Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderhavige zaak betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hessische Finanzgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen Universitaet Bielefeld en Hauptzollamt Giessen . De verwijzende rechter wenst met name te vernemen, of een maatregel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen houdende weigering van de vrijstelling van douanerechten voor een laser van Amerikaans fabrikaat, geldig is .
In december*1979 werd een door de Universiteit Bielefeld besteld Amerikaans lasersysteem in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd . Het was bestemd voor een onderzoeksproject . Om vrijstelling van douanerechten te verkrijgen, diende verzoekster bij de bevoegde instanties een aanvraag in waarin zij het apparaat aanduidde als "YAG-Laser", model "Quanta Ray DCR-1A", met de verklaring dat het onderzoeksproject betrekking had op "atomaire excitatieprocessen in krachtige fotonenvelden", waarbij de simultane elektronenfotonendiffusie op vrije atomen wordt onderzocht . In haar aanvraag vermeldde zij bovendien, dat voor een correcte uitvoering van het project het prestatievermogen van de Amerikaanse laser noodzakelijk was en dat dit niet werd gewaarborgd door vergelijkbare apparaten, ook niet door de in de Gemeenschap vervaardigde apparatuur van de fabrikanten JK Lasers en Quantel .
Het Hauptzollamt verleende voorlopig de gevraagde vrijstelling, maar verzocht de Zolltechnische Pruefungs - und Lehranstalt, na te gaan of de voorwaarden voor vrijstelling waren vervuld . De Pruefungs - und Lehranstalt gaf de minister van Financiën in overweging, de procedure van artikel*7 van verordening nr.*2784/79 van de Commissie van 12*december*1979 ( PB*1979, L*318, blz.*32 ) in te leiden; in het kader van deze procedure bepaalde de Commissie bij beschikking 82/288 van 13*april*1982 ( PB*1982, L*131, blz.*27 ), dat het apparaat DCR-1A niet in aanmerking kwam voor vrijstelling, daar "op grond van door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen is gebleken dat apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde ... en geschikt voor hetzelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd ". Het zou hier gaan om het Franse apparaat "YG*482" van de onderneming Quantel en het apparaat "HY*series", vervaardigd door JK Lasers in het Verenigd Koninkrijk .
Tegen de dienovereenkomstige beschikking van het Hauptzollamt heeft verzoekster beroep ingesteld bij het Hessische Finanzgericht, stellende dat het prestatievermogen van de Amerikaanse laser veel beter beantwoordde aan de behoeften van het betrokken onderzoeksproject dan de Europese apparaten . Gelet op de door verzoekster verstrekte vergelijkingen, zou de beschikking van 13*april*1982 enkel te verklaren zijn in de veronderstelling, dat de Commissie er geen rekening mee heeft gehouden dat het bij het ingevoerde apparaat niet ging om het standaardmodel -*waarover zij zich in het verleden reeds in verschillende beschikkingen had uitgesproken ( zoals beschikking 82/83, gevolgd door het arrest van het Hof van 27*maart*1985, zaak 4/84, Goethe Universitaet, Jurispr.*1985, blz.*991 )*-, maar om een bijzondere uitvoering ( DCR-1AA*1320 ), met een veel hoger prestatievermogen .
Bij beschikking van 13*juni*1986 heeft het Finanzgericht, 7e Senat, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel*177 EEG-Verdrag de volgende vraag voorgelegd : "Is beschikking*82/288 van de Commissie van 13*april*1982 betreffende het apparaat genaamd 'Quanta Ray-Nd : YAG Laboratory Laser System, model DCR-1A' ongeldig omdat weliswaar, zoals de Commissie stelt, in de Gemeenschap gelijksoortige apparaten werden vervaardigd, maar deze wat hun vermogen betreft, met name gelet op het bijzondere gebruiksdoel, inferieur waren aan het ingevoerde apparaat met de type-aanduiding DCR-1AA*1320?"
Alleen de Commissie heeft in deze zaak schriftelijke opmerkingen ingediend . Ter terechtzitting is ook de Universitaet Bielefeld verschenen .
2 . Zoals bekend, is de regeling inzake de invoer met vrijstelling van de rechten van het GDT van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard neergelegd in verordening nr.*1798/75 van de Raad van 10*juli*1975 ( PB*1975, L*184, blz.*1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr.*1027/79 van de Raad van 8*mei*1979 ( PB*1979, L*134, blz.*1 ). Deze verordeningen zijn naderhand aangevuld bij de reeds genoemde verordening nr.*2784/79 van de Commissie van 12*december*1979, die in de plaats is getreden van uitvoeringsverordening nr.*3195/75 van 2*december*1975 ( PB*1975, L*316, blz.*17 ).
Voor de onderhavige zaak is vooral artikel*3 van verordening nr.*1798/75 van belang . Lid*1 verbindt aan de verlening van vrijstelling de voorwaarde, dat "geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd ". Lid*3, derde streepje, bepaalt dat de gelijkwaardigheid wordt beoordeeld "door de essentiële technische kenmerken van het instrument of het apparaat waarvoor de ... aanvraag om vrijstelling werd gedaan, te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als die waartoe het instrument of het apparaat waarvoor de aanvraag om vrijstelling werd gedaan, is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen ".
3 . Ik wil er onmiddellijk op wijzen, dat het onderhavige geschil grote gelijkenis vertoont met voornoemde zaak-Goethe Universitaet, maar anders dan deze laatste zaak moet worden beoordeeld op het vlak van de formele rechtmatigheidsvereisten . In concreto gaat het hier niet om de uitlegging van voornoemde regeling . Daarentegen moet worden vastgesteld :
a ) of de Commissie in aanmerking heeft genomen -*en zo ja, voldoende in de beschouwing heeft betrokken *-, dat het bij de ingevoerde laser ging om een sterkere uitvoering van het model "DCR-1A", genaamd "DCR-1AA 1320", met een hoger prestatievermogen dan de overeenkomstige Europese apparaten;
b ) of zij bij de opsomming van de resultaten van haar onderzoek de krachtens artikel*190 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen is nagekomen .
Met betrekking tot het eerste punt ben ik van oordeel, dat de redenering van de controlerende instantie onjuist is, zij het op gronden die slechts gedeeltelijk overeenstemmen met de door de Universiteit Bielefeld in het hoofdgeding en voor het Hof naar voren gebrachte argumenten . Het lijdt immers geen twijfel dat de beoordeling van de Commissie geen betrekking had op het standaardmodel, zoals haar beschikking lijkt aan te geven, maar op het sterkere model : dit bewijzen zowel het antwoord van de Commissie op de desbetreffende vragen van het Hof alsook het verslag van de bijeenkomsten van het Comité douanevrijstellingen en de brief die Quantel aan het Franse ministerie van Industrie heeft gezonden . Na met juistheid te hebben vastgesteld, om welk apparaat het in casu ging, had de Commissie de verschillen in haar oordeel moeten betrekken en gemotiveerd uiteen moeten zetten, waarom zij ondanks die verschillen van mening was dat het hier een "gelijkwaardig" apparaat betrof .
Wat de Commissie ook zeggen mag, niets van dit alles is gebeurd . De stereotiepe formulering van de beschikking en de door mij genoemde documenten bevatten niets waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Commissie, ofschoon op de hoogte van het hogere prestatievermogen van de Amerikaanse laser, deze bij het geven van haar beschikking in aanmerking heeft genomen . Zij bewijzen veeleer het tegendeel . Zo bevatten de verslagen van het comité douanevrijstellingen de opmerking, dat de beschikking werd gegeven "après une longue discussion et compte tenu de nombreux précédents"; de laatste zin vormt een aanwijzing, dat aan de bijzondere kenmerken van het ingevoerde apparaat niet de verschuldigde aandacht werd besteed . Evenzo vormt het bij de brief van Quantel gevoegde vergelijkend overzicht geenszins een bevestiging van de argumenten van de Commissie, maar hooguit een bevestiging dat het ingevoerde apparaat superieur was voor wat betreft nagenoeg alle gebruikswaarden, met name de topprestaties die volgens verzoeksters onweersproken verklaringen steeds beslissend zijn geweest voor haar onderzoeksproject .
Dienaangaande kan erop worden gewezen, dat de Commissie haar beschikkingen met redenen dient te omkleden, ten einde partijen in staat te stellen, "voor hun rechten op te komen, het Hof in staat te stellen zijn taak uit te oefenen en de Lid-Staten en hun eventueel belanghebbende onderdanen in staat te stellen na te gaan op welke wijze de Commissie het Verdrag heeft toegepast" ( zie, zij het in het kader van een beroep ex artikel*173, arrest van 17*maart*1983, zaak 294/81, Control Data, Jurispr.*1983, blz.*911, r.o.*14 ). Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand, dat het in dit arrest omschreven vereiste in casu niet in acht is genomen en dat het Hof de beschikking derhalve ongeldig zal moeten verklaren . In de motivering daarvan ontbreekt immers het voornaamste element van de vergelijking waartoe de Commissie gehouden is, dat wil zeggen de vermelding van de redenen waarom apparaten waarvan de verschillen niet aan twijfel onderhevig zijn, niettemin gelijkwaardig moeten worden geacht in de zin van artikel*3, lid*3, van verordening nr.*1798/75; dat deze redenen in de loop van de procedure aan het licht zijn gekomen, kan al helemaal niet worden staande gehouden ( zie r.o.*31 van voornoemd arrest ).
Gelet op bovenstaande conclusie behoeft mijns inziens niet te worden onderzocht, of en in hoeverre verzoekster vóór de aankoop van het Amerikaanse apparaat voldoende heeft onderzocht, welke apparaten zij van Europese ondernemingen kon betrekken . In dit verband worden de door de Commissie geuite vermoedens in ieder geval ontkracht door de documenten die verzoekster na de terechtzitting heeft overgelegd . Hieruit blijkt namelijk dat verzoekster, gelijk zij steeds heeft staande gehouden, inderdaad een uitgebreid onderzoek had verricht .
4 . Op grond van bovenstaande overwegingen stel ik voor om de vraag, door het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 13*juni*1986 gesteld in het geding tussen Universitaet Bielefeld en Hauptzollamt Giessen, te beantwoorden als volgt :
"Beschikking 82/288 van de Commissie van 13*april*1982, houdende vaststelling dat het apparaat dat werd aangeduid als 'Quanta Ray-Nd:*YAG Laboratory Laser System, model DCR-1A' , maar in werkelijkheid beantwoordde aan het model 'DCR-1AA 1320' , niet met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief kon worden ingevoerd, is ongeldig ."
(*)* Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy