CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 22 september 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
A — De feiten
1.
Deze procedure, waaraan een verzoek van de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Divisional Court, ten grondslag ligt, betreft de tariefindeling van nerven van „flue-cured” Virginia-tabak, een bepaalde soort tabak die volgens een bijzonder procédé is gedroogd.
2.
Om te beginnen is het van belang te weten — ik lees dit in de verwijzingsbeschikking —, dat tabak in de regel na de oogst in het land van oorsprong vóór verscheping en opslag wordt bewerkt door hem te batteren (of te strippen), dit wil zeggen dat de (hoofd-)nerf wordt gescheiden van de rest van het blad of bladweefsel. Tot voor dertig jaar werd de nerf kennelijk weggehaald, maar nu wordt die bij de fabricage van sigaretten gebruikt. De nerf en het bladweefsel worden ieder apart behandeld alvorens weer te worden samengevoegd tot het gewenste mengsel.
3.
Tegenwoordig, zo werd ons gezegd, worden nerven en bladweefsel (die eerst van elkaar zijn gescheiden) gewoonlijk samen gekocht; hele bladeren worden daarentegen maar in kleine hoeveelheden geïmporteerd, omdat het batteren in de sigarettenfabriek met een groter verlies aan grondstof gepaard gaat.
4.
Verder zij erop gewezen, dat de Gemeenschap in het kader van het communautaire stelsel van algemene tariefpreferenties ieder jaar voor bepaalde ontwikkelingslanden tariefcontingenten instelt, onder meer voor „flue-cured” Virginia-tabak. Voor 1985 is dat contingent vastgesteld bij verordening van de Raad nr. 3564/84. ( 1 ) In bijlage I bij deze verordening wil ik in het bijzonder wijzen op volgnummer 50.00.20, dat refereert aan post 24.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief in de redactie van verordening nr. 3400/84 ( 2 ) („ van de soort Virginia, ‚flue-cured’, van de soort Burley, Burley-hybriden daaronder begrepen, ‚light-air-cured’, van de soort Maryland, ‚light-air-cured’, en ‚red’”) en aan de nrs. 24.01-02 en 24.01-09 van de Nimexe-code (in de redactie van verordening nr. 3529/84 ( 3 )), betreffende ongestripte dan wel geheel of gedeeltelijk gestripte „fluecured” Virginia-tabak.
5.
In april 1985 importeerde verzoekster in het hoofdgeding — Imperial Tobacco Ltd, een dochteronderneming van de sigarettenfabrikant Imperial Group PLC — nerven van „flue-cured” Virginia-tabak in het Verenigd Koninkrijk. Daarbij legde zij een certificaat van echtheid over in verband met het bepaalde bij post 24.01 A van het GDT („Indeling onder deze onderverdeling is onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vast te stellen door de bevoegde autoriteiten”) en in artikel 1 van verordening nr. 3035/79 ( 4 ) van de Commissie, naar luid waarvan de indeling onder post 24.01 A van het GDT van, onder meer, tabak van de soort Virginia, „flue-cured”, afhankelijk is van de overlegging van een certificaat van echtheid dat aan de in die verordening vastgestelde voorwaarden voldoet.
6.
Terwijl de douane de nerven van „flue-cured” Virginia-tabak in het verleden steeds had ingedeeld onder post 24.01 A, kwam zij in het voorjaar van 1985 hiervan terug en verklaarde, dat post 24.01 B („andere”) van toepassing was. Aanleiding hiervoor was verordening nr. 3517/84 ( 5 ) van de Commissie, vastgesteld krachtens verordening nr. 97/69 van de Raad betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief ( 6 ) en na consultatie van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. ( 7 ) Artikel 1 van verordening nr. 3517/84 bepaalt, dat stelen, nerven en snippers (kleine deeltjes die na het batteren overblijven) van tabaksbladeren in het gemeenschappelijk douanetarief dienen te worden ingedeeld onder post 24.01 („ruwe en niet tot verbruik bereide tabak; afvallen van tabak:”) B („andere”). De Commissie, die steeds van mening is geweest dat zulke nerven onder post 24.01 B vallen, schijnt deze verordening te hebben vastgesteld, omdat zij had vernomen dat het Verenigd Koninkrijk nerven van de in post 24.01 A genoemde tabakssoorten indeelde onder post 24.01 A en ze derhalve ook in aanmerking nam voor het genoemde communautaire tariefcontingent.
7.
Volgens Imperial Tobacco Ltd is de indeling waartoe de douane op basis van verordening nr. 3517/84 in het voorjaar van 1985 is overgegaan, onjuist. Zij heeft zich dan ook tot de Queen's Bench Division van de High Court gewend met het verzoek te verklaren, dat de douane nerven van „flue-cured” Virginia-tabaksbladeren ten onrechte onder post 24.01 B had ingedeeld.
8.
De verwijzende rechter is van mening, dat de vordering van verzoekster in het hoofdgeding een probleem opwerpt over de uitlegging en eventueel ook over de geldigheid van verordening nr. 3517/84 van de Commissie. Daarom heeft hij bij beschikking van 29 april 1986 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorgelegd:
„1)
Moet verordening (EEG) nr. 3517/84 van de Commissie worden uitgelegd in die zin, dat nerven van tabaksbladeren waarvoor een certificaat van echtheid is afgegeven ten blijke dat zij tot de soort Virginia „flue-cured” behoren, moeten worden ingedeeld onder post 24.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief ?
2)
Zo ja, is die verordening in zoverre ongeldig wegens strijd met verordening (EEG) nr. 3400/84 van de Raad ?”
9.
Verzoekster in het hoofdgeding, het Verenigd Koninkrijk, het Koninkrijk België en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Hun standpunten zijn samengevat in het rapport ter terechtzitting, waarnaar ik bij deze verwijs.
B — Standpuntbepaling
Mijns inziens moeten de vragen van de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Divisional Court, worden beantwoord als volgt:
10.
1. Kennelijk wil verzoekster in het hoofdgeding in aanmerking komen voor toepassing van het reeds genoemde stehet van algemene tariefpreferenties, nu in het gemeenschappelijk douanetarief de indeling van een produkt onder post 24.01 B — althans in heel wat gevallen — voordeliger is. Dit doet onmiddellijk de vraag rijzen, of de betrokken verordening van de Commissie überhaupt van belang is voor het hoofdgeding, met andere woorden, of de uitlegging en beoordeling van haar geldigheid voor het hoofdgeding wel relevant zijn.
11.
Wat de draagwijdte van het stelsel van algemene tariefpreferenties betreft, verwijst verordening nr. 3564/84 van de Raad in bijlage I en onder het volgnummer 50.00.20 (tabak van de soort Virginia „flue-cured”) niet alleen naar het gemeenschappelijk douanetarief, en dus naar de betrokken verordening van de Commissie, maar evenzeer naar de Nimexe-code van verordening nr. 3529/84 van de Commissie. Uit de verwijzing naar de Nimexe-codes in bijlage I bij verordening nr. 3564/84 van de Raad blijkt evenwel, dat enkel tabak van de soort Virginia „flue-cured”, ongestript of geheel of gedeeltelijk gestript, is bedoeld. Anders dan verzoekster in het hoofdgeding verdedigt (volgens haar kunnen, wanneer de bladeren zijn gestript, beide bestanddelen die zo ontstaan — nerf en bladweefsel — worden aangemerkt als gestripte tabak), kan hiermee stellig enkel zijn bedoeld, het bladweefsel zonder nerf of het bladweefsel waaraan nog stukjes nerf vastzitten. Het lijkt niet mogelijk om de nerf als zodanig tot gestripte tabak te rekenen; het is immers logisch gezien onmogelijk, zoals de Commisie opmerkt, de nerf van de nerf te trekken om vervolgens te spreken van een „gestripte” nerf.
12.
Derhalve kan worden gesteld, dat volgens de relevante regeling van de Raad nerven van „flue-cured” Virginia-tabak duidelijk niet in aanmerking kwamen voor toepassing van het stelsel van de algemene tariefpreferenties. (Dit valt uit een oogpunt van ontwikkelingspolitiek misschien moeilijk te aanvaarden, nu het contingent — zoals verzoekster in het hoofdgeding heeft aangetoond — blijkbaar niet volledig kon worden opgebruikt voor uitsluitend bladweefsel, waarvan enkel de relatief goedkope soort van belang is voor het stelsel van algemene tariefpreferenties. Verder kan die uitlegging leiden tot een toenemende import van hele bladeren, waardoor een stadium in de tabaksbewerking niet langer in de ontwikkelingslanden plaats vindt. In de praktijk zal dit evenwel niet gebeuren, omdat, zoals verzoekster in het hoofdgeding ter terechtzitting heeft opgemerkt, zulks economisch niet verantwoord is.) Ook lijkt het mij gezien het voorgaande inderdaad twijfelachtig, of de vragen betreffende verordening nr. 3517/84 van de Commissie voor de beslechting van deze zaak wel van belang zijn.
13.
Wanneer ik desondanks niet in overweging geef om de nationale rechter uitsluitend een antwoord in die zin te geven (zonder nader in te gaan op zijn vragen), dan is dit omdat ik weet met welke bijzondere omzichtigheid het Hof een probleem als het belang van een uitspraak behandelt. Dit blijkt uit het arrest in zaak 83/78 ( 8 ) waarin het Hof onderstreepte, dat de nationale rechter het best in staat is om het belang van de opgeworpen rechtsvragen te beoordelen. Deze redenering klinkt ook door in een recent arrest (in zaak 166/84 ( 9 ) ), waarin het Hof voor het antwoord op de vraag wat het belang van de verzoeker in het hoofdgeding is en met welk doel om uitlegging van het gemeenschapsrecht wordt verzocht, wederom aan het oordeel van de verwijzende rechter refereerde; inzonderheid overwoog het, dat het enkel dan van de beantwoording van de opgeworpen vraag zou afzien, wanneer de uit te leggen bepaling kennelijk niet van toepassing is. Dit lijkt mij in casu niet het geval, aangezien bijlage I bij verordening nr. 3564/84 van de Raad betreffende algemene tariefpreferenties ook naar het gemeenschappelijk douanetarief verwijst. Het is dan ook zeker niet ondenkbaar, dat de draagwijdte ervan mede wordt bepaald door de met betrekking tot het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde verordening nr. 3517/84 van de Commissie, zodat beantwoording van de vragen aangaande die verordening niet achterwege kan blijven.
14.
2. Wat de eerste vraag betreft, over de uitlegging van verordening nr. 3517/84, dus of ingevolge die verordening ook nerven die aantoonbaar afkomstig zijn van „flue-cu-red” Virginia-tabaksbladeren moeten worden ingedeeld onder post 24.01 B, kan mijns inziens zonder meer bevestigend worden beantwoord.
15.
Dit volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 3517/84, naar luid waarvan stelen, nerven en snippers van tabaksbladeren in het algemeen, dus van alle tabaksbladeren, dienen te worden ingedeeld onder post 24.01 B. Daarbij komt, dat dit de enige zinnige uitlegging is. De verordening zou immers weinig zin hebben indien er enkel mee was bedoeld aan te geven, dat de genoemde delen van de tabakssoorten die onder post 24.01 B vallen, eveneens onder die post moeten worden ingedeeld. Dit spreekt voor zich en behoeft geen verdere toelichting. Ware het evenwel de bedoeling geweest duidelijk te maken, dat de genoemde delen enkel onder post 24.01 B moeten worden ingedeeld wanneer zij afkomstig zijn van tabak die onder deze post valt, dan zou dat zeker met andere woorden zijn gezegd.
16.
Deze uitlegging volgt ten slotte ook duidelijk uit de considerans van verordening nr. 3517/84 van de Commissie, eventueel in samenhang met de reeds genoemde Ni-mexe-verordening nr. 3529/84 (waaruit duidelijk blijkt dat afvallen van tabak niet onder post 24.01 A, maar onder post 24.01 B vallen). In de considerans van verordening nr. 3517/84 heet het, dat al de genoemde delen — ongeacht van welke soort tabak — dienen te worden beschouwd als afvallen van tabak. Aangezien evenwel blijkens het opschrift van post 24.01 ruwe tabak en afvallen van tabak onder deze post vallen, terwijl onder post 24.01 A enkel wordt gesproken van tabak, moet worden aangenomen dat afvallen van tabak in het stelsel van het gemeenschappelijk douanetarief onder post 24.01 B vallen.
17.
Het lijdt dan ook geen twijfel dat de Commissie met verordening nr. 3517/84 heeft willen duidelijk maken, dat alle nerven van tabak onder post 24.01 B moeten worden ingedeeld. Daarbij komt dat, zelfs gesteld dat het gemeenschappelijk douanetarief anders zou moeten worden uitgelegd, een andere conclusie niet mogelijk is (ik kom daar zo dadelijk op terug). Er zijn natuurlijk grenzen aan de pogingen om een verklarende verordening — ten behoeve van de geldigheid ervan — op dezelfde wijze uit te leggen als het gemeenschappelijk douanetarief, en elke poging in die zin zou in deze zaak stellig moeten afstuiten op de argumenten die ik hierboven met betrekking tot de uitlegging van de bestreden verordening heb aangevoerd.
18. 3.
Gelet op de conclusie ten aanzien van de eerste vraag moet ik verder nog nagaan, of de geldigheid van verordening nr. 3517/84 van de Commissie in twijfel kan worden getrokken op grond dat zij niet zou overeenstemmen met het gemeenschappelijk douanetarief, zoals vastgesteld bij verordening nr. 3400/84 van de Raad.
19.
Verordening nr. 3517/84 — zo is ons gezegd — is, met goedkeuring van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (enkel de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk heeft tegengestemd), vastgesteld op basis van verordening nr. 97/69 van de Raad; krachtens deze verordening kunnen met het oog op een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief op communautair niveau bepalingen worden vastgesteld om de inhoud van de posten en postonderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief te verduidelijken, zonder er evenwel de woordelijke inhoud van te wijzigen. In dit verband heeft het Hof reeds herhaaldelijk geoordeeld, dat de Commissie een mime beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de keuze tussen twee of meer posten die voor de indeling van waren in aanmerking komen ( 10 ), en hetzelfde lijkt mij ook te gelden voor de afbakening van de inhoud van twee onderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief. Men kan dan ook niet — en dit blijkt trouwens duidelijk uit de algemeen gehouden bewoordingen van verordening nr. 97/69 („elk vraagstuk betreffende de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief ( 11 )) — stellen, zoals Imperial Tobacco doet, dat dergelijke verklarende verordeningen slechts mogen worden vastgesteld in gevallen waarin het douanetarief enkel voorbeelden geeft bij een algemene definitie en niet een uitputtende lijst van produkten. De Commissie mag alleen niet (zoals tevens blijkt uit de jurisprudentie) de door de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief getrokken grenzen overschrijden; zij mag dus niet in conflict komen met de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief 11 en een standpunt innemen dat — in de bewoordingen van het arrest in de gevoegde zaken 87, 112 en 113/79 ( 12 ) — „kennelijk onjuist” is.
20.
De kernvraag is dus, of de Commissie bij de vaststelling van verordening nr. 3517/84 deze grenzen heeft overschreden, met andere woorden of zij door stelen, nerven en snippers van alle tabakssoorten als afvallen onder post 24.01 B in te delen, is uitgegaan van een verkeerde opvatting van het woord „afvallen”, omdat van de produkten genoemd in het opschrift van post 24.01 enkel bepaalde tabakssoorten, en dus niet afvallen, worden vermeld onder post 24.01 A.
21. a)
Men kan geneigd zijn deze vraag ontkennend te beantwoorden in het licht van de bewoordingen van de Toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (volgens de jurisprudentie een belangrijk uitleggingsmiddel). Plierin wordt immers gesproken van „afvallen van tabak, zowel afval van de behandeling van tabaksbladeren als afval verkregen bij de vervaardiging van tabaksfabrikaten, zoals bladstelen, nerven, snippers, tabaksstof en tabaks-zand”; nerven, verkregen bij de behandeling van de bladeren, worden er dus uitdrukkelijk als afvallen aangemerkt.
22.
Hiertegen wordt terecht aangevoerd, dat de niet-bindende Toelichtingen dateren uit een tijd, waarin de nerven als waardeloos werden weggegooid en derhalve terecht als afvallen werden beschouwd. Bekritiseerd wordt dus, dat de Toelichtingen geen rekening houden met de technische vooruitgang die zich inmiddels heeft voorgedaan (maai die wel degelijk ter sprake komt in het arrest in zaak 122/80 ( 13 )), dit wil zeggen mei het feit dat de nerven sinds dertig jaar bij de fabricage van het eindprodukt worden gebruikt (wat voor de omschrijving van het woord „afvallen” zeker van belang kan zijn, ook al zijn afvallen in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief niet enkel goederen zonder enige waarde).
23. b)
Een aantal andere uitspraken van het Hof pleiten evenwel duidelijk voor de opvatting, dat de bestreden verordening van de Commissie de door het gemeenschappelijk douanetarief (dat de betrokken term niet definieert) getrokken grenzen niet overschrijdt.
24. aa)
Ik denk hier in de eerste plaats aan het arrest in de gevoegde zaken 69 en 70/76 ( 14 ), waarin het ging om een produkt dat bij de vervaardiging van vruchtesap wordt verkregen en uit delen van vruchten bestaat. In die zaak werd de indeling van dit produkt in hoofdstuk 23 (resten en afval) juist geacht; verder wees het Hof met betrekking tot het woord „vruchten” (hoofdstukken 8 en 20 gemeenschappelijk douanetarief) er op, dat de onder deze hoofdstukken vallende produkten niet alleen als delen van vruchten herkenbaar moeten zijn en als vruchtbestanddelen een onderdeel vormen van de vraag naar vruchten, maar ook en vooral, dat het begrip vrucht niet dusdanig mag worden verruimd dat hieronder ook produkten komen te vallen waaraan de wezensbestanddelen van het natuurlijke produkt ontbreken en die niet bestaan uit wezenlijke delen van de vrucht (rechtsoverweging 5).
25.
Past men deze beginselen toe op tabak, dan kan van tabaks nerven als zodanig moeilijk worden gezegd, dat zij de wezensbestanddelen van het natuurlijke produkt bevatten. Bijgevolg kunnen zij niet als tabak worden beschouwd (een ander argument hiervoor is, dat met nerven alleen geen sigaretten kunnen worden gefabriceerd; hun aandeel daarin bedraagt maar 15 tot 20%). Bijgevolg kunnen zij enkel worden ingedeeld in de andere categorie van post 24.01, te weten „afvallen”.
26. bb)
Relevant is voorts het arrest in zaak 90/83 ( 15 ), betreffende de woorden „niet voor menselijke consumptie bestemde slachtafvallen”. In die zaak werd bijzondere aandacht besteed aan wat het „hoofdpro-dukt” van het slachten was (dit wil zeggen, het produkt waarop de fabricage in de eerste plaats is gericht); het Hof oordeelde, dat dit afhing van de waarde van het „hoofd-produkt” en die van andere verkregen produkten die in andere industrietakken worden aangewend.
27.
Aangezien het batteren van tabak in de eerste plaats gebeurt met het oog op het verkrijgen van bladweefsel, dat voor de sigarettenproduktie een onevenredig grotere betekenis heeft dan de tabaksnerven, en aangezien de verhouding tussen de waarde van het bladweefsel en die van de nerven gelijk is aan 5 tot 1 (ter terechtzitting heeft de Commissie zelfs gesproken van 12 tot 1), kan daaruit en uit wat het arrest in de gevoegde zaken 69 en 70/76 (naar luid waarvan ook produkten met enige waarde afvallen kunnen zijn) leert, enkel worden geconcludeerd dat het standpunt van de Commissie in haar verordening niet kennelijk onjuist, maar absoluut gerechtvaardigd was.
28. c)
Nog twee andere argumenten pleiten voor deze opvatting, terwijl anderzijds de door Imperial Tobacco aangevoerde argumenten niet bijzonder overtuigend zijn.
29. aa)
Zo is het volgens mij veelzeggend, dat kennelijk alle andere Lid-Staten de indeling toepassen die de Commissie juist acht (wat aansluit bij het feit dat de ontwerpverordening van de Commissie door de vertegenwoordigers van alle Lid-Staten in het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief werd goedgekeurd, met uitzondering van Denemarken en Ierland die zich van stemming hebben onthouden). Dit kan niet zonder meer worden afgedaan met de opmerking, dat de ondernemingen in de andere Lid-Staten niet in dezelfde mate als de Britse industrie geïnteresseerd zijn in de import uit landen waarvoor het stelsel van algemene preferenties geldt.
30.
Verder is van belang, dat met ingang van volgend jaar het gemeenschappelijk douanetarief zo zal worden ingedeeld, dat post 24.01 drie onderverdelingen krijgt (ongestripte tabak, geheel of gedeeltelijk gestripte tabak en afvallen van tabak), wat, zoals reeds gezegd, dwingt tot de conclusie dat de tabaksnerven alleen maar als afvallen kunnen worden aangemerkt.
31. bb)
Wanneer Imperial Tobacco refereert aan de Toelichtingen op bet gemeenschappelijk douanetarief van 1983 en aandacht vraagt voor de daarin gegeven voorbeelden van afvallen (die nogal zouden verschillen van tabaksnerven), dan moet daartegen worden aangevoerd, dat de Toelichtingen natuurlijk enkel een niet-uitputtende lijst van voorbeelden geven, maar vooral dat deze Toelichtingen voor de woorden „afvallen van tabak” heel algemeen verwijzen naar de hierboven in paragraaf 21 genoemde Toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur, die op dit punt heel duidelijk zijn.
32.
Voor zover Imperial Tobacco ook nog verwijst naar algemene bepaling A, punt 3, sub a („de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking”) kan daartegen worden aangevoerd, dat deze bepaling in de onderhavige zaak niet van toepassing is omdat post 24.01 A — volgens Imperial Tobacco de meest specifieke post — enkel handelt over tabak, maar niet over afvallen van tabak. Deze algemene bepaling levert derhalve zeker geen argument op om ook de nerven van de bijzondere, in post 24.01 A opgesomde tabakssoorten onder deze post in te delen, ongeacht de betekenis van de term „afvallen”.
33.
Voor zover Imperial Tobacco voorts verdedigt, dat enkel als afval kan worden aangemerkt wat bij de fabricage van tabaksproditkten overblijft na de gezamenlijke verwerking van bladweefsel en nerven, en dat produkten — zoals de nerven van tabak — die bij de fabricage van tabaksprodukten worden verwerkt niet als afval kunnen worden beschouwd, moet worden opgemerkt, niet alleen dat daarvoor geen steekhoudende argumenten zijn te vinden in het gemeenschappelijk douanetarief, maar ook, dat de Toelichtingen op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen tegen deze opvatting pleiten (nu hierin sprake is van afvallen, ontstaan door het bewerken van tabaksbladeren, wat verwijst naar het batteren, en niet naar de vervaardiging van het eindprodukt). Bovendien kan hier mijns inziens voor de term afval geen argument a contrario worden ontleend aan de formulering (gebruik in andere industrieën) in het arrest in zaak 90/83. De voorbeelden van afvallen van tabak in de Toelichtingen op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen tonen aan, dat dat argument niet opgaat: ze betreffen allemaal produkten, zoals bij voorbeeld snippers, die in de tabaksindustrie zelf kunnen worden aangewend.
34.
Het moge dan ten slotte merkwaardig zijn — met name gelet op het stelsel van algemene preferenties —, dat nerven verschillend worden behandeld al naar gelang zij worden ingevoerd als bestanddeel van een volledig tabaksblad, dan wel na eerst daarvan te zijn losgemaakt, toch lijkt mij dit onvermijdelijk te zijn, gezien de structuur van het gemeenschappelijk douanetarief, en dit fenomeen zal zich waarschijnlijk niet enkel in de tabakssector voordoen. Dit kan moeilijk worden bijgestuurd door een bepaalde uitlegging te geven aan het gemeenschappelijk douanetarief; indien een correctie wenselijk wordt geacht, dan is de enige uitweg een herziening van het stelsel van de algemene preferenties.
35. d)
Derhalve moet met betrekking tot de tweede vraag worden vastgesteld, dat de geldigheid van verordening nr. 3517/84 van de Commissie niet kan worden aangetast op grond dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid op dit vlak kennelijk heeft overschreden.
C — Conclusie
Gelet op het voorafgaande geef ik in overweging, de vragen van de Queen's Bench Division van de High Court of Justice te beantwoorden als volgt:
36. a)
„Krachtens verordening nr. 3517/84 vallen nerven van tabaksbladeren onder post 24.01 B, zelfs indien er een certificaat van echtheid voor is afgegeven ten blijke dat zij tot de soort „flue-cured” Virginia behoren.
37. b)
Bij onderzoek van de bestreden verordening van de Commissie is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten op grond van miskenning van de bewoordingen van het gemeenschappelijk douanetarief.”
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) PB 1984, L 338, blz. 183 en volgende.
( 2 ) PB 1984, L 320, blz. 1.
( 3 ) PB 1984, L 337, blz. 1 en volgende.
( 4 ) PB 1979, L 341, blz. 26 en volgende.
( 5 ) PB 1984, L 328, biz. 9.
( 6 ) PB 1969, L 14, biz. 1.
( 7 ) Artikel 1 van verordening nr. 97/69, (PB 1969, L 14, blz. 1).
( 8 ) Arrest van 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347.
( 9 ) Arrest van 26 september 1985, zaak 166/84, Thomasdünger, Jurispr. 1985, blz. 3001.
( 10 ) Arrest van 28 maan 1979, zaak 158/78, Biegi, Jurispr. 1979, blz. 1103, 1117.
( 11 ) Arrest van 23 oktober 1975, zaak 37/75, Bagusal, Jurispr. 1975, blz. 1339; arrest van 28 maart 1979 in zaak 158/78, Bicrji, Jurispr. 1979, blz. 1117.
( 12 ) Arrest van 20 maart 1980, gevoegde zaken 87, 112 en 113/79, Bagusat, Jurispr. 1980, blz. 1154, blz. 1171.
( 13 ) Arrest van 19 november 1981, zaak 122/80, Analog Devices, Jurispr. 1981, blz. 2781 en volgende.
( 14 ) Arrest van 15 februari 1977, gevoegde zaken 69 en 70/76, Dittmeyer, Jurispr. 1977, blz. 231.
( 15 ) Arrest van 22 maart 1984, zaak 90/83, Paterson, Jurispr. 1984, blz. 1567 en volgende.
Full & Egal Universal Law Academy