Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In de beroepen van Del*Plato, Ferrari, Paruccini en Rodari tegen de Commissie ( gevoegde zaken*181-184/86 ) gaat het om de vraag, hoe B-ambtenaren van de wetenschappelijke of technische groepen van de Gemeenschappen naar categorie*A kunnen overgaan .
2 . Slechts twee wijzen van promotie zijn met zoveel woorden in het Ambtenarenstatuut ( hierna : het Statuut ) voorzien, te weten : het vergelijkend onderzoek en de bevordering .
3 . In het kader van de procedure van het vergelijkend onderzoek, die is geregeld in artikel*30 van het Statuut en in bijlage*III bij het Statuut, staat het aan de door het tot aanstelling bevoegd gezag benoemde jury om alle sollicitanten te beoordelen en een lijst op te stellen van de kandidaten die zij geschikt acht om de betrokken functies uit te oefenen . Het tot aanstelling bevoegd gezag kiest uit deze lijst de kandidaten, die het op de openstaande plaatsen aanstelt ( artikel*30 ). Het gaat daarbij volledig af op het oordeel van de jury en gaat voorbij aan de sollicitanten die niet op de lijst staan .
4 . Bij bevordering daarentegen ( artikel*45, lid*1 ) vergelijkt het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten van alle ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, dat wil zeggen van alle ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben .
5 . Op een bepaald ogenblik hebben de instellingen de gewoonte aangenomen, jaarlijks collectieve bevorderingen binnen de loopbanen ( voor categorie*A, van*A*7 naar*A*6 en van*A*5 naar*A*4 ) te verrichten . Om het zich gemakkelijker te maken, belastten zij raadgevende "bevorderingscomités" met de preselectie van de meest verdienstelijke kandidaten; er zijn immers nagenoeg nooit voldoende posten beschikbaar om alle kandidaten met de vereiste minimumdiensttijd te bevorderen .
6 . Het Hof had hiertegen geen bezwaar, doch eiste dat het tot aanstelling bevoegd gezag de lijst van de meest verdienstelijke kandidaten formeel tot de zijne zou maken na onderlinge vergelijking van de verdiensten van alle kandidaten, dus ook van hen die niet op de lijst stonden.*(1 ) ( In beide systemen blijft de aanstelling zelf uiteraard voorbehouden aan het tot aanstelling bevoegd gezag .)
7 . Het is duidelijk, dat een B-ambtenaar die wordt aangesteld op een A*7-post een bevordering krijgt in de ruime zin van het woord ( zie het arrest van 9*oktober*1984, gevoegde zaken*80-83/81 en*182-185/82, Adam, Jurispr.*1984, blz.*3411, r.o.*29, en D.*Rogalla, Fonction publique européenne, Édition*Fernand*Nathan, Paris, Édition*Labor, Bruxelles, 1982, blz.*137 en 138 ). Volgens het Statuut is dit echter een bijzondere vorm van bevordering, die "overgang" wordt genoemd . Artikel*45, lid*2, bepaalt immers : "De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek ."
8 . Ingevolge artikel*98, tweede*alinea, is artikel*45, lid*2, evenwel niet van toepassing op de ambtenaren die op het gebied van de kernenergie een ambt bekleden waarvoor wetenschappelijke of technische bekwaamheden worden vereist, en die bezoldigd worden uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen . Hoe kunnen die ambtenaren dan overgaan van categorie*D naar*C, van categorie*C naar*B en van categorie*B naar*A?
9 . Een eerste uitlegging is die welke verzoekers in hun eerste middel verdedigen; zij stellen dat, aangezien artikel*45, lid*2, niet van toepassing is, de regeling van lid*1 van dat artikel, dat wil zeggen de "normale" bevorderingsprocedure geldt . Deze uitlegging gaat echter voorbij aan het feit, dat lid*1 van dit artikel uitsluitend betrekking heeft op bevorderingen binnen de categorie waartoe de ambtenaar reeds behoort (" Bevordering ... brengt voor de betrokken ambtenaar aanstelling mede in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort .").
10 . Tot staving van die stelling zou evenwel kunnen worden aangevoerd, dat die beperking enkel is aangebracht omdat in lid*2 van artikel*45 wordt bepaald dat overgang naar een hogere categorie alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek; wanneer die bepaling buiten toepassing wordt verklaard, gelijk het geval is voor de onderzoekers bij Euratom, is er geen enkel logisch bezwaar meer tegen toepassing van de bevorderingsprocedure bij overgang naar een hogere categorie .
11 . Wat er ook van zij, men kan in geen geval voorbijgaan aan de beperking van artikel*45, lid*1, te weten dat bevordering geschiedt in de eerstvolgende hogere rang . Daaruit volgt dat, in de veronderstelling dat artikel*45, lid*1, van toepassing is, enkel ambtenaren van de rang*B*1 bij wege van bevordering naar categorie*A zouden kunnen overgaan .
12 . Volgens de Commissie daarentegen, kan artikel*45, lid*1, van het Statuut in het onderhavige geval niet worden toegepast, omdat er een zeer duidelijk verschil is tussen bevordering stricto sensu en overgang naar een hogere categorie . Door het vereiste van het vergelijkend onderzoek te laten vallen, zou artikel*98, tweede*alinea, het tot aanstelling bevoegd gezag een zeer ruime vrijheid laten voor het regelen van dit soort van bevorderingen, mits de fundamentele beginselen van objectiviteit, gelijkheid en dergelijke worden geëerbiedigd .
13 . De Commissie heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt bij de vaststelling van de "procedure welke voorafgaat aan de besluiten tot wijziging van categorie, van*B naar*A, voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de wetenschappelijke en de technische groepen" ( hierna : de Procedure ), die in de onderhavige zaken in geding is . Deze procedure verschilt weliswaar van die van het vergelijkend onderzoek, doch heeft ook tal van gelijkenissen daarmee .
14 . In dit verband dient bijzonder de aandacht te worden gevestigd op twee kenmerken van de Procedure .
15 . a ) *Waar artikel*45, lid*1, enkel voorziet in de mogelijkheid van bevordering naar de eerstvolgende hogere rang, kunnen op grond van de Procedure niet alleen ambtenaren van de rang*B*1, maar ook ambtenaren van de rangen*B*2, B*3 en*B*4 met een bepaalde minimumdiensttijd, in de rang*A*7 worden aangesteld .
16 . De Commissie was blijkbaar van oordeel, dat deze handelwijze zich verdroeg met de geest van de artikelen*92 en volgende van het Statuut, die de loopbaanmogelijkheden voor onderzoekers van Euratom flexibeler maken . In zijn arrest van 20*oktober*1977 ( zaak*5/76, Jaensch, Jurispr.*1977, blz.*1817, r.o.*16-18 ) overwoog het Hof, dat de mogelijkheid voor Euratom-ambtenaren om zonder vergelijkend onderzoek naar een andere categorie over te gaan, één der voordelen is die men in het Statuut voor onderzoekers heeft voorzien, ter compensatie van de onzekerheid waartoe de beperkte duur van de onderzoekprogramma' s voor hen leidt .
17 . Terloops wijs ik erop, dat die uitlegging van het Hof lijnrecht ingaat tegen die van A.*M.*Euler, directeur-generaal bij de Commissie-Euratom*(2 ), die een van de eerste commentaren op het Statuut heeft geschreven . Volgens hem vloeit uit artikel*98 voort, dat ambtenaren onmogelijk naar een andere dan de eerstvolgende hogere rang, al dan niet van dezelfde categorie, kunnen worden bevorderd . Zijns inziens moet de reden voor die beperking worden gezocht in de talrijke voordelen die de betrokken ambtenaren genieten bij hun eerste aanstelling ( krachtens de artikelen*95 en*98, eerste*alinea ), bij bevordering ( krachtens artikel*98, derde*alinea ) evenals op grond van andere bepalingen van titel*VIII .
18 . Deze uitlegging stemt misschien wel overeen met de bedoeling van de auteurs van het Statuut, doch zij volgt niet noodzakelijkerwijze uit de tekst . Door deze uitlegging te aanvaarden zou het Hof de loopbaanmogelijkheden van de betrokken ambtenaren te zeer beperken .
19 . b ) *Verder wordt in de door de Commissie ingevoerde regeling een comité ad*hoc opgericht, dat niet als raadgevend comité wordt aangemerkt . Na beëindiging van zijn werkzaamheden richt dit comité een met redenen omkleed verslag aan het tot aanstelling bevoegd gezag, met de lijst van die kandidaten die geschikt worden geacht tot het uitoefenen van een functie in de categorie*A . Deze lijst van geschikte kandidaten blijft geldig tot en met het ogenblik waarop een nieuwe lijst wordt opgesteld ( Punt*III.2.e en*f van de Procedure ).
20 . Het tot aanstelling bevoegd gezag onderzoekt dus niet de verdiensten van alle sollicitanten . Het maakt de lijst van geschikte kandidaten zonder meer tot de zijne en stelt de op die lijst geplaatste personen aan naar gelang er posten vrijkomen . In dit -*essentiële *- opzicht gelijkt de procedure ad*hoc derhalve sterk die van het vergelijkend onderzoek .
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
21 . Om redenen waar ik verder zal op ingaan, zijn verzoekers van mening, dat de Procedure onwettig is . Zij verzoeken het Hof dan ook, ze op grond van de artikelen*184 EEG-Verdrag en*156 EGA-Verdrag niet-toepasselijk te verklaren .
22 . Naar de mening van de Commissie is deze exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk .
23 . Volgens de twee artikelen waarop verzoekers zich beroepen, dient de handeling waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd "een verordening van de Raad of van de Commissie" te zijn .
24 . In weerwil van deze terminologie is het Hof van oordeel, dat in de artikelen*184 EEG-Verdrag en*156 EGA-Verdrag een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht besloten ligt, volgens hetwelk de exceptie van onwettigheid moet kunnen worden opgeworpen tegen de toepassing van alle handelingen van de instellingen waarbij algemene regels worden vastgesteld, op voorwaarde dat er een rechtstreekse en noodzakelijke juridische band bestaat tussen de bestreden handeling en de algemene handeling waarvan de onwettigheid wordt ingeroepen.*(3 )
25 . Met betrekking tot het Ambtenarenstatuut overwoog het Hof in zijn arrest van 18*maart*1975*(4 ):
"dat in het kader van de bij artikel 91 van het Ambtenarenstatuut opengestelde beroepsweg en in het geval van een handeling van algemene aard, bestemd om ten uitvoer te worden gelegd door middel van een reeks individuele besluiten jegens alle of een groot aantal ambtenaren van een instelling, de ambtenaar individueel niet het recht kan worden ontzegd de onwettigheid dier handeling in te roepen ter betwisting van het individuele besluit, ten einde zekerheid te verkrijgen over de vraag hoe en in hoeverre zijn individuele belangen worden geraakt ."
26 . Is de Procedure als een dergelijke handeling te beschouwen?
27 . Het Hof heeft dienaangaande reeds gesteld*(5 ):
"... dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een interne richtlijn of een interne ordemaatregel, zoals de door de Commissie vastgestelde Procedure, niet kan worden aangemerkt als een rechtsregel welke de administratie hoe dan ook verplicht is na te leven, doch dat zij wel een gedragsregel vormt, die aangeeft welke praktijk zal worden gevolgd en waarvan de administratie op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling, niet zonder opgaaf van redenen kan afwijken ." ( 6 )
28 . Een dergelijke interne richtlijn kan hoe dan ook geen regels geven die afwijken van de bepalingen van het Statuut.*(7 )
29 . Derhalve mag worden geconcludeerd, dat indien één of meer ambtenaren die door een dergelijke regel worden getroffen, van oordeel zijn dat hij in strijd is met een bepaling van het Statuut of met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, moet worden aanvaard dat zij daartegen een exceptie van onwettigheid opwerpen .
30 . Volgens de Commissie is een dergelijke exceptie van onwettigheid in het onderhavige geval evenwel niet-ontvankelijk, gezien de gelijkenis tussen de Procedure en een aankondiging van vergelijkend onderzoek . Zij beroept zich daartoe op het arrest van 11*maart*1986 ( zaak*294/84, Adams e.a ., Jurispr.*1986, blz.*977 ), waarvan de in casu relevante passage onder punt II*A van het rapport ter terechtzitting is geciteerd .
31 . Niet ten onrechte wijst de Commissie erop, dat de litigieuze regeling "net als een aankondiging van vergelijkend onderzoek, betrekking had op een welbepaalde procedure van overgang van categorie*B naar categorie*A, die onder de erin gestelde voorwaarden openstond voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de wetenschappelijke en de technische groepen die vóór 30*september*1983 zouden solliciteren ."
32 . Anderzijds moet worden vastgesteld, dat het formeel gezien niet om een aankondiging van vergelijkend onderzoek ging en dat de gewraakte tekst regels bevatte die tot op zekere hoogte normatief zijn, hetgeen niet het geval is bij echte aankondigingen van vergelijkend onderzoek .
33 . In zijn arrest Jaensch van 20*oktober*1977 ( zaak*5/76, Jurispr.*1977, blz.*1817 ) heeft het Hof overigens reeds een beroep tot nietigverklaring van de Procedure ( in een eerdere, grotendeels gelijklopende versie ) verworpen, en derhalve impliciet geoordeeld, dat het beroep tegen die regeling ontvankelijk was .
34 . Ten slotte zij erop gewezen, dat na het arrest Adams van 11*maart*1986 een andere zaak -*zaak*307/85, Gavanas *- bij het Hof is aanhangig gemaakt, waarin de verwerende instelling aanvoerde, dat een beroep tot nietigverklaring van een aanstelling wegens onregelmatigheid van het vergelijkend onderzoek niet-ontvankelijk was, omdat verzoeker niet binnen de termijnen tegen het vergelijkend onderzoek was opgekomen . Advocaat-generaal*Lenz*(8 ) betoogde, dat de rechtspraak in de regel toelaat, dat in zulke situaties eerdere handelingen ( aankondigingen van vergelijkend onderzoek, handelingen in het kader van het vergelijkend onderzoek ) als voorbereidende handelingen in de procedure worden betrokken en incidenter worden bestreden . Hij verwees in dat verband naar de arresten in de zaken*11*(9 ) en 21/65*(10 ), 37/72*(11 en 101/77*(12 ) en gaf in overweging de betrokken grieven niet af te wijzen op grond dat verzoeker ze tijdig in een apart beroep had moeten aanvoeren .
35 . In zijn arrest Gavanas van 10*juni*1987, Jurispr.*1987, r.o.*16 ) overwoog het Hof : "Aangezien de onwettigheid van de handelingen die tot het bezwarend besluit hebben geleid, met name de handelingen van de jury, kan worden ingeroepen in het kader van een beroep tegen het definitieve besluit dat door de handelingen is voorbereid, kan uit de omstandigheid dat verzoeker niet direct beroep heeft ingesteld tegen de handelingen van de jury, niet worden afgeleid dat hij daarin heeft berust ."
36 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door verzoekers tegen de wettigheid van de Procedure aangevoerde middelen niet af te wijzen, op grond dat ze te laat zijn aangewend .
a ) *De rol van het comité ad hoc
37 . In hun eerste middel werpen verzoekers een exceptie van onwettigheid op tegen een wezenlijk onderdeel van de Procedure, te weten de omstandigheid dat aan het comité ad*hoc de bevoegdheid wordt verleend om de definitieve lijst van geschikte kandidaten op te stellen, als ging het om een vergelijkend onderzoek .
38 . Op dit punt zou de Procedure in strijd zijn met de enige bepaling die in casu van toepassing is, namelijk artikel*45, lid*1 . Verzoekers voeren aan, dat ingevolge die bepaling het tot aanstelling bevoegd gezag, na onderlinge vergelijking van de verdiensten van alle ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen alsmede van de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, in volle vrijheid over de aanstelling beslist, zonder daarbij aan de lijst van geschikte kandidaten gebonden te zijn .
39 . Dit argument van verzoekers kan evenwel niet slagen . Zoals ik hiervoren heb gezegd, staat artikel*45, lid*1, ingeval het van toepassing zou zijn, immers enkel bevorderingen naar "de eerstvolgende hogere rang" toe, dat wil zeggen van*B*1 naar*A*7 of zelfs naar*A*8 . Welnu, toen zij hun beroep instelden, was één der verzoekers ambtenaar in de rang*B*2, twee waren ambtenaren in de rang*B*3 en de vierde was ambtenaar in de rang*B*4 .
40 . Bijgevolg is de door verzoekers tegen de Procedure opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang .
41 . Er zij aan herinnerd, dat het Hof in het verleden meermaals middelen niet-ontvankelijk heeft verklaard bij gebrek aan belang ( zie met name de arresten van 15*maart*1973, zaak*37/72, Marcato, reeds aangehaald, en van 16*oktober*1975, zaak*90/74, Deboeck, Jurispr.*1975, blz.*1123, alsmede de door advocaat-generaal J.*P.*Warner in zijn conclusie in die laatstgenoemde zaak geciteerde arresten, Jurispr.*1975, blz.*1143 ).
42 . Het is evenwel mijn taak, subsidiair de grond van verzoekers' argumenten te onderzoeken .
43 . In de eerste plaats denk ik, dat aan de Commissie niets had kunnen worden verweten, indien zij ambtenaren van de rang*B*1 had bevorderd op basis van de criteria en de procedure van artikel*45, lid*1 .
44 . Dit betekent evenwel niet, dat zij onwettig heeft gehandeld, door de Procedure vast te stellen .
45 . In zijn reeds aangehaalde arrest Jaensch heeft het Hof artikel*98, tweede*alinea, ruim uitgelegd, door te stellen dat artikel*92 voorziet in de mogelijkheid dat de aldaar bedoelde ambtenaren zonder vergelijkend onderzoek naar een andere categorie overgaan . Volgens het Hof is dit dus een andere weg dan die welke eventueel reeds voortvloeit uit artikel*45, lid*1, en is deze niet beperkt tot ambtenaren van de rang*B*1 .
46 . Het is dan weer de vraag, of de Commissie bij de toepassing van artikel*98, tweede*alinea, elementen mocht ontlenen aan de procedure van het vergelijkend onderzoek, en met name het beginsel van een door een jury vastgestelde definitieve lijst van geschikte kandidaten mocht overnemen .
47 . Met andere woorden, wat is de juiste draagwijdte van artikel*98, tweede*alinea, luidens welke artikel*45, lid*2, "niet van toepassing is" op de ambtenaren die worden bezoldigd uit kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen? Ingevolge artikel*45, lid*2, "( kan ) de overgang van een ambtenaar naar een ... hogere categorie ... alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek ". Aangezien artikel*98 dit voorschrift opheft, kan de betrokken overgang derhalve zonder vergelijkend onderzoek plaatsvinden .
48 . Mijns inziens is het evenwel in strijd met de logica, uit die twee teksten te concluderen, dat voor Euratom-ambtenaren de overgang van categorie*B naar categorie*A zonder vergelijkend onderzoek moet plaatsvinden .
49 . Wanneer de Commissie nu een vergelijkend onderzoek mag organiseren, heeft zij eveneens het recht om een procedure toe te passen, die, ofschoon verschillend van die van het vergelijkend onderzoek, een aantal specifieke elementen daarvan overneemt .
50 . Bij een andere gelegenheid heeft het Hof immers reeds verklaard, dat "in beginsel niets eraan in de weg staat, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij wege van intern besluit met algemene strekking regelingen stelt voor de uitoefening van de hem door het Statuut toegekende discretionaire bevoegdheid" ( arrest van 6*juni*1985, zaak*146/84, De*Santis, Jurispr.*1985, blz.*1723, r.o.*11 ).
51 . Voorts heeft het Hof geoordeeld, dat de Commissie, zelfs indien zij bij wege van bevordering in de vacature kon voorzien omdat er een kandidaat met de vereiste anciënniteit voorhanden was, op grond van haar ruime beoordelingsbevoegdheid kon beslissen een vergelijkend onderzoek te organiseren ( arrest van 25*november*1976, zaak*123/75, Kuster, Jurispr.*1976, blz.*1709 ).
52 . Het is ten slotte duidelijk, dat -*anders dan verzoekers betogen *- de Procedure niet impliceert, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn "bevorderingsbevoegdheid" heeft gedelegeerd . Het tot aanstelling bevoegd gezag beslist vrijelijk over de wijzigingen van categorie op basis van de lijst van geschikte kandidaten . Opneming op de lijst verleent geen recht op aanstelling .
b ) *Schending van de bepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken
53 . Verzoekers betogen, dat zodra de Commissie opteerde voor een systeem van vergelijkend onderzoek, zij alle in bijlage*III bij het Statuut neergelegde bepalingen betreffende de procedure van het vergelijkend onderzoek had moeten naleven .
54 . Ik meen hiervoren reeds te hebben uiteengezet, waarom zij daartoe niet verplicht was .
55 . De bepaling volgens welke de aankondiging van een vergelijkend onderzoek de aard van de functie en de daaraan verbonden bevoegdheden moet vermelden ( bijlage*III, artikel*1, lid*1, sub*c ) kon de Commissie overigens niet naleven, omdat zij bij de bekendmaking van de Procedure onmogelijk met zekerheid kon weten, welke posten tijdens de geldigheidsduur van de lijst van geschikte kandidaten vacant zouden worden .
56 . De Commissie moest er uiteraard voor waken, dat geen hogere rechtsregel werd geschonden .
57 . Verzoekers wijzen er vooral op dat, overeenkomstig de voorlaatste alinea van artikel*5 van bijlage*III, het aantal op de lijst geplaatste kandidaten ten minste tweemaal het aantal der ambten had moeten bedragen die de inzet van het vergelijkend onderzoek vormden .
58 . Volgens de betrokken tekst moet dit evenwel slechts gebeuren "in de mate van het mogelijke ".
59 . Zelfs al ware het aantal kandidaten op de lijst niet aanzienlijk groter geweest dan het aantal te verwachten volgens de begroting beschikbare posten, dan nog kan deze bijzonderheid, volgens de rechtspraak van het Hof, het resultaat van de werkzaamheden van het comité niet aantasten . Volgens het arrest van 26*oktober*1978 ( zaak*122/77, Agneessens, Jurispr.*1978, blz.*2085, 2098, r.o.*22 ), "houdt artikel 5, vijfde alinea, van bijlage III niet meer in dan een aanbeveling aan de jury, die tot doel heeft de besluitvorming van het tot aanstelling bevoegd gezag te vergemakkelijken, en die moet worden beoordeeld mede gelet op de aard en omstandigheden van het vergelijkend onderzoek, het aantal kandidaten en hun kwalificaties ". De betrokken bepaling is derhalve geen fundamenteel beginsel dat in alle omstandigheden moet worden nageleefd .
60 . Aan het comité ad*hoc was gevraagd, rekening te houden met de te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen, dat wil zeggen met het aantal vacatures waarin tijdens de geldigheidsduur van de lijst van geschikte kandidaten bij wege van overgang naar een hogere categorie zou kunnen worden voorzien . Die geldigheidsduur was evenwel niet van tevoren vastgesteld : er was enkel bepaald, dat de lijst geldig bleef tot en met het ogenblik waarop een nieuwe lijst zou worden opgesteld ( punt*III.2.f ). Aangezien dit soort bevorderingsprocedure niet regelmatig plaatsvindt, bleef enige onzekerheid bestaan omtrent de geldigheidsduur van de lijst en dus ook omtrent het aantal te verwachten volgens de begroting beschikbare posten . De Commissie kon derhalve niet met zekerheid bepalen hoeveel "ambten de inzet van het vergelijkend onderzoek vormden" en het comité bijgevolg ook niet hoeveel het dubbele van dat aantal bedroeg .
61 . Achteraf gezien blijkt uit de door de Commissie overgelegde cijfers, dat ten tijde van de mondelinge behandeling negen aanstellingen waren verricht en twee andere binnen afzienbare tijd zouden gebeuren, terwijl er vijftien kandidaten op de lijst stonden . Drie jaar na de selectie was het aantal kandidaten op de lijst dus nog steeds aanzienlijk groter dan het aantal vacatures waarin was voorzien .
62 . In deze omstandigheden kan dit middel niet worden aanvaard .
c ) *Schending van het gelijkheidsbeginsel ten nadele van sollicitanten met diploma
63 . Om de in het rapport ter terechtzitting nader uiteengezette redenen, zijn verzoekers van mening, dat de in de Procedure voorziene vrijstelling van verhandeling voor ambtenaren of personeelsleden met een diploma van universitair niveau in feite tot gevolg heeft gehad, dat zij minder gunstig werden behandeld dan de andere sollicitanten .
64 . Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het algemene gelijkheidsbeginsel, dat tot de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht behoort, niet in de weg staat aan ongelijke behandeling van ongelijke situaties .
65 . Vaststaat evenwel, dat er een objectief verschil bestond tussen sollicitanten met en sollicitanten zonder een diploma van universitair niveau . Mijns inziens heeft de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt, door aan te nemen dat de geschiktheid van eerstgenoemden -*althans tot op zekere hoogte *- werd aangetoond door het bezit van een diploma en dat het dus niet nodig was van hen een verhandeling te verlangen .
66 . Het kan inderdaad voorkomen, dat een sollicitant zijn geschiktheid beter kan aantonen door een verhandeling in te dienen en vragen daarover te beantwoorden, dan door voor de vuist weg een uiteenzetting te moeten geven over een onderwerp dat hij uit een door het comité ad*hoc opgestelde lijst van drie onderwerpen heeft mogen kiezen .
67 . Daartegenover staat, dat de enige sollicitant met diploma aan wie was voorgesteld een verhandeling in te dienen en die dat ook heeft gedaan, van mening is dat die keuze hem heeft benadeeld .
68 . In het algemeen kunnen verzoekers, die overigens menen dat zij op grond van hun diploma het recht hadden om zonder meer op de lijst van geschikte kandidaten te worden geplaatst, niet betwisten, dat van hen een ruimere en grondigere basiskennis mocht worden verwacht dan van sollicitanten die hun vakbekwaamheid hadden verworven in de uitoefening van hun functie, en dat die kennis hen in staat had moeten stellen zonder al te veel moeilijkheden een uiteenzetting te houden over een onderwerp dat toch op zijn minst verband hield met hun vakgebied . Beziet men de lijst van onderwerpen waaruit verzoekers dienden te kiezen, dan blijkt dat dit laatste inderdaad het geval was .
69 . De vragen die het comité nadien over bepaalde aspecten van het gekozen onderwerp stelde, konden voor de sollicitanten dus ook geen volkomen verrassing zijn .
70 . Verzoekers' advocaat voert evenwel aan, dat architect Del*Plato bijzonder is benadeeld door het door het comité ad*hoc toegepaste systeem . Uit de drie onderwerpen die hem waren voorgesteld, koos deze sollicitant voor een uiteenzetting over "De rol van de architect in een reeds functionerend centrum voor kernonderzoek ." Het is nauwelijks denkbaar, dat dit onderwerp en de vragen die daarover tijdens het daaropvolgende kwartier zijn gesteld, hem hebben belet zijn bekwaamheid aan te tonen en hem hebben benadeeld ten opzichte van de sollicitanten die een verhandeling mochten indienen .
71 . Gelet op het voorgaande ben ik dan ook van mening, dat hier geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel ten nadele van kandidaten met een diploma van universitair niveau .
d ) *De kritiek op het laatste deel van het onderhoud
72 . In het laatste kwartier van het onderhoud kwamen vragen betreffende de algemene kennis op wetenschappelijk en technisch gebied aan de orde . Verzoekers betogen, dat die vragen, die geen verband hielden met hun vakgebied, dermate algemeen waren, dat de sollicitant ze slechts met algemeenheden kon beantwoorden .
73 . Hierbij zij allereerst opgemerkt, dat deze fase van het onderhoud voor de sollicitanten van de twee categorieën op dezelfde wijze verliep . De vijf vragen die aan elke sollicitant werden gesteld, kwamen uit één en dezelfde lijst . Eén van de vragen had betrekking op het vakgebied van de betrokken sollicitant . Aangezien er dan nog vier vragen overbleven, was de kans gering, dat zij alle vier zeer moeilijk of zeer gemakkelijk waren . Hoe groter de wetenschappelijke en technische onderlegdheid van de sollicitant, des te meer vragen hem gemakkelijk dienden te lijken .
74 . Men mag zelfs aannemen, dat de houders van een diploma van hoger onderwijs a*priori beter gewapend waren om die vragen te beantwoorden dan de andere sollicitanten .
75 . Gezien de ruime beoordelingsbevoegdheid die alle selectie-organen volgens het Hof hebben, mocht het comité ad*hoc stellig handelen zoals het heeft gedaan . De gevolgde methode was niet van dien aard dat zij tot een kennelijk onjuiste beoordeling van de geschiktheid van de sollicitanten had kunnen leiden .
e ) *Het ontbreken van notulen van de verschillende gesprekken
76 . Hierover kan ik uiterst kort zijn . In zijn met redenen omkleed verslag heeft het comité ad hoc zijn werkwijze omstandig uiteengezet . Het tot aanstelling bevoegd gezag en het Hof hebben kunnen vaststellen, dat het comité ernstig en systematisch heeft gewerkt . Het comité heeft uiteengezet hoe het voor de verschillende fasen van de procedure een cijfer heeft toegekend . Van een dergelijk comité kan niet worden verlangd, dat het in zijn verslag ook alle aan de kandidaten gestelde vragen opneemt evenals de manier waarop zij daarop hebben geantwoord . Ten slotte kon er geen sprake van zijn, het verslag te laten vergezeld gaan van een bijlage met de deel - en eindcijfers van iedere sollicitant, omdat dit in geval van indiscretie de slechtst gerangschikte sollicitanten zou hebben geschaad .
f ) *De niet-inachtneming van de aanvankelijk genoemde termijnen
77 . Deze termijnen waren uiteraard slechts ter informatie gegeven .
g ) *Niet-bekendmaking van de beoordelingsmethode
78 . Dit punt heb ik reeds sub*e behandeld .
h ) *De onregelmatigheid bestaande in het gebruik van een aan hiërarchieke meerderen toegestuurde modelvragenlijst en de schending van de rechten van de verdediging
79 . Verzoekers betogen, dat de door het comité ad hoc aan de hiërarchieke meerderen van de sollicitanten toegestuurde modelvragenlijst niet kan worden gelijkgesteld met het in de Procedure voorziene onderhoud met de hiërarchieke meerderen van elke kandidaat, en dat de bepalingen van de Procedure derhalve zijn geschonden .
80 . De Procedure voorzag weliswaar niet in een dergelijke vragenlijst, doch het verschil tussen een vragenlijst en een onderhoud is mijns inziens niet van dien aard, dat beide niet als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd . Het komt mij voor, dat een vragenlijst de sollicitanten betere waarborgen biedt dan een gewoon onderhoud, daar het invullen ervan een zekere reflexie vergt .
81 . Uit hun repliek blijkt overigens, dat verzoekers de wettigheid van het eventuele onderhoud van de jury met hun hiërarchieke meerderen in ieder geval zouden hebben betwist, indien zij niet in de gelegenheid waren gesteld om hun standpunt over de mondelinge opmerkingen van hun meerderen kenbaar te maken . Zij zouden zich daartoe hebben beroepen op hetzelfde arrest van 11*maart*1986 ( zaak*294/84, Adams, Jurispr.*1986, blz.*977 ) dat zij thans aanvoeren tegen het feit dat de door hun meerderen ingevulde vragenlijst hun niet voor commentaar is overgelegd .
82 . Derhalve behoeft enkel te worden nagegaan, of verzoekers de gelegenheid hadden moeten krijgen om hun opmerkingen te maken bij de antwoorden van hun meerderen . Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de zaak Adams en de onderhavige zaak, in die zin dat in de zaak Adams de gesprekken een veel belangrijkere rol hebben gespeeld . Daar ging het om de vraag of 53 ambtenaren hadden moeten worden opgenomen op de lijst van kandidaten die tot de examens van een vergelijkend onderzoek werden toegelaten . Het besluit om hen niet op die lijst te plaatsen, was uitsluitend gebaseerd op hun dossier en op de gesprekken die de jury met de assistenten van de directeurs-generaal had gevoerd .
83 . In de onderhavige zaken volgt het besluit om verzoekers niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, op gesprekken die verzoekers zelf met het comité ad*hoc hebben gevoerd .
84 . De aan de kandidaten toegekende cijfers zijn uitsluitend op die twee gesprekken gebaseerd . ( Het voor het eerste onderhoud toegekende cijfer is in sommige gevallen verhoogd voor de publikaties van de kandidaten, die door een lid van de jury zijn gelezen en besproken .) Voor de antwoorden van de hiërarchieke meerderen op de vragenlijst is geen cijfer toegekend .
85 . Wij staan hier evenmin voor een situatie als die welke in de zaak Rittweger ( arrest van 3*februari*1971, zaak*21/70, Jurispr.*1971, blz.*7, 17 en*18 ) aan de orde was . In dat arrest overwoog het Hof, dat een door de personeelsdienst in de loop van een selectieprocedure aan de leden van de Commissie toegestuurd telexbericht, dat een beoordeling van de sollicitanten inhield en deze laatsten niet ter kennis was gebracht, de geldigheid van de procedure aantastte . Het in die zaak bestreden besluit was genomen zonder dat de sollicitanten een examen hadden afglegd en zonder dat het tot aanstelling bevoegd gezag met hen een onderhoud had gehad . Bovendien merkte het Hof in zijn arrest uitdrukkelijk op, dat het betrokken telexbericht op de inhoud der bestreden besluiten van beslissende invloed was geweest en voor de verzoekster weinig gunstige beoordelingen bevatte die in flagrante strijd waren met het oordeel waartoe men bij lezing van haar beoordelingsrapport kwam .
86 . In het onderhavige geval was dit niet zo . Om de hiervoren genoemde redenen kan onmogelijk worden geconcludeerd, dat de antwoorden van de hiërarchieke meerderen op de vragenlijst van beslissende invloed zijn geweest op de beslissingen van het comité ad*hoc . Vaststaat overigens, dat geen enkel antwoord een negatieve beoordeling inhield .
87 . Ter terechtzitting is namens verzoekers zelfs gesteld, dat de antwoorden op de vragenlijst het comité ertoe hadden moeten aanzetten verzoekers op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen . Volgens de rechtspraak van het Hof leidt een onregelmatigheid in de procedure evenwel slechts tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit, indien vaststaat dat het aangevochten besluit bij ontbreken van deze onregelmatigheid een andere inhoud zou hebben gehad ( arresten van 23*april*1986, zaak*150/84, Bernardi, Jurispr.*1986, blz.*1375, r.o.*28, en 29*oktober*1980, gevoegde zaken*209-215 en*218/78, Van*Landewyck, Jurispr.*1980, blz.*3125, 3239, r.o.*47 ).
88 . Mitsdien falen ook deze twee middelen .
i ) *De door Paruccini aangevoerde middelen
89 . Paruccini voert allereerst aan, dat de jury zijn verhandeling niet heeft onderzocht . Voor zover hij daarmee bedoelt, dat niet alle leden van de jury zijn verhandeling hebben gelezen, moet worden vastgesteld dat de Procedure dit niet verlangt . Bedoelt hij daarentegen, dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om zijn verhandeling gedurende vijftien minuten toe te lichten voor het comité ad*hoc, dan had hij het bewijs van die procedurefout moeten leveren, wat hij niet heeft gedaan .
90 . Verder is verzoeker van mening, dat het comité ad*hoc zich, gezien het zeer speciale onderwerp van die verhandeling, had moeten laten bijstaan door een deskundige .
91 . De Procedure bepaalt evenwel, dat "het comité deskundigen kan aanwijzen om zich te doen bijstaan tijdens het indienen van de verhandeling en het onderzoek daarvan in aanwezigheid van de kandidaat ". Het comité mocht derhalve oordelen, dat het in dit geval niet nodig was een beroep te doen op een deskundige . Voorts is niet aangetoond, dat het lid van het comité dat verzoekers verhandeling heeft onderzocht en hem de beoordeling "goed" heeft toegekend, niet bekwaam was om daarover te oordelen, en verzoeker heeft ook niet aangeboden het bewijs daarvan te leveren .
Conclusie
92 . Daar geen enkele van verzoekers' grieven mij gegrond voorkomt, geef ik het Hof in overweging de beroepen te verwerpen .
93 . Over de kosten dient uiteraard te worden beslist overeenkomstig artikel*70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1)**Zie met name het arrest van 12*oktober*1978, zaak*86/77, Ditterich, Jurispr.*1978, blz.*1855, 1864, r.o.*17 .
( 2 ) A.*M.*Euler, "Europaeisches Beamtenstatut", Dritter Teilband, blz.*692, Koelner Schriften zum Europarecht, Carl Heymanns Verlag KG, 1966 .
( 3)**Arrest van 10 juni 1986, gevoegde zaken 81 en 119/85, Usinor, Jurispr . 1986, blz.*1777, r.o . 13 .
( 4 )* Arrest van 18 maart 1975, gevoegde zaken 44, 46 en 49/74, Acton en anderen, Jurispr . 1975, blz . 383, r.o . 7; in dat geval was de "handeling van algemene aard, bestemd om ten uitvoer te worden gelegd" een besluit van de Commissie van 21 maart 1973 inzake salarisinhouding over stakingsdagen .
( 5 )* Arrest van 9*oktober*1984, gevoegde zaken 80 tot en met 83/81 en 182 tot en met 185/82, Adam en anderen, Jurispr.*1984, blz.*3411, r.o.*22; zie ook mijn conclusie in zaak*15/85, Consorzio cooperative d' Abruzzo, Jurispr.*1987, blz.*1005, 12014, en de aldaar geciteerde rechtspraak, d.w.z . de arresten van 30*januari*1974, zaak*148/73, Louwage, Jurispr.*1974, blz.*81, r.o.*12; 1*december*1983, zaak*343/82, Michael, Jurispr.*1983, blz.*4023, r.o.*14 en 13*december*1984, gevoegde zaken*129 en*274/82, Lux, Jurispr.*1984, blz.*4127, r.o.*20 .
( 6 )* Zie in dezelfde zin het arrest van 21*april*1983, zaak*282/81, Ragusa, Jurispr.*1983, blz.*1245, r.o.*18; de betrokken "interne ordemaatregel", waaraan het Hof rechtswaarde toekent, is een nota van het tot aanstelling bevoegd gezag waarin een procedure is neergelegd voor een ( niet in het Statuut voorziene ) bevordering .
( 7 )* Zie het arrest van 1*december*1983, zaak*343/82, Michael, Jurispr.*1983, blz.*4023, r.o.*16 .
( 8 )* Conclusie van advocaat-generaal C.*O.*Lenz van 21*januari*1987 in zaak*307/85, Gavanas, Jurispr.*1987, blz.*2435, r.o.*27 en*28 .
( 9 )* Arrest van 14*december*1965, zaak*11/65, Morina, Jurispr.*1965, blz.*1311 .
( 10)*Arrest van 14*december*1965, zaak*21/65, Morina, Jurispr.*1965, blz.*1333 .
( 11)*Arrest van 15*maart*1973, zaak*37/72, Marcato, Jurispr.*1973, blz.*361 .
( 12)*Arrest van 13*april*1978, zaak*101/77, Ganzini, Jurispr.*1978, blz.*915 .
Full & Egal Universal Law Academy