Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Dit prejudiciële verzoek van het Finanzgericht Hamburg betreft in wezen dezelfde problemen als die welke aan de orde waren in zaak 120/86 ( Mulder, Jurispr . 1988, blz . 0000 ). Om herhalingen te voorkomen, verwijs ik voor zover nodig naar mijn conclusie in die zaak .
In de Bondsrepubliek Duitsland werd aan verordening nr . 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 ( PB 1977, L 131, blz . 1 ) uitvoering gegeven bij een besluit van de minister van Voedselvoorziening, Land - en Bosbouw van 22 juni 1977 ( BGBl . I, blz . 1006 ). Aan de bij verordeningen nrs . 856/84 en 857/84 van de Raad ( PB 1984, L 90, respectievelijk blz . 10 en 13 ) ingevoerde superheffing werd uitvoering gegeven bij de "Verordnung foer Milch und Milcherzeugnisse" ( Milch-Garantiemengen-Verordnung ) van 25 mei 1984 ( BGBl . I, blz . 720 ), laatstelijk gewijzigd bij een verordening van 18 juni 1986 ( BGBl . I, blz . 911 ). De Milch-Garantiemengen-Verordnung voert een heffing ten laste van de producent ( formule A ) in ( paragraaf 1 ) op basis van de produktie in 1983 ( paragraaf 4 ). In paragraaf 6 worden enkele speciale situaties genoemd, waarin een andere referentiehoeveelheid dan de in paragraaf 4 bedoelde kan worden toegekend . Dit zijn de gevallen waarin een melkproducent steun ontvangt voor een ontwikkelingsplan krachtens richtlijn 72/159/EEG ( PB 1972, L 96, blz . 1 ), waarin tussen 1 juli 1978 en 29 februari 1984 openbare middelen aan een melkproducent werden toegekend voor investeringen zonder formeel ontwikkelingsplan, waarin tussen 1 juli 1978 en 29 februari 1984 vergunning werd verleend voor een bouwproject, en waarin een dergelijk bouwproject tussen 1 juli 1978 en 29 februari 1984 werd voltooid .
De in de verwijzingsbeschikking genoemde relevante feiten kunnen worden samengevat als volgt .
Von Deetzen is een landbouwer van 63 jaar, wiens gehele areaal van 41,7 ha in de Weser-polders bestaat uit grasland, dat, naar hij stelt, niet geschikt is voor akkerbouw . Zijn jongste zoon volgt een opleiding in de zuivel; de bedoeling is dat de op één na jongste zoon, die thans 22 jaar oud is, de boerderij later erft . Verzoeker bezit thans ongeveer 40 melkkoeien en 80 stuks jongvee .
In 1980 diende Von Deetzen op grond van verordening nr . 1078/77 een aanvraag in voor een premie voor het niet in de handel brengen ( en niet een omschakelingspremie, naar ik uit bijlage I bij het verzoekschrift aan het Finanzgericht begrijp ). Deze premie werd hem op basis van een hoeveelheid melk van 190 665 kg toegekend bij besluit van 12 juli 1980 . Ingevolge dit besluit mocht Von Deetzen gedurende een periode van vijf jaar geen melk in de handel te brengen . In deze periode viel ook het jaar 1983, dat de Bondsrepubliek Duitsland heeft gekozen als referentiejaar voor de superheffing . Von Deetzens periode van vijf jaar waarin hij geen melk mocht verkopen, liep af op 7 september 1985 .
Op 22 mei 1985 verzocht Von Deetzen het Hauptzollamt Oldenburg om toekenning van een referentiehoeveelheid van 190 665 kg melk krachtens de Milch-Garantiemengen-Verordnung . Bij besluit van 2 oktober 1985 werd hem een referentiehoeveelheid van 0 kg toegekend . Nadat zijn bezwaarschrift was afgewezen, stelde hij beroep in bij het Finanzgericht Hamburg, dat op 26 juni 1986 besloot de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen :
" Zijn de verordeningen ( EEG ) nrs . 856/84 en 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( verordening nr . 857 laatstelijk gewijzigd bij verordening nr . 3571/85 ) en nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 ( laatstelijk gewijzigd bij verordening nr . 3005/85 ) geldig, voor zover landbouwers die, omdat zij een premie voor het niet in de handel brengen of een omschakelingspremie hebben ontvangen, in de toepasselijke referentieperiode geen melk hebben geproduceerd en aan wie derhalve in het kader van de melkquotaregeling geen referentiehoeveelheid is toegewezen, bij de hervatting van de melkproduktie na afloop van de bij de premietoekenning vastgestelde periode van vijf jaar een heffing ten bedrage van 75 % van de richtprijs voor melk moeten betalen?"
Anders dan in de zaak Mulder, worden geen vragen gesteld die in het bijzonder betrekking hebben op de bevoegdheden en verplichtingen van de Lid-Staten bij het uitvoeren van de superheffing .
De schriftelijke opmerkingen van verzoeker waren meer geïnspireerd door de grondrechten van het Duitse nationale recht dan door het gemeenschapsrecht . Ter terechtzitting werd de nadruk gelegd op het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, op de gestelde discriminatie tussen, enerzijds, producenten wier overeenkomsten om geen melk in de handel te brengen tijdig waren geëindigd, zodat zij in het referentiejaar weer melk konden produceren, en anderzijds producenten als verzoeker, die nog aan die verbintenissen waren gebonden; ook is ingegaan op de beperking van Von Deetzens recht van vrije beroepsuitoefening .
In mijn conclusie in de zaak Mulder kwam ik tot de slotsom, dat het gewettigd vertrouwen van diegenen die in ruil voor een premie voor het niet in de handel brengen ermee hadden ingestemd om gedurende een periode van vijf jaren, waarbinnen het relevante referentiejaar viel, geen melk te produceren, is geschonden en dat deze personen zijn gediscrimineerd, zodat verordening nr . 857/84 ongeldig is voor zover zij geen bijzondere voorziening bevat voor diegenen die zich in de situatie van verzoeker bevinden . Daar de kwestie in de onderhavige zaak in wezen hetzelfde ligt, is mijn conclusie op deze twee punten dezelfde .
Verzoeker in de onderhavige zaak voert verder nog aan, in verband met de uitoefening van zijn eigendomsrecht, dat hij in zijn vrije beroepsuitoefening is aangetast . Om de redenen genoemd in zaak 44/79 ( Hauer, Jurispr . 1979, blz . 3727 ) zou ik een schending van dit recht niet willen aannemen, ware het niet dat ik al tot de conclusie ben gekomen dat de twee andere, reeds genoemde beginselen zijn geschonden . Onder deze omstandigheden behoef ik op dit punt niet verder in te gaan, aangezien het aan mijn conclusie niets toevoegt .
Mitsdien moet mijns inziens de prejudiciële vraag worden beantwoord als volgt :
" De verordeningen nrs . 856/84 en 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( laatstgenoemde zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening nr . 3571/84 ) en verordening nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3005/85, zijn ongeldig voor zover zij geen uitdrukkelijke bepaling bevatten die rekening houdt met de situatie van degenen die voorheen melk produceerden, maar in de referentiejaren bedoeld in artikel 2, leden 1 en 2, van verordening van de Raad nr . 857/84 geen melkproduktie hadden omdat zij zich in het kader van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 1078/77 van de Raad ertoe hadden verbonden om in die periode geen melk in de handel te brengen ."
Over de kosten van partijen in het hoofdgeding zal de nationale rechter moeten beslissen . De kosten van de Raad en de Commissie komen niet voor vergoeding in aanmerking .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy