Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Deze conclusie heeft betrekking op twee beroepen waarmee M ., voormalig ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschappen, opkomt tegen een maatregel van de secretaris-generaal van die instelling, waarbij hij tuchtrechtelijk wordt ontslagen . Verzoeker vraagt : a ) primair, nietigverklaring van de maatregel en beëindiging van de tuchtrechtelijke procedure; b ) subsidiair, opschorting van de maatregel tot hij zijn standpunten heeft kunnen bewijzen; c ) meer subsidiair, aanpassing van de sanctie in de zin die de tuchtraad in zijn advies voorstaat .
De feiten . M . is op 1 juli 1982 als jurist-linguïst in de rang LA 7 bij de Raad in dienst getreden . Bij die gelegenheid vulde hij formulieren in en legde hij documenten over blijkens welke : a ) hij gehuwd was met O .; b ) hij twee kinderen ten laste had; c ) zijn echtgenote geen gezinstoelagen ontving van haar werkgever . De jaarlijkse inlichtingenformulieren die M . in 1983 en 1984 invulde, bevatten dezelfde gegevens . Op basis van die verklaringen stelde de administratie de verschillende vergoedingen voor gehuwde ambtenaren met kinderen ten laste vast en betaalde zij deze aan verzoeker .
In juni-juli 1985 evenwel kreeg de Raad kennis : a ) van een vonnis waarbij de rechtbank van Haarlem op 14 november 1981 de echtscheiding tussen de echtelieden M . en O . uitsprak, en dat op 28 april 1982 was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlemmermeer; b ) van een vonnis van 8 juli 1982, waarbij dezelfde rechtbank de kinderen aan de moeder toewees; c ) van het feit dat de Raad van Arbeid te Haarlem O . kinderbijslag had uitgekeerd tot 1 oktober 1982 voor de twee kinderen ten laste, en met ingang van 1 juli 1984 opnieuw voor de minderjarige dochter; d ) van talrijke schulden die M . in België en Nederland had aangegaan en die hij niet had terugbetaald . Voor dit laatste feit :
1 ) had zijn hiërarchieke meerdere bij nota van 27 september 1983 voorgesteld, hem een schriftelijke waarschuwing te geven;
2 ) was hij herhaaldelijk bij verstek veroordeeld;
3 ) hadden zijn schuldeisers bij de Raad beschikkingen inzake loonbeslag betekend voor meer dan 1 350 000 BFR .
Op grond van deze feiten formuleerde de secretaris-generaal van de Raad, als tot aanstelling bevoegd gezag, bij nota van 28 oktober 1985 een reeks grieven tegen verzoeker en deelde hij hem mee, dat hij hem op 10 januari 1986 wilde horen . Dit gesprek werd tot 16 januari uitgesteld nadat verzoeker daarom had gevraagd om zich door een advocaat te kunnen laten bijstaan . Voor dat onderhoud kwam hij echter alleen opdagen . Hij weigerde zich over de hem verweten feiten te verantwoorden . Wel maakte hij bezwaar tegen het feit, dat de bewoordingen van de nota van 20 oktober, en inzonderheid de aanhef (" J' ai été informé que depuis votre entrée en fonction ... vous avez gravement et volontairement manqué aux obligations auxquelles vous êtes tenu en vertu du statut "), de rechten van de verdediging schonden, en dat zij vooruitliepen op de uitslag van de tuchtprocedure .
Toen ( op 4 maart 1986 ) maakte het tot aanstelling bevoegde gezag de zaak aanhangig bij de tuchtraad, waarbij het een rapport overlegde, dat de ten laste gelegde feiten en de omstandigheden waaronder zij waren begaan, omschreef . Het rapport is drie dagen later aan M . ter hand gesteld . Op 4 maart werden ook na loting de leden van de tuchtraad aangewezen, en op 11 maart daaraanvolgend werd opnieuw geloot ter vervanging van één lid dat verhinderd was en van één ander lid dat door de ambtenaar was gewraakt .
De tuchtraad heeft twee zittingen gehouden . Tijdens zijn eerste zitting ( 25 maart 1986 ) werden de preliminaire formaliteiten vervuld en werd een rapporteur aangewezen . De zitting voor de behandeling werd vastgesteld op 11 april, en bij nota van 26 maart werd verzoeker gevraagd, die dag in zijn bureau ter beschikking van de tuchtraad te blijven . Op 4 april deelde M . de voorzitter van de tuchtraad evenwel mee, dat hij op 11 april met vakantie zou zijn aan de Côte d' Azur . Hij verklaarde wel, dat hij naar Brussel zou terugkomen indien het personeelscomité, dat had besloten dat zijn leden voorlopig niet zouden deelnemen aan de werkzaamheden van paritaire organen, zijn acties zou beëindigen . De voorzitter verdaagde de zitting toen tot 16 mei . Ondanks herhaalde uitnodigingen weigerde de ambtenaar - die zich trouwens niet schriftelijk over de grieven had uitgelaten - de zitting van de tuchtraad bij te wonen; hij stelde dat de termijn van één maand waarbinnen de raad volgens artikel 7, eerste alinea, van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut zijn advies aan het tot aanstelling bevoegde gezag moet toezenden, was verstreken .
In zijn advies van 16 mei stelde de tuchtraad vast, dat de ambtenaar de administratie "bewust had misleid" over zijn gezinssituatie "door middel van verschillende valse verklaringen ten einde bepaalde voordelen te krijgen waarop hij geen recht had", vervolgens stelde hij : "deze herhaalde handelingen zijn in strijd met de onkreukbaarheid waarvan elke ambtenaar blijk moet geven ". Niettemin, en ondanks de ernst van de feiten, was de tuchtraad van oordeel dat M . de mogelijkheid moest worden geboden om zich te rehabiliteren, weshalve hij in overweging gaf, M . terug te zetten in de rang LA 8, tweede salaristrap .
Na M . op 30 mei 1986 opnieuw te hebben gehoord en na aan de voorzitter van de tuchtraad op 4 juni te hebben uiteengezet waarom hij meende van diens advies te moeten afwijken, stelde de secretaris-generaal op 13 juni 1986 besluit nr . 528/86 vast, houdende tuchtrechtelijk ontslag met ingang van 1 september 1986 .
In die maatregel wordt verslag gedaan van het tweede onderhoud tussen M . en het tot aanstelling bevoegde gezag . Daarin wordt vastgesteld, dat de ambtenaar zich niet heeft uitgelaten over de hem verweten feiten noch over het advies van de tuchtraad . In de lijn van het verweer dat hij tijdens de hoorzitting van 16 januari reeds had gevoerd, verklaarde hij daarentegen dat zijn rechten van de verdediging waren geschonden en dat de tuchtraad daarnaast nog verschillende - niet nader gepreciseerd - onregelmatigheden had begaan .
Ten gronde - aldus het besluit - is duidelijk en onweerlegbaar komen vast te staan dat M .: a ) onjuiste verklaringen over zijn burgerlijke staat heeft afgelegd; b ) voor de administratie heeft verzwegen dat hij uit een andere bron gezinstoelagen ontving, zulks in strijd met artikel 67, lid 2, Ambtenarenstatuut; c ) herhaaldelijk inbreuk heeft gemaakt op het bepaalde in artikel 23, eerste alinea, tweede zin, van het Statuut, door zijn particuliere verplichtingen niet te vervullen . Deze feiten vormden niet alleen een inbreuk op deze voorschriften, maar ook een ernstige en opzettelijke inbreuk op de verplichting, zich te onthouden van iedere handeling welke aan de waardigheid van het ambt dat de ambtenaar uitoefent afbreuk zou kunnen doen ( artikelen 11 en 12 van het Statuut ).
Met name - aldus nog steeds die maatregel - blijkt uit verzoekers onjuiste verklaringen over zijn burgerlijke staat bij zijn indiensttreding, die hij later herhaalde, dat hij niet voldoet aan het in artikel 27 van het Statuut gestelde vereiste van onkreukbaarheid en dus ongeschikt is om op enigerlei wijze werkzaam te blijven in Europese overheidsdienst . Gelet op dit gegeven, op de verzwarende omstandigheid van het "elementaire karakter" van de in de artikelen 67, lid 2, en 23, lid 1, voorziene verplichtingen en op het feit dat de ambtenaar gedurende de gehele behandeling van de zaak geen enkele verzachtende omstandigheid heeft aangevoerd, krijgt de door de tuchtraad gesuggereerde rehabilitatie een "louter theoretisch" karakter . Volgens het tot aanstelling bevoegde gezag beantwoordde de voorgestelde sanctie dan ook niet aan de ernst van de feiten, zodat het besloot M . te ontslaan .
Voorts zij nog opgemerkt, dat de redenen waarom het tot aanstelling bevoegde gezag meende het advies niet te kunnen volgen, nog duidelijker blijken uit de vertrouwelijke nota van de secretaris-generaal van de Raad aan de voorzitter van de tuchtraad van 4 juni 1986 . In de eerste plaats wordt gewezen op de ernst van de overtredingen van M . en op het feit dat hij, in plaats van zich te verantwoorden, zich achter procedurele middelen had verscholen, en in de tweede plaats op het feit dat de tuchtraad niet heeft aangetoond dat er verzachtende omstandigheden waren of feiten op grond waarvan een rehabilitatie haalbaar kon zijn .
Op 14 juli 1986 reageerde M . op de maatregel a ) met de indiening van een administratieve klacht; b ) met een beroep dat op 16 januari ter griffie van het Hof is ingeschreven ( zaak 175/86 ); c ) met een afzonderlijk verzoek om de ten uitvoeringlegging van de handeling op te schorten . Verder stelde M . bij op 5 augustus 1986 ingeschreven akte ( zaak 209/86 ) tegen hetzelfde besluit een tweede beroep in, dat inzonderheid op de nota van de secretaris-generaal van 4 juni 1986 was gebaseerd .
Bij beschikking van 5 september 1986 verwierp de president van de Tweede kamer van het Hof het verzoek tot opschorting van de bestreden handeling . Gelijktijdig wees het tot aanstelling bevoegde gezag bij besluit van 8 september 1986 M .' s klacht van 14 juni en een latere klacht van 29 juli af .
2 . In zaak 175/86 werpt de Raad op, dat M .' s meer subsidiair geformuleerde verzoek om het besluit te herzien, wat de aard van de sanctie betreft, niet-ontvankelijk is . Verwijzend naar het arrest van 30 mei 1973 ( zaak 46/72, De Greef, Jurispr . 1973, blz . 543 ) en naar de genoemde beschikking van 5 september 1986 merkt de instelling op, dat in tuchtzaken het bestreden besluit wel nietig kan worden verklaard, maar dat het Hof zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van het tot aanstelling bevoegde gezag . Verzoeker brengt hiertegen in, dat de zaak een geldelijke vordering betreft, omdat zij betrekking heeft op de middelen van bestaan van de ambtenaar . De aan het Hof voorgelegde zaak is dan ook een beroep in volle omvang .
De exceptie is gegrond . Weliswaar heeft het Hof zo' n 25 jaar geleden een geschil naar aanleiding van een tuchtrechtelijk ontslag aangemerkt als zijnde van geldelijke aard, en heeft het daaruit voor die procedure de conclusies getrokken die M . bedoelt ( arrest van 4 juli 1963, zaak 32/62, Alvis, Jurispr . 1963, blz . 103 ). De latere rechtspraak gaat evenwel geheel in die richting, dat wanneer de feiten die het tot aanstelling bevoegde gezag de ambtenaar ten laste legt, eenmaal zijn vastgesteld, het Hof zich ertoe moet beperken, te controleren of ten aanzien van het besluit sprake is van een kennelijke fout, willekeur, dan wel misbruik van bevoegdheid ( arresten van 4 februari 1970, zaak 13/69, Van Eick, Jurispr . 1970, blz . 3, r.o . 23-26; 30 mei 1970, zaak 46/72, De Greef, reeds aangehaald, r.o . 45-47; 29 januari 1985, zaak 228/83, F ., Jurispr . 1985, blz . 275, r.o . 34 ).
In zaak 209/86 heeft de Raad evenwel opgeworpen, dat het beroep zelf niet-ontvankelijk is, omdat het hetzelfde voorwerp heeft als zaak 175/86, behoudens wat het verzoek ad exhibendum van de reeds genoemde nota van 4 juni 1986 betreft . Volgens de instelling staat evenwel vast, dat dit verzoek louter een incidenteel verzoek is om een maatregel van instructie, die uitdrukkelijk is voorzien in artikel 45 van het Reglement voor de procesvoering en die niet los kan staan van het eerste beroep; door dit tot voorwerp van een nieuw beroep te maken, legt M . een procedureel gedrag aan de dag, dat volgens artikel 69, paragraaf 3, van dat Reglement van vexatoire aard is en extra kosten veroorzaakt, die om redenen van billijkheid niet de Raad kunnen worden opgelegd . Tegen deze argumenten brengt M . in, dat de verzoeker nieuwe argumenten aan het inleidende verzoekschrift mag toevoegen, mits hij dat binnen de beroepstermijn doet .
Anders dan de eerste, kan deze exceptie niet slagen . Het door de Raad bestreden fenomeen is in feite een mutatio in amplius van de rechtszaak, of beter, van haar voorwerp, in de vorm van "motieven" die aanvankelijk niet waren aangevoerd; en er bestaat geen administratiefrechtelijk stelsel dat het niet onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar acht . De verzoeker kan zijn eerste, gedinginleidend verzoekschrift aanvullen met "bijkomende motieven" en zelfs een tweede verzoekschrift indienen, indien de termijn voor het instellen van een beroep tegen de bestreden handeling nog niet is verstreken ( zie Sandulli, Il giudizio davanti al Consiglio di Stato, Napels, 1964, blz . 354 en 355; Chapus, Droit du contentieux administratif, Parijs, 1982, blz . 247 en 248 ).
3 . M . voert in beide beroepen talrijke en verschillende middelen aan, die in wezen echter kunnen worden samengevat als volgt : a ) schending van de rechten van de verdediging; b ) ontoereikende motivering; c ) kennelijke fouten bij de beoordeling van de feiten . Het eerste middel valt uiteen in drie grieven : a ) het tot aanstelling bevoegde gezag heeft het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter niet gerespecteerd; b ) verzoeker had slechts vijftien dagen de tijd voor de indiening van zijn schriftelijk verweer; c ) de tuchtraad heeft de voor het uitbrengen van het advies voorziene termijn van één maand niet inachtgenomen .
Ik zal deze grieven in die volgorde behandelen . In de eerste plaats stelt M . dat artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 is geschonden, en meer in het bijzonder het eerste lid daarvan, dat bepaalt : "bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen ... heeft eenieder recht op een ... behandeling van zijn zaak ... door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld ". Dat M . geen onpartijdige rechter heeft gehad, zou blijken uit het standpunt dat de secretaris-generaal in het begin van de procedure jegens verzoeker heeft ingenomen, zoals dat blijkt uit de aanhef van zijn nota van 28 oktober 1985 .
Deze grief moet worden verworpen . Om te beginnen zij opgemerkt, dat het aangehaalde artikel 6 niet geldt voor tuchtrechtelijke procedures die niet leiden tot het verlies van een burgerlijk recht, zoals het recht om een vrij beroep uit te oefenen ( zie : Hof voor de rechten van de mens in arresten van 8 juni 1976, Engel, Publikaties van het Hof, serie A, vol . 22, blz . 33, 34, 35, paragrafen 80 tot en met 83, en van 23 juni 1981, Le Compte, Publikaties van het Hof, serie A, vol . 43, blz . 19, paragrafen 41 en 42 ). Meer in het bijzonder dient te worden uitgesloten, dat geschillen betreffende de aanwerving in een nationale of internationale overheidsdienst of het ontslag uit die ambten onder die regel vallen ( beschikkingen van de Commissie voor de rechten van de mens te Straatsburg nr . 7274/76 van 8 maart 1976, nr . 8496/79 van 8 oktober 1980, en nr . 11056/84 van 15 mei 1986 ).
Verder zij nog opgemerkt, dat volgens artikel 87 Ambtenarenstatuut en bijlage IX daarbij, het tot aanstelling bevoegde gezag de tuchtprocedure niet kan inleiden dan na de beschuldigde ambtenaar te hebben gehoord; daarbij moet het hem de grieven meedelen, om hem in staat te stellen zich te verdedigen . Een handeling die deze bepalingen in acht neemt ( en in het onderhavige geval is dat duidelijk gebeurd ), voldoet dus aan de criteria van behoorlijk bestuur en schendt dan ook niet de rechten van de verdediging; integendeel, het beschermt de fundamenten ervan . Deze rechten zullen verder positief worden gewaarborgd in de vervolgens ingeleide procedure .
Dit is evenwel niet alles . Nemen we voor een ogenblik aan, dat de secretaris-generaal, toen hij de grieven meedeelde, de feiten onjuist zou hebben beoordeeld of overhaaste uitdrukkingen zou hebben gebezigd, dan nog zouden dergelijke onregelmatigheden de geldigheid van het definitieve besluit niet kunnen aantasten, indien dit gegrond zou blijken te zijn op waarheidsgetrouwe gegevens en correcte beoordelingen . Zoals advocaat-generaal Trabucchi in zijn conclusie in zaak 46/72 ( De Greef, reeds aangehaald ) onderstreepte ( blz . 557, 562 ) "is een tuchtprocedure ... mede bedoeld om te komen tot een juiste vaststelling en beoordeling van de feiten die het bevoegd gezag aanleiding geven, de procedure in te leiden ".
4 . In de tweede plaats stelt verzoeker,dat artikel 4, eerste alinea, van bijlage IX bij het Statuut is geschonden; dit artikel bepaalt : "na de dag van kennisneming van het rapport waardoor de tuchtprocedure wordt ingeleid, heeft de ambtenaar ten minste vijftien dagen de tijd om zijn verdediging voor te bereiden ". M . verwijst te deze naar een mondelinge mededeling van de voorzitter van de tuchtraad van 7 maart 1986, waarbij deze hem verzocht, binnen uiterlijk vijftien dagen eventueel een verweerschrift in te dienen . Door in het Statuut "indienen" te lezen in plaats van "voorbereiden", "verweerschrift" in de plaats van "verdediging" en "uiterlijk vijftien dagen" in plaats van "ten minste vijftien dagen", verlangde de voorzitter van M . dat hij zijn verweer schriftelijk zou voeren nog vóór het verstrijken van de in het Statuut bepaalde termijn, en heeft hij hem belet dit na die termijn nog te doen .
Deze grief is evenmin gegrond . Uit het dossier blijkt ontegenzeglijk, dat M . voor het voorleggen van zijn opmerkingen veel meer tijd heeft gekregen dan statutair is vereist, namelijk : ruim twee maanden ( van 7 maart 1986 - datum waarop hem het rapport ter kennis werd gebracht - tot 16 mei daaraanvolgend - dag waarop de tuchtraad bijeenkwam om zijn geval te bespreken -). De ambtenaar betwist dit, stellende dat de voorzitter van de tuchtraad hem op 5 maart heeft geschreven : "met ingang van de dag van ontvangst van dit rapport hebt u vijftien dagen de tijd om uw verdediging voor te bereiden", en dat in de notulen van de zitting van 25 maart sub 3 wordt vastgesteld dat "de termijn van ten minste vijftien dagen" was verstreken . Deze, misschien onvoorzichtige en onnauwkeurige verklaringen worden evenwel tegengesproken en zijn in elk geval achterhaald door een brief van 26 maart, waarin de voorzitter M . wees op "artikel 4, tweede alinea, van bijlage IX, dat voorziet dat u schriftelijke en mondelinge opmerkingen kunt voorleggen ".
5 . In de derde plaats voert M . aan, dat de termijn van artikel 7 van bijlage IX niet is in acht genomen . Dit artikel luidt : "na kennisneming van de hem voorgelegde bescheiden en ... ( van de ) mondelinge verklaringen van de ambtenaar brengt de tuchtraad ... een met redenen omkleed advies uit ...; binnen een maand na de dag waarop de zaak bij de tuchtraad werd aanhangig gemaakt, zendt de raad dit advies aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan de ambtenaar ".
Deze grief kan evenmin slagen . Zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld, dat dit slechts een termijn van orde is . Het is veeleer gewoon een regel van behoorlijk bestuur die, indien hij niet in acht wordt genomen, niet de nietigheid tot gevolg heeft, doch enkel ertoe kan leiden, dat de instelling aansprakelijk wordt voor de eventueel daardoor aan de betrokkenen veroorzaakte schade ( arresten van 4 februari 1970, zaak 13/69, Van Eick, reeds aangehaald, r.o . 1-7; 29 januari 1985, zaak 228/83, F ., reeds aangehaald, r.o . 30 ). In de onderhavige zaak is duidelijk geen schade veroorzaakt .
6 . Het tweede middel betreft de toereikende motivering van de maatregel, inzonderheid van het onderdeel waarin het tot aanstelling bevoegde gezag het advies van de tuchtraad naast zich neerlegt en een zwaardere sanctie heeft gekozen . M . klaagt vooral over het feit, dat het tot aanstelling bevoegde gezag zijn mogelijke rehabilitatie louter theoretisch achtte en hem een sanctie heeft opgelegd, die niet in verhouding staat tot de hem ten laste gelegde feiten .
Deze grief is niet gegrond . Zoals gezegd sub 2, beschikt de administratie op tuchtrechtelijk vlak over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid, en is de wettigheidscontrole van het Hof omgekeerd evenredig beperkt . Wat dit aangaat, zijn illustratief de herhaaldelijk aangehaalde arresten van 4 februari 1970 ( zaak 13/69, Van Eick, r.o . 23-26 ), 30 mei 1973 ( zaak 46/72, De Greef, r.o . 45-47 ) en 29 januari 1985 ( zaak 228/83, F ., r.o . 34 ). Daarin verklaarde het Hof : nu de ten laste van de ambtenaar aangenomen feiten zijn komen vast te staan, staat de vraag van de ernst van de verzuimen en de keuze van de passende tuchtmaatregels aan het tot aanstelling bevoegde gezag"; "het Hof kan zijn beoordeling niet voor die van dit orgaan in de plaats stellen, tenzij er sprake zou zijn van een kennelijke fout of van misbruik van bevoegdheid ".
Deze gebreken voert M . niet aan : wel vraagt hij het Hof, zoals gezegd, de redengeving te toetsen . Vaststaat evenwel, dat het resultaat van dit onderzoek hem geen voordeel kan opleveren . Het tot aanstelling bevoegde gezag legt - zoals gezegd - vooral het accent op de intrinsieke ernst van de feiten . De valse verklaringen van M . over zijn burgerlijke staat - een gedraging die ook door de tuchtraad streng is beoordeeld - schaden onmiskenbaar het vertrouwen dat kenmerkend moet zijn voor de betrekkingen tussen de administratie en de ambtenaar . De daaraan verbonden conclusie dat deze laatste niet geschikt was om een post te bekleden in de Europese overheidsdienst, is dan ook redelijk .
In de tweede plaats wordt in het besluit een aantal overwegingen gewijd aan het feit, dat M . heeft nagelaten een aantal privé-verplichtingen na te komen, dat wil zeggen een feit dat de tuchtraad niet in aanmerking heeft genomen, ofschoon het wordt vermeld in het rapport dat het tot aanstelling bevoegde gezag hem heeft ter hand gesteld . In dit verband wijs ik erop, dat het feit dat een gemeenschapsambtenaar zijn schulden niet tijdig betaalt, zich bij verstek laat veroordelen en de administratie blootstelt aan een verzoek tot loonbeslag kennelijk in strijd is met zijn verplichting om zich ook buiten de arbeidsplaats te gedragen op een wijze die strookt met de waardigheid van zijn ambt en die in elk geval het aanzien van de administratie niet mag schaden ( in dezelfde zin : Ambtenarengerecht van de IAO, uitspraak van 6 oktober 1961, zaak Wakley, r.o . 7 ).
Ten slotte motiveert het tot aanstelling bevoegde gezag zijn weigering om het voorstel van de tuchtraad te volgen, door erop te wijzen dat aan het persoonsdossier van de betrokken ambtenaar geen verzachtende omstandigheden zijn te ontlenen en dat hij er in de loop van de procedure ook geen heeft aangevoerd . Omdat ook deze argumenten mij overtuigend lijken en alleszins afdoende zijn toegelicht, geloof ik niet dat tegen het besluit bezwaren kunnen worden aangevoerd wat de motivering betreft, noch dat het onevenredig ten opzichte van de ten laste gelegde feiten kan worden geacht .
7 . Als derde middel voert verzoeker aan, dat het bestreden besluit nietig is wegens kennelijke dwalingen . De hem verweten onjuiste verklaringen en verzuimen zijn volgens verzoeker niet te wijten aan kwade trouw, maar aan zijn onwetendheid . Zijn echtgenote zou hem namelijk niet op de hoogte hebben gesteld van zijn echtscheiding . In de Nederlandse echtscheidingsprocedure is niet voorgeschreven, dat partijen aanwezig moeten zijn, noch dat het vonnis aan de persoon of aan zijn domicilie moet worden betekend . Zij eindigt met een gewone inschrijving van het vonnis in de akten van de burgerlijke stand . Zo heeft hij ook nooit geweten dat hij voor de rechtbank te Haarlem moest verschijnen in de procedure betreffende de voogdij over de kinderen . Daarbij komt nog - aldus M . -, dat hij steeds op een verzoening met zijn echtgenote had gerekend, en dat hij met het oog daarop zelfs een grote woning had gehuurd . Als feiten die hem deden geloven dat een verzoening mogelijk was, noemt hij : a ) de aanvraag van een bijzondere verblijfsvergunning die O . op 19 november 1982 in België indiende; b ) de waarborg die O . dezelfde dag voor verzoeker stelde voor een krediet van meer dan 400 000 BFR, dat hij had aangevraagd; c ) de toenadering tussen beide echtgenoten eind 1982 en begin 1983 . In de loop van die periode woonde het gezin namelijk samen te Brussel, althans tijdens de vakantie en tijdens de weekends .
Ook deze grief snijdt geen hout . Terecht merkt de Raad op, dat de burgerlijke staat een objectief gegeven is en dat gevoelens en verzoeningsverwachtingen daar geen verandering in kunnen brengen . Nog afgezien van het feit dat het uitgesloten is dat M . niet wist dat hij gescheiden was . Blijkens het dossier op grond waarvan de tuchtraad en het tot aanstelling bevoegde gezag tot verzoekers schuld hebben geconcludeerd, werd verzoeker gedurende de hele procedure bijgestaan door een advocaat en is het uitgesloten dat deze hem niet over het verloop en de afloop van die procedure op de hoogte zou hebben gehouden . Voorts staat vast, dat M . zowel in de echtscheidingsprocedure als in de procedure betreffende de voogdij over de kinderen in personam voor de rechter is verschenen . Het feit dat hij tot 8 augustus 1985 heeft verzuimd, zijn instelling mee te delen dat zijn burgerlijke staat was gewijzigd, valt dan ook niet goed te praten .
Ook wat de schending van artikel 67, lid 2, Ambtenarenstatuut betreft, stelt M . dat er geen sprake is van kwade trouw . Volgens hem verzekeren de bepalingen van het Statuut gehuwde ambtenaren en gescheiden ambtenaren met een kind ten laste dezelfde vergoedingen . Welnu, hij heeft in België gewoond met zijn minderjarige dochter tot juli 1984, en eerst nà die datum ontving O . in Nederland kinderbijslag, zij het, zoals zij zelf op 15 november 1986 heeft toegegeven, buiten medeweten van verzoeker . Daaruit volgt dat, aangezien de instelling de vergoedingen aan een van beide echtgenoten moet betalen, de door hem afgelegde verklaringen bij zijn weten de instelling geen schade konden berokkenen .
Wat te zeggen van de aldus samengevatte stellingen? Mijns inziens zijn zij zwak, omdat uit het oog wordt verloren, dat M . in elk geval wist dat hij valse verklaringen aflegde, en dat de vertrouwensrelatie tussen hem en de Raad juist was ondergraven door de door hem getoonde dubbelhartigheid en niet door de - al dan niet opzettelijk, maar al bij al betrekkelijk geringe ( circa 200 000 BFR ) - aan de instelling berokkende schade . Daarbij komt dat M ., indien hij inderdaad niet op de hoogte was van de door O . ontvangen Nederlandse toelagen, zo hij te goeder trouw was, de vergoedingen die hij uit dien hoofde van de Raad ontving, aan haar had moeten overmaken, dan wel de Raad had moeten vragen ze rechtstreeks aan O . uit te betalen . Voorts heeft de Raad aangetoond, dat verzoeker bedragen ontving waarop hij naar hij wist geen recht had, zoals verschillende bedragen voor reiskosten van zijn voormalige echtgenote .
Het Leitmotiv - het ontbreken van kwade trouw - duikt ook op in verband met de privé-schulden en wordt hier gezocht in het feit dat M . zich nooit heeft verdedigd in de zaken waarin hij is veroordeeld . Het argument is duidelijk absurd : M .' s stilzitten bewijst enkel dat de hem verweten verzuimen in zijn ogen hoegenaamd niet gerechtvaardigd waren, of erger nog, dat hij hoegenaamd geen belang hecht aan zijn reputatie . Ten slotte is evenmin gegrond het argument dat het tot aanstelling bevoegde gezag, ofschoon het eind 1983 al wist dat zijn ambtenaar diep in de schulden zat, besloot niet tegen hem op te treden . Inderdaad heeft M .' s hiërarchieke meerdere bij nota van 27 september 1983 voorgesteld hem een lichte disciplinaire sanctie op te leggen : Deze conclusie is evenwel niet toegezonden aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en daarom is er in die zaak geen sanctie opgelegd .
8 . Gelet op het voorgaande geef ik in overweging, de op 16 juli en 5 augustus 1986 door M . tegen de Raad van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroepen te verwerpen en de kosten krachtens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering te compenseren .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy