Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De gevoegde zaken*151 tot en met 154/86, Bauer en anderen, betreffen, net als de gevoegde zaken*181 tot en met 184/86, Del*Plato en anderen, de op 3*juni*1986 door de Commissie vastgestelde "Procedure welke voorafgaat aan de besluiten tot wijziging van categorie, van B*naar*A, voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de wetenschappelijke en de technische groepen", die is bekendgemaakt in de "Mededelingen van de administratie" van 24*juni*1983 ( hierna : de Procedure ).
2 . Maar waar in de gevoegde zaken*181 tot en met 184/86 de meeste middelen betrekking hebben op de onrechtmatigheid van de betrokken procedurevoorschriften, zijn de door verzoekers in de onderhavige zaken aangevoerde middelen hoofdzakelijk ontleend aan de beweerde schending van die procedurevoorschriften .
3 . Daarom geef ik er de voorkeur aan, in deze twee reeksen zaken afzonderlijk conclusie te nemen .
I - De ontvankelijkheid
4 . In het tweede punt van hun conclusies vragen verzoekers het Hof, de Commissie te gelasten hen op te nemen op de lijst van kandidaten die geschikt zijn bevonden voor het uitoefenen van functies van categorie*A . Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een dergelijk verzoek evenwel niet-ontvankelijk . Het Hof mag geen inbreuk maken op de prerogatieven van het tot aanstelling bevoegd gezag door tot dit gezag bevelen te richten waardoor het in zijn keuze zou worden gebonden . ( In die zin : zie de arresten van 15*december*1966, zaak*62/65, Serio, Jurispr.*1966, blz.*808, in het bijzonder blz.*823, sub*D, tweede overweging, en 22*oktober*1977, zaak*121/76, Moli, Jurispr.*1977, blz.*1971, r.o.*23 ). In het onderhavige geval komt daar nog bij dat, zoals ik in mijn conclusie in de gevoegde zaken*181 tot en met 184/86 heb aangetoond, het tot aanstelling bevoegd gezag het comité ad hoc rechtsgeldig met de opstelling van een lijst van geschikte kandidaten had belast en ter zake dus niet meer bevoegd was .
II - Ten gronde
Niet-inachtneming van punt*III.2 . van de Procedure
5 . Dit -*in het rapport ter terechtzitting uitvoeriger toegelichte *- middel komt er in wezen op neer, te stellen, dat het comité ad hoc, na zich ervan te hebben vergewist dat de sollicitanten in het bezit waren van een universitair diploma en na met hen een onderhoud te hebben gehad ter beoordeling van het niveau en het terrein van hun vakbekwaamheid, verzoekers in ieder geval op de lijst van geschikte kandidaten had moeten plaatsen omdat zij een universitair diploma bezaten .
6 . Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat punt*III.2.d van de Procedure van 1978, dat door het Hof in de zaak Adam en anderen ( arrest van 9*oktober*1984, gevoegde zaken*80 tot en met 83/81 en 182 tot en met 185/82, Jurispr.*1984, blz.*3411 ) is onderzocht, luidde als volgt :
"Kandidaten die in het bezit zijn van een universitair diploma ... worden geacht geschikt te zijn voor een wijziging van categorie, na verificatie van het diploma en een onderhoud met het comité ter beoordeling van het terrein van hun vakbekwaamheid ."
7 . De overeenkomstige passage van de hier in geding zijnde Procedure van 1983 luidt als volgt :
"Kandidaten die in het bezit zijn van ... kunnen worden geacht geschikt te zijn ( in het Engels : 'will be' ) voor een wijziging van categorie, na verificatie van het diploma en een onderhoud met het comité ter beoordeling van het terrein en het niveau van hun vakbekwaamheid ."
8 . Mijns inziens moet niet worden stilgestaan bij de Engelse versie van deze passage, daar in alle andere taalversies de term "kunnen" wordt gebruikt . Wel moet nog worden onderzocht of, in weerwil van deze wijziging, de nieuwe versie van de tekst betekent, dat het comité zonder meer verplicht was alle sollicitanten met een universitair diploma op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen .
9 . Voor die verplichting pleiten de volgende argumenten :
a ) De term "onderhoud" heeft op zich niet de connotatie van examen of vergelijkend onderzoek .
b ) In de tekst wordt de uitdrukking "na een onderhoud ter beoordeling van het terrein en het niveau van hun vakbekwaamheid" gebruikt en niet iets in de aard van "op voorwaarde dat" of "voor zover" ( bij voorbeeld "voor zover het comité na een onderhoud het niveau van hun vakbekwaamheid voldoende acht ").
c ) Volgens punt*III.2.e gaat het om een lijst van "geschikte" kandidaten en niet om een lijst van "de meest geschikte" kandidaten .
Uit punt*II.1, derde streepje, van de Procedure volgt overigens, dat niet-geplaatste sollicitanten als "niet geschikt" moeten worden beschouwd ( onder voorbehoud dat zij ... niet bij drie opeenvolgende onderzoeken zijn afgewezen ").
d ) Het comité ad hoc geeft zelf toe, dat het eraan heeft getwijfeld of het niet alle sollicitanten met een diploma ambtshalve op de lijst moest plaatsen .
Op bladzijde 9 van het verslag van het comité kan men immers lezen :
"De jury stond voor het probleem, dat de helft van de sollicitanten in het bezit was van een diploma van universitair niveau ."
( De Duitse versie gaat nog veel verder : het hoofdprobleem van de jury was, dat ... Das Hauptproblem des Pruefungsausschusses bestand darin, dass ...").
Het comité ad hoc zegt verder :
"Het comité had zich na een onderhoud met deze sollicitanten kunnen beperken tot vermelding van het terrein en het niveau van hun vakbekwaamheid . In dat geval zou het nagenoeg alle sollicitanten zonder universitair diploma hebben uitgesloten of had het een aantal geschikte sollicitanten moeten voorstellen dat onverenigbaar was met de Procedure . Het comité heeft met meerderheid van stemmen besloten dat, op gevaar af van beroepen als die welke vroeger reeds zijn ingesteld, zonder onderscheid naar gelang van diploma moest worden uitgemaakt, welke sollicitanten geschikt zijn voor het uitoefenen van functies van categorie*A ."
10 . Voor de stelling van de Commissie pleiten de volgende argumenten :
a ) Het is een vaste praktijk binnen de Gemeenschappen, dat bij aanwerving van nieuwe ambtenaren of bij bevorderingen geen onderscheid wordt gemaakt tussen sollicitanten met een diploma en sollicitanten met een gelijkwaardige beroepservaring . Houders van een diploma hebben geen recht op voorkeursbehandeling .
b ) Bij de rechtstreekse aanwerving in categorie*A wordt tussen de sollicitanten met diploma een strenge selectie gemaakt . Indien dezen zich eerst in categorie*B konden laten aanwerven en vervolgens het recht zouden hebben om op een lijst van geschikte kandidaten voor overgang naar categorie*A te worden geplaatst, zou genoemde selectieprocedure worden omzeild .
c ) Zoals de Commissie terecht stelt, impliceert het "beoordelen van het niveau van vakbekwaamheid" noodzakelijkerwijs een vergelijking van het niveau van vakbekwaamheid van de verschillende sollicitanten met diploma . Voorts betekent de uitdrukking "kunnen worden geacht geschikt te zijn", dat het comité het recht had de sollicitanten te kiezen, wier niveau van vakbekwaamheid niet lager was dan een drempel die het zelf vrijelijk mocht vaststellen .
d ) Volgens punt*III.2.e van de Procedure moet op de lijst van geschikte kandidaten tevens het vakgebied van elke kandidaat worden vermeld . Er is niet gepreciseerd, dat ook het niveau van vakbekwaamheid moet worden aangegeven .
Het comité zou waarschijnlijk in overeenstemming met de tekst hebben gehandeld, wanneer het een lijst had opgesteld met de namen van alle sollicitanten met diploma in dalende volgorde van niveau van vakbekwaamheid . Met het oog op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel ware het dan evenwel noodzakelijk geweest, de sollicitanten zonder diploma, doch met vergelijkbaar niveau van vakbekwaamheid de hun toekomende plaats op die lijst te geven . Uiteindelijk zouden dan alle of nagenoeg alle sollicitanten van beide groepen op de lijst zijn geplaatst, aangezien wij weten, dat sommige sollicitanten met een diploma onder aan de lijst stonden . Aangezien er slechts een beperkt aantal posten beschikbaar waren, zouden alleen de best geplaatste kandidaten een kans hebben gehad om in de loop van de geldigheidsduur van de lijst te worden aangesteld .
Het comité ad hoc had evenwel tot taak de Commissie behulpzaam te zijn bij het verrichten van aanstellingen, door haar een lijst over te leggen die het aantal beschikbare posten niet al te zeer overschreed .
e ) Met betrekking tot verzoekers' argument, dat het comité het in de Procedure bedoelde onderhoud niet tot een echt examen had mogen maken door van de sollicitanten te verlangen dat zij een uiteenzetting hielden en vragen beantwoordden, kan het volgende worden opgemerkt .
11 . Het Hof aanvaardt vanouds dat de jury' s van vergelijkende onderzoeken en de bevorderingscomités een zeer ruime beoordelingsvrijheid hebben ter zake van de manier waarop zij de geschiktheid en verdiensten van sollicitanten beoordelen .
12 . Het comité ad hoc had derhalve het recht het onderhoud aldus te organiseren of in te richten, dat van de sollicitanten een korte uiteenzetting werd verlangd, waarna hun enkele vragen werden gesteld uit een vooraf opgestelde lijst . Een gewoon gesprek met de sollicitanten zou het comité waarschijnlijk niet in staat hebben gesteld zich een vrij nauwkeurig beeld te vormen van het niveau van hun vakbekwaamheid . De bekwaamheid van de sollicitant om een probleem in de vorm van een uiteenzetting te behandelen, is daarvoor een goed criterium .
13 . In die omstandigheden heeft het comité het begrip "onderhoud" niet kennelijk onjuist uitgelegd .
14 . Mitsdien ben ik van mening, dat de tweede reeks argumenten overtuigender is dan de eerste en dat het eerste middel derhalve moet worden afgewezen .
Schending van artikel 98
15 . In hun tweede middel stellen verzoekers dat het comité, door een selectie te maken tussen de sollicitanten die in het bezit zijn van een universitair diploma of een diploma van een hogeschool, een procedure heeft toegepast die neerkomt op een vergelijkend onderzoek . Uit artikel*98, tweede alinea, van het Statuut zou evenwel volgen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet alleen de mogelijkheid maar de verplichting heeft om de overgang naar een hogere categorie voor ambtenaren van de wetenschappelijke en de technische groepen zonder vergelijkend onderzoek te organiseren .
16 . Wij moeten derhalve trachten na te gaan, welke de precieze draagwijdte is van artikel*98, tweede alinea, naar luid waarvan artikel*45, lid*2, "niet van toepassing is" op de ambtenaren die worden bezoldigd uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen . Volgens laatstgenoemde bepaling "( kan ) de overgang van een ambtenaar naar ... een hogere categorie ... alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek ". Aangezien deze bepaling door artikel*98 buiten toepassing is verklaard, kan bedoelde overgang dus zonder vergelijkend onderzoek plaatsvinden .
17 . Mijns inziens is het evenwel in strijd met de logica, uit die twee teksten te concluderen, dat de overgang van Euratom-ambtenaren van categorie*B naar categorie*A zonder vergelijkend onderzoek moet plaatsvinden .
18 . Wanneer de Commissie nu een vergelijkend onderzoek mag organiseren, heeft zij eveneens het recht om een procedure toe te passen die, ofschoon verschillend van die van het vergelijkend onderzoek, een aantal specifieke elementen daarvan overneemt .
19 . Bij een andere gelegenheid heeft het Hof immers reeds verklaard, dat
"in beginsel niets eraan in de weg staat, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij wege van intern besluit met algemene strekking regelen stelt voor de uitoefening van de hem door het Statuut toegekende discretionaire bevoegdheid" ( arrest van 6*juni*1985, zaak*146/84, De*Santis, Jurispr.*1985, blz.*1734, r.o.*11 ).
20 . Voorts heeft het Hof geoordeeld, dat de Commissie, zelfs indien zij bij wege van bevordering in de vacature had kunnen voorzien omdat er een kandidaat met de vereiste anciënniteit voorhanden was, op grond van haar ruime beoordelingsbevoegdheid kon beslissen een vergelijkend onderzoek te organiseren ( arrest van 25*november*1976, zaak*123/75, Kuster, Jurispr.*1976, blz.*1709 ).
Het rekening houden met de begrotingsmiddelen
21 . Verzoekers betogen, dat het comité ad hoc ten onrechte rekening heeft gehouden met de te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen .
22 . Hierbij wil ik het volgende opmerken . Het tot aanstelling bevoegd gezag is bij uitsluiting bevoegd om tot aanstelling over te gaan en het heeft die bevoegdheid niet aan het comité ad hoc gedelegeerd . Het oefent die bevoegdheid uit aan de hand van de "beschikbare begrotingsmiddelen" ( punt*III.2.e ). Het comité ad hoc heeft tot taak, bij de opstelling van de lijst van geschikte kandidaten rekening te houden met de "te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen" ( punt*I.d ). Anders dan verzoekers beweren, zijn deze twee bepalingen niet tegenstrijdig; in het ene geval gaat het immers over aanstelling en in het andere over de vaststelling van de geschiktheid . Aanstellingen gebeuren jaarlijks aan de hand van de voor elk begrotingsjaar bestaande mogelijkheden . De vaststelling van de geschiktheid geschiedt eenmaal, rekening houdend met de te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen voor de jaren dat de lijst van geschikte kandidaten vermoedelijk geldig blijft . Dit zijn twee verschillende zaken .
23 . Vaststaat overigens, dat het comité ad hoc niet uitsluitend rekening heeft gehouden met de posten die naar verwachting in de loop van één jaar vacant zouden worden : anders had het een veel kortere lijst van geschikte kandidaten opgesteld .
Het beginsel van gelijke behandeling
24 . Verzoekers stellen allereerst, dat het beginsel van gelijke behandeling in casu niet van toepassing is, omdat sollicitanten met diploma zich niet in dezelfde situatie bevinden als sollicitanten zonder diploma . Zij geven trouwens toe, dat in de Procedure rekening is gehouden met dit verschil, daar van de sollicitanten met diploma geen verhandeling wordt verlangd .
25 . Zij zijn evenwel van mening, dat zij volstrekt ten onrechte hebben moeten mededingen met sollicitanten zonder diploma .
26 . Uit wat bij het begin is opgemerkt, blijkt echter, dat de Gemeenschap er in de regel van uitgaat dat beroepservaring van een zekere duur en op een bepaald niveau gelijkstaat met een diploma, en dat er derhalve juridisch geen enkel bezwaar is om beide categorieën sollicitanten in een mededingingspositie te plaatsen . Mijns inziens schendt deze vaste praktijk van de Gemeenschap geen enkel hoger rechtsbeginsel .
27 . Verder zijn verzoekers van mening, dat het beginsel van gelijke behandeling, zo het van toepassing zou zijn, is geschonden, omdat de sollicitanten zonder diploma het voordeel hebben gehad een verhandeling te mogen indienen en daarover te worden ondervraagd .
28 . Mijns inziens heeft de Commissie echter geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt, door aan te nemen dat de geschiktheid van verzoekers -*althans tot op zekere hoogte *- werd aangetoond door het bezit van een diploma en dat het dus niet nodig was van hen een verhandeling te verlangen .
29 . Het kan inderdaad voorkomen, dat een sollicitant zijn geschiktheid beter kan aantonen door een verhandeling in te dienen en vragen daarover te beantwoorden, dan door voor de vuist weg een uiteenzetting te moeten geven over een onderwerp dat hij uit een door het comité ad hoc opgestelde lijst van drie onderwerpen heeft mogen kiezen .
30 . Verzoekers, die overigens menen dat zij op grond van hun diploma het recht hadden om zonder meer op de lijst van geschikte kandidaten te worden geplaatst, kunnen evenwel niet betwisten, dat van hen een ruimere en grondigere basiskennis mocht worden verwacht dan van sollicitanten die hun vakbekwaamheid hadden verworven in de uitoefening van hun functie, en dat die kennis hen in staat had moeten stellen om zonder al te veel moeilijkheden een uiteenzetting te houden over een onderwerp dat toch op zijn minst verband hield met hun vakgebied . Beziet men de lijst van onderwerpen waaruit verzoekers dienden te kiezen, dan blijkt dat dit laatste inderdaad het geval was .
31 . De vragen die het comité nadien over bepaalde aspecten van het gekozen onderwerp stelde, konden voor de sollicitanten dus ook geen volkomen verrassing zijn .
32 . Mitsdien ben ik van mening, dat dit middel eveneens moet worden afgewezen .
Conclusie
33 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen en over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie .
(*)* Vertaald uit het Frans .
Full & Egal Universal Law Academy