Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De markt voor melk en melkprodukten in de Gemeenschap heeft jarenlang met problemen van overproduktie te kampen gehad . In 1978 stelde de Raad twee verordeningen vast om het evenwicht te herstellen . De eerste, die het uitgangspunt vormt van de in casu gestelde prejudiciële vragen, was verordening nr . 1078/77 van 17 mei 1977 ( PB 1977, L 131, blz . 1 ). Daarbij werden twee soorten premies ingevoerd - premies voor het niet in de handel brengen en premies voor omschakeling van het melkveebestand - bedoeld om "de bij bepaalde categorieën landbouwbedrijven in de Gemeenschap waargenomen tendens om de melkproduktie of het in de handel brengen van melk en zuivelprodukten stop te zetten, te bevorderen" ( eerste overweging ). De toekenning van de premies voor het niet in de handel brengen was afhankelijk van de schriftelijke verbintenis van de producent om gedurende vijf jaar geen melk of zuivelprodukten te leveren . De omschakelingspremie moest worden betaald wanneer landbouwers hun melkveebestand op de rundvleesproduktie omschakelden en zij geen melk of zuivelprodukten zouden leveren . De tweede maatregel, ingevoerd bij verordening nr . 1079/77 van de Raad, eveneens van 17 mei 1977 ( PB 1977, L 131, blz . 6 ), bestond in een medeverantwoordelijkheidsheffing op vrijwel alle leveringen van melk voor be - of verwerking .
In 1984 werd het duidelijk, dat striktere maatregelen noodzakelijk waren, waarop de Raad twee andere verordeningen vaststelde . Het betrof hier verordening nr . 856/84 van 31 maart 1984 ( PB 1984, L 90, blz . 10 ), waarbij voor een periode van vijf jaar, te beginnen op 1 april 1984, een extra heffing ( naast de medeverantwoordelijkheidsheffing ) werd ingevoerd op de melkaanvoer boven een garantiedrempel . De andere was verordening nr . 857/84, eveneens van 31 maart 1984 ( PB 1984, L 90, blz . 13 ), die algemene regels bevatte voor de bepaling van de referentiehoeveelheden en het bedrag van de heffingen . Nadere bepalingen omtrent de toepassing van de extra heffing zijn neergelegd in verordening nr . 1371/84 van 16 mei 1984 ( PB 1984, L 132, blz . 11 ), zoals gewijzigd . De periode waarin de extra heffing moet worden betaald, is inmiddels verlengd tot 1991 .
Volgens artikel 2 van verordening nr . 857/84 was de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk die in het kalenderjaar 1981 door de producent werd geleverd ( formule A ) of door de koper werd gekocht ( formule B ); de Lid-Staten konden evenwel bepalen dat de referentiehoeveelheid gelijk zou zijn aan de hoeveelheid melk geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of 1983, met aanwending van een zodanig percentage dat de totale gegarandeerde hoeveelheid van een Lid-Staat niet werd overschreden .
Artikel 3 bepaalde dat in het kader van de toepassing van de formules A en B bij de vaststelling van de referentiehoeveelheden "rekening ( zou worden ) gehouden met bepaalde bijzondere situaties ". Het betrof hier in de eerste plaats gevallen waarin vóór 1 maart 1984 in het kader van richtlijn nr . 72/159/EEG ( PB 1972, L 96, blz . 1 ) een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie was ingediend en waarin "overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat" een specifieke referentiehoeveelheid kon worden toegekend . Bovendien kon, "indien de Lid-Staat over voldoende gegevens beschikt, ... ook rekening worden gehouden met de zonder ontwikkelingsplan verrichte investeringen ."
In de tweede plaats konden specifieke referentiehoeveelheden worden toegekend aan jonge landbouwers en, in de derde plaats, kon een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981-1983 in aanmerking worden genomen voor producenten wier melkproduktie aanzienlijk was beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen, zoals een natuurramp of de vernieling van de voorraden diervoeder of de melkveestallen van een producent door een ongeluk . Artikel 3 van verordening nr . 1371/84 van de Commissie vermeldt drie andere gevallen van overmacht waarin van een ander referentiejaar mocht worden uitgegaan . Artikel 4 van verordening nr . 817/84 bevat nadere bepalingen inzake de herstructurering van de melkproduktie, te weten de betaling van een vergoeding aan producenten die zich ertoe verbinden, de melkproduktie definitief stop te zetten, of de toekenning van een "extra" referentiehoeveelheid aan producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie ten uitvoer leggen in de zin van richtlijn nr . 72/159/EEG en aan producenten die de landbouw als hoofdberoep uitoefenen . Op grond van artikel 4a ( ingelast bij verordening nr . 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, PB 1985, L 68, blz . 1, zoals nadien uitgebreid ) mochten de Lid-Staten onbenutte referentiehoeveelheden van producenten of kopers toekennen aan producenten of kopers in dezelfde regio en, indien noodzakelijk, in andere regio' s . Alle vrijgekomen referentiehoeveelheden moesten worden toegevoegd aan de in artikel 5 bedoelde nationale reserve, tevens de enige bron van de krachtens de artikelen 3 en 4 toegekende aanvullende referentiehoeveelheden .
Artikel 7 staat toe dat de referentiehoeveelheid wordt overgedragen in geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf .
Verordening nr . 1078/77 is in Nederland ten uitvoer gelegd bij Bestuursbesluit nr . 184 van de Stichting Ontwikkelings - en Saneringsfonds voor de Landbouw ( Stcrt 126; gewijzigd bij besluit van 29 juni 1978 ). Dit besluit machtigt de Stichting om met de producenten overeenkomsten inzake het niet in de handel brengen of inzake omschakeling te sluiten .
Bij beschikking van de minister van Landbouw en Visserij van 18 april 1984 ( Beschikking superheffing, Stcrt 79, zoals gewijzigd ) werden bepalingen ingevoerd voor de tenuitvoerlegging in Nederland van verordening nr . 857/84 en de bepalingen ter aanvulling daarvan . Gekozen werd voor formule A ( artikel 2 ) en de referentiehoeveelheden werden vastgesteld op basis van de leveringen in 1983 ( artikel 5, lid 1 ). De artikelen 11, 12 en 13 van het Besluit geven uitvoering aan de communautaire voorschriften inzake de toekenning van een bijzondere hoeveelheid in specifieke gevallen en de toepassing, in bepaalde buitengewone omstandigheden, van een ander referentiejaar dan 1983 . Artikel 19 tenslotte kent de minister nadere bevoegdheden toe voor de toekenning van referentiehoeveelheden door het volgende te bepalen :
" De minister kan voor de hoeveelheden, voor welke aanspraken niet meer worden erkend, nader te bepalen aanspraken erkennen . Hij kan voor andere dan de in deze beschikking voorziene gevallen aanspraken erkennen ."
Tot oktober 1979 hield verzoeker in het hoofdgeding melkvee en leverde hij jaarlijks ongeveer 500 000 kg melk aan de melkfabriek . In oktober 1979 sloot hij een overeenkomst met de Stichting Ontwikkelings - en Saneringsfonds voor de Landbouw ( in de zin van verordening nr . 1078/77 ), waarin hij zich onder meer ertoe verbond om tussen 1 oktober 1979 en 30 september 1984 geen melk of zuivelprodukten te leveren . In het referentiejaar 1983 ( alsook in 1981 en 1982 ) leverde verzoeker dan ook geen melk . Op 18 mei 1984 diende hij een aanvraag in krachtens artikel 19 van de Beschikking superheffing, met het verzoek om een heffingvrije hoeveelheid van 726 000 kg melk .
Verweerder wees dit verzoek af bij besluit van 24 september 1984 . Verzoeker ging van dit besluit op 17 oktober 1984 in beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld :
" 1 ) Moet verordening ( EEG ) nr . 857/84, zoals aangevuld bij verordening ( EEG ) nr . 1371/84, mede gelet op de derde overweging van haar considerans, aldus worden verstaan en uitgelegd dat het een Lid-Staat niet is toegestaan bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde refererentiehoeveelheden, rekening te houden met situaties die niet zijn voorzien in die gemeenschapsvoorschriften, met name de situatie waarin degenen verkeren die in het kader van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 in enig referentiejaar geen melk hebben afgeleverd, en een voorziening te treffen die ertoe strekt aan hen een specifieke hoeveelheid toe te kennen?
2 ) Is verordening nr . 857/84, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, ongeldig wegens strijd met het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand en in het bijzonder met :
a ) het rechtszekerheidsbeginsel,
b ) het evenredigheidsbeginsel,
c ) het recht op eigendom,
d ) het verbod tot discriminatie als neergelegd in artikel 40, derde lid, EEG-Verdrag en
e ) het verbod tot détournement de pouvoir,
nu de verordening geen rekening houdt met degenen die in het kader van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 in enig referentiejaar geen melk hebben afgeleverd?
3 ) Handelt een Lid-Staat, indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, in strijd met het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand, door een voorziening als bedoeld bij de eerste vraag, achterwege te laten voor hen die in het kader van verordening ( EEG ) nr . 1078/77 in enig referentiejaar geen melk hebben afgeleverd?"
De derde overweging van verordening nr . 857/84 van de Raad luidt als volgt :
" Overwegende dat aan de Lid-Staten dient te worden toegestaan de referentiehoeveelheden aan te passen ten einde rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde producenten, en daartoe indien nodig binnen vorengenoemde gegarandeerde hoeveelheid een reserve aan te leggen ."
Als ik het goed zie, gaat de verwijzende rechter er in de eerste vraag van uit, dat verordening nr . 857/84 of 1371/84 geen bepalingen bevat die de specifieke situatie regelen van producenten die, als uitvloeisel van een overeenkomst in de zin van artikel 2 van verordening nr . 1078/77, in het betrokken referentiejaar geen melk hebben geleverd . Hij wenst dan ook te vernemen of in verband hiermee de Lid-Staten volgens de verordening met een dergelijke situatie rekening mogen houden en aan de producent die zich in bedoelde situatie bevindt, een referentiehoeveelheid mogen toekennen . De derde vraag hangt hiermee samen en houdt in of, zo de verordening aldus moet worden verstaan dat zij de Lid-Staten die bevoegdheid niet verleent, het gemeenschapsrecht in het algemeen een Lid-Staat ertoe verplicht, aan een producent in bovenbedoelde situatie een referentiehoeveelheid toe te kennen .
Het komt mij voor, dat de eerste vraag op een juiste premisse berust . Normaliter is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk die de producent heeft geleverd of de hoeveelheid melk die een koper heeft gekocht, zoals aangepast, gedurende het referentiejaar . Ik ga ervan uit, dat iemand die een overeenkomst had gesloten voor vijf jaar, waaronder het referentiejaar, in dat jaar geen melk heeft geproduceerd of gekocht, en er mag wel van worden uitgegaan dat heel wat overeenkomsten ook het referentiejaar in de periode van vijf jaar omvatten . Op het eerste gezicht heeft een dergelijke producent of koper derhalve geen recht op een referentiehoeveelheid en kan hij zich niet onttrekken aan betaling van de extra heffing voor de geproduceerde respectievelijk gekochte melk .
Er zijn uitzonderingen, bij voorbeeld voor jonge landbouwers of producenten die vóór 1 maart 1984 ontwikkelingsplannen hebben ingediend, en degenen die een Lid-Staat ervan kunnen overtuigen dat zij zonder ontwikkelingsplan investeringen hebben verricht vóór - gelijk de Raad suggereert - 1 maart 1984 . Indien men aanneemt, in tegenstelling tot de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 12 van verordening nr . 857/84, dat iemand die vóór 1 april 1984 geen
"- melk of andere zuivelprodukten rechtstreeks aan de consument verkoopt
- en/of levert aan de koper",
moet worden aangemerkt als een producent in de zin van artikel 3, lid 1, van die verordening, dan zouden sommige personen die overeenkomsten inzake het niet in de handel brengen hadden gesloten, wellicht in aanmerking kunnen komen voor toepassing van deze bepaling, indien zij het geluk hadden, vóór 1 maart 1984 ( dat wil zeggen een maand voordat verordening nr . 857/84 in het Publikatieblad verscheen ) een plan te hebben ingediend . Dit geldt wellicht ook indien zij vóór die datum investeringen hadden verricht zonder ontwikkelingsplan, ofschoon artikel 3, lid 2, tweede alinea, op zijn minst gezegd onduidelijk is en nauwelijks geschikt voor een uniforme toepassing in de hele Gemeenschap .
Artikel 3, lid 3, van verordening nr . 857/84, betreffende gevallen van overmacht, kan niet worden toegepast op personen die in het betrokken jaar niet produceren; in ieder geval staat het alleen toe, dat een ander jaar binnen de periode 1981-1983 in aanmerking wordt genomen, terwijl gedurende die hele periode velen geen melk produceerden omdat zij een overeenkomst hadden gesloten .
Het bepaalde in artikel 4 of 4a, betreffende de vergoeding of de overdracht van bepaalde hoeveelheden, is geen algemene regel waarbij die personen baat kunnen vinden, aangezien die vergoeding of overdracht alleen is voorzien voor een producent die reeds over een referentiehoeveelheid beschikt . De suggestie dat zo iemand op grond van artikel 7 van de verordening een bedrijf kan kopen, huren of erven dat een referentiehoeveelheid heeft, gaat mijns inziens slechts op voor een beperkt aantal personen, zonder dat de algemene situatie erdoor wordt beïnvloed .
Mijns inziens moet de eerste vraag dan ook aldus worden beantwoord, dat er weliswaar beperkte uitzonderingen zijn die tot gevolg kunnen hebben dat een persoon die op grond van verordening nr . 1078/77 een overeenkomst inzake het niet in de handel brengen had genoten, een referentiehoeveelheid krijgt toegekend in de zin van verordening nr . 857/84, maar dat er geen algemene regel bestaat volgens welke die personen voor een referentiehoeveelheid in aanmerking kunnen komen . Evenmin kan worden gesteld, dat de verordening enige bepaling bevat die noodzakelijkerwijs de bevoegdheid van de Lid-Staten impliceert om met die personen rekening te houden of hun referentiehoeveelheden toe te kennen voor een bepaald jaar waarin zij geen melk produceerden . Een dergelijke bevoegdheid kan mijns inziens ook niet worden afgeleid uit het arrest van 25 november 1986 ( gevoegde zaken 201 en 202/86, Kipgen, Jurispr . 1986, blz . 3477, r.o . 21 ), waarin het Hof verklaarde dat bij de uitlegging van een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht de voorkeur moet worden gegeven aan de uitlegging die de bepaling doet stroken met het Verdrag . Anders zou men er iets in lezen, wat er niet staat .
Mijns inziens moet de eerste vraag bevestigend worden beantwoord en komt de derde vraag derhalve niet meer aan de orde .
De tweede vraag gaat ervan uit, dat degenen die in een referentiejaar geen melk hebben geproduceerd en derhalve de extra heffing moeten betalen over alle melk die zij produceren gedurende de periode waarin de superheffing moet worden opgelegd ( in feite gedurende tien jaar ), uiteindelijk de melkproduktie niet meer kunnen hervatten . De verwijzende rechter wenst te vernemen, of verordening nr . 857/84 in zoverre ongeldig is wegens strijd met algemene beginselen van gemeenschapsrecht of met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag .
Het is duidelijk dat wanneer "de melkaanvoer zo snel blijft stijgen dat de aan de afzet van de extra hoeveelheden verbonden kosten en moeilijkheden op de markt het bestaan zelf van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar brengen" ( derde overweging van verordening nr . 856/84 ), wellicht strenge maatregelen moeten worden getroffen en dat men sommige producenten moet beletten dat zij hun produktie verkopen, dan wel moet verplichten, hun produktie in te krimpen . Andere producenten moet wellicht de toegang tot de markt worden ontzegd . Het is evenzeer duidelijk, dat het aan de Raad en de Commissie staat om te beoordelen, welke maatregelen noodzakelijk zijn, zij het dat deze steeds moeten stroken met de bepalingen van gemeenschapsrecht van hogere rang als bedoeld in de tweede vraag .
Mitsdien moet worden uitgemaakt, of degene die er ( in ruil voor een premie ) mee hebben ingestemd, geen melk te leveren, kunnen worden geacht te hebben aanvaard dat zij zich volledig van de markt terugtrekken . Ongeacht de situatie van degenen die de omschakelingspremie hebben ontvangen, geloof ik niet dat degenen die de premie voor vijf jaar niet op de markt brengen hebben geaccepteerd, verder zijn gegaan dan te aanvaarden dat zij geen melk zouden leveren in een periode van vijf jaar, op een moment waarop de Gemeenschap de melkproduktie wilde beheersen . Zij hebben hun produktie niet gestaakt, maar deze veeleer onderbroken . Er was een wederzijds voordeel : voor de Gemeenschap een vermindering van de melkproduktie en voor de landbouwer een jaarlijkse betaling in contanten . In de overeenkomst werd geenszins beklemtoond of ook maar gesignaleerd, dat indien de landbouwers de premie voor het niet in de handel brengen aanvaardden, zij aan het einde van de periode hun bedrijf niet konden voortzetten . Dit betekent niet, dat zij ervan uit mochten gaan, dat zij aan het einde van de periode op dezelfde voet konden voortgaan als voorheen . Indien de overheid geen verplichtingen is aangegaan, moeten zij aanvaarden dat er nadien beperkingen worden verbonden aan de manier waarop zij hun bedrijf uitoefenen ( zaak 84/78, Tomadini, Jurispr . 1979, blz . 1801, blz.1815, r.o . 21 ). Het komt mij echter voor, dat zij aan het einde van de periode van het niet in de markt brengen redelijkerwijs konden verwachten dat de afspraken inzake de marktbeheersing er rekening mee zouden houden, dat zij hun produktie in het gemeenschappelijk belang hadden opgegeven en niet zouden betekenen dat het voor veel langer ondenkbaar of, in zakentermen gesproken, geheel uitgesloten was dat zij de produktie die zij tijdelijk hadden stopgezet, weer konden opnemen .
Het in de plaats stellen van een quotastelsel ( waarvan zij uitgesloten waren omdat zij een voor vijf jaar geldende overeenkomst inzake het niet in de handel brengen waren aangegaan ) voor een dergelijke overeenkomst inzake het niet in de handel brengen is mijns inziens in strijd met het vertrouwensbeginsel voor de landbouwers die dergelijke overeenkomsten waren aangegaan . Daarmee wordt de grens overschreden tussen "hard business luck" en een onredelijke behandeling .
Dergelijke personen bevonden zich mijns inziens in een andere positie dan degenen die nooit melk hadden geproduceerd dan wel de melkproduktie hadden gestaakt om redenen die generlei verband hielden met maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening, zoals de premie voor het niet in de handel brengen . Het was mijns inziens onredelijk om al deze personen te behandelen alsof zij zich in dezelfde positie bevonden .
Bovendien leidt het betrokken systeem niet tot gelijke behandeling van degenen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden . Een producent die in 1977 een overeenkomst voor het niet in de handel brengen sloot en wiens Lid-Staat 1983 als referentiejaar koos, had in 1983 weer kunnen produceren ten einde over een referentiehoeveelheid te beschikken . Een producent die eveneens in 1977 dezelfde overeenkomst sloot, zou pech hebben indien zijn Lid-Staat 1981 als referentiejaar koos . Indien een producent dezelfde overeenkomst in 1979 of zelfs einde 1980 had gesloten, zou hij geen referentiehoeveelheid hebben kunnen krijgen, ongeacht het referentiejaar in zijn Lid-Staat . Bovendien kan de omstandigheid dat ( in een op 1 april 1984 bekendgemaakte verordening ) 1 maart 1984 is gekozen als uiterste datum voor het indienen van een ontwikkelingsplan of het doen van investeringen zonder plan ( indien de door de instellingen gestelde beperking in de tijd bestaat ), tot discriminatie tussen personen in een gelijke situatie leiden . Het vooraf waarschuwen met "tenzij u vóór 'x' investeert, bent u uitgesloten", is iets geheel anders dan te zeggen dat degenen die niet vóór 'x' investeerden ( terwijl de begindata van de periodes van vijf jaar ver uit elkaar kunnen liggen ), achteraf zijn uitgesloten .
In ieder geval komt het mij voor dat, ook al konden er referentiehoeveelheden worden gegeven aan degenen die de premie voor het niet in de handel brengen hadden aanvaard, daarvoor gebruik zou zijn gemaakt van de nationale reserve bedoeld in artikel 5 van verordening nr . 857/84 . Aangenomen dat die reserve voor dergelijke aanvragers iets bevatte, lijkt het mij waarschijnlijk dat het afwegen van tegenstrijdige aanspraken tegen verschillende beschikbare hoeveelheden tot zeer grote verschillen tussen de toegekende hoeveelheden per Lid-Staat kon leiden .
Mitsdien ben ik van oordeel, dat verordening nr . 857/84 ongeldig is, hetzij wegens schending van het vertrouwensbeginsel hetzij wegens strijd met het discriminatieverbod, voor zover zij generlei voorziening bevat voor de hervatting van de melkproduktie door degenen die waren overeengekomen om in ruil voor een premie hun produktie gedurende vijf jaar stop te zetten, en voor zover zij deze producenten in feite van de markt uitsloot .
Onder die omstandigheden behoeft niet te worden ingegaan op de overige in de tweede vraag vermelde gronden . Ik geloof echter niet, dat hier kan worden gesproken van misbruik van bevoegdheid of schending van het eigendomsrecht in de zin van het arrest van het Hof in zaak 44/79 ( Hauer, Jurispr . 1979, blz . 3727 ), bij gebreke van discriminatie of schending van het vertrouwensbeginsel . Ofschoon niet is aangetoond dat het algemene stelsel verder ging dan ter bereiking van het nagestreefde doel noodzakelijk was, zou kunnen worden gesteld dat het op zich onevenredig was om geen rekening te houden met personen als verzoeker in het hoofdgeding . Dit is mijns inziens echter een andere, wellicht meer kunstmatige manier om te zeggen, dat de onderhavige maatregelen die personen datgene hebben ontnomen waarop zij redelijkerwijs op een niet-discriminerende grondslag mochten rekenen .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
"1 ) Verordening nr . 857/84 van de Raad, zoals aangevuld door verordening nr . 1371/84 van de Commissie, moet aldus worden uitgelegd, dat de Lid-Staten bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde referentiehoeveelheden geen rekening mogen houden met situaties die niet zijn voorzien in de communautaire verordeningen, met name de situatie waarin degenen verkeren die in het kader van verordening nr . 1078/77 in een referentiejaar geen melk hebben geleverd .
2 ) Verordening nr . 857/84 van de Raad is ongeldig voor zover zij geen uitdrukkelijke bepaling bevat die rekening houdt met de situatie van degenen die voorheen melk produceerden, maar in de referentiejaren bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van de verordening geen melkproduktie hadden omdat zij zich in het kader van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 1078/77 van de Raad ertoe hadden verbonden om in die periode geen melk op de markt te brengen .
3 ) Gezien het bevestigende antwoord op de eerste vraag, behoeft de derde vraag van de verwijzende rechter niet meer aan de orde te komen ."
Over de kosten van partijen in het hoofdgeding zal de nationale rechter moeten beslissen . De kosten van de Nederlandse regering en van de Raad en de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy