in strijd met de verplichting van de Commissie om zich te voegen naar het arrest van het Hof; evenwel dwong het arrest van het Hof niet tot heropening van zaken met betrekking tot de eerdere verkoopseizoenen, omdat niet binnen de gestelde termijnen beroep tot nietigverklaring was ingesteld en die verkoopseizoenen waren beëindigd .
Ik geef het Hof in overweging, in de laatste twee beroepen geen uitspraak te doen, omdat het resultaat in beide gevallen geheel identiek is . Mocht het eerste beroep van de producenten ( zaak 97/86 ) niet-ontvankelijk worden verklaard, dan geef ik het Hof in overweging, hun tweede beroep ( zaak 193/86 ) ontvankelijk en gegrond te verklaren; Griekenland zal in het gelijk moeten worden gesteld in het eerste beroep ( zaak 99/86 ), dat duidelijk ontvankelijk is, waarbij geen uitspraak hoeft te worden gedaan in het tweede Griekse beroep ( 215/86 ). Bij ongegrondverklaring van het beroep in zaak 97/86 en/of zaak 99/86, zal hetzelfde moeten gebeuren met de parallelle beroepen .
Mijns inziens zal het Hof de beroepen in de zaken 97 en 99/86 evenwel moeten toewijzen en verordening nr . 381/86 nietig verklaren, voor zover de Commissie zich niet heeft gevoegd naar het arrest van het Hof in zaak 192/83 juncto het arrest in de gevoegde zaken 192-206/83 door geen coëfficiënten vast te stellen ter opheffing van de discriminatie van Griekse producenten voor de verkoopseizoenen 1985/1986 en 1986/1987 .
Daar verzoeksters deels in het gelijk, deels in het ongelijk moeten worden gesteld, zal de Commissie de helft van de kosten van verzoeksters moeten dragen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy