Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . Het fenomeen van de heffing van een premiecompenserend bedrag ( clawback ) op produkten van schapevlees waarvoor geen variabele slachtpremie is betaald, is aan het Hof van Justitie niet alleen voorgelegd via het rechtstreekse beroep van het Verenigd Koninkrijk tegen de Commissie ( 1 ), waarin ik zojuist conclusie heb genomen, maar ook via een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Court of Justice of England and Wales .
Aan het hoofdgeding voor de High Court liggen de volgende feiten ten grondslag .
2 . In februari 1986 verkocht Johnson aan LST produkten van schapevlees bestemd voor uitvoer, waarvoor geen variabele slachtpremie kon worden toegekend . Het vlees werd inderdaad uitgevoerd . Na de uitvoer vorderde de Intervention Board for Agricultural Produce, de in het Verenigd Koninkrijk voor de heffing van de clawback bevoegde dienst, een bedrag ter hoogte van de variabele slachtpremie van LST terug . Daarop verzocht LST, ondersteund door Johnson, de High Court of Justice om een verklaring voor recht, dat zij over de uitgevoerde produkten geen clawback verschuldigd was, daar de communautaire regeling waarop de Intervention Board zich had gebaseerd, ongeldig was .
3 . Daarop heeft de High Court of Justice het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
" Zijn de verordeningen van de Commissie nrs . 3451/85 van 6 december 1985 en 9/86 van 3 januari 1986, beide tot wijziging van verordening nr . 1633/84 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen inzake de variabele slachtpremie voor schapen, ongeldig voor zover zij bepalen, dat een aan de variabele slachtpremie gelijk bedrag ( clawback ) als bedoeld in artikel 9, lid 3, van verordening nr . 1837/80 van de Raad moet worden geheven over dieren waarvoor de variabele premie niet kan worden toegekend"?
B - Standpuntbepaling
4 . De argumenten van verzoeksters in het hoofdgeding, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen stemmen verregaand overeen met hetgeen reeds in zaak 61/86, ( Jurispr . 1988, blz . 0000 ) is uiteengezet . In zoverre verwijs ik naar mijn conclusie in die zaak .
5 . In het kader van de onderhavige prejudiciële zaak behoef ik derhalve alleen nog in te gaan op een juridisch aspect dat verzoeksters enkel in deze zaak hebben aangevoerd, te weten schending van het discriminatieverbod .
6 . Volgens verzoeksters in het hoofdgeding is het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verankerde beginsel geschonden, doordat producenten van schapevlees in regio 5 ( Groot-Brittannië ), die voor hun produkten geen slachtpremie ontvangen, toch met de clawback worden belast, terwijl producenten van schapevlees uit andere regio' s van de Gemeenschap, die evenmin een slachtpremie ontvangen, geen clawback behoeven te betalen .
7 . Volgens de Commissie is het discriminatieverbod niet geschonden, omdat de variabele slachtpremie alleen in regio 5 wordt toegekend en de producenten van schapevlees in dit gebied zich dus in een andere situatie bevinden dan de producenten van schapevlees in de overige regio' s .
8 . Vergelijkt men globaal de situatie van producenten van schapevlees in regio 5 met die van producenten in andere regio' s in de Gemeenschap, dan moet de Commissie worden toegegeven, dat het in dit opzicht inderdaad niet om vergelijkbare situaties gaat .
9 . De producenten van schapevlees in regio 5 geraken immers vroeger in het genot van een gedeelte van de hun toegekende premie dan de andere producenten in de Gemeenschap . Zij beschikken derhalve over een mededingingsvoordeel, zodat hun situatie niet met die van producenten van schapevlees uit andere regio' s van de Gemeenschap kan worden vergeleken .
10 . Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 2 ) verzet het discriminatieverbod van artikel 40 EEG-Verdrag er zich niet tegen, dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld indien een dergelijk verschil objectief gerechtvaardigd is . Voorts kan ten aanzien van de objectieve verschillen die het rechtskader en de economische omstandigheden op de betrokken markten ( regio' s ) kenmerken, worden vastgesteld dat de producenten van schapevlees in regio 5 zich niet in dezelfde situatie bevinden als de producenten in andere regio' s van de Gemeenschap .
11 . Derhalve is van schending van het discriminatieverbod geen sprake .
C - Conclusie
12 . Met inachtneming van de conclusie waartoe ik in zaak 61/86 ben gekomen, geef ik het Hof in overweging, de door de High Court of Justice gestelde vraag te beantwoorden als volgt :
" Uit de procedure voor het Hof is niet gebleken van elementen die de geldigheid van de verordeningen van de Commissie nrs . 3451/85 van 6 december 1985 en 9/86 van 3 januari 1986 zouden kunnen aantasten ."
13 . Verder zal de verwijzende rechter een exemplaar van de conclusie en van het arrest in zaak 61/86, waarnaar in de onderhavige procedure wordt verwezen, moeten worden toegezonden .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) Zaak 61/86, Jurispr . 1988, blz . 0000 .
( 2 ) Zie laatstelijk : arrest van het Hof van 11 maart 1987 ( gevoegde zaken 279, 280, 285 en 286/84, Rau, Jurispr . 1987, blz . 0000 ).
Full & Egal Universal Law Academy