Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of het beginsel "gelijke beloning voor gelijke arbeid" ook geldt wanneer voor arbeid van hogere waarde een lager loon wordt betaald .
2 . Daarnaast zijn twee andere vragen gesteld, betreffende de rechtsgrondslag en de rechtstreekse werking van dit beginsel .
3 . Deze vragen zijn gerezen in een voor de Ierse rechter aanhangige zaak betreffende de "Anti-Discrimination ( Pay ) Act" van 1974, die op 31 december 1975 in werking is getreden .
4 . In de eerste plaats vraag ik mij af of het Hof, wanneer het deze vragen beantwoordt, niet het risico loopt een standpunt in te nemen in een geschil dat met het gemeenschapsrecht - in casu met artikel 119 EEG-Verdrag - niets te maken heeft . Op grond van wat ik ter terechtzitting heb vernomen, kan ik hierop ontkennend antwoorden . De Ierse High Court heeft het Hof deze vraag voorgelegd in het kader van een procedure betreffende de Anti-Discrimination Pay Act . Het is volledig haar zaak of het in deze procedure gaat om de uitlegging van het beginsel "gelijke beloning voor gelijke arbeid ". Het Hof behoeft niet na te gaan of dit wel degelijk het geval is . Overigens blijkt nergens uit, dat daaraan zou moeten worden getwijfeld .
5 . Verder is het duidelijk, dat met name de vraag of hier sprake is van een geval van "discriminatie op grond van geslacht", nog niet is beslecht . De aan het Hof voorgelegde vragen zijn evenwel algemeen geformuleerd en kunnen worden beantwoord vóór deze feitelijke vraag, waarvoor de Ierse rechterlijke instanties bevoegd zijn, is opgelost . Over dus naar de prejudiciële vragen .
6 . De eerste vraag
Deze vraag luidt als volgt :
"Geldt het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid ook voor een aanspraak op gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde, wanneer de arbeid van de betrokkene van hogere waarde is bevonden dan die van degene met wie hij zich wenste vergeleken te zien?"
7 . De verwijzende rechter en verweerster vragen zich af, of het gemeenschapsrechtelijk beginsel van gelijke beloning wel van toepassing is, daar het volgens de "equality officer", die op dit punt door de hogere rechter is gevolgd, in het onderhavige geval juist niet gaat om gelijke arbeid of arbeid van gelijke waarde . Het is veeleer zo, dat de arbeid van verzoeksters in het hoofdgeding moet worden aangemerkt als zijnde van hogere waarde dan die van de magazijnarbeider die als vergelijkingsbasis dient . Wordt het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel strikt uitgelegd, dan is het in casu niet van toepassing . Op grond van een dergelijke uitlegging stelde verweerster in het hoofdgeding, dat het beginsel van gelijke beloning in een geval als het onderhavige niet kan worden toegepast, aangezien dit zou leiden tot gelijke beloning voor ongelijke arbeid, wat "onbillijk" en "onlogisch" zou zijn .
8 . Of deze zienswijze naar Iers recht juist is, is hier niet aan de orde . Wel is aangevoerd, dat de Anti-Discrimination ( Pay ) Act is vastgesteld ter uitvoering van het gemeenschapsrechtelijk beginsel "gelijke beloning voor gelijke arbeid ". Namens verzoeksters in het hoofdgeding is ter terechtzitting verklaard, dat de Anti-Discrimination ( Pay ) Act 1974 is vastgesteld ter uitvoering van richtlijn 75/117/EEG en derhalve op 31 december 1975 in werking diende te treden . Deze wet moet dan ook in overeenstemming met het gemeenschapsrecht worden uitgelegd . Naar gemeenschapsrecht omvat het begrip "gelijke arbeid" evenwel ook "arbeid van gelijke waarde" ( 1 ); daarmee moet bij de toepassing van de wet rekening worden gehouden .
9 . Er dient op te worden gewezen, dat in deze zaak niet wordt gepoogd het beginsel van gelijke beloning uit te leggen in de zin van evenredigheid van arbeid en beloning . Verzoeksters in het hoofdgeding maken aanspraak op hetzelfde loon als de betrokken magazijnarbeider en verlangen dus in feite "minder" dan gelijke beloning voor gelijke arbeid .
10 . Het Hof van Justitie heeft reeds eerder - in de zaak Defrenne ( 2 ) - verklaard, dat het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid rechtstreekse werking heeft . Het Hof heeft deze rechtspraak naderhand bevestigd en verduidelijkt . ( 3 ) Volgens deze - inmiddels vaste - rechtspraak is artikel 119 EEG-Verdrag rechtstreeks van toepassing op alle vormen van discriminatie die reeds als zodanig zijn te herkennen met behulp van de in genoemd artikel vermelde criteria "gelijke arbeid" en "gelijke beloning", zonder dat nationale of communautaire maatregelen nodig zijn om die criteria met het oog op hun toepassing nader te omschrijven . Als discriminatie die aldus door de rechter kan worden vastgesteld, heeft het Hof inzonderheid bestempeld het geval van ongelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke arbeid die in een zelfde, openbare of particuliere, onderneming of dienst wordt verricht . ( 4 )
11 . Dat de nadruk wordt gelegd op gevallen waarin discriminatie kan worden afgeleid uit het feit dat voor gelijke arbeid een verschillend loon wordt betaald, betekent zeker niet dat artikel 119 uitsluitend in die gevallen van toepassing is . Rechtstreekse discriminatie kan immers evenzeer uit andere omstandigheden blijken .
12 . Indien in het onderhavige geval het loonverschil te maken heeft met het geslacht van de werknemers, vormt dit een rechtstreekse discriminatie die kan worden vastgesteld aan de hand van de criteria gelijke arbeid en gelijke beloning . Zoals de Ierse regering terecht opmerkte ( 5 ), houdt het beginsel van gelijke beloning niets anders in dan dat een werknemer voor dezelfde arbeid, en a fortiori voor arbeid van hogere waarde, ten minste hetzelfde loon moet krijgen als een werknemer van het andere geslacht .
13 . Voor de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag pleit ook het doel van die bepaling, gelijk door de Commissie is opgemerkt . Deze bepaling beoogt de ondernemingen binnen de Gemeenschap gelijkheid van mededinging te verzekeren en heeft daarnaast ook een sociaal doel .
14 . a ) Daar het beginsel van gelijke beloning moet worden toegepast ter voorkoming van mededingingsnadelen voor de handelaars in Lid-Staten waar aan dat beginsel reeds uitvoering is gegeven, dient het beginsel eveneens te gelden, wanneer gelijk loon wordt verlangd voor arbeid van hogere waarde . Zoniet, zouden de nog ergere distorsies van de mededinging toegestaan zijn .
15 . b ) Het niet-toepassen van artikel 119 in een geval als het onderhavige zou ook ingaan tegen het sociale doel van deze bepaling . Zelfs verweerster in het hoofdgeding heeft toegegeven, dat het onbillijk zou zijn indien dit ertoe zou leiden dat voor arbeid van hogere waarde een lager loon wordt betaald . Een dergelijke ongelijke behandeling op basis van geslacht valt moeilijk te verenigen met de door het EEG-Verdrag nagestreefde sociale vooruitgang . ( 6 )
16 . Naar zijn doel moet artikel 119 EEG-Verdrag dus worden toegepast in een geval als het onderhavige . Anders zou het nuttig effect van die bepaling worden uitgehold . Zoals de Ierse regering terecht heeft opgemerkt ( 7 ), zouden de werkgevers zich anders aan hun verplichting om mannelijke en vrouwelijke werknemers gelijk te behandelen kunnen onttrekken door de werknemers van het ene geslacht bijkomende of zwaardere taken op te leggen en hun op grond daarvan een lager loon te betalen . Verklaren dat een dergelijke handelwijze verenigbaar is met artikel 119, zou neerkomen op het institutionaliseren van de mogelijkheid om misbruik te maken .
17 . Mijn conclusie is dan ook, dat vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord .
De tweede vraag
"Zo ja, berust dit antwoord dan op artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers?"
18 . Uit de opmerkingen over de eerste vraag volgt reeds, dat het beginsel gelijke beloning voor gelijke arbeid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 119 EEG-Verdrag . Tevens is uitgelegd, dat ook de aanspraak op gelijke beloning voor arbeid van hogere waarde steun vindt in dat beginsel . Ter beantwoording van de aan het Hof voorgelegde vraag, behoeft dus niet te worden verwezen naar artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 . Wel dient erop te worden gewezen, dat artikel 1 het beginsel van artikel 119 EEG-Verdrag niet verruimt . Dit betekent dat het "op generlei wijze de inhoud of strekking van dit beginsel ... beïnvloedt ." ( 8 ) De uitdrukking "arbeid van gelijke waarde" in artikel 1 van de richtlijn is een verduidelijking van de materiële draagwijdte van het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel ( 9 ) die vooral bedoeld is om de concrete toepassing van artikel 119 EEG-Verdrag te vergemakkelijken .
19 . Mijns inziens moet de tweede vraag dus ontkennend worden beantwoord .
De derde vraag
"Zo ja, heeft artikel 1 van deze richtlijn rechtstreekse werking in de Lid-Staten?"
20 . De vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 1 van de richtlijn is overbodig, daar - zoals het Hof eerder reeds heeft verklaard ( 10 ) - wat daarin met betrekking tot artikel 119 EEG-Verdrag wordt bepaald, rechtstreeks werkend gemeenschapsrecht is .
Kosten
21 . De kosten door de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een voor de High Court te Dublin gerezen incident te beschouwen, zodat die rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de in de verwijzingsbeschikking gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt :
22 . Het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte gemeenschapsrechtelijk beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid is ook van toepassing, wanneer aanspraak wordt gemaakt op gelijke beloning voor arbeid die geacht wordt van hogere waarde te zijn dan de arbeid van degene die als vergelijkingsbasis dient .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Zie artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, PB 1975, L 45, blz . 19 .
( 2 ) Arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne, Jurispr . 1976, blz . 455 .
( 3 ) Arrest van 27 maart 1980, zaak 129/79, Macarthys, Jurispr . 1980, blz . 1275; arrest van 31 maart 1981, zaak 96/80, Jenkins, Jurispr . 1981, blz . 911 .
( 4 ) Zie de reeds aangehaalde arresten .
( 5 ) Zie blz . 10 van het rapport ter terechtzitting .
( 6 ) Zie het arrest in zaak 43/75, r.o . 10 .
( 7 ) Zie blz . 9 van het rapport ter terechtzitting .
( 8 ) Zie het arrest in zaak 96/80, r.o . 22 .
( 9 ) Zie het arrest in zaak 43/75, r.o . 54 .
( 10 ) Zie de reeds aangehaalde arresten in zaken 43/75 en 96/80 .
Full & Egal Universal Law Academy