CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 16 juni 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — Kader en onderwerp van het beroep tot nietigverklaring
1.
De wijnbouwprodukten zijn niet alleen onderworpen aan de „aanvullende regeling voor het handelsverkeer”, die aan de orde kwam in het beroep van Spanje in zaak 119/86, waarin ik zojuist conclusie heb genomen. Krachtens artikel 123 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor liet Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen ( 1 ) geldt voor die produkten nog een ander mechanisme, namelijk dat van de „regulerende bedragen”. In de leden 1 tot en met 3 van dit artikel worden het beginsel en de werking van dit mechanisme uiteengezet voor tafelwijn, voor wijnen met een benaming van oorspong en voor bepaalde andere produkten van de wijnbouwsector die uit Spanje in de Gemeenschap in haar samenstelling van vóór de toetreding (hierna: „Gemeenschap van Tien”) worden ingevoerd. Het doel van de regulerende bedragen wordt omschreven in de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 480/86 van de Raad van 25 februari 1986 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor toepassing van dit mechanisme. ( 2 ) Het stelsel van regulerende bedragen
„heeft ten doel verstoringen op de markt van de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 1985 te voorkomen, zonder de traditionele handelsstroom in de betrokken produkten te verstoren”,
zodat het „niet behoeft” te worden toegepast voor Spaanse wijnen
„wanneer dergelijke verstoringen niet moeten worden gevreesd”,
en zodat
„moet worden voorzien in een differentiatie ervan voor de betrokken produkten naar gelang van de marktsituatie voor elk produkt”.
Het gaat dus om een soepel mechanisme ter voorkoming van eventuele verstoringen als gevolg van de invoer van Spaanse wijn tegen prijzen die beneden de communautaire oriëntatieprijzen liggen.
2.
Evenals de compenserende bedragen toetreding, waarin artikel 72 Toetredingsakte voorziet voor de andere onder een gemeenschappelijke marktordening vallende produkten, blijken de regulerende bedragen te zijn
„bedoeld om voor de nieuwe Lid-Staten de overgang van hun vroegere positie van derde landen... naar hun nieuwe positie van Lid-Staten te vergemakkelijken”. ( 3 )
Tussen beide regelingen bestaat er evenwel een fundamenteel verschil, zoals overduidelijk blijkt uit de toetredingsonderhandelingen die tot instelling van regulerende bedragen en tot vaststelling van artikel 123, lid 3, Toetredingsakte hebben geleid. Volgens de eerste zin van dat lid,
„wordt aan het regulerende bedrag een zodanig maximum gesteld dat gewaarborgd wordt dat de behandeling niet minder gunstig is dan die welke werd toegepast onder de vóór de toetreding geldende regeling”.
Ingevolge de tweede zin van lid 3 wordt „te dien einde” dit bedrag zodanig berekend dat het bedrag, dat wordt verkregen door de in Spanje geldende oriëntatieprijs, de douanerechten en de regulerende bedragen bij elkaar op te tellen, niet hoger is dan de referentieprijs voor het betrokken produkt. Dit maximum vormt, samen met het gedifferentieerd compenseren van de prijzen, de belangrijkste garantie voor het bij artikel 123 ingevoerde stelsel.
3.
Verordening nr. 480/86 van de Raad, die in casu niet wordt betwist, bevat de algemene voorschriften voor toepassing van het mechanisme. Spanje's beroep tot nietigverklaring is immers in wezen gericht tegen verordening nr. 648/86 van de Commissie van 28 februari 1986 tot vaststelling — voor het wijnoogstjaar 1985/86 en per 1 maart 1986 — van de regulerende bedragen voor de produkten die eraan zijn onderworpen; verordening nr. 969/86 bevat slechts de correctie van een materiële vergissing. Tot staving van zijn beroep heeft verzoeker drie middelen aangevoerd, die achtereenvolgens moeten worden onderzocht.
II — Schending van wezenlijke vormvoorschriften
4.
Volgens Spanje wordt de wettigheid van de verordening van de Commissie aangetast door een procedurefout en door ontoereikende motivering.
De procedurefout
5.
Zoals verweerster heeft toegegeven, zijn de bij verordening nr. 648/86 ingevoerde maatregelen — anders dan in de tweede overweging van de considerans uitdrukkelijk wordt vermeld — niet vastgesteld in overeenstemming met het advies van het comité van beheer voor wijn, maar zonder dat het comité een advies heeft uitgebracht, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de notulen van diens vergadering. Een dergelijke discrepantie levert echter geen wezenlijke procedurefout op.
6.
Er wordt niet gesteld dat de bestreden verordeningen onwettig zijn omdat zij zonder het advies van het comité zijn vastgesteld. In het kader van de zogenoemde procedure van het „comité van beheer” bepaalt de Raad hoe de Commissie de bevoegdheden die hij haar delegeert, moet uitoefenen. In casu verplicht artikel 11 van de basisverordening de Commissie deze procedure te volgen. Artikel 67 van verordening nr. 337/79 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt ( 4 ), waarnaar artikel 11 verwijst, bepaalt, dat „het comité advies uitbrengt” over het door de Commissie ingediende ontwerp van te nemen maatregelen en dat, indien de door de Commissie onmiddellijk vastgestelde maatregelen „niet in overeenstemming zijn met het door het comité uitgebrachte advies”, die maatregelen „onverwijld ter kennis worden gebracht van de Raad”, die een „andersluidend besluit” kan nemen. In een arrest waarin het zich moest uitspreken over de gevolgen van het ontbreken van het advies van het comité voor de bevoegdheid van de Commissie, heeft het Hof dan ook vastgesteld, dat enkel in geval van strijdigheid tussen de door de Commissie vastgestelde maatregelen en het door het comité uitgebrachte advies, de bevoegdheid om het besluit te nemen terugkeert naar de delegerende instelling, zodat
„het ontbreken van een advies van het comité de geldigheid van de door de Commissie vastgestelde maatregelen geenszins aantast”. ( 5 )
Bij de vaststelling van de bestreden verordeningen heeft de Commissie zich derhalve volledig gehouden aan artikel 67 van verordening nr. 337/79, dat het verloop van de procedure van het comité van beheer regelt.
7.
Wat in het onderhavige geval wordt gelaakt, is dus de niet-inachtneming van artikel 190 EEG-Verdrag, volgens hetwelk de verordeningen van de Commissie „verwijzen naar de... adviezen welke krachtens dit verdrag moeten worden gevraagd”. Ook al zou verwijzing naar een niet-bestaand advies moeten worden gelijkgesteld met het ontbreken van verwijzing, dit tast in niets de wettigheid van de bestreden verordeningen aan. Daarvan kan volgens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag, slechts sprake zijn, wanneer het verweten gebrek van wezenlijke aard is. Met andere woorden, men moet nagaan of de betrokken maatregel zonder dit gebrek anders had kunnen zijn. ( 6 ) Dit is, naar wij hebben gezien, in casu niet het geval. Derhalve kan een eenvoudige materiële redactiefout niet het verhoopte gevolg hebben.
Ontoereikende motivering
8.
Verzoeker verwijt de Commissie het regulerende bedrag voor bepaalde wijnen met benaming van oorsprong op een vast bedrag en voor andere op nul te hebben bepaald, zonder ter rechtvaardiging daarvan te doen blijken van het bestaan van gevaar voor verstoring van de markt van de Gemeenschap van Tien, in weerwil van het bepaalde in artikel 123, lid 2, sub b, Toetredingsakte en van de artikelen 3 en 4 van de uitvoeringsverordening van de Raad.
9.
Ik kan inderdaad enkel vaststellen, dat de bestreden verordening hierover zwijgt. Afgezien van een algemene verwijzing naar de Toetredingsakte en met name naar artikel 123, lid 2, daarvan, alsmede naar de basisverordening van de Raad, wordt het gevaar voor verstoring in de considerans van verordening nr. 648/86 zelfs niet genoemd. De toepassing van artikel 123, lid 2, sub b, en van de artikelen 3 en 4 van de verordening van de Raad blijkt in feite impliciet uit de bijlage bij de verordening, volgens welke de regulerende bedragen voor bepaalde wijnen met benaming van oorsprong in de regel lager zijn dan die voor tafelwijn en op nul zijn bepaald voor „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitslikeurwijn”, waarmee volgens het antwoord van de Commissie op een vraag van het Hof droge likeurwijnen worden bedoeld.
10.
Het verweer van de Commissie bestaat hoofdzakelijk uit een verwijzing naar die bijlage en een precisering — in haar reeds aangehaalde antwoord en ter terechtzitting— van
—
de verstorende factoren die de toepassing van een regulerend bedrag kunnen rechtvaardigen, in het onderhavige geval de prijzen en „de mogelijkheid van substitutie” van de wijnen met een Spaanse benaming van oorsprong;
—
de redenen voor de vaststelling van de verschillende in de bijlage bij de verordening genoemde regulerende bedragen, namelijk nul voor dure wijnen die in de Gemeenschap van Tien niet worden geproduceerd en een vast bedrag voor de andere wijnen die, gezien hun lagere prijzen en bij gebreke van door Spanje verstrekte gegevens, een potentieel gevaar voor verstoring opleveren.
Zonder een voorbarig oordeel te vellen over de steekhoudendheid van de verschillende hier genoemde motieven, moet ik wel zeggen getroffen te zijn door het contrast tussen de in de loop van de procedure op verzoek van het Hof medegedeelde motieven en de bepalingen van de bestreden verordening, die, zoals gezegd, hierover zwijgt. Daar het hier gaat om de eerste verordening van de Commissie waarbij regulerende bedragen voor wijnen met benaming van oorsprong zijn vastgesteld, doen dergelijke verklaringen, indien dat nog nodig was, wel heel duidelijk blijken van de absolute noodzaak van een omstandige motivering.
11.
De regulerende bedragen zijn inderdaad in het algemeen gericht op de voorkoming van de verstoringen die de invoer op de gemeenschappelijke markt van Tien kan veroorzaken, zodat mag worden aangenomen dat de Commissie de instelling ervan niet behoeft te motiveren, indien er een prijsverschil blijkt te bestaan. Deze redenering gaat weliswaar op voor tafelwijn, waarvoor volgens de Toetredingsakte een regulerend bedrag „wordt... geheven”, doch niet voor wijnen met een benaming van oorsprong, waarvoor naar luid van de Toetredingsakte een regulerend bedrag „kan... worden vastgesteld” voor zover zij „verstoringen op de markt kunnen veroorzaken”. Anders dan bij tafelwijn, waarvoor dit bedrag automatisch wordt toegepast — zij het dat de hoogte ervan varieert naar gelang van de kwaliteit van de wijn — moet voor deze wijnen de noodzaak van heffing van dit bedrag worden aangetoond. Voor deze wijnen eist de Toetredingsakte dit als specifieke voorwaarde voor de instelling van een regulerend bedrag, naast het prijsverschil. ( 7 ) Daar het gaat om wijnen met bijzondere eigenschappen, kan het gevaar voor verstoring immers niet worden vermoed. Enkele wijnen, zoals de droge likeurwijnen, hebben geen equivalent in de Gemeenschap van Tien en daarvoor geldt geen regulerend bedrag. De mogelijkheid van substitutie is weliswaar de conditio sine qua non voor de prijsvergelijking, doch volstaat niet om het gevaar voor verstoring aan te tonen. De Toetredingsakte noch de verordening van de Raad geven echter precies aan, waaruit het bestaan van een dergelijk risico blijkt.
12.
Nuttig is in dit verband een vergelijking met de bepalingen van de Toetredingsakte betreffende de aanvullende regeling voor het handelsverkeer voor bepaalde landbouwprodukten. Artikel 85, lid 1, geeft namelijk enkele aanwijzingen over de aard van de verstoringen die in aanmerking moeten worden genomen om de aldaar voorziene vrijwaringsregeling in werking te doen treden: „wezenlijke toeneming” van de invoer die ertoe kan leiden dat het vooraf vastgestelde plafond „wordt bereikt of overschreden”. Lid 3, sub b, van dit artikel noemt de factoren waarvan afhangt of de ernst van de verstoringen de toepassing kan rechtvaardigen van maatregelen houdende beperking of opschorting van de invoer: „de ontwikkeling van de marktprijzen” en „het volume van het handelsverkeer”. Ten slotte noemt artikel 6 van verordening nr. 569/86 van de Raad houdende algemene bepalingen voor de toepassing van deze regeling, de door de Commissie in aanmerking te nemen elementen ter beoordeling van de marktsituatie. Dienaangaande kan met betrekking tot de aanpassing van het regulerende bedrag voor tafelwijn worden opgemerkt, dat artikel 123, lid 2, sub a, zoals aangevuld bij de desbetreffende gemeenschappelijke verklaring, alsmede de artikelen 2, lid 3, en 6, lid 1, van de basisverordening, aanwijzingen geven over de criteria voor deze differentiatie. Evenals in het vorige geval, blijkt ook in dit geval uit de context van het betrokken stelsel om welke redenen de regulerende bedragen voor deze wijnen worden vastgesteld.
13.
Zoals gezegd, bevat de Toetredingsakte noch de uitvoeringsverordening van de Raad een gelijksoortige bepaling met betrekking tot de vaststelling van een regulerend bedrag voor de wijnen met benaming van oorsprong bedoeld in de bijlage bij de bestreden verordening. Met andere woorden, de context van de verordening van de Commissie bevat geen afdoende verklaring voor de vaststelling van deze bedragen. Uit deze vaststelling blijkt ten genoege, dat hier inderdaad sprake is van ontoereikende motivering. Deze conlusie wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof. De motivering
„moet... aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden”.
Het Hof aanvaardt weliswaar dat
„bij verordeningen geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende — soms zeer talrijke en ingewikkelde — onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen”,
doch stelt als voorwaarde dat
„deze binnen de systematiek van het geheel vallen” ( 8 ).
Samengevat: De Toetredingsakte en de verordening van de Raad verschaffen geen bruikbare aanwijzing dat de Commissie ontslagen is van de haar bij artikel 190 EEG-Verdrag ( 9 ) opgelegde verplichting om een — zij het bondige — motivering te geven. Bovendien ging het hier niet om de uitvoering of de handhaving van een bestaande regeling ( 10 ) of van een gemeenschapsregeling die de betrokkenen bekend was ( 11 ), maar, nogmaals, om de eerste verordening op dit gebied. De motivering nu heeft tot doel
„de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, daarin duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting te doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen”. ( 12 )
Gelet op het voorgaande — en zonder dat een oordeel behoeft te worden uitgesproken over de door verweerster in de loop van de procedure aangevoerde motieven, hoe overtuigend die ook mogen zijn —, moet worden vastgesteld, dat verordening nr. 648/86 van de Commissie, zoals gecorrigeerd bij verordening nr. 969/86, dit doel niet bereikt.
III — Schending van de bepalingen betreffende de maximumhoogte
14.
Volgens verzoeker zijn de bij de bestreden verordening vastgestelde bedragen weliswaar formeel overeenkomstig de tweede zin van artikel 123, lid 3, berekend, doch zijn zij voor bepaalde wijnen, met name voor witte tafelwijn, op een zodanig peil vastgesteld, dat niet is voldaan aan de in de eerste zin gestelde voorwaarde, namelijk dat de behandeling ten minste even gunstig moet zijn als die welke werd toegepast onder de vóór de toetreding geldende regeling. Zijns inziens kan het regulerende bedrag slechts de uit de Toetredingsakte voortvloeiende vermindering van de vóór de toetreding bestaande douanerechten compenseren. Niet alleen wordt dit middel door geen enkel materieel bewijs gestaafd, het berust bovendien op een onaanvaardbare uitlegging van de bepalingen betreffende de maximumhoogte.
15.
In antwoord op een door het Hof gestelde vraag, heeft de Commissie een vergelijkende tabel overgelegd van de berekening van de regulerende bedragen voor bepaalde tafelwijnen; die tabel is opgenomen in het rapport ter terechtzitting en verzoeker heeft niet betwist, dat zij de getrouwe weergave is van de in de tweede zin van artikel 123, lid 3, beschreven berekening. Uit deze tabel blijkt, dat de referentieprijs, het in acht te nemen maximum nergens, wordt bereikt. Meer nog, de som van de Spaanse oriëntatieprijs, het douanerecht en het regulerende bedrag, vormt voor bepaalde soorten wijn minder dan de helft van dit maximum.
16.
Bovendien wordt de door Spanje verrichte ontkoppeling van de twee zinnen van artikel 123, lid 3, door niets gerechtvaardigd. Nog afgezien van het causaal verband dat tussen deze zinnen wordt gelegd door de woorden „te dien einde”, waaruit duidelijk blijkt dat de daaropvolgende berekening de in de eerste zin gestelde regel expliciteert, kan deze berekeningswijze mijns inziens niet tot benadeling van de Spaanse wijn leiden. De referentieprijs, die vóór de toetreding het in acht te nemen minimum was, vormt sedert de toetreding een maximum dat niet meer aan de Spaanse wijnen kan worden opgelegd. Indien blijkt dat de huidige douanerechten voor de invoer van Spaanse wijnen de door het regulerende bedrag gecompenseerde oriëntatieprijs nadelig beïnvloeden, doordat zij tot gevolg hebben dat deze de referentieprijs — het in acht te nemen maximum — overschrijdt, volgt automatisch een dienovereenkomstige correctie van het regulerende bedrag. De in de tweede zin van artikel 123, lid 3, neergelegde berekeningswijze is derhalve niet van dien aard dat zij het in de eerste zin geformuleerde doel in het gedrang kan brengen. Het middel ontleend aan de niet-inachtneming van de maximumhoogte, moet derhalve worden verworpen.
IV — Schending van de bepalingen betreffende de aanpassing van het regulerende bedrag voor bepaalde soorten tafelwijn
17.
Verzoeker verwijt de Commissie de regulerende bedragen voor tafelwijn slechts naar de traditionele soorten, A I, A II en A III voor witte wijn en R I, R II en R III voor rode wijn, te hebben vastgesteld en ze niet te hebben aangepast, zoals door artikel 123, lid 2, sub a, en de uitvoeringsbepalingen daarvan wordt verlangd. De Commissie had binnen elk der genoemde categorieën subcategorieën moeten onderscheiden naar gelang van de prijs van de verschillende soorten tafelwijn en aan de hand van hun kwaliteit en hun verpakking, ten einde het regulerende bedrag aldus vast te stellen dat het daadwerkelijke verschil tussen de communautaire en de Spaanse prijzen volledig wordt gecompenseerd. Voorts zou de Commissie voor rode wijn van de categorieën RI en R II regulerende bedragen hebben vastgesteld die niet overeenkomen met het verschil tussen de communautaire en de Spaanse oriëntatieprijs voor deze wijnen.
18.
Dit middel kan, net als het voorgaande, niet worden aanvaard. In antwoord op vragen van het Hof heeft de Commissie meegedeeld, dat voor bepaalde tafelwijnen het regulerende bedrag moet worden gedifferentieerd volgens de
„hoge kwaliteit die is toe te schrijven aan de bijzondere zorg die aan die wijnen is besteed en aan de specifieke omstandigheden waaronder zij worden geproduceerd”.
Zij heeft daartoe
„het bottelen in de produktiestreek” gekoppeld aan het begrip „kwaliteit”.
Uit de bijlage bij de bestreden verordening blijkt, dat bijzondere regulerende bedragen zijn vastgesteld voor witte tafelwijn en voor rode of rosé tafelwijn die „in recipiënten met een inhoud van 0,75 liter of minder”, dat wil zeggen gebotteld, worden aangeboden. Deze regulerende bedragen zijn 50% lager dan die voor dezelfde wijn in recipiënten van meer dan 0,75 liter, dat wil zeggen ongebotteld. Zoals de Commissie in haar antwoord heeft verklaard, vooronderstelt deze differentiatie dat de regulerende bedragen zijn aangepast. Al valt te betreuren, dat de redenen voor deze differentiatie niet in de considerans van de bestreden verordening worden genoemd, toch kan in de lijn van genoemde rechtspraak worden opgemerkt, dat zij logisch voortvloeien uit het kader waarin de betrokken bepalingen passen.
19.
Artikel 123, lid 2, sub a, bepaalt immers, dat de hoogte van de in de regel voor tafelwijn geldende regulerende bedragen kan worden aangepast „om rekening te houden met de situatie van de marktprijzen, beoordeeld voor de verschillende soorten wijn en aan de hand van kwaliteitsnormen”. De gemeenschappelijke verklaring betreffende deze bepaling voegt hieraan toe, dat zulks dient te gebeuren
„met inachtneming van de specifieke prijzen van bepaalde soorten produkten, aan de hand van de kwaliteit en de verpakking van die produkten, hetgeen zou moeten leiden tot een verlaging van het regulerende bedrag aan de hand van de hoogste prijs van deze soorten wijn.”
Ten slotte bepaalt artikel 2, lid 3, van de basisverordening, dat „voor bepaalde soorten tafelwijn” de aanpassing geschiedt door „de specifieke prijzen op de markt van het produktiegebied en de verpakking in aanmerking te nemen”, en het voegt daaraan toe, dat het regulerende bedrag dan wordt „vastgesteld op een lager niveau dan het hoogste regulerende bedrag voor elk van de soorten tafelwijn”.
20.
Wat blijkt nu? Het regulerende bedrag voor bepaalde — rode of witte — tafelwijnen bedraagt voor de verschillende soorten wijn 50% van bet laagste regulerende bedrag voor ongebottelde wijn. Onder deze omstandigheden kan de Commissie mijns inziens niet worden verweten, dat zij de regulerende bedragen niet naar de soort en vervolgens naar de kwaliteit van de wijn heeft gedifferentieerd. De gelijkstelling bottelen/kwaliteit lijkt mij nauwelijks vatbaar voor kritiek, daar de verpakking — „gebotteld in het gebied van produktie” — naar het oordeel van de Commissie de „hogere kwaliteit” van deze wijnen aangeeft. De speelruimte die de Commissie ter zake geniet, liet haar derhalve toe voor tafelwijnen een forfaitair regulerend bedrag vast te stellen aan de hand van het gemakkelijke criterium van de verpakking. In ieder geval heeft verzoeker geen enkel concreet feit gesteld, waaruit blijkt dat die lagere regulerende bedragen niet overeenkomstig de eisen van artikel 123, lid 2, sub a, zijn vastgesteld. Gezien de beoordelingsvrijheid die de Commissie ter zake geniet, moet worden aangenomen dat de door artikel 123, lid 2, sub a, voorgeschreven aanpassing overeenkomstig het aldaar bepaalde is verricht.
21.
Met name ter zake van de methode voor de berekening van de voor rode tafelwijn van de categorieën R I en R II geldende regulerende bedragen, waarvan de hoogte niet wordt bepaald door het verschil tussen de communautaire en de Spaanse oriëntatieprijs, heeft de Commissie in antwoord op een vraag van het Hof gepreciseerd, dat lagere regulerende bedragen dan die welke normaliter uit genoemd verschil voortvloeien, zijn vastgesteld om rekening te houden met de reële Spaanse prijzen voor deze produkten, die hoger zijn dan de oriëntatieprijzen die in aanmerking kunnen worden genomen. Deze door verzoeker niet weersproken verklaring lijkt mij afdoende.
V — Conclusie
22.
Verordening nr. 648/86 van de Commissie en de correctieverordening nr. 969/86 kunnen mijns inziens derhalve slechts worden nietigverklaard wegens een wezenlijk vormgebrek, bestaande in het ontbreken van een uitdrukkelijke of stilzwijgende motivering met betrekking tot de vaststelling van de regulerende bedragen voor bepaalde wijnen met benaming van oorsprong. Overeenkomstig artikel 176, eerste alinea, EEG-Verdrag staat het aan de Commissie om de maatregelen te nemen welke de nietigverklaring van haar verordening op dit punt vereist. In het onderhavige geval zou dit normaliter moeten leiden tot terugbetaling van de over deze wijnen geheven regulerende bedragen. Een dergelijk gevolg kan echter buitensporig lijken: bij verordening nr. 2715/86, die betrekking heeft op het wijnoogstjaar 1986/87 ( 13 ), zijn voor deze wijnen ook — weliswaar lagere — regulerende bedragen vastgesteld zonder dat Spanje het nodig heeft geacht het beginsel daarvan te betwisten. Een redelijke oplossing zou zijn, dat de Commissie de regulerende bedragen slechts terugbetaalt ten belope van het verschil tussen de bij de bestreden verordening voor de periode 1 maart tot 31 augustus 1986 vastgestelde bedragen en de bedragen die bij genoemde verordening voor het wijnoogstjaar 1986/87 zijn vastgesteld, ten einde zowel met het belang van de Spaanse ondernemingen als met dat van de ondernemingen van de Gemeenschap van Tien rekening te houden. De Commissie zou aldus binnen de haar ter zake bij de Toetredingsakte en de basisverordening van de Raad toegekende bevoegdheden handelen en tevens voldoen aan de dwingende eis van artikel 176, eerste alinea, EEG-Verdrag.
23.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging
—
de bij verordening nr. 969/86 gewijzigde verordening nr. 648/86 van de Commissie nietig te verklaren voor zover daarbij regulerende bedragen zijn vastgesteld voor bepaalde wijnen met benaming van oorsprong uit Spanje.
—
verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) PU 1985, L 302, biz. 23.
( 2 ) PD 1986, L 51, p. 2.
( 3 ) Zaak 6/78, Union française des cércales, Jurispr. 1978, biz. 1675, 1683, r. o. 3.
( 4 ) PB 1979, L 54, biz. 1
( 5 ) Zaak 95/78, Dulciora, Jurispr. 1979, blz. 1549, r. o. 49 en 50.
( 6 ) Zie het arrest van 23 april 1986, zaak 150/84, Bernardi, Jurispr. 1986, blz. 1375, r. o. 28.
( 7 ) Zie, a contrario, zaak 5/67, Beus, Turispr. 1968, blz. 135.
( 8 ) Arrest van 22 januari 1986, zaak 250/84, Eridania, Jurispr. 1986, blz. 117, r. o. 37 en 38, eigen cursivering
( 9 ) Zie met name, a contrario, zaak 78/74, Dcuka, Jurispr. 1975, blz. 421, r. o. 6.
( 10 ) Zaken 136/77, Rackc, Jurispr. 1978, blz. 1245, r. o. 9; 87/78, Welding, Jurispr. 1978, blz. 2457, r. o. 11;230/78, Eridania, Jurispr. 1979, blz. 2749, r. o. 15 en 16.
( 11 ) Zaak 125/77, Sclioltcn-Honig, Jurispr. 1978, blz. 1991, r. o. 22
( 12 ) Zaak 250/84, Eridania, reeds aangehaald, r. o. 37.
( 13 ) PB 1986, L 249, blz. 27.
Full & Egal Universal Law Academy