Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
Het Bureau national interprofessionnel du cognac ( hierna:*BNIC ) heeft Y.*Aubert, wijnbouwer, aangesproken tot betaling van een bedrag van 7*916,02*FF, dat overeenkomt met de bijdrage die hij volgens het BNIC verschuldigd is wegens overschrijding van het hem opgelegde afzetquotum tijdens het oogstjaar*1979/1980 . Aubert is van oordeel dat hij niets verschuldigd is, omdat de quota en de daarop gebaseerde bijdrage in strijd zijn met het gemeenschapsrecht en in het bijzonder met artikel*85 EEG-Verdrag .
Zoals het Hof heeft vernomen, is dit geen op zichzelf staand geval . 465*wijnbouwers hebben geweigerd de bijdrage te betalen . Een rechtbank in de Cognac-streek heeft het BNIC in het gelijk gesteld . Vijf andere rechtbanken in de streek oordeelden op vergelijkbare gronden als de door Aubert aangevoerde, dat de bijdrage niet verschuldigd was . Het tribunal d' instance te Saintes, waar de vordering tegen Aubert is ingesteld, heeft het Hof krachtens artikel*177 van het EEG-Verdrag de navolgende vragen voorgelegd :
"1 ) Zijn bepalingen tot invoering van een produktiequotum, bestaande uit een afzetquotum en een opslagquotum, verenigbaar met artikel*85 EEG-Verdrag, wanneer zij ertoe strekken de produktie van een bepaald produkt te beperken ten*einde de kwaliteit ervan te handhaven?
2 ) Zo neen, is dan een op basis van een dergelijk quotum berekende bijdrage verenigbaar met artikel*85 EEG-Verdrag?"
Deze zaak, die duidelijk van groot belang is voor het BNIC en voor de wijnbouwers en handelaren in de Cognac-streek, heeft de volgende achtergronden :
Het BNIC is een bedrijfsorganisatie op het gebied van cognac-wijnen en -brandewijnen, die bij ministerieel besluit van 5*januari 1941 is opgericht . Dit besluit is vervolgens herhaaldelijk gewijzigd . Ingevolge artikel*1 van het ministerieel besluit van 14*november 1960, vervangen door de bepalingen van artikel*1 van een besluit van 18*februari 1975, is het BNIC samengesteld uit vertegenwoordigers van de wijnbouw en de handel, afgevaardigden van wijnbouwers en de handel en afgevaardigden van enkele randactiviteiten . Hoewel de afgevaardigden door hun respectievelijke beroepsorganisaties worden voorgedragen, worden alle BNIC-leden door de minister van Landbouw benoemd . Bepaalde regeringsvertegenwoordigers wonen de vergaderingen van het BNIC bij en hebben daar een adviserende rol . De voorzitter van de vergaderingen van het BNIC wordt benoemd door de minister van Landbouw, die eveneens een regeringscommissaris benoemt ( hierna:*de commissaris ). Artikel*4 van het ministeriële besluit van 1960 bepaalt, dat de commissaris aan alle vergaderingen van het BNIC en van het dagelijks bestuur deelneemt . Hij kan ofwel instemmen met de genomen besluiten of deze ter goedkeuring aan de minister voorleggen . Dit artikel verleent hem geen enkele andere beslissingsbevoegdheid .
Krachtens wet nr.*75-600 van 10*juli 1975, zoals gewijzigd bij wet nr.80-502 van 4*juli 1980, kunnen overeenkomsten gesloten in het kader van erkende bedrijfsorganisaties zoals het BNIC ( wanneer zij ten doel hebben de bevordering van, bij voorbeeld, de kwaliteit en de verkoop van produkten, de toepassing, onder staatstoezicht, van regels voor de afzet, prijzen en betalingsvoorwaarden ) bij ministerieel besluit algemeen verbindend worden verklaard, waardoor zij in het betrokken produktiegebied gelden voor alle leden van de beroepsgroepen waaruit de organisatie bestaat . Krachtens artikel*3 van de wet mogen deze organisaties van alle leden van de aangesloten beroepsgroepen een bijdrage heffen, die uit deze algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten voortvloeit .
Voor de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst voorziet het huishoudelijk reglement van het BNIC van 19*juni 1978 in de volgende procedure:*a)*interne onderhandelingen tussen de leden van elk van de twee groepen, de groep wijnbouw en de groep handel, gevolgd door een vergadering van elk van beide groepen; b)*voorbereiding van een ontwerp-overeenkomst of van een voorstel, voor te leggen aan de gewone plenaire vergadering van het BNIC; c)*indien een meerderheid van drievierde van de leden van deze vergadering daarmee instemt, wordt een buitengewone plenaire vergadering bijeengeroepen, waarop de ontwerp-overeenkomst wordt besproken en elke groep haar standpunt daarover bekendmaakt; d)*indien er overeenstemming bestaat tussen de groepen, verzoekt de buitengewone plenaire vergadering de minister om de overeenkomst algemeen verbindend te verklaren .
Volgens de verwijzende rechter werd op 18*oktober 1979 een plenaire vergadering van het BNIC gehouden . Uit de notulen van de gewone plenaire vergadering blijkt, dat in de produktiecommissie van het BNIC een door de directeur van het BNIC ( die bij het BNIC in loondienst is ) opgesteld ontwerp-document voor het oogstjaar*1979/1980 is besproken . Er vonden besprekingen plaats met ambtenaren van het ministerie en naar het schijnt ook met de commissaris . Het voorstel omvatte een maximumopbrengt van 10*hectoliter zuivere alcohol per hectare, een afzetquotum van 4,5*hectoliter zuivere alcohol per hectare ( met aanpassingen voor jonge of nieuwe wijnbouwers ), een opslagquotum voor cognac, dat naar gelang het produkt varieerde, en een afzetmaximum van 8,5*hectoliter per hectare voor "Grande Champagne" en van 8*hectoliter per hectare voor de andere soorten . Voor iedere hectoliter zuivere alcohol boven de 4,5*hectoliter ( of boven de voor jonge en nieuwe wijnbouwers geldende hoeveelheid ) tot aan het afzetmaximum werd een bijdrage vastgesteld van 300*FF per hectoliter . Boven dit maximum zou een "boete" worden opgelegd van 3*000*FF per hectoliter zuivere alcohol, en ingeval de produktie boven het toegestane maximum uitkwam, zou een "boete" van 1*500*FF per hectoliter gelden . De commissaris keurde dit hele voorstel goed, met uitzondering van de maximumopbrengst van 10*hectoliter per hectare, maar de gewone plenaire vergadering handhaafde dit cijfer .
Nadat de groepen het voorstel hadden goedgekeurd, werd de zaak vervolgens voorgelegd aan de buitengewone plenaire vergadering . De commissaris stelde voor om het woord "boete" te vervangen door "bijdrage ". Besloten werd, dat de groepsvoorzitters en de directeur de overeenkomst zouden ondertekenen nadat de commissaris het besluit voor het oogstjaar had getekend, voor zover er in de goedgekeurde en door mij zoëven beschreven regeling hooguit nog redactionele wijzigingen nodig zouden zijn .
Op 29*oktober 1979 nam de commissaris een besluit, dat voorzag in een maximumopbrengst van 10 hectoliter zuivere alcohol per hectare en in een produktiequotum, bestaande uit een afzetquotum van 4,5 hectoliter zuivere alcohol per hectare en een opslagquotum voor de verschillende soorten cognac; de betrokken hoeveelheden hiervoor waren gelijk aan die welke in de door de vergadering goedgekeurde voorstellen stonden . Artikel*9 van dit besluit bepaalt:*"bij wijze van uitzondering en uitsluitend voor het oogstjaar*1979/1980 wordt een bijdrage ingesteld bestemd voor de financiering van marktordeningsmaatregelen voor cognac-wijnen en -brandewijnen en inzonderheid voor onderzoek naar nieuwe afzetmogelijkheden ( andere dan verwerking tot cognac en 'pineau des Charentes' ) voor most en witte wijnen van de 'région délimitée' van cognac ". Het bedrag van de bijdrage werd gesteld op 300*FF per hectoliter zuivere alcohol bij afzet van meer dan 4,5*hectoliter zuivere alcohol per hectare of van meer dan de voor jonge of nieuwe wijnbouwers geldende hoeveelheden, tot een maximum van 8*hectoliter per hectare of 8,5*hectoliter per hectare voor "Grande Champagne ". Daarboven moest een extra bijdrage van 3*000*FF per hectoliter zuivere alcohol worden betaald .
Ingevolge artikel*10 van het besluit moest de opbrengst van deze bijdragen worden gebruikt om 300*FF per hectoliter zuivere alcohol te betalen aan wijnbouwers die hun afzetquotum niet haddden kunnen verkopen en die zich hadden verbonden om het restant niet tot cognac te verwerken . De rest zou in een fonds worden gestort, dat bestemd was om de in artikel*9 genoemde maatregelen te financieren .
Op 23*november 1979 werd binnen het BNIC een overeenkomst gesloten, waarin "overeenkomstig artikel*9 van het besluit van de regeringscommissaris" was bepaald dat een bijdrage zou worden geheven gedurende dezelfde periode, volgens dezelfde grondslag, tegen dezelfde bedragen en met hetzelfde doel als de in het besluit bedoelde bijdrage . Volgens artikel*5 van deze overeenkomst is "het BNIC verantwoordelijk voor de vaststelling en inning van de verschuldigde bedragen en voor de boekhouding van de ter uitvoering van bovengenoemde artikelen verrichte handelingen ".
De overeenkomst werd bij ministerieel besluit van 2*januari 1980 krachtens wet nr.*75-600 van 10*juli 1975 algemeen verbindend verklaard voor alle betrokken beroepsgroepen in de streek .
Hoewel Aubert zich in hoofdzaak verzet tegen betaling van de bijdrage, lijkt het op grond van de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking alsof hij voor de nationale rechter zowel de wettigheid van de afzet - en opslagquota als van de bijdrage bestrijdt; de door het tribunal gestelde vragen betreffen beide aspecten .
Het lijkt vast te staan, dat de tegen Aubert ingestelde vordering alleen de bijdrage van 300*FF per hectoliter betreft : er is geen vordering ingesteld ter zake van "boetes" of extra bijdragen van 3*000*FF of 1*500*FF . Gesteld is, dat de bijdrage bedoeld is ter verkrijging van financiële middelen voor de handhaving van de kwaliteit, maar het tribunal d' instance heeft vastgesteld dat een vijfde deel werd gebruikt voor extra betalingen aan wijnbouwers .
De eerste vraag van de verwijzende rechter houdt in, of de beperking van de produktie van een produkt met als doel, de kwaliteit van het produkt te handhaven, volstaat om de overeenkomst verenigbaar te doen zijn met artikel*85; de tweede vraag houdt in, of de bijdrage zelf ook onverenigbaar is met het Verdrag, doordat zij berust op bepalingen die onverenigbaar zijn met het Verdrag ( aangenomen dat het doel van kwaliteitshandhaving niet voldoende is om die bepalingen buiten het bereik van het verbod van artikel*85 te brengen ). Bij de behandeling van deze vragen zijn echter ook nog andere hiermee samenhangende problemen naar voren gekomen .
Het BNIC heeft uiteengezet, voor welke moeilijkheden de wijnbouwers en handelaren in de Cognac-streek stonden als gevolg van de aanzienlijke uitbreiding tussen 1972 en 1977 van het aanbouwgebied van de voor de cognac-produktie gebruikte witte wijn, en als gevolg van het teruglopen van of de stagnatie in de verkoop en de overproduktie, wat in het oogstjaar*1975/1976 heeft geleid tot het invoeren van quota en in 1979/1980 tot het instellen van een bijdrage . Voorts werd een diversificatie noodzakelijk geacht ten*einde de talrijke mensen te beschermen die direct of indirect zijn betrokken bij de produktie van en de handel in een produkt, dat van groot economisch belang is voor de streek .
Deze moeilijkheden vormen wellicht de verklaring voor hetgeen is ondernomen; toch kunnen gedragingen, die gewoonlijk onder artikel*85 van het Verdrag vallen, hierdoor niet aan de werkingssfeer daarvan worden onttrokken .
Vervolgens betoogt het BNIC, dat artikel*85, lid*1, niet van toepassing is op de onderhavige overeenkomst, omdat deze betrekking heeft op voor distillatie bestemde wijnen en most . Dit zijn landbouwprodukten in de zin van artikel*38,lid*1, en bijlage*II bij het Verdrag . Krachtens artikel*42 van het Verdrag is artikel*85 op deze produkten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad zal worden bepaald . Op grond van artikel*2 van verordening nr.*26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten ( PB*1962, blz.*993 ) zijn die overeenkomsten, besluiten en gedragingen uitgesloten die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel*39 van het Verdrag omschreven doelstellingen . De onderhavige overeenkomst, zo wordt gesteld, heeft betrekking op een landbouwprodukt ( wijn en most ) waarvoor een nationale marktorganisatie bestaat; de bijdrage is bedoeld om de organisatie te helpen de doelstellingen van artikel*39 te verwezenlijken, want de opbrengst ervan is bestemd voor de financiering van een studie - en onderzoeksprogramma naar nieuwe afzetmogelijkheden . De afzetquota zijn niets anders dan een referentiebasis voor de berekening van de bijdrage .
Deze argumenten kunnen mijns inziens niet worden aanvaard . Het staat vast, dat de overeenkomst en het besluit van de regeringscommissaris van 1979, evenals diens besluit van 1976 tot het invoeren van quota, betrekking hadden op brandewijnen die de benaming van oorsprong "cognac" mochten voeren . De quota en de bijdragen waren bedoeld voor brandewijnen die in bijlage*II bij het Verdrag uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van de categorie landbouwprodukten . Het feit dat de opbrengst van de bijdrage gedeeltelijk bestemd was voor de studie naar nieuwe afzetmogelijkheden voor wijn en most uit de Cognac-streek doet aan deze conclusie niet af . Het voorwerp van de onderhavige overeenkomst valt dus binnen de werkingssfeer van artikel*85 van het Verdrag .
Zoals het tribunal d' instance schijnt aan te nemen en zoals ook de Commissie aanvoert, was in elk geval het gedeelte van de bijdrage dat werd gebruikt om bepaalde producenten een prijstoeslag te geven, onverenigbaar met de prijsregels van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn .
Artikel*85 bepaalt uitdrukkelijk, dat verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen of ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de produktie beperken of controleren en die de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst .
Een overeenkomst tot vaststelling van quota als de onderhavige, aangevuld met een bijdrage die ( zoals de verwijzingsbeschikking zegt ) wordt "berekend op basis van" deze quota en verschuldigd is bij overschrijding daarvan, valt mijns*inziens duidelijk binnen de werkingssfeer van dit artikel . Het belangrijkste doel lijkt te zijn geweest om de op de markt komende hoeveelheid te beperken en de prijzen te steunen . Of kwaliteitshandhaving ook een doel was, blijkt minder duidelijk uit de stukken, maar dit is een zaak voor de nationale rechter . Zelfs als het doel van de bepalingen is om de produktie te beperken met het oog op handhaving van de kwaliteit, dan worden ze daardoor op zich nog niet aan de werking van artikel*85, lid*1, onttrokken . Het zou wel een reden voor de Commissie kunnen zijn om een ontheffing krachtens artikel*85, lid*3, te verlenen, maar in dit geval waren de gemaakte afspraken niet aangemeld en was de Commissie niet om een dergelijke ontheffing verzocht . Mogelijk is het echter onwaarschijnlijk, zoals de Commissie opmerkte, dat voor een overeenkomst die produktiequota en een bijdrage oplegt, een ontheffing krachtens artikel*85, lid*3, wordt verleend, zelfs wanneer handhaving van de kwaliteit het doel ervan zou zijn .
Een dergelijk quota-systeem voor brandewijnen bestemd voor de bereiding van cognac, die in ruime mate wordt uitgevoerd naar andere Lid-Staten, kan duidelijk de handel tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden en de mededinging beperken of vervalsen, ook als de brandewijn zelf niet wordt uitgevoerd naar andere Lid-Staten ( zaak*123/83, BNIC, Jurispr.*1985, blz.*391 ).
Het instellen van quota en van een bijdrage kunnen naar mijn mening derhalve binnen de werkingssfeer van artikel*85, lid*1, vallen, wanneer er een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van dit artikel bestaat .
Het BNIC stelt zich op het standpunt, dat de onderhavige bepalingen niet binnen de werkingssfeer van artikel*85, lid*1, vallen, omdat er geen sprake is van een overeenkomst tussen ondernemingen of ondernemersverenigingen of een onderling afgestemde feitelijke gedraging . De overeenkomst is gesloten binnen een publiekrechtelijk lichaam met een semi-overheidskarakter en is gebaseerd op de door de commissaris uitgeoefende regelgevende bevoegdheid . Het BNIC treedt echter op dit punt niet in details en refereert zich aan het oordeel van het Hof .
Het tribunal zegt hierover het volgende:*"Opgemerkt moet worden, dat deze quota zijn vastgesteld bij besluit van de regeringscommissaris en niet, zoals in het geval van de vaststelling van de minimumverkoopprijs voor cognacbrandewijnen, eenvoudig bij wege van een bij interministerieel besluit algemeen verbindend verklaarde overeenkomst . De bedoeling van de overeenkomst van 31*december 1980 ( sic:*kennelijk wordt hier bedoeld 23.11.1979 ), die algemeen verbindend is verklaard bij interministerieel besluit van 2*januari 1980, het doel van de bijdrage nader toe te lichten ." Vervolgens vraagt het tribunal zich af, of de vaststelling van de produktie -, afzet -, en opslagquota moet worden beschouwd als een onderling afgestemde feitelijke gedraging, ook al is dit gedaan met het oogmerk van produktieverbetering of kwaliteitshandhaving, waardoor krachtens artikel*85, lid*3, artikel*85, lid*1, mogelijk niet op de produktiequota van toepassing zou zijn . Het tribunal lijkt dus van oordeel te zijn, dat er weliswaar sprake was van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, doch dat de quota door de commissaris waren vastgesteld .
Opgemerkt zij echter, dat volgens artikel*4 van het besluit van 1960 de commissaris met de genomen "besluiten" kan instemmen of deze ter goedkeuring aan de minister kan voorleggen . Dit veronderstelt, dat de procedure begint met een "besluit" van het BNIC . Stemt de commissaris daarmee in, ( zonder het rechtstreeks aan de minister voor te leggen ), dan wordt de overeenkomst getekend en "uitgebreid" ( waardoor zij voor alle beroepsgroepen in de regio algemeen verbindend wordt ). Andere bepalingen naar Frans recht, volgens welke de commissaris over andere zelfstandige bevoegdheden zou beschikken, zijn niet aangevoerd .
Hoewel het besluit van de regeringscommissaris verwijst naar het "overleg" in de plenaire vergadering van 18*oktober ( en niet naar een genomen "besluit "), zou het tribunal in dit geval, wanneer de notulen van de vergadering juist zijn, mijns inziens tot de conclusie kunnen komen, dat er tussen de twee groepen binnen het BNIC een overeenkomst bestond om de quota en de bijdrage vast te stellen . Wanneer de commissaris niet met een dergelijke overeenkomst behoefde in te stemmen, dan is deze overeenkomst naar mijn mening duidelijk een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel*85 . Ongetwijfeld hebben er onderhandelingen plaatsgevonden met ministeries en waarschijnlijk ook met de commissaris en zijn staf, maar deze onderhandelingen verhinderen niet dat er een overeenkomst bestond, tenzij het tribunal tot de conclusie zou komen dat, anders dan uit de notulen blijkt, de overeenkomst het BNIC is opgelegd .
Misschien moet een dergelijke overeenkomst beschouwd worden als afhankelijk te zijn van de instemming van de commissaris en dus als nog niet definitief bindend . De realiteit is echter, als de notulen juist zijn, dat het ontwerp binnen het BNIC is opgesteld . Het voorstel was afkomstig van de leden . Respectievelijk de produktiecommissie en de directeur van het BNIC hebben het ontwerp voorbereid en opgesteld . De vergadering maakte duidelijk dat de afgevaardigden niet zouden ondertekenen, wanneer de commissaris in de betrokken artikelen meer dan alleen redactionele wijzigingen zou aanbrengen .
De commissaris gaf in zijn "besluit" echter wel zijn goedkeuring aan wat tijdens de vergadering was overeengekomen . De overeenkomst werd vervolgens ondertekend en gedateerd op 23*november 1979, en de tekst ervan was in essentie gelijk aan de tekst die tijdens de vergadering was overeengekomen en in het "besluit" was goedgekeurd .
Een dergelijke overeenkomst is een overeenkomst tussen ondernemingen of ondernemersverenigingen, die binnen de werkingssfeer van artikel*85, lid*1, valt ( BNIC-arrest, r.o.*19 en 20 ). Een maatregel van de minister, die erop is gericht de overeenkomst verbindend te maken voor alle betrokken economische subjecten, ook indien zij geen partij waren bij de overeenkomst, kan niet tot gevolg hebben, dat de overeenkomst aan de toepassing van artikel*85, lid*1, wordt onttrokken ( BNIC-arrest, r.o.*23 ).
Er zou echter een verschil zijn tussen de quota en de bijdragen : de quota waren vastgesteld door de commissaris ( en niet door het BNIC in de overeenkomst ), terwijl de bijdragen waren ingevoerd bij de overeenkomst, aangezien alleen het BNIC en niet de commissaris de bevoegdheid had om deze bijdragen op te leggen .
Er is inderdaad een verschil in vorm, omdat op het eerste gezicht de bijdrage in de overeenkomst wordt vastgesteld . Anderzijds bepaalt het besluit, dat de bijdrage "wordt ingesteld" en "verschuldigd zal zijn" onder de aangegeven voorwaarden . De overeenkomst vermeldt, dat overeenkomstig artikel*9 van het besluit van de commissaris "een bijdrage wordt ingesteld", en de heffing van de bijdrage wordt uitdrukkelijk in verband gebracht met de in het besluit vastgestelde quota . In de overeenkomst worden de bedragen voor de maximumopbrengst en de afzetquota uit het besluit aanvaard en overgenomen . De enige nieuwe bepaling is van administratieve aard : het BNIC moet de verschuldigde bedragen berekenen en innen en de boekhouding voeren .
Gezien de stukken kan dus niet worden gezegd, dat het BNIC in de overeenkomst alleen de bijdragen zou hebben vastgesteld, maar niet de quota . De verwijzende rechter zou dan ook tot de conclusie kunnen komen, dat het BNIC de aanzet heeft gegeven tot beide maatregelen en deze in de overeenkomst heeft vastgesteld .
Mijns*inziens zijn daarmee alle in artikel*85 genoemde voorwaarden vervuld . Er bestond een overeenkomst tussen ondernemingen of ondernemersverenigingen, gericht op het beperken of controleren van de produktie en de afzet, welke de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kon beïnvloeden en ertoe strekte of tot gevolg had, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd, beperkt of vervalst . Het antwoord op beide vragen is dus ontkennend .
Indien naar mijn mening het BNIC gelijk had met haar stelling, dat alleen het BNIC de bijdrage kon vaststellen en dit ook heeft gedaan, maar dat de commissaris de quota heeft vastgesteld, dan zou ik het opleggen van de bijdrage in strijd hebben geacht met artikel*85 van het Verdrag .
De verwijzingsbeschikking maakt geen melding van artikel*5 van het Verdrag . Er is echter uitgebreid gediscussieerd over de vraag of, aangenomen dat de rol van het BNIC minimaal is geweest en in werkelijkheid de overheid de aanzet heeft gegeven tot de quota en de bijdrage en deze heeft goedgekeurd, Frankrijk inbreuk heeft gemaakt op artikel*5 juncto artikel*85 van het Verdrag . Het Verenigd*Koninkrijk heeft in haar interventie gesteld, dat dit een zaak is, waarin het Hof duidelijk zou kunnen maken, welk verband er bestaat tussen de twee artikelen en tot hoever de verplichtingen van de Lid-Staten ingevolge deze artikelen reiken . De Commissie stelt, dat een overheidsmaatregel die het sluiten van een met artikel*85, lid*1, strijdige overeenkomst bevordert of aanmoedigt, terwijl voor die overeenkomst geen ontheffing kan worden verleend krachtens artikel*85, lid*3, inbreuk maakt op het "nuttig effect" van artikel*85 en daarom strijdig is met het Verdrag .
Ik geloof niet, dat er in dit geval plaats is voor een algemene precisering van de draagwijdte van artikel*5 in verband met artikel*85 . Het Hof heeft reeds aangegeven, dat artikel*85 betrekking heeft op de gedragingen van ondernemingen en niet op de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen van Lid-Staten . Wanneer Lid-Staten, en zij alleen, prijzen voorschrijven of de produktie of de afzet beperken, dan vallen deze voorschriften niet binnen de werkingssfeer van artikel*85 . Anderzijds verplicht het Verdrag de Lid-Staten ertoe om geen maatregelen te nemen of in stand te houden, die aan artikel*85 zijn nuttig effect kunnen ontnemen . "Dit is met name het geval, wanneer een Lid-Staat met artikel*85 strijdige mededingingsregels stimuleert of de werking daarvan versterkt" ( arrest van 30*april 1986, gevoegde zaken 209-213/84, Asjes, Jurispr.*1986, blz.*1425 ). Zoals het Verenigd*Koninkrijk stelt, is dit het geval, wanneer de overheid regels vaststelt die de economische subjecten verplichten dan*wel aanmoedigen om hun gedragingen op elkaar af te stemmen of om bij overeenkomst prijzen of quota vast te stellen . Zonder twijfel bestaat er echter een grijs gebied, wanneer overheden ter bereiking van een bepaald economisch doel, na een akkoord met of raadpleging van het bedrijfsleven, prijzen of quota voorschrijven; dan kunnen zich moeilijke vraagstukken voordoen . Elke zaak moet evenwel naar de omstandigheden van het geval worden beoordeeld .
Als de nationale rechter in het onderhavige geval zou vaststellen, dat het besluit van de commissaris of het ministerieel besluit enkel een officiële vorm verleende aan een reeds door het BNIC gesloten overeenkomst, die op zich strijdig was met artikel*85, dan zou er naar mijn mening sprake zijn van een inbreuk op artikel*5 juncto artikel*85 . De overheidshandeling versterkte dan de werking van de verboden overeenkomst . Stelt de nationale rechter vast, dat het initiatief en de invloed van het BNIC van overwegende of beslissende betekenis zijn geweest voor de totstandkoming van het besluit van de commissaris en voor het ministeriële besluit en dat de commissaris en de minister, ofschoon zij meer deden dan een officiële vorm te geven aan de wensen van het BNIC, de door het BNIC gewenste maatregelen voornamelijk hebben vastgesteld omdat het BNIC ze goedgekeurd had, dan zou er eveneens inbreuk zijn gemaakt op de artikelen 5 en 85 . De overheid gaf dan immers haar goedkeuring aan of althans versterkte de werking van een verboden overeenkomst . Hetzelfde geldt mijns*inziens, indien de nationale rechter zou vaststellen dat de commissaris het BNIC had aangezet of had overgehaald tot het aangaan van de overeenkomst of tot het volgen van een feitelijke gedraging die zelf strijdig is met artikel*85 .
Gelet op de in de verwijzingsbeschikking vastgestelde feiten en op hetgeen blijkt uit de daarin vermelde documenten en uit de notulen van de vergaderingen, kan men onmogelijk beweren dat in deze zaak sprake is geweest noch van a)*een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging die onder de werkingssfeer van artikel*85 valt, noch van b)*een overheidshandeling die de sluiting van een onder artikel*85 vallende overeenkomst oplegde of die de werking van een dergelijke overeenkomst versterkte, maar slechts van een -*voor de beroepsgroepen verbindende *- beleidsbeslissing van de overheid, die buiten de werkingssfeer van artikel*5 en artikel*85 valt .
Veel hangt dus af van de beoordeling van de feiten door de nationale rechter . Deze feitelijke vragen spelen echter niet, wanneer mijn conclusie wordt gevolgd, dat er hier sprake was van een door artikel*85 verboden overeenkomst . De vaststelling van de quota en de bijdrage is in elk geval verboden .
Naar mijn mening zou derhalve op de aan het Hof gestelde vragen moeten worden geantwoord, dat een binnen een bedrijfsorganisatie gesloten overeenkomst die voorziet in de betaling van een bijdrage bij overschrijding van een afzet - en opslagquotum, zelfs al zijn de quota bedoeld om de produktie te beperken ter handhaving van de kwaliteit van het produkt, krachtens artikel*85, lid*1, van het Verdrag verboden is .
De nationale rechter moet beslissen over de kosten van partijen in het hoofdgeding . De kosten van de Commissie en van het Verenigd*Koninkrijk komen niet voor vergoeding in aanmerking .
(*)* Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy