Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Dit verzoek van de Schotse Court of Session om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag stelt een aantal belangrijke vragen aan de orde in verband met het recht op beroepsopleiding aan een universiteit, inzonderheid het recht op een toelage ter voorziening in de kosten van levensonderhoud . Het is de laatste in een reeks van vijf zaken waarin ik reeds conclusie heb genomen en die ten dele betrekking hebben op dezelfde vragen . Om herhaling te voorkomen zal ik, waar nodig, naar die conclusies verwijzen . De relevante feiten waarover tussen partijen overeenstemming bestaat, zijn, als ik het zo mag zeggen, glashelder uiteengezet in de verwijzingsbeschikking en kunnen worden samengevat als volgt :
Verzoeker in het hoofdgeding, Steven Malcolm Brown, is in 1966 geboren in Frankrijk . Zijn Britse vader en zijn Franse moeder werkten beiden tot 1965 in Engeland . Toen verhuisden zij naar Frankrijk, waar zij op het voor deze procedure relevante tijdstip nog woonden . Verzoeker, die de Franse en de Britse nationaliteit bezit, liep school in Frankrijk, waar hij in juni 1983 slaagde voor zijn eindexamen middelbare school . Hij werd door de universiteit van Cambridge toegelaten tot de opleiding voor elektrotechnisch ingenieur, die in het najaar van 1984 zou beginnen .
Alvorens naar Cambridge te gaan, werkte verzoeker vanaf 9 januari 1984 als stagelopend ingenieur bij Ferranti plc te Edinburgh . Dit was een voltijdbetrekking in loondienst, omschreven als "pre-universitaire bedrijfsstage" ( pre-university industrial training ), waarvoor sociale zekerheidsbijdragen werden afgedragen . Na een introductieprogramma van twaalf weken, werd hij volgens de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking belast met "praktisch elektrotechnisch werk dat voor de normale handelsactiviteiten van het bedrijf werd verlangd ". Voorwaarde voor het verrichten van een dergelijke stage was, dat hij reeds tot de universiteit was toegelaten . Op 14 september 1984 beëindigde hij zijn werk bij Ferranti om in Cambridge zijn studie te beginnen .
In oktober 1984 verklaarde Ferranti zich bereid, verzoeker onder haar universitaire sponsoringsregeling ( University Sponsorship Scheme ) te sponsoren . Op grond daarvan kreeg hij elke studieperiode een geldbedrag en een betaalde bedrijfsstage tijdens de zomervakantie . Verzoeker was niet verplicht om hiervoor na zijn studies bij Ferranti te gaan werken en Ferranti was niet verplicht hem na zijn studies te werk te stellen . Gewoonlijk sponsort Ferranti alleen studenten die het eerste jaar van de universitaire opleiding met succes hebben afgesloten, doch in casu werd van die voorwaarde afgeweken en werd rekening gehouden met zijn prestaties als stagiair begin 1984 .
De universiteit van Cambridge adviseert de studenten die een opleiding voor elektrotechnisch ingenieur willen volgen, bedrijfservaring op te doen alvorens met de studie te beginnen, doch stelt dit niet als voorwaarde . Wel is vereist dat de studenten vóór het einde van het tweede jaar acht weken bedrijfservaring hebben opgedaan .
Verzoeker is van plan om het diploma van elektrotechnisch ingenieur te behalen, als zodanig te gaan werken, en lid te worden van de beroepsvereniging van elektrotechnische ingenieurs, de Institution of Electrical Engineering .
De door hem gevolgde, universitaire opleiding beoogt de studenten een ruime algemene kennis op het gebied van de ingenieurswetenschappen en de elektrotechniek te verschaffen . Zij omvat ook colleges wiskunde en bedrijfsorganisatie . De zeer gespecialiseerde vakken op het gebied van de elektrotechniek worden pas in het derde jaar gegeven .
De voornaamste lidmaatschapsklassen van de Institution of Electrical Engineering ( hierna : de Institution ) zijn : studentenleden, geassocieerde leden, leden en fellows . Leden en fellows worden "corporate members" genoemd . Degene die na het volgen van een door de Institution erkende opleiding, zoals verzoekers opleiding, een gespecialiseerd diploma eerste of tweede klas behaalt op het gebied van de elektrotechnische wetenschappen of op een daarvoor relevant gebied, zoals natuurkunde, wiskunde, computerwetenschappen of informatica, voldoet aan de opleidingseisen van de Institution en kan terstond geassocieerd lid worden . Om "corporate member" te worden, wordt ook nog bepaalde praktijkopleiding en -ervaring vereist . Bovendien moet de kandidaat een "beroepstest" afleggen, bestaande uit een schriftelijke aanvraag waarin zijn ervaring wordt vermeld, en een interview daarover . Terwijl in het Verenigd Koninkrijk eenieder als technicus werkzaam mag zijn en de titel "engineer" mag voeren zonder een formeel getuigschrift van beroepsbekwaamheid te bezitten en zonder lid te zijn van een bepaalde instelling, mag degene die in het register van de afdeling beroepsingenieurs van de Engineering Council is opgenomen, de titel "Chartered Engineer" en de afkorting "C . Eng ." voeren, mits hij lid is van een erkende instelling . Corporate members van de Institution hebben het recht, aldus te worden geregistreerd .
De Secretary of State for Scotland trof op grond van zijn wettelijke bevoegdheid de navolgende regelingen inzake de betaling van opleidingstoelagen uit de openbare middelen : de Students' Allowance ( Scotland ) Regulations 1971 ( SI 1971/124 ), zoals gewijzigd bij de Students' Allowances ( Scotland ) Amendment Regulations 1983 ( SI 1983/798 ) en de Students' Allowances ( Scotland ) Amendment ( no . 2 ) Regulations 1983 ( SI 1983/1536 ). De opleidingstoelage bestaat voornamelijk uit twee elementen, namelijk een bedrag ter voorziening in het levensonderhoud ( de maintenance allowance, waarvan het bedrag afhangt van de bijdrage van de ouders, die aan de hand van het inkomen van de ouders wordt berekend ), en het schoolgeld dat onafhankelijk van het inkomen van de student of van zijn ouders door het Scottish Education Department ( SED ) rechtstreeks aan de universiteit wordt betaald .
De regeling behoeft niet in detail te worden weergegeven . Het volstaat, erop te wijzen dat het SED bij brieven van 6 augustus en 18 oktober 1984 verzoekers aanvraag om een studietoelage heeft afgewezen om de navolgende redenen : hij zou recht op een opleidingstoelage hebben gehad, wanneer hij had voldaan aan de voorwaarden vermeld in de drie weigeringsgronden :
1 ) verzoeker had tijdens de drie jaren voorafgaand aan 31 augustus 1984 zijn gewone verblijfplaats niet op de Britse eilanden ;
2 ) ofschoon hij tijdens die periode binnen de Europese Gemeenschap woonde, was hij niet ten minste gedurende negen van de twaalf maanden voorafgaande aan 31 augustus 1984 in Schotland werkzaam geweest, en hield de gevraagde toelage geen verband met een cursus aan een instelling voor beroepsopleiding ( dat wil zeggen een "vakschool" in de zin van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad, PB 1968, L 257, blz . 2 ), twee voorwaarden waaraan een onderdaan van een EG-Lid-Staat die binnen de Gemeenschap elders dan in Schotland woont, moet voldoen om in aanmerking te komen voor een toelage . Opgemerkt zij, dat in dit verband nog aan een andere voorwaarde moet worden voldaan, namelijk dat de betrokkene zich uitsluitend of hoofdzakelijk met het oog op het aanvaarden of het zoeken van werk naar het Verenigd Koninkrijk heeft begeven;
3 ) ofschoon verzoeker als kind van EG-onderdanen binnen de Gemeenschap woonde, was geen van zijn ouders in Schotland werkzaam of gedurende een totale periode van minstens een jaar in de drie aan de peildatum ( in casu 30 juni 1984 ) voorafgaande jaren in Schotland werkzaam geweest .
In zijn beroep tegen de weigering van het SED betoogt verzoeker, dat hij recht heeft op een toelage en dat de nationale bepalingen moeten wijken voor een van de volgende bepalingen van het gemeenschapsrecht : a ) artikel 7 EEG-Verdrag, zoals door het Hof uitgelegd in zaak 293/83, Gravier, Jurispr . 1985, blz . 593; b ) artikel 7, lid 3, van verordening nr . 1612/68; c ) artikel 7, lid 2, of d ) artikel 12 van laatstgenoemde verordening .
De Secretary of State for Scotland ( waaronder het SED ressorteert ) betwistte de gegrondheid van de vordering . Daarop verzocht de Court of Session het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing over een aantal vragen betreffende deze artikelen van het Verdrag en verordening nr . 1612/68 .
De relevante bepalingen van artikel 7 van verordening nr . 1612/68 luiden als volgt :
"1 . Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling .
2 . Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers .
3 . Hij kan eveneens op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de nationale werknemers het onderwijs op vakscholen en van de revalidatie - en herscholingscentra volgen ."
Artikel 12 van verordening nr . 1612/68 bepaalt :
"De kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding ."
De Deense regering werpt in limine litis op, dat verzoeker zich als Brits onderdaan niet tegen het Verenigd Koninkrijk kan beroepen op de Verdragsbepalingen inzake discriminatie . Het Verenigd Koninkrijk gaat niet in op dit punt en, afgezien van de korte verwijzing in de opmerkingen van de Deense regering, is dit punt verder niet ter sprake gekomen . Ik ga ervan uit, dat verzoeker als Frans onderdaan rechten kan doen gelden, aangezien Frankrijk het land is waar hij heeft gewoond en waarmee hij, afgezien van het feit dat hij de zoon van een Brits onderdaan is, de nauwste banden heeft .
De eerste vraag
Vormt een voltijdstudie ingenieurswetenschappen aan een universiteit, welke wordt afgesloten met de toekenning van een diploma waarmee de houder voldoet aan de opleidingseisen voor het geassocieerd lidmaatschap van de beroepsvereniging van elektrotechnische ingenieurs, dat hem op zijn beurt in staat stelt om zich na verdere praktijkervaring te laten registreren als beroepsingenieur en om de titel "Chartered engineer" te voeren :
a ) een beroepsopleiding die valt binnen de werkingssfeer van het EEG-Verdrag in de zin van artikel 7 daarvan, zoals uitgelegd in zaak 152/82, Forcheri, en zaak 293/83, Gravier, en/of
b ) onderwijs aan een vakschool als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1612/68?
Deze vraag moet worden beantwoord in het licht van de rechtspraak van het Hof in de zaken 152/82, Forcheri, Jurispr . 1983, blz . 2323, en 293/83, Gravier, t.a.p ., ofschoon de verwijzende rechter bij zijn einduitspraak ook zijn voordeel zal kunnen doen met de rechtspraak van het Hof in de zaken 293/85, Commissie/België, en 24/86, Blaizot/Université de Liège, Jurispr . 1988, blz . 305 en 179, waarin de vraag in hoeverre een universitaire studie een beroepsopleiding kan vormen, uitvoerig is behandeld .
Ik heb mijn standpunt in mijn conclusies in die zaken, en met name in zaak 293/85 ( Commissie/België ), uiteengezet en zal het hier niet in extenso herhalen . Het luidt, kort gezegd, dat een universitaire studie een beroepsopleiding vormt, wanneer zij "opleidt voor een bepaald diploma" of "opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking", zelfs indien in dat onderwijs "een aantal algemene vakken zijn opgenomen ". In haar antwoord op de schriftelijke vragen van het Hof lijkt de Duitse regering te aanvaarden, dat alle vormen van onderwijs op universitair niveau die opleiden voor een beroep, vak of betrekking, een beroepsopleiding vormen; ook de Deense regering aanvaardde, dat elke opleiding waarmee een bekwaamheid voor bepaalde werkzaamheden wordt verkregen en die verder gaat dan algemeen onderwijs, een beroepsopleiding vormt .
Anderzijds betoogt de Bondsrepubliek in haar opmerkingen, dat een universitaire opleiding slechts een beroepsopleiding kan vormen, wanneer de voltooiing ervan een voorwaarde is voor de toegang tot een bepaald beroep . Ik deel die mening niet . Sommige beroepen zijn zowel toegankelijk voor personen met een graad in een bepaalde tak van de wetenschap als voor personen zonder graad doch met bepaalde theoretische of praktische kwalificaties of met ervaring . De opvatting, dat een universitaire studie die opleidt tot dergelijke beroepen niet als een beroepsopleiding kan worden beschouwd omdat zij geen voorwaarde is voor de toegang tot dat beroep, is een niet-gerechtvaardigde beperking van de in het arrest Gravier gegeven omschrijving .
Uit de in de verwijzingsbeschikking weergegeven, door partijen niet betwiste feiten blijkt op het eerste gezicht, dat verzoekers studie met betrekking tot het beroep van elektrotechnisch ingenieur voldoet aan de criteria die, naar ik heb uiteengezet, de basis van het arrest Gravier vormen . Zij geeft hem grotendeels de opleiding en de bekwaamheid die nodig zijn om elektrotechnisch ingenieur te worden, als zodanig te worden tewerkgesteld en, wanneer zijn graad het vereiste niveau bereikt, geassocieerd lid van de beroepsvereniging te worden, hetgeen hem de mogelijkheid biedt om te zijner tijd gewoon lid te worden . Ik acht het niet doorslaggevend, dat de studie hem niet terstond en rechtstreeks de hoedanigheid van "chartered engineer" verleent . Het is immers duidelijk, dat de graad op grond waarvan hij geassocieerd lid kan worden, behalve een opleiding voor een bepaald beroep een integrerend deel van de volledige kwalificatie is .
Ik kan niet instemmen met de engere interpretaties die door de Duitse en de Deense regering zijn verdedigd en die inhouden dat artikel 7, lid 3, een bijkomend vereiste, namelijk een band met de beroepsactiviteit van werknemer bevat . Het vrije verkeer van werknemers, dat verordening nr . 1612/68 wil bevorderen, is "een van de middelen ... om aan de werknemer de mogelijkheid tot verbetering van zijn levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te waarborgen" ( derde overweging ). Dit doel zou ten dele worden verijdeld, wanneer een werknemer uit een Lid-Staat van de Gemeenschap geen opleiding in een nieuwe discipline en vooral in een hogere discipline zou kunnen krijgen .
Met betrekking tot het tweede deel van de eerste vraag zijn verzoeker en de Commissie van mening, dat redelijkerwijs geen verschil kan worden gemaakt tussen "beroepsopleiding" en "onderwijs op vakscholen ..." als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr . 1612/68 . Het Verenigd Koninkrijk meent, dat het Hof wel tot deze conclusie kan komen . Mijns inziens dient elke onderwijsinstellling die een of meer cursussen voor beroepsopleiding verstrekt, in zoverre als een "vakschool" in de zin van artikel 7, lid 3, te worden beschouwd .
De tweede vraag
Moet voor de toepassing van artikel 7 EEG-Verdrag, zoals uitgelegd in zaak 152/82, Forcheri, en zaak 293/83, Gravier, het begrip toegang tot beroepsopleiding aldus worden uitgelegd, dat hieronder ook valt ( a ) het schoolgeld en/of ( b ) de onderhoudstoelage, die een Lid-Staat op grond van zijn nationale regeling betaalt aan of ten behoeve van degene die een dergelijke beroepsopleiding volgt ?
In deze vraag gaat het niet om het heffen van een recht, zoals in de zaak Gravier, doch om de betaling van het verlangde schoolgeld aan of ten behoeve van een student . Dit houdt verband met het feit dat in het Verenigd Koninkrijk de collegegelden in het algemeen niet worden betaald door de Britse student, doch door de plaatselijke onderwijsinstanties waaronder hij ressorteert; vóór september 1986 dienden studenten uit een Lid-Staat van de Gemeenschap het collegegeld rechtstreeks te betalen . Ik zie geen principieel verschil tussen het al dan niet heffen van een recht en het al dan niet betalen van collegegeld . Beide zijn discriminerend in de zin van het arrest Gravier .
Dekt het arrest Gravier naast inschrijvingsgelden ook schoolgelden? Wanneer de betaling van het schoolgeld een voorwaarde is voor de toegang tot de nationale opleiding, dan is dat mijns inziens stellig het geval . In de zaak Gravier wordt gesproken over inschrijvingsgelden, doch uit de feiten van de zaak en uit de zaken Blaizot en Barra ( 309/85 ) blijkt duidelijk, dat het in al deze Belgische zaken niet ging om het basisinschrijvingsgeld dat alle studenten betalen, doch om hetgeen ter zitting werd aangeduid als het "schoolgeld voor buitenlandse studenten", dat tot 50% van de onderwijskosten kan bedragen . Dit is in wezen of althans hoofdzakelijk schoolgeld .
Op grond van een op 1 september 1986 in werking getreden wijziging in de Britse regeling ter zake, wordt het schoolgeld voor onderdanen van Lid-Staten van de Gemeenschap ( blijkbaar ongeacht de aard van de gekozen universitaire studie ) door de Britse overheid betaald . Daarom is het Verenigd Koninkrijk niet opgekomen tegen de stelling, dat van studenten uit de Lid-Staten van de Gemeenschap geen schoolgeld mag worden verlangd . Verzoeker kan aan deze wijziging evenwel niet alle rechten ontlenen die hij vordert . De wijziging had geen terugwerkende kracht; hij moest schoolgeld betalen voor de studiejaren 1984 en 1985 en wellicht ook voor 1986 . Bovendien verklaarde zijn raadsman ter terechtzitting, dat de wijziging wellicht niet geldt voor degenen die studies zijn begonnen vóór de inwerkingtreding van de wijziging .
Om genoemde redenen waren deze bedragen volgens het arrest Gravier niet verschuldigd, daar hij een beroepsopleiding volgde en, zoals ik in mijn conclusie in de zaak Blaizot heb opgemerkt, geldt de in het arrest Gravier geformuleerde regel niet enkel voor de toekomst maar ook voor studenten die ten tijde van het arrest Gravier een beroepsopleiding volgden en wel voor hun gehele studie . Voor zover dit schoolgeld is betaald, kan het worden teruggevorderd; indien het niet is betaald, is het niet verschuldigd .
De onderhoudstoelagen, het tweede deel van de tweede vraag, stellen een ander probleem aan de orde .
Verzoeker beklemtoont onder verwijzing naar zaak 9/74 ( Casagrande, Jurispr . 1974, blz . 773 ), dat de voorwaarden voor de toelating tot beroepsopleiding niet alleen de voorwaarden waaronder de studenten aanvankelijk worden toegelaten, omvatten, doch ook al hetgeen noodzakelijk is om het volgen van het onderwijs mogelijk te maken . De student moet beschikken over de middelen om te voorzien in zijn levensonderhoud en om boeken en ander studiemateriaal aan te schaffen . Terwijl de eigen studenten onderhoudstoelagen ontvangen, dient een student uit een andere Lid-Staat zelf in zijn levensonderhoud te voorzien, hetgeen een beslissende factor kan zijn bij zijn besluit om de betrokken studie al dan niet te gaan volgen; volgens verzoeker is hier duidelijk sprake van discriminatie .
De Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend, en de Secretary of State for Scotland in het hoofdgeding, blijven erbij dat toelagen voor levensonderhoud niet onder het in de zaak Gravier geformuleerde beginsel vallen . In casu heeft de Commissie niet gesteld dat dit het geval was . Ofschoon zij in eerdere zaken een ander standpunt heeft verdedigd, komt het mij voor dat zij uiteindelijk heeft aanvaard dat deze toelagen er niet onder vallen .
De vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden, doch om de redenen die ik bij wijze van proefballon heb uiteengezet in mijn conclusie in de zaak Gravier en waarop ik hierna verder inga, meen ik dat dergelijke toelagen niet vallen onder de toelatingsvoorwaarden bedoeld in de zaak Gravier .
Allereerst wordt er in het arrest Gravier op gewezen, dat het schoolgeld een "financiële drempel voor de toegang tot het onderwijs" vormt, in die zin dat de student het onderwijs niet kan ontvangen wanneer hij het schoolgeld niet betaalt . Ofschoon ik uiteraard besef, dat een student niet kan studeren wanneer hij geen eten heeft en geen dak boven zijn hoofd heeft, meen ik dat de middelen van bestaan geen voldoende directe band met de toegang tot de studie zelf hebben om onder het in het arrest Gravier geformuleerde non-discriminatiebeginsel te vallen . Rechtstreekse toegang tot beroepsopleiding valt binnen de werkingssfeer van artikel 7 EEG-Verdrag; bij gebreke van meer specifieke gemeenschapsbepalingen, is dit voor middelen van bestaan niet het geval .
Is dit onverenigbaar met de bewering van de Commissie, daarin gesteund door de Secretary of State, dat jegens werknemers elke discriminatie met betrekking tot onderhoudstoelagen voor beroepsopleiding in de zin van artikel 7, lid 3, van verordening nr . 1612/68 is verboden? Mijns inziens is dit niet het geval . De verordening bepaalt uitdrukkelijk, dat een werknemer "op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de nationale werknemers het onderwijs op vakscholen ( of, zoals in de Franse taalversie, "l' enseignement des écoles professionnelles ") kan volgen ".
Gelet op de Franse en de andere taalversies dan de Engelse meen ik, dat de uitdrukking "access to vocational training" in de Engelse taalversie hetzelfde betekent als "l' enseignement des écoles professionnelles" in de Franse tekst en niet alleen slaat op het recht om het onderwijs te volgen, maar op alles wat samenhangt met het volgen van een beroepsopleiding . Gezien de in de overwegingen van de verordening uiteengezette doelstellingen meen ik, om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak Lair heb gegeven, dat de woorden "op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden" in artikel 7, lid 3, mede omvatten onderhoudstoelagen toegekend aan de eigen werknemers .
Artikel 7, lid 2, is, indien het van toepassing is - een punt waarop ik ook in de zaak Lair ben ingegaan - nog duidelijker . Indien het begrip "sociaal voordeel" van toepassing is op beroepsopleiding of op andere onderwijsvormen, omvat het duidelijk ook onderhoudstoelagen . Wanneer het, zoals ik meen, op zijn minst voor het algemene onderwijs geldt, is het ondenkbaar dat een werknemer met betrekking tot het algemene onderwijs over meer rechten zou beschikken dan met betrekking tot beroepsopleiding .
Daarom meen ik dat vraag 2 a bevestigend en vraag 2 b ontkennend moet worden beantwoord .
De derde vraag
Moet een onderdaan van een Lid-Staat die in die Lid-Staat heeft gewoond en zich vervolgens naar een andere Lid-Staat (" de ontvangende staat ") begeeft, voor de toepassing van artikel 7 van verordening nr . 1612/68 als "werknemer" worden beschouwd, wanneer :
a ) hij vóór het begin van zijn universitaire studie gedurende acht maanden een onder de sociale-zekerheidsregeling vallende, betaalde voltijdbetrekking als stagelopend elektrotechnisch ingenieur heeft gehad;
b ) hij reeds voordat hij zich naar de ontvangende staat begaf, had geregeld dat hij aan het eind van die periode van acht maanden aan een universiteit in de ontvangende staat een voltijdopleiding ingenieurswetenschappen zou gaan volgen;
c ) hij door zijn werkgever niet in die hoedanigheid in dienst zou zijn genomen, wanneer hij niet tot de universiteit was toegelaten;
en
d ) hij die betrekking aannam om werkervaring op te doen in een elektrotechnisch bedrijf ?
Aangezien het uiteindelijk aan de nationale rechter staat te beslissen over de vraag of verzoeker een werknemer in de zin van artikel 7 van verordening nr . 1612/68 is, dient het Hof thans antwoord te geven op de vraag of een juiste uitlegging van het begrip "werknemer" in dit verband meebrengt, dat daaronder ook valt iemand die de in de vraag genoemde werkzaamheden verricht .
Verzoeker betoogt, dat hij gedurende het tijdvak waarin hij bij Ferranti werkte, een werknemer in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag was . Hij voldeed aan de in het arrest van 3 juli 1986 ( zaak 66/85, Lawrie-Blum, Jurispr 1986, blz . 2121 ) gegeven definitie, te weten iemand die "gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt ". Hij bevond zich in dezelfde positie als de kandidaat-leraar in de zaak Lawrie-Blum, die ook stage liep "als een praktische voorbereiding op de eigenlijke uitoefening van het beroep ." Bovendien viel hij als stagelopend ingenieur onder het nationale stelsel van sociale zekerheid .
Verzoeker en de Commissie achten dit voldoende . Wie eenmaal werknemer is, is dit voor de toepassing van alle bepalingen, en voor de toekenning van de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 48 of van verordening nr . 1612/68 kan geen minimumperiode van werkzaamheid worden voorgeschreven . Verzoekers bedoeling bij de aanvaarding van deze betrekking is van geen enkel belang, evenmin als het feit dat hij van meet af aan de bedoeling had slechts voor een beperkte periode te werken voor hij zijn studie zou aanvangen .
Ook hiermee zijn het Verenigd Koninkrijk, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Denemarken het volstrekt oneens . Volgens hen heeft de verordening ten doel het aanvaarden van arbeid in loondienst in de ontvangende staat en van de integratie van de migrerende werknemers in die staat te vergemakkelijken . Volgens hen kunnen het doel en het voorwerp van verordening nr . 1612/68 onmogelijk aldus worden uitgelegd, dat een korte periode van tewerkstelling, vervuld vóór het aanvatten van een universitaire studie of tijdens de vakantie als middel om bijkomende inkomsten te verwerven of met het oog op die studie, recht geeft op een studietoelage voor levensonderhoud voor een mogelijkerwijs zeer lange periode .
Het is duidelijk, dat het begrip "werknemer" in de zin van artikel 48 ruim moet worden uitgelegd ( zie zaak 53/81, Levin, Jurispr . 1982, blz . 1035, 1050 ). Het is ook duidelijk, dat verzoekers tewerkstelling bij Ferranti voldeed aan de in het arrest Lawrie-Blum geformuleerde criteria voor een arbeidsovereenkomst . Dat de werknemer deeltijdarbeid verricht of een vergoeding ontvangt die lager is dan het door de nationale autoriteiten vastgestelde minimumloon, staat daaraan niet in de weg . Anderzijds blijkt uit het arrest Levin ook duidelijk, dat het moet gaan om reële en daadwerkelijke arbeid "met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig blijken", en dat de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers "het vrije verkeer slechts waarborgen aan personen die een bezigheid van economische aard verrichten of wensen te verrichten ".
Een "werknemer" in de zin van artikel 48 heeft het recht om een feitelijk aanbod tot tewerkstelling te aanvaarden en om zich daartoe naar een Lid-Staat te begeven . Het Hof heeft aangenomen, dat hij ook het recht heeft om zich daarheen te begeven om werk te zoeken ( arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Lebon ). Een werkzoekende kan geen rechten ontlenen aan artikel 7, lid 2, van de verordening en mijns inziens volgt uit het feit dat iemand rechten kan ontlenen aan artikel 48 EEG-Verdrag niet noodzakelijkerwijs, dat hij beschikt over alle bij artikel 7 van verordening nr . 1612/68 verleende rechten .
Ik meen dat een student die op grond van artikel 7 een opleidingstoelage aanvraagt, moet aantonen dat hij dit werkelijk in de hoedanigheid van werknemer doet en dat zich in die hoedanigheid in de Lid-Staat moet bevinden om er arbeid in loondienst te verrichten .
Wie de vaste bedoeling heeft om in ieder geval als student naar een Lid-Staat te gaan en voor een bepaald tijdstip en tijdvak tot een universiteit of een instelling voor hoger beroepsonderwijs is toegelaten, doch een korte tijd werkzaam is om nuttige ervaring op te doen, voldoet mijns inziens niet aan de in artikel 7, leden 2 en 3, gestelde voorwaarden om als werknemer in aanmerking te komen voor een toelage . In zekere zin is zijn werk dan ondergeschikt aan de studie en al heeft het Hof verklaard, dat de nevenbedoeling van degene die als werknemer reële arbeid in loondienst verricht niet relevant is, toch staat de rechtspraak van het Hof mijns inziens niet in de weg aan een onderzoek naar de redenen voor zijn verblijf en voor zijn tijdelijke werkzaamheden in een Lid-Staat, alsmede naar de ware hoedanigheid waarin hij een toelage aanvraagt . Het komt mij voor, dat iemand die de in de vraag beschreven fasen doormaakt, op de gebruikelijke wijze als student naar de universiteit gaat; hij maakt niet in de ware zin van het woord gebruik van zijn rechten als werknemer om een beroepsopleiding te gaan volgen ter verhoging van zijn mobiliteit of promotiekansen . Hij gaat niet naar de universiteit in de hoedanigheid van werknemer .
Wanneer vaststaat, dat de betrokkene zich als echte werknemer naar een Lid-Staat heeft begeven, daar arbeid in loondienst heeft verricht, en vervolgens heeft besloten als werknemer een beroepsopleiding te gaan volgen, kan hij op grond van artikel 7, leden 2 en 3, aanspraak maken op een opleidingstoelage . In dat geval mag mijns inziens niet als voorwaarde worden gesteld, dat hij daar gedurende een bepaalde periode heeft gewerkt ( zaken 249/83, Hoeckx, Jurispr . 1985, blz . 973, en 122/84, Scrivner, Jurispr . 1985, blz . 1027 ). Wanneer echter twijfel bestaat over de vraag of iemand een werknemer is, dan mag naar mijn mening rekening worden gehouden met de duur van het tijdvak dat hij naar zijn zeggen heeft gewerkt . Die periode moet in een redelijke verhouding staan tot het doel, en mij dunkt dat in dit verband een periode van een jaar zoal niet een onfeilbaar, dan toch een redelijk criterium is .
Mijns inziens staat het arrest van het Hof van 6 juni 1985 ( zaak 157/84, Frascogna ) niet in de weg aan de vaststelling van een minimumperiode om uit te maken of iemand daadwerkelijk als werknemer in een Lid-Staat verblijft . In die zaak ging het om de toekenning van een ouderdomstoelage aan iemand die woonachtig was in een Lid-Staat . Zij voldeed aan de leeftijdsvereisten en het Hof besliste, dat het bijkomende woonplaatsvereiste onwettig was . Naar analogie daarvan mag geen minimumperiode worden geëist, wanneer vaststaat dat de betrokkene een werknemer in de zin van artikel 7 van de verordening is . Het is heel wat anders een tijdvak van arbeid in aanmerking te nemen ter beantwoording van de essentiële vraag of iemand een werknemer in de zin van artikel 7, leden 2 en 3, van de verordening is, wanneer het gaat om opleidingstoelagen .
In casu mocht bij de beslissing dat verzoeker niet als werknemer aanspraak kon maken op de in artikel 7, leden 2 en 3, van de verordening voorziene rechten, rekening worden gehouden met het feit dat hij slechts acht maanden als stagiair had gewerkt .
De vierde vraag
Heeft een werknemer die zijn betrekking opgeeft om aan een universiteit een opleiding voor elektrotechnisch ingenieur te gaan volgen en dit inderdaad ook doet met het doel om ingenieur te worden en als zodanig te gaan werken, op grond van artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68 recht op de toelage die naar het nationaal recht aan studenten wordt betaald ter zake van ( a ) schoolgeld en/of ( b ) levensonderhoud?
Gelet op het voorgestelde antwoord op de derde vraag, is het niet nodig uitvoerig in te gaan op de vierde vraag . Om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak Lair heb uiteengezet, meen ik echter, dat een werknemer in de zin van artikel 7, leden 2 en 3, op grond van lid 2 voor ander dan beroepsonderwijs en op grond van lid 3 voor het onderwijs op vakscholen en van de revalidatie - en herscholingscentra aanspraak kan maken op een toelage voor levensonderhoud en schoolgeld moet betalen of daarvan wordt vrijgesteld onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen .
De vijfde vraag
Kan een kind van een onderdaan van een Lid-Staat, dat op het grondgebied van een andere Lid-Staat (" de ontvangende staat ") woont, zich op artikel 12 van verordening nr . 1612/68 beroepen, wanneer een van zijn ouders, die niet meer in de ontvangende staat werkt of woont, daar laatstelijk vóór de geboorte van het kind heeft gewoond of gewerkt en het feit dat het kind in de ontvangende staat woont, niet samenhangt met de tewerkstelling van deze ouder in die staat?
Verzoeker betoogt dat hij naar de letter in elk geval voldoet aan de vereisten van artikel 12 . Zijn Franse moeder, aan wie hij zijn aanspraak ontleent, was in het Verenigd Koninkrijk tewerkgesteld en hij is daar woonachtig . Hij wijst er voorts op, dat de mobiliteit van de werknemers ernstig zou worden beperkt, wanneer een kind dat samen met een ouder vijftien jaar in een Lid-Staat heeft gewoond en vervolgens met die ouder in een andere Lid-Staat is gaan wonen, niet naar eerstgenoemde Lid-Staat zou kunnen terugkeren om daar te gaan studeren, of wanneer later geboren kinderen dit niet zouden kunnen doen en geen aanspraak zouden kunnen maken op de bij artikel 12 verleende rechten . Het Verenigd Koninkrijk antwoordt daarop, dat verzoekers moeder het Verenigd Koninkrijk verliet in 1965, dus vóór de toetreding van het Verenigd Koninkrijk, en dat haar kinderen aan het gemeenschapsrecht geen rechten kunnen ontlenen die verband houden met haar werkzaamheden en haar woonplaats in het Verenigd Koninkrijk vóór dat tijdstip . Bovendien strookt de stelling, dat kinderen wier woonplaats geen enkel verband houdt met de tewerkstelling van een van hun ouders in een Lid-Staat, aanspraak kunnen maken op dergelijke rechten, niet met het doel van artikel 12, te weten het bevorderen van de integratie van het gezin van een werknemer in de ontvangende staat waar hij is of was tewerkgesteld .
Artikel 12 moet mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat het rechten toekent aan een kind dat met zijn ouders of met een van hen in een Lid-Staat heeft gewoond toen deze daar tewerkgesteld waren of was . Het feit dat de ouder die Lid-Staat verlaat, doet de rechten van het kind niet teloor gaan . Anderzijds meen ik, dat een kind dat wordt geboren nadat de ouder zijn woonplaats en betrekking in een Lid-Staat heeft opgegeven, geen rechten kan ontlenen aan dit artikel . Hij heeft nimmer deel uitgemaakt van het gezin in die staat en is daar nimmer als lid van het gezin van een werknemer geïntegreerd geweest . Wanneer hij voor studie in die Lid-Staat gaat wonen, is dat niet als kind van iemand die daar is tewerkgesteld en evenmin als iemand die kind was toen een van zijn ouders daar een - thans beëindigde - betrekking had .
In ieder geval ben ik er niet van overtuigd, dat een kind van een onderdaan van een andere Lid-Staat die het Verenigd Koninkrijk vóór diens toetreding tot de Gemeenschap heeft verlaten, aanspraak kan maken op dergelijke rechten .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
"1 ) a ) Het begrip 'beroepsopleiding' omvat een voltijdstudie voor elektrotechnisch ingenieur aan een universiteit, welke wordt afgesloten met de toekenning van een diploma waarmee de houder voldoet aan de opleidingseisen voor het geassocieerd lidmaatschap van de beroepsvereniging van elektrotechnische ingenieurs, dat hem op zijn beurt weer in staat stelt om zich na verdere praktijkervaring te laten registreren als beroepsingenieur, alsmede een studie die de betrokkene opleidt voor een dergelijk beroep, vak of betrekking;
b ) een dergelijke opleiding is te beschouwen als onderwijs op een vakschool als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 .
2 ) Artikel 7 EEG-Verdrag, zoals uitgelegd in zaak 293/83, Gravier, verbiedt elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen onderdanen van de Lid-Staat waar of door welke de beroepsopleiding wordt verstrekt, en onderdanen van andere Lid-Staten ter zake van de betaling van schoolgeld, doch niet van een onderhoudstoelage, aan of ten behoeve van de student die een dergelijke opleiding volgt .
3 en 4 ) Het begrip werknemer die in aanmerking komt voor de opleidingstoelagen bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, van verordening 1612/68, omvat niet degene die zich naar een Lid-Staat begeeft en daar vóór hij op een bepaald tijdstip begint aan een universitaire studie waartoe hij reeds was toegelaten voor hij zich naar die Lid-Staat begaf, acht maanden werkt om praktische ervaring op het terrein van zijn universitaire studie op te doen, werk dat de werkgever hem slechts wou geven omdat hij tot de universiteit was toegelaten . Zo iemand heeft geen recht op een toelage voor schoolgeld of levensonderhoud op grond van artikel 7, leden 2 en 3, van verordening nr . 1612/68 .
5 ) Een kind van een onderdaan van een Lid-Staat kan zich niet op artikel 12 van verordening nr . 1612/68 beroepen ter verkrijging van een opleidingstoelage, wanneer de betrokken ouder vóór de geboorte van het kind zijn werk en woonplaats in de ontvangende Lid-Staat had opgegeven; dit is evenmin het geval, wanneer die ouder in de ontvangende staat heeft gewerkt, doch deze heeft verlaten vóór diens toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap ."
De nationale rechter heeft te beslissen over de kosten van de partijen in het hoofdgeding . De kosten door de regeringen en de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy