Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderneming Spie-Batignolles verzoekt U op basis van de artikelen 178 en 215, tweede alinea van het Verdrag de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden wegens het onrechtmatige optreden van de diensten van de Commissie in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van twee tussen de Republiek Rwanda en Spie-Batignolles gesloten aannemingscontracten voor de aanleg van twee wegen in Rwanda .
2 . Verzoekster sloot in 1978 met de Rwandese overheid twee contracten voor het aanleggen van een weg Kigali-Butare ( kavel nr . 1 ) en een weg Butare-grens met Burundi ( kavel nr . 2 ). Deze projecten werden in het kader van de "financiële en technische samenwerking", ingesteld door de eerste Overeenkomst van Lomé ( hierna : "Lomé I ") ( 1 ), gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds ( hierna : "EOF "). De uitvoering van beide contracten kende heel wat moeilijkheden . Kavel nr . 2 werd uiteindelijk voltooid en opgeleverd op 6 juni 1981 . Op dezelfde dag werd het contract voor kavel nr . 1 door de Rwandese overheid ten laste van verzoekster ontbonden . De scheidsrechterlijke procedure die zich met betrekking tot . beide contracten tussen Spie-Batignolles en de Rwandese overheid ontspon voor het Arbitragehof van de Internationale Kamer van Koophandel resulteerde onder meer in vijf partiële uitspraken van 30 mei 1986, waarin een aantal eisen van Spie-Batignolles, tot schadevergoeding en tot verlenging van de termijn voor het uitvoeren van de werken, gedeeltelijk gegrond werden verklaard . Op 24 februari 1987 volgde dan een zesde uitspraak waarin werd geoordeeld dat de verbreking van het contract voor kavel nr . 1 onrechtmatig was geweest, en de Rwandese overheid daarnaast ook een aantal contractuele fouten had begaan in het kader van de uitvoering van beide kavels . Aan verzoekster werd een principieel recht op schadevergoeding toegekend; de uitspraak betreffende het precieze bedrag van de door Rwanda verschuldigde vergoeding is tot op heden niet geveld .
Voor meer gegevens betreffende de feitelijke en procedurele achtergrond van dit geding moge ik verwijzen naar het rapport ter terechtzitting, sub I.B . Hierna zal ik op deze gegevens slechts terugkomen in de mate dat zulks noodzakelijk is om mijn uiteenzetting te illustreren of te staven .
3 . Verzoekster vraagt het Hof de Commissie hoofdelijk of in solidum aansprakelijk te verklaren voor de bedragen die voortvloeien ( of nog zullen voortvloeien ) uit voornoemde scheidsrechterlijke procedure . Subsidiair vordert zij dat de Commissie aansprakelijk zou worden gesteld voor een gedeelte van bedoelde bedragen ( 2 ). De Commissie heeft twee excepties opgeworpen tegen het beroep van verzoekster, die het Hof bij beschikking van 26 februari 1987 heeft besloten te voegen met de behandeling van de zaak ten gronde . De Commissie heeft meer bepaald aangevoerd dat het beroep van verzoekster verjaard zou zijn, en dat het onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan voorwerp .
De exceptie van verjaring
4 . Volgens de Commissie zou verzoeksters aanspraak op vergoeding ingevolge artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG uitgedoofd zijn, omdat er méér dan vijf jaar zouden verstreken zijn tussen het laatste optreden van de Commissie of haar gemachtigde te Kigali dat aanleiding zou kunnen geven tot haar aansprakelijkheid ( een bijeenkomst van 15 mei 1981 waaraan zowel de Commissie als verzoekster hebben deelgenomen ), en het bezwaarschrift van 5 juni 1986 van verzoekster dat de Commissie op 6 juni 1986 heeft bereikt ( 3 ).
5 . De argumentatie van de Commissie is gesteund op de tekst van artikel 43 van 's Hofs Statuut, waarin wordt bepaald dat
"vorderingen ... inzake niet contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit, dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven ".
Zoals verzoekster terecht heeft opgemerkt, moet artikel 43 evenwel worden geïnterpreteerd in het licht van Uw rechtspraak . Inderdaad heeft U in het eerste Birra Wuehrer-arrest duidelijk gemaakt dat de termijn van vijf jaar
"niet kan ingaan voordat aan alle eisen voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, en met name niet voordat de schade waarvan vergoeding wordt verlangd, zich heeft geconcretiseerd . In gevallen waarin de aansprakelijkheid van de Gemeenschap uit een normatieve handeling voortvloeit, kan de verjaringstermijn derhalve niet ingaan alvorens de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan ..." ( 4 ).
6 . Toegepast op onderhavige zaak ( die de niet-normatieve aansprakelijkheid van de Gemeenschap betreft ) betekent dit principe dat verzoekster de handelingen van de Commissie kan aanvechten waarvan de nadelige gevolgen zich op of na 6 juni 1981 hebben geconcretiseerd ( 5 ). Het komt er dus op aan na te gaan wanneer precies die nadelige gevolgen zich ten aanzien van verzoekster hebben voorgedaan . Daarvoor moet echter eerst worden verduidelijkt voor welke schade verzoekster vergoeding vraagt .
Verzoekster beweert op tweeërlei wijze schade te hebben geleden ten gevolge van het optreden van de Commissie . Op de eerste plaats zou het optreden van de Commissie de goede uitvoering van beide kavels hebben verhinderd en aldus een aantal extra kosten hebben veroorzaakt : het zou geleid hebben tot vertraging van de werken, tot de uitvoering van onnodige werken, of tot de uitvoering van supplementaire werken . Deze extra kosten zijn naar het oordeel van verzoekster het gevolg van drie verschillende fouten die de Commissie zou hebben begaan . Zij zou de uitvoering van de werken in de war hebben gestuurd door in te stemmen met een gebrekkig aanbestedingsdossier; zij zou de werken vertraagd of zelfs "verlamd" hebben door een ongegronde eis de dienstorders te viseren en door zich op onrechtmatige wijze te hebben gemengd in de taak van de nationale ordonnateur; en zij zou nagelaten hebben aanpassingsmaatregelen te nemen die noodzakelijk waren om de slechte afloop van beide projecten te voorkomen, namelijk een fundamentele herziening van het aanbestedingsdossier en van de kredietenveloppe .
7 . Uit de stukken die voor het Hof liggen blijkt duidelijk, wat betreft deze eerste schadecategorie, dat de nadelige gevolgen van het gelaakte optreden van de Commissie zich reeds hadden geconcretiseerd vóór 6 juni 1981 . Wat betreft de beweerde gebreken in het aanbestedingsdossier : reeds op 6 december 1980 verzocht verzoekster de Rwandese overheid om ontbinding van de contracten voor beide kavels ten laste van de Rwandese overheid, onder meer op grond van het feit dat de gebreken in bedoeld dossier tot zware uitvoeringsmoeilijkheden zouden hebben geleid ( 6 ). Wat betreft het verzoek van de gemachtigde van de Commissie om de dienstorders te viseren : dit werd reeds op 3 augustus 1978 geformuleerd ( 7 ). In de veronderstelling dat het tot een vertraging van de werken leidde, dan heeft zulke vertraging zich geconcretiseerd vanaf het ogenblik dat de dienstorders voor visum werden overgemaakt . Welnu, het laatste dienstorder werd geviseerd door de gemachtigde van de Commissie op 29 juli 1980 ( 8 ).
Wat betreft de inmenging in de bevoegdheden van de nationale ordonnateur : het meest recente optreden dat verzoekster als onrechtmatig bestempelt is het beweerde opdringen door de gemachtigde van de Commissie van een aantal wijzigingen in de uitvoering van de werken op de werfvergadering van 19 februari 1980 . De moeilijkheden in de uitvoering van het werk die door dit optreden zouden zijn teweeggebracht hadden zich ongetwijfeld reeds geconcretiseerd ( en waren verzoekster bekend ) wanneer zij in december 1980 voornoemde verzoeken tot ontbinding tot de Rwandese overheid richtte : in deze verzoeken stelt zij immers dat er sprake is van een volledige desorganisatie van de werken ( 9 ). Het is precies voor de pecuniaire gevolgen van deze toestand dat zij in de arbitrageprocedure en in onderhavig geding vergoeding vraagt .
Wat betreft het nalaten aanpassingsmaatregelen te nemen : in haar repliek gaat verzoekster uitvoerig in op haar démarches bij de Commissie, die zij om bedoelde maatregelen verzocht . Zij verduidelijkt dat zij haar eerste verzoek om tussenkomst tot de Commissie richtte op 3 april 1979, en zulks nadien geregeld herhaalde, het laatst op 24 maart 1981 . De Commissie is overigens op dit verzoek ingegaan, en zond in de eerste maanden van 1981 een technische missie ter plaatse; tijdens een vergadering werd echter geen oplossing gevonden voor de bestaande problemen ( 10 ). Ook hier lijkt me moeilijk ontkend te kunnen worden dat de "desastreuze toestand" die door het verzuim van de Commissie zou zijn teweeggebracht, reeds bestond ten tijde van de verzoeken tot ontbinding die verzoekster in december 1980 tot de Rwandese administratie richtte ( 11 ).
Uit dit alles blijkt dat de nadelige gevolgen van voornoemd optreden van de Commissie zich meer dan vijf jaar vóór het indienen van verzoeksters beroep in concreto hadden voorgedaan . Verzoekster heeft dit niet ontkend, maar brengt hier tegen in dat de door haar geleden schade vóór 6 juni 1981 niet in al haar berekenbare bestanddelen was opgetreden . Dit lijkt me evenwel op een verkeerde lezing te berusten van het hiervoor aangehaalde Birra Wuehrer-arrest . In dit arrest heeft Uw Hof inderdaad beslist dat de verjaringstermijn van artikel 43 begint te lopen van zodra de nadelige gevolgen van de gewraakte handeling zich hebben geconcretiseerd . Daarmee wordt bedoeld dat het niet langer om een in abstracto potentiële maar om een in concreto zekere schade gaat, ook al staan de precieze omvang en het exacte bedrag ervan nog niet vast ( 12 ). Daartoe is evenwel niet vereist dat al de nadelige gevolgen van de aangevochten handeling zich reeds zouden hebben voorgedaan en/of de gehele schade reeds zou geconsolideerd zijn, met andere woorden dat er geen evolutie meer zou kunnen zijn in de elementen of de grootte van de schade .
Verzoekster heeft er eveneens op gewezen dat de Commissie ook ná 6 juni 1981 nog schadeverwekkende handelingen heeft gesteld : zij zou namelijk in oktober 1981 op onrechtmatige wijze zijn tussengekomen bij de ( her)toewijzing van het contract voor kavel nr . 1 aan de onderneming Colas . Dit laatste optreden van de Commissie is evenwel te situeren in het kader van de verbreking door de Rwandese overheid van het contract voor kavel nr . 1 ( 13 ), en is niet van aard om de verjaringstermijn ten aanzien van het hiervoor vermelde optreden van de Commissie te schorsen . Ik kom derhalve tot het besluit dat verzoeksters eis tot schadevergoeding is verjaard voor zover zij strekt tot vergoeding van de extra kosten die zij zou hebben geleden ten gevolge van het beweerde onrechtmatige optreden van de Commissie .
8 . Op de tweede plaats eist verzoekster vergoeding van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het verbreken van het contract voor kavel nr . 1 door de Rwandese overheid ( ten gevolge waarvan zij niet ten volle werd betaald, en een aantal door haar gestelde zekerheden in beslag zag nemen ). Volgens verzoekster dient de Commissie hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor het geheel of een deel van de schade die zij leed als
gevolg van deze verbreking . Op dit punt lijkt mij de eis van verzoekster niet verjaard te zijn, want de schade waarvan zij de vergoeding vraagt, kan zich vanzelfsprekend pas geconcretiseerd hebben op het moment van de verbreking, dat wil zeggen op 6 juni 1981, dag op dag vijf jaar vóór de datum waarop verzoekster haar bezwaarschrift heeft gericht aan de Commissie . Het vervolg van mijn onderzoek zal daarom in hoofdorde toegespitst zijn op de meer beperkte vraag of de Commissie aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die verzoekster leed ten gevolge van de verbreking door de Rwandese overheid van het contract voor kavel nr . 1 . Niettemin gelden mijn navolgende beschouwingen over de exceptie van onontvankelijkheid ( hierna, nrs . 9 en 10 ) en mijn inleidende beschouwingen op het onderzoek ten gronde ( hierna, nrs . 11 tot en met 15 ) mutatis mutandis ook voor de eerste schadecategorie, ten aanzien waarvan ik verzoeksters eis verjaard acht .
Voor het geval dat U evenwel zou oordelen dat verzoeksters aanspraak op vergoeding evenmin verjaard is met betrekking tot de eerste schadecategorie, zal ik op het einde van mijn conclusie, in subsidiaire orde, kort ingaan op de vraag of de Commissie aansprakelijk kan worden gesteld voor deze schade .
De exceptie van onontvankelijkheid
9 . Zoals reeds aangestipt, heeft verzoekster geconcludeerd tot de veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die het voorwerp uitmaakt van de arbitrale procedure(s ) voor de Internationale Kamer van Koophandel . Hierop steunend heeft de Commissie aangevoerd dat, bij gebreke aan een arbitrale beslissing over de vorderingen van verzoekster ten aanzien van de Rwandese overheid, het voorwerp van het onderhavige beroep ( nog ) niet op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze kan worden omschreven, en het beroep om die reden onontvankelijk is . Bovendien zou er geen bewijs bestaan van een causaal verband tussen de nog onbekende schade en de aan de Commissie verweten feiten .
10 . Ik ben het niet eens met deze argumentatie . In het arrest van 2 juni 1976 ( 14 ) heeft U geoordeeld dat een beroep op grond van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag eveneens mogelijk is in geval van
"ophanden zijnde - en met voldoende zekerheid te verwachten - schade, zelfs ... wanneer het nadeel nog niet voldoende kan worden becijferd" ( r.o . 6 ),
en dit omdat
"het namelijk ter voorkoming van nog grotere schade noodzakelijk kan blijken de rechter te adiëren zodra de oorzaak van de schade buiten twijfel staat" ( r.o . 7 ) ( 15 ).
In casu lijdt het geen twijfel dat de schade waarvan verzoekster de vergoeding vordert, bij de instelling van onderhavig beroep ophanden en met voldoende zekerheid te verwachten was . Anders dan de Commissie meent, is het niet nodig op de uitkomst van de arbitrale procedure te wachten om het voorwerp van onderhavig geding te kennen : verzoeksters beroep is immers ingesteld ter vergoeding van de schade die zij in het kader van de scheidsrechterlijke procedure van de Rwandese overheid vordert . Ook al kon de precieze omvang van deze schade bij het instellen van onderhavig beroep niet worden bepaald ( en is het vergoedbare deel ervan inmiddels nog steeds niet volledig vastgesteld in het kader van de arbitrale procedure ), toch is het duidelijk dat de schade niet enkel ophanden maar zelfs ingetreden is sinds verzoekster extra kosten heeft opgelopen ( hiervoor, nr . 7 ) en sinds het contract door de Rwandese overheid werd verbroken ( hiervoor, nr . 8 ).
Verder kan het beweerde ontbreken van een causaal verband tussen deze schade en de gelaakte gedragingen van de Commissie niet leiden tot de onontvankelijkheid van het beroep bij gemis aan voorwerp : het gaat hier immers om een onderdeel van het onderzoek ten gronde . De onontvankelijkheidsexceptie van de Commissie dient dan ook verworpen te worden .
Inleiding op het onderzoek ten gronde
11 . Voorwaarde voor een aansprakelijkstelling van de Gemeenschap is, hoeft het nog gezegd, dat verzoekster het bewijs levert van de onrechtmatigheid van de aan de Instellingen verweten gedraging, van de werkelijk geleden schade, en van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade ( 16 ). Ik zal dan ook nagaan of en in welke mate verzoekster zich op elk van deze punten heeft gekweten van haar bewijslast . Nochtans zal ik zulks niet in de traditionele volgorde doen : ik zal namelijk eerst het vraagstuk van de causaliteit onderzoeken ( hierna, nrs . 16 tot en met 18 ), omdat hieruit zal blijken welke bewijslast op verzoekster rust in verband met de onrechtmatigheid van het optreden van de Commissie . Verder is het voor de helderheid van de uiteenzetting vereist dat ik vooraf inga op de vraag of, en op welke voorwaarden, de door verzoekster gevorderde schade in aanmerking kan komen voor vergoeding op grond van artikel 215, tweede alinea van het Verdrag .
12 . Zoals reeds aangestipt heeft verzoekster geconcludeerd tot de hoofdelijke of in solidum-veroordeling van de Commissie tot de schade die het voorwerp uitmaakt van het arbitraal geding tussen Rwanda en haarzelf .
Duidelijk is dus dat het verzoekster in onderhavig geding te doen is om de vergoeding van contractuele schade, en dienvolgens rijst een belangrijke voorafgaande vraag : laat artikel 215 van het Verdrag het Hof toe, de Gemeenschap om reden van "onrechtmatige" niet-contractuele gedragingen aansprakelijk te stellen voor dergelijke schade? Uit een door de studie - en documentatiedienst van het Hof opgestelde vergelijkende studie van het recht van de Lid-Staten is gebleken dat in een grote meerderheid van de Lid-Staten aanvaard wordt dat, wanneer bewezen is dat een contractuele fout ( bij veronderstelling : het optreden van de Rwandese overheid ) en een niet-contractuele fout ( bij veronderstelling : het gedrag van de Commissie ) tot éénzelfde schade hebben geleid, de auteurs van beide fouten in solidum aansprakelijk kunnen worden gesteld voor deze schade . Het spreekt daarbij vanzelf dat de gelaedeerde partij het bewijs dient te leveren van een ( contractueel casu quo niet-contractueel ) onrechtmatig optreden in hoofde van elk van beide schadeverwekkers, en van een causaal verband tussen elk van beide gedragingen en de ene schade waarvan vergoeding wordt gevraagd .
Ik wil U voorstellen om van een zelfde beginsel van in solidum aansprakelijkheid uit te gaan, omdat dit in overeenstemming blijkt te zijn met "de algemene beginselen welke de rechtstelsels der Lid-Staten gemeen hebben", waarbij ik wel laat opmerken dat het hier niet gaat, in hoofde van de auteur van de niet-contractuele fout, om een "contractuele schade" maar om een gehoudenheid die vastzit aan de door hem veroorzaakte buitencontractuele schade die in hoofde van de schadelijder evenwel ook, jegens een andere persoon, een contractueel karakter heeft .
13 . Weliswaar heeft U, in een vergelijkbare feitelijke context, in Uw arrest in de zaak-Murri van 19 september 1985 ( 17 ) beslist dat, wanneer de schade waarover een verzoekende partij zich beklaagt "in de eerste plaats" het gevolg is van de weigering van de ACS-staat om het contract na te leven en verzoekster dit uit de overeenkomst voortvloeiende geschil nooit bij wege van de voorgeschreven arbitrageprocedure heeft geregeld, verzoekster niet in staat is te bewijzen dat zij ten gevolge van het optreden van de Commissie schade heeft geleden die te onderscheiden valt van de door haar geleden contractuele schade ( 18 ). Uit dit arrest kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat de Gemeenschap nooit aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die eveneens van de contractuele wederpartij wordt gevorderd . Enkel lijkt het me te stellen dat wanneer een gelaedeerde partij niet de nodige ( en voorgeschreven ) stappen onderneemt om de aansprakelijkheid van haar contractuele wederpartij en de hoegrootheid van de contractuele schade te laten vaststellen, zij het bewijs niet kan leveren van schade die voortvloeit uit het buitencontractuele optreden van de Gemeenschap . Daarom lijkt het arrest-Murri me de mogelijkheid niet uit te sluiten om, op basis van artikel 215, tweede alinea van het Verdrag, de ( hoofdelijke of in solidum ) veroordeling te vragen van de Gemeenschap voor ( door een contractspartij veroorzaakte en te vergoeden ) contractuele schade wanneer diegene die een dergelijke schade vordert, het bestaan en de hoegrootheid van de contractuele schade ten laste van de contractspartij langs de voorgeschreven ( in casu wil dat zeggen : arbitrale ) weg laat vaststellen . Door aldus te handelen stelt hij het Hof in de mogelijkheid om de buitencontractuele vergoedingsplicht van de Gemeenschap af te bakenen van de contractuele vergoedingsplicht van de contractuele wederpartij, ook al zal de Gemeenschap vervolgens in solidum veroordeeld worden omdat de schade dezelfde is .
In onderhavige zaak komt het mij voor dat aan de in het arrest-Murri gestelde voorwaarden is voldaan . Verzoekster heeft immers, in overeenstemming met de Speciale Aannemingsvoorwaarden van het contract, de procedure voor het Arbitragehof van de Internationale Kamer van Koophandel volledig doorlopen . Deze instantie heeft geoordeeld dat het contract voor kavel nr . 1 door de Rwandese overheid ten onrechte werd verbroken, en dat Rwanda bij de uitvoering van beide kavels een aantal contractuele fouten heeft begaan . Het Arbitragehof zal zich in een latere beslissing uitspreken over de precieze omvang van de schade die verzoekster heeft geleden als gevolg van deze verbreking . Daarom ben ik van oordeel dat haar verzoek om vergoeding van schade ex artikel 215, tweede alinea van het Verdrag niet a priori uitgesloten is .
14 . Een andere vraag is of het feit dat een andere partij dan de Gemeenschap reeds veroordeeld is tot vergoeding van de geleden schade, de verplichting tot vergoeding van de schade ten aanzien van de schadelijder doet verdwijnen in hoofde van de Gemeenschap ( 19 ). Ook hier wijst het recht van de Lid-Staten in meerderheid naar een ontkennend antwoord : niet de aansprakelijkheidsstelling maar enkel de effectieve kwijting van de schuld aan de gelaedeerde ontslaat de auteur van een onrechtmatige daad tegenover de gelaedeerde van zijn vergoedingsverplichting . Hieruit besluit ik dat de uitspraak van de Internationale Kamer van Koophandel in het arbitrale geding tussen verzoekster en de Rwandese overheid, ongeacht de hoegrootheid van de schade waarvoor de Rwandese overheid aansprakelijk zal worden gesteld, geen beletsel is voor het door verzoekster tegen de Commissie ingestelde beroep tot schadevergoeding, zolang niet is gebleken dat de Rwandese overheid de scheidsrechterlijke uitspraak zou hebben uitgevoerd .
Ingeval de Commissie in onderhavige zaak door Uw Hof in solidum zou worden veroordeeld tot schadevergoeding, dan zou zich wel een probleem stellen van verdeling van aansprakelijkheid en eventueel zelfs van regresvordering tussen de Gemeenschap en de Rwandese overheid, waarop ik, gelet op het resultaat van mijn onderzoek, niet zal ingaan ( 20 ).
15 . Nu ik tot het besluit ben gekomen dat de tweede alinea van artikel 215 zich niet verzet tegen de berechting van verzoeksters eis, kan ik het onderzoek ten gronde aanvatten . Zoals gezegd zal ik me in hoofdorde inlaten met de vraag of de Commissie aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die verzoekster heeft geleden als gevolg van de verbreking door de Rwandese overheid van het contract voor kavel nr . 1 ( hierna, nrs . 16 tot en met 33 ). In subsidiaire orde zal ik kort ingaan op de vraag of de Commissie aansprakelijk kan worden gesteld voor de overige door verzoekster gevorderde schade ( hierna, nr . 34 ).
Het oorzakelijk verband
16 . Ik geef er me rekenschap van dat het ongebruikelijk is op het oorzakelijk verband in te gaan vooraleer over de rechtmatigheid van het gedrag van de Commissie te handelen . Ik meen nochtans een goede reden te hebben voor deze manier van werken : een nauwkeurige analyse van het causaliteitsprobleem zal immers aantonen waarin precies de bewijslast bestaat die in onderhavig geding op verzoekster rust .
17 . Wanneer, zoals in casu, de schade is voorafgegaan door de interactie van de gedragingen van meerdere partijen ( verzoekster zelf en de Commissie, maar ook de Rwandese overheid en het in opdracht van deze laatste optredende Duitse ingenieursbureau Rhein-Ruhr ), stelt het leggen van causale verbanden vaak delicate problemen . Ik wil U twee principes in herinnering brengen . Als vuistregel kan gesteld worden dat het vereiste causale verband afwezig is wanneer de schade waarvan de vergoeding wordt gevraagd óók, en op dezelfde wijze, zou zijn ontstaan zonder de onrechtmatige handelingen ( 21 ).
Het tweede principe heeft te maken met de beperkte draagwijdte van ons onderzoek : de mogelijkheid van een hoofdelijke of in solidum veroordeling van de Commissie tot de schade die verzoekster heeft geleden als gevolg van de eenzijdige verbreking van het contract voor kavel nr . 1 door de Rwandese overheid . Welnu, het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer een economisch agent schade lijdt ten gevolge van een autonoom besluit van een ( in dat geval : Lid-)Staat ( dat wil zeggen, uitsluitend ingegeven door een eigen beoordeling van de autoriteiten van die staat, en zonder enig toedoen van een derde ), de Gemeenschap niet aansprakelijk kan gesteld worden voor de geleden schade ( 22 ).
18 . Wanneer ik deze beide regels toepas op het onderhavige geval, dan kom ik tot het besluit dat de Commissie enkel aansprakelijk kan worden gesteld voor de door verzoekster gevorderde schade wanneer bewezen zou zijn :
i ) ofwel dat zij "medeplichtig" is geweest aan de verbreking van het contract door de Rwandese overheid, met andere woorden heeft ingegrepen op de besluitvorming van Rwanda door de verbreking uit te lokken of op te dringen . Deze hypothese, die betrekking heeft op het optreden van de Commissie bij gelegenheid van de verbreking van het contract, behandel ik hierna onder nrs . 22 tot en met 25;
ii ) ofwel, aangenomen dat de verbreking een zelfstandige beslissing was van de Rwandese overheid, dat de beslissing het contract te verbreken niettemin aan de Commissie kan worden toegeschreven, omdat deze zich in feite heeft gedragen als de ( mede)bouwheer van het project . Dit zou het geval zijn wanneer de Commissie en/of haar gemachtigde tijdens de uitvoering van het project zich de facto geheel of gedeeltelijk in de plaats van de Rwandese overheid of de "leidende ambtenaar" zouden hebben gesteld . Deze hypothese behandel ik hierna onder nrs . 26 en 27;
iii ) ofwel dat het optreden van de Commissie de verbreking van het contract door de Rwandese regering onafwendbaar heeft gemaakt . Dit zou bij voorbeeld het geval kunnen zijn wanneer men aanneemt dat de gebreken in het geotechnisch rapport tot de slechte afloop van het project ( en uiteindelijk tot de verbreking van het contract ) hebben geleid, en de verantwoordelijkheid voor bedoelde gebreken aan de Commissie kan worden toegeschreven . Deze hypothese behandel ik hierna onder de nrs . 28 en 29 . Nu reeds dien ik er op te wijzen dat ik welbewust de uitdrukking "onafwendbaar" gebruik, en dit omdat het mijns inziens niet volstaat dat het optreden van de Commissie "mede heeft bijgedragen" tot het slecht aflopen van het project . Hiervoor zagen we immers dat de Gemeenschap niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die het gevolg is van een autonoom besluit van een ( Lid-)Staat ( 23 ). Daarom dient te worden aangetoond dat er ten gevolge van de daad van een derde, in casu de Commissie, geen sprake van dergelijk autonoom optreden kon zijn;
iv ) ofwel dat het optreden ( lees : "ingrijpen ") van de Commissie de verbreking van het contract had kunnen voorkomen, én de Commissie tot een zodanig ingrijpen verplicht was . Deze hypothese behandel ik hierna onder de nrs . 30 tot en met 33 .
Het is met inachtneming van deze bevindingen betreffende de bewijslast die rust op verzoekster dat ik nu haar argumenten met betrekking tot het beweerde onrechtmatige gedrag van de Commissie zal onderzoeken .
Beoordeling van het optreden van de Commissie
19 . Ik wil mijn bespreking van het optreden van de Commissie inleiden met een beknopt overzicht van het reglementair kader van de eerste Overeenkomst van Lomé, vooral met betrekking tot de rol die door de bepalingen ervan is weggelegd voor de Commissie . De rechtmatigheid van haar optreden dient immers tegen deze achtergrond te worden beoordeeld . Verderop in de analyse zal ik - waar nodig - dieper op sommige van deze bepalingen ingaan .
De "financiële en technische samenwerking" tussen de Gemeenschap en de ACS-staten, in het kader waarvan het litigieuze project in Rwanda werd opgezet, wordt geregeld door de artikelen 40 tot en met 61 van Lomé I . Voor onderhavig geding is het essentieel voor ogen te houden dat in de Overeenkomst de bevoegdheids - en taakverdeling tussen de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat anders is geregeld in de "voorbereidende fase" dan in de "uitvoeringsfase" van een project .
20 . Met "voorbereidende fase" bedoel ik de fase waarin een bepaald project wordt geïdentificeerd en voorgesteld, en die resulteert in de beslissing tot uitvoering en financiering van dat project . Belangrijk is dat deze voorbereidende fase niet de planning van de concrete uitvoering van het project betreft . Enkel wordt in deze fase onderzocht in hoever het project technisch en financieel haalbaar en sociaal en economisch verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de Overeenkomst en van de specifieke ontwikkelingsdoeleinden van de betrokken ACS-staat . De voorbereidende fase behelst onder meer het opstellen van een indicatief programma ( 24 ), dat het kader vormt binnen hetwelk het concrete project later zal worden gepland en uitgevoerd . Het voorbereiden en presenteren van voorstellen voor concrete projecten gebeurt door de betrokken ACS-staat; op verzoek van deze staat kan de Gemeenschap technische bijstand verlenen bij het opstellen van de dossiers ( 25 ). Daarna wordt onderzocht in welke mate de voorstellen in aanmerking komen voor financiële steun; deze vraag wordt onderzocht door de Gemeenschap in nauwe samenwerking met de betrokken ACS-staat ( 26 ). Dit onderzoek behelst in feite een "leefbaarheidsanalyse", met betrekking tot de financiële en technische haalbaarheid van het project, de vraag of het project sociaal verantwoord is, enzomeer . Op basis van deze leefbaarheidsanalyse wordt door de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat een financieringsvoorstel uitgewerkt en ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Gemeenschap ( 27 ).
21 . Wordt het financieringsvoorstel door de Gemeenschap goedgekeurd, dan belandt het project in de "uitvoeringsfase ". Meer nog dan in de voorbereidende fase wordt hier de nadruk gelegd op het beginsel van de eerbiediging van de soevereiniteit van de betrokken ACS-staat . Daarom wordt in artikel 55 van Lomé I bepaald :
"De ACS-staten ... zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de Gemeenschap gefinancierde projecten . Dit betekent dat ze verantwoordelijk zijn voor het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten voor de uitvoering van werken en voor leveringen en contracten inzake technische samenwerking ."
De leiding bij de uitvoering van de overeenkomst komt toe aan de door de betrokken ACS-staat aangewezen ambtenaar en/of een door die Staat aangewezen deskundige ( in casu het Duitse ingenieursbureau Rhein-Ruhr ) ( 28 ).
Weliswaar geldt ook in de uitvoeringsfase het beginsel van de "nauwe samenwerking" tussen de Gemeenschap en de betrokken ACS-staat . Anders dan in de voorbereidende fase is er echter een duidelijke bevoegdheidsverdeling : de taak van de Gemeenschap ( uitgevoerd door de Commissie ) bestaat in het beheer van de aan het project toegekende kredieten ( 29 ), terwijl de sluiting van het contract en de uitvoering van het project aan de betrokken ACS-staat toekomt ( 30 ). Deze taakverdeling werd meermaals bevestigd en geëxpliciteerd in de rechtspraak van Uw Hof . U heeft er de nadruk op gelegd dat contracten die voor steun van het Europees Ontwikkelingsfonds ( EOF ) in aanmerking komen, nationale contracten blijven, in die zin dat enkel de autoriteiten van de onderscheiden ACS-staten bevoegd zijn ze uit te werken, erover te onderhandelen en ze af te sluiten . De taak van de Commissie is ertoe beperkt de financieringsbesluiten te nemen ter uitvoering van de projecten die in overleg met de ACS-staten zijn vastgesteld; de eerbiediging van de soevereiniteit van deze Staten en van de hun bij de overeenkomst ingeruimde verantwoordelijkheden impliceren dat de Commissie niet rechtstreeks te maken heeft met de begunstigden van een aanbesteding, die in feite alleen rechtsbetrekkingen onderhouden met de voor het contract verantwoordelijke ACS-staat ( 31 ). Dit reglementair kader sluit evenwel niet uit dat derden schade kunnen lijden door handelingen of gedragingen van de Commissie in het kader van de uitvoering van deze projecten; zulke personen kunnen, wanneer zij menen dat het optreden van de Commissie onrechtmatig is, een beroep instellen op basis van de artikelen 178 en 215, tweede alinea van het Verdrag ( 32 ).
Tegen deze achtergrond kan ik nu de beoordeling van het gedrag van de Commissie aanvatten . Een dubbele vraag zal daarbij centraal staan : ten eerste, gaat het om onrechtmatig gedrag, en ten tweede, is zulk gedrag van aard om de Commissie ( mede)verantwoordelijk te maken voor de verbreking van het contract door de Rwandese overheid?
Eerste hypothese : uitlokken van, aanzetten tot, of opdringen van de contractbreuk
22 . In deze hypothese kan van een onrechtmatige daad van de Commissie enkel sprake zijn als bewezen is dat de Commissie of haar vertegenwoordigers op onrechtmatige wijze de beslissing tot verbreking van de Rwandese regering hebben uitgelokt, ertoe hebben aangezet, of deze hebben opgedrongen . Wel te verstaan dient deze onrechtmatigheid geapprecieerd te worden aan de hand van de hierboven geschetste bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en Rwanda .
Ik wil ook van bij de aanvang verduidelijken dat het voor navolgend onderzoek geen rechtstreeks belang heeft of de verbreking van het contract door Rwanda onrechtmatig ( zoals het scheidsgerecht heeft geoordeeld ) dan wel rechtmatig was . De vraag is immers of het feit dat de schade teweeg heeft gebracht ( de verbreking van het contract ) kan worden toegeschreven aan de Commissie, ongeacht of dit feit zelf al dan niet is te beschouwen als een onrechtmatige daad . Wél zou het vonnis van het scheidsgerecht ( in de hypothese dat het door Uw Hof wordt aanvaard ) onrechtstreeks relevant kunnen zijn . In de hypothese dat de "medeplichtigheid" van de Commissie aan de verbreking van het contract bewezen is, sluit het onderschrijven van het vonnis namelijk het verweer van de Commissie uit dat zij enkel heeft deelgenomen aan een rechtmatige verbreking en er dus geen sprake is van een schuldige handeling van harentwege .
23 . Verzoekster heeft niet beweerd dat de Commissie de verbreking van het contract zou hebben opgedrongen aan de Rwandese overheid . Wél houdt zij vol dat de Commissie Rwanda tot de verbreking zou hebben aangezet, of deze althans zou hebben uitgelokt . Het bewijsmateriaal dat verzoekster voor deze stelling heeft aangedragen is echter bijzonder karig . Zij wijst erop dat de beslissing tot verbreking "in bijzonder abusievelijke omstandigheden" ( sic ) zou zijn genomen door de Rwandese minister van Buitenlandse Zaken na een mislukte verzoeningsvergadering waarop naast verzoekster en Rwanda ook de Commissie vertegenwoordigd was ( 33 ). Zij herinnert eraan dat de Rwandese regering na de verbreking van het contract de afwerking van het project via een "onwettige" overeenkomst op basis van vergoeding van gemaakte kosten ( 34 ) heeft toevertrouwd aan de onderneming Colas ( 35 ). Verder acht verzoekster het verweer van de Commissie, die heeft laten gelden dat haar optreden enkel geïnspireerd was door een bezorgdheid om bij te dragen tot de minnelijke regeling van het geschil tussen verzoekster en de Rwandese overheid, ongeloofwaardig : volgens haar zou de Commissie tijdens de uitvoering van het project haar neutrale opstelling gaandeweg hebben laten varen, en zich aan de zijde van Rwanda hebben geschaard . Ten slotte heeft verzoekster ter terechtzitting op een aantal stukken gewezen die door de Commissie op verzoek van het Hof werden overgelegd ( 36 ) ( hierna : "de Bundel van de Commissie "). Volgens haar bewijzen deze stukken dat de Rwandese overheid bij de verbreking van het contract tewerk zou zijn gegaan volgens de richtlijnen van de Commissie ( 37 ), en zouden zij ook de "partijdigheid" van de Commissie aantonen ( 38 ).
24 . Ik gaf het hiervoor reeds aan : verzoekster heeft mijns inziens geen afdoend bewijs geleverd van haar stelling . Niet alleen zijn de documenten die zij aanhaalt niet van aard om haar versie van de feiten te bewijzen, maar bovendien blijkt zowel uit de door haarzelf aangehaalde stukken als uit een aantal andere stukken die voor het Hof liggen dat de versie van de Commissie ( die beweert dat haar optreden uitsluitend ingegeven was door de bezorgdheid om het geschil tussen verzoekster en Rwanda op minnelijke wijze te regelen ), de juiste is .
Vooral de stukken in de Bundel van de Commissie laten aan duidelijkheid niets te wensen over ( 39 ). Nergens blijkt eruit dat de Commissie tijdens de ontwikkeling van het conflict tussen verzoekster en de Rwandese overheid partij zou hebben gekozen ( 40 ), iets wat overigens door verzoekster zelf werd bevestigd in een brief die zij in mei 1981 tot het EOF te Brussel richtte ( 41 ). Wel tonen zij aan dat de beslissing van de Rwandese overheid van 6 juni 1981 om het contract met verzoekster te verbreken niet werd genomen op aanraden of met de instemming van de Commissie . Het meest verhelderend op dit laatste punt is stuk nr . 32 van de Bundel van de Commissie, een brief dd . 29 april 1981 van de gemachtigde van de Commissie, waarin deze het EOF bericht over zijn pogingen om de Rwandese overheid af te brengen van haar besluit om, in weerwil van de verzoeningspogingen van de Commissie, het contract te verbreken . Het besluit van deze brief luidt ( mijn vertaling ):
"In elk geval ga ik alles in het werk stellen, niet om de Administratie te beïnvloeden, maar wel om haar voor haar verantwoordelijkheid te plaatsen met kennis van de implicaties en de gevolgen van elke optie ..." ( 42 ).
Deze houding wordt stelselmatig bevestigd in de andere stukken die voor het Hof liggen ( 43 ). Verder blijkt ook dat pas vanaf het moment dat de beslissing van de Rwandese overheid om het contract te verbreken onherroepelijk bleek, de Commissie ( die haar twijfels had over de rechtmatigheid van een eenzijdige verbreking ) de Rwandese overheid bijstand heeft verleend om te vermijden dat deze haar ( juridische ) situatie nog verder zou compromitteren ( 44 ). Deze bijstand bestond er onder meer in dat de Commissie de Rwandese overheid een ontwerp overmaakte voor de brief waarin aan verzoekster de verbreking zou worden meegedeeld ( 45 ). Het kan moeilijk worden betwist dat deze handelwijze in de taak van de Commissie paste . Zij had immers reden te vrezen dat de door de Gemeenschap ter beschikking gestelde fondsen onnodig zouden worden besteed door een ondoordacht optreden van de Rwandese overheid, en was gerechtigd op te treden om de nadelige gevolgen van dat optreden zoveel als mogelijk in te perken, temeer daar haar optreden de belangen van derden niet meer kon schaden nu de beslissing om het contract te verbreken reeds was genomen door de Rwandese overheid .
25 . Weliswaar bevatten enkele rapporten van de gemachtigde van de Commissie een aantal kritische bedenkingen in verband met de uitvoering van de werken door verzoekster ( 46 ). Dergelijke bedenkingen zijn op zichzelf evenwel geen bewijs van een partijdige opstelling van de Commissie ( en a fortiori niet van een uitlokking of aanstichting door de Commissie van de contractbreuk ). Zij passen integendeel in de beheerstaak van de Commissie, die immers enkel de financiering dient te verlenen "die nodig (( is )) voor een in economisch en technisch opzicht optimale uitvoering van de goedgekeurde projecten of actieprogramma' s" ( 47 ). Overigens waren de kritische bedenkingen van de Commissie wellicht niet zonder grond, daar het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de slechte afwerking van het project respectievelijk voor 25 % ( kavel nr . 1 ) en 48 % ( kavel nr . 2 ) te wijten was aan het optreden van verzoekster ( 48 ).
Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster niet heeft bewezen dat de Commissie de verbreking door de Rwandese overheid van het contract voor kavel nr . 1 zou hebben uitgelokt, of de Rwandese overheid tot die verbreking zou hebben aangezet .
Tweede hypothese : kan de verbreking van het contract aan de Commissie worden toegeschreven?
26 . Verzoekster heeft op uitgebreide wijze betoogd dat de Commissie in solidum aansprakelijk dient te worden gesteld voor de door haar geleden contractuele schade . Zij baseert zich hierbij op een tweeledig argument . Enerzijds zouden de bepalingen van Lomé I ( en de andere bepalingen die op de contracten van toepassing zijn ) een "gezamenlijke verantwoordelijkheid" van de Commissie en de bouwheer/ACS-staat opleggen voor alle aan de aannemer in het kader van het contract berokkende schade . Anderzijds zou de Commissie zich, ongeacht de bepalingen van Lomé I, op een zodanig onrechtmatige wijze hebben ingelaten met de uitvoering van de overeenkomst dat zij samen met de bouwheer aansprakelijk moet worden gesteld voor het geheel of tenminste een deel van de door verzoekster geleden contractuele schade .
27 . Verzoeksters argumentatie kan me niet overtuigen . Voor wat betreft het eerste deel van haar argument moge ik verwijzen naar de algemene schets van het reglementair kader van de eerste Overeenkomst van Lomé ( hiervoor, nrs . 19 tot en met 21 ). Gewis is er een "nauwe samenwerking" tussen de Gemeenschap en de ACS-staten bij het ten uitvoer leggen van de financiële en technische samenwerking . Deze nauwe samenwerking verhindert evenwel niet, zoals hiervoor aangegeven, dat er in de uitvoeringsfase van een concreet project een vrij precieze bevoegdheidsverdeling bestaat tussen de Gemeenschap ( vertegenwoordigd door de Commissie, meer bepaald het EOF ) en de betrokken ACS-staat . Uw Hof heeft bevestigd dat in de uitvoeringsfase enkel de betrokken ACS-staat als bouwheer optreedt; de taak van de Commissie is beperkt tot het nemen van de noodzakelijke financieringsbesluiten ter uitvoering van de projecten, met het oog op een juiste en zorgvuldige aanwending van de door de Gemeenschap ter geschikking gestelde fondsen ( 49 ). Van een gezamenlijke verantwoordelijkheid tegenover de aannemer van het project is in de bepalingen van Lomé I geen sprake; de "nauwe samenwerking" blijft in het systeem van Lomé I tot de contractspartijen beperkt ( 50 ).
In werkelijkheid blijkt verzoekster overigens niet van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Commissie en de Rwandese overheid uit te gaan . In dergelijke hypothese zouden immers de contractuele fouten van Rwanda ( die in de arbitrale procedure zijn vastgesteld ) aan de Commissie worden toegerekend . Verzoekster maakt geen gewag van een dergelijke toerekening, maar wijst ( dit is het tweede deel van haar argument ) op een aantal handelingen van de Commissie waaruit volgens haar blijkt dat de gemachtigde van de Commissie zich op onrechtmatige wijze heeft gemengd in de uitoefening van de aan Rwanda toekomende bevoegdheden . De feiten die verzoekster aanhaalt zijn echter geenszins van aard te bewijzen dat de Commissie op een dusdanige wijze de bevoegdheden van de bouwheer heeft toegeëigend dat de beslissing om het contract te verbreken, ook aan haar dient te worden toegeschreven . Zo heeft zij erop gewezen dat de gemachtigde van de Commissie erom verzocht, dat hem alle dienstorders vóór de uitvoering ervan zouden worden overgemaakt voor visum ( 51 ). Ik zie niet in waarom dit verzoek onrechtmatig zou zijn, daar de uitgifte van een dienstorder financiële consequenties heeft, en de gemachtigde er namens de Commissie op toe dient te zien dat de door het EOF ter beschikking gestelde middelen op verantwoorde wijze worden besteed . Verzoekster heeft wel beweerd maar niet aangetoond dat deze voorafgaande controle door de gemachtigde van de Commissie werd misbruikt om zich in de bevoegdheden van de bouwheer te mengen . Er is bij voorbeeld niet gebleken van een ( zelfs tijdelijke ) weigering het visum aan te brengen, of van het verbinden van voorwaarden aan het aanbrengen ervan . Ik vind het ook bevreemdend dat verzoekster het Hof geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij gedurende de uitvoering van het project ( en zelfs nadien ) ten aanzien van deze handelwijze van de Commissie, die zij in dit geding als bijzonder ernstig bestempelt, enig protest of enige bedenking heeft geformuleerd .
Verzoekster heeft de Commissie ook een aantal andere "onrechtmatige inmengingen" in de bevoegdheden van de bouwheer verweten : zij zou actief hebben deelgenomen aan vergaderingen op het bouwterrein, waarbij zij voorstellen tot onteigening en alternatieve technische oplossingen zou hebben geformuleerd, en een gedeeltelijke wijziging van het project ter voorafgaande goedkeuring hebben voorgelegd aan het EOF . Ook op dit punt vind ik in de voorliggende stukken geen enkel ernstig bewijs van verzoeksters beweringen . Zij heeft gewezen op de verslagen van vier verschillende werfvergaderingen . Op twee van deze vergaderingen blijkt dat de gemachtigde van de Commissie enkel voorstellen deed ( 52 ) of twijfels uitte ( 53 ). Ik zie niet in hoe dit zou bewijzen dat de Commissie zich met de bevoegdheden van de bouwheer heeft ingelaten . Op een andere vergadering blijkt de Commissie de aandacht van de Rwandese Administratie erop te hebben gevestigd dat de kosten die voortvloeiden uit het langdurig blokkeren door deze administratie van facturen van Spie-Batignolles, wellicht niet ten laste zouden kunnen worden genomen door het EOF ( 54 ). Deze opmerking lijkt me geheel te passen in de taak van de gemachtigde van de Commissie en op geen enkele wijze op de eigen bevoegdheden van de bouwheer inbreuk te maken . Overigens vraag ik me af hoe dit optreden van de Commissie, dat er normalerwijs toe moet geleid hebben dat verzoekster sneller werd betaald voor door haar uitgevoerde werken, haar schade kan hebben berokkend . Ten slotte heeft verzoekster gewezen op een voorbehoud dat de gemachtigde van de Commissie maakte op een werfvergadering van 19 februari 1980 voor de financiering van een wijziging in de aanleg van bermen ( 55 ). Uit een handgeschreven aantekening is op te maken dat de gemachtigde zich akkoord heeft verklaard voor slechts één kilometer en dat hij voor het overige voorbehoud heeft gemaakt ( 56 ). Aangezien het voorbehoud betrekking had op een eenzijdige wijziging door de bouwheer van de uitvoeringsmodaliteiten van het project, was het mijns inziens niet noodzakelijk ongeoorloofd . Bovendien was het voorbehoud geen absoluut veto : er werd een akkoord gegeven voor de aanleg van een stuk van één kilometer, opdat uit de aanleg van dit korte stuk de doelmatigheid van de wijziging zou kunnen blijken . Deze aansporing tot voorzichtigheid lijkt mij niet in strijd te zijn met de opdracht van de Commissie, die er moet op toezien dat de gelden juist zouden worden besteed . Overigens valt het ook in dit verband op dat verzoekster tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het optreden van de Commissie of haar gemachtigde op geen enkel ogenblik in vraag heeft gesteld, wel integendeel : ik heb hiervoor reeds gewezen op een brief van verzoekster aan de Commissie, waarin eerstgenoemde de neutrale opstelling van de Commissie bevestigt, en deze zelfs verzoekt als bemiddelaar tussen haarzelf en de Rwandese overheid op te treden ( 57 ).
Derde hypothese : het onafwendbaar maken van de verbreking van het contract
28 . Hiervoor ( nrs . 26 en 27 ) kwam ik reeds tot het besluit dat er geen bewijs bestaat van een inmenging van de Commissie in de bevoegdheden van de bouwheer . Daaruit volgt meteen dat de beweerde "verlamming" van de werkzaamheden niet door dergelijk optreden van de Commissie kan zijn veroorzaakt . Verzoekster meent echter dat de Commissie ook een andere fout kan verweten worden die tot de slechte afloop van het project zou hebben geleid . Haar uitgangspunt is de zesde arbitrale uitspraak van 24 februari 1987, waaruit zou blijken dat de gebreken van de geologische studie in het aanbestedingsdossier haar "in dwaling" hebben gebracht, wat uiteindelijk tot de mislukking van het project zou hebben geleid . Hoewel de bedoelde studie niet door of in opdracht van de Commissie werd gemaakt, meent verzoekster toch dat de Commissie instaat voor de schadelijke gevolgen ervan . Deze stelling baseert zij op artikel 53 van Lomé I, dat bepaalt dat de Gemeenschap de projecten "bestudeert in nauwe samenwerking met de ACS-staten ". Volgens lid 2, sub c van dit artikel heeft dit onderzoek onder meer tot doel na te gaan "of aan de voorwaarden voor de goede uitvoering en de levensvatbaarheid van de projecten ... is voldaan ".
29 . Ook hier berust de argumentatie van verzoekster op een verkeerde lezing van de toepasselijke reglementaire bepalingen . Zoals hiervoor ( nr . 20 ) uiteengezet, is artikel 53 van toepassing op de voorbereidende fase van een project, waarin onder meer wordt nagegaan of het project in economisch en technisch opzicht haalbaar is, en of het op de specifieke doeleinden van de betrokken staat is afgestemd . In deze fase wordt echter nog niet de concrete planning vastgelegd van de uitvoering van het project; dit laatste is een onderdeel van de uitvoeringsfase van het project, en valt dus onder de verantwoordelijkheid van de betrokken ACS-staat . Hoewel de Commissie tot taak heeft de samenwerking te bevorderen tussen ingenieurs - en studiebureaus uit de Lid-Staten en de ACS-staten ( 58 ), staat zij er niet voor in dat het aanbestedingsdossier en de erin vervatte geologische studies in technisch opzicht deugdelijk zijn; dergelijke gebreken kunnen in principe enkel tegen de bouwheer ( de betrokken ACS-staat ) worden ingeroepen .
Weliswaar dient de Commissie het aanbestedingsdossier goed te keuren vóór de uitschrijving van de aanbestedingen ( 59 ), maar deze goedkeuring heeft betrekking op haar controletaak op financieel vlak . Zij is enkel gehouden tot een verificatie van de technische conceptie van een project in de mate dat er vergissingen in de financiering van het project uit zouden voortspruiten ( zie hierover verder, in nrs . 31 en 32 ). Verder zou de Commissie, als financier van het project, aansprakelijk kunnen gesteld worden ingeval zou blijken dat zij een project financierde waarvan zij ( wegens haar rol in de voorbereidende fase ) wist of moest weten dat het niet leefbaar was .
Zoals men ziet gaat verzoeksters argumentatie in een heel andere richting . Zij heeft dan ook geen element aangedragen dat in de richting van de aansprakelijkheid van de Commissie wijst . Volgens verzoeksters eigen beweringen bestond het voornaamste gebrek van de geologische studie in een deels oppervlakkig, deels verkeerd onderzoek van een aantal grondlagen die bestratingsmateriaal voor de wegen dienden te leveren . Zij heeft in dit verband naar de zesde arbitrale beslissing verwezen, waaruit blijkt dat de Rwandese overheid uitdrukkelijk weigerde een meer diepgaande studie te financieren, en eveneens verzuimde meer precieze onderzoeken te gebruiken bij de opstelling van het aanbestedingsdossier ( 60 ). De arbitrale uitspraak overweegt op dit punt dat zelfs een gespecialiseerd bedrijf als Spie-Batignolles deze gebreken niet had dienen op te merken, onder meer omdat Rwanda werd bijgestaan door een bijzonder competent ingenieursteam dat een grote ervaring had inzake de uitvoering van werken in Afrika ( 61 ). Wat voor een gespecialiseerd bedrijf geldt dat belast is met de uitvoering van de werken, lijkt mij in nog grotere mate te gelden voor de Commissie die in hoofdzaak met de financiering van het project is belast .
Vierde hypothese : had de Commissie de verbreking van het contract kunnen en moeten voorkomen?
30 . Ten slotte heeft verzoekster geargumenteerd dat er een "interventieplicht" op de Commissie rustte om ( technische én financiële ) aanpassingsmaatregelen te nemen ten einde de bij de uitvoering van het project gerezen moeilijkheden te verhelpen . Het verzuim van de Commissie om derwijze op te treden brengt haar aansprakelijkheid in het gedrang, aldus verzoekster .
31 . Met de Commissie zou ik kunnen opmerken dat er een contradictie lijkt te bestaan tussen verzoeksters argumentatie betreffende de beweerde onrechtmatige inmenging van de Commissie in de bevoegdheden van de bouwheer ( hiervoor, nr . 26 ), en de hier bedoelde interventieplicht . Belangrijker is echter dat ook in deze laatste hypothese de argumenten van verzoekster op een foute lezing berusten van de toepasselijke bepalingen . Het meest opvallend is dit waar zij naar artikel 57 van Lomé I verwijst, een bepaling die krachtens haar bewoordingen van toepassing is op voltooide projecten en gerealiseerde investeringsobjecten, en niet op werken in uitvoering . Verder heeft verzoekster ook verwezen naar de artikelen 29, 31 en 33 van het Protocol nr . 2 bij Lomé I . In artikel 29 wordt bepaald dat het EOF de "aanpassingsmaatregelen (( neemt )) ... die nodig zijn voor een in economisch en technisch opzicht optimale uitvoering van de ... projecten ...". In lid 6 van artikel 31 wordt bepaald dat de gemachtigde van het EOF "er namens de Commissie op toe((ziet )) dat de uit de middelen van het Fonds gefinancierde projecten ... in financieel en technisch opzicht goed worden uitgevoerd ". In artikel 33 wordt bepaald dat wanneer het onmogelijk blijkt een project binnen de voorziene kredietenveloppe af te werken of de overschrijding met eigen middelen van de betrokken ACS-staat te dekken, de Gemeenschap "bij uitzondering" een aanvullende verbintenis kan aangaan .
Uit het algemeen kader dat ik hiervoor schetste en de verdere bespreking van een aantal specifieke bepalingen is inmiddels wel duidelijk geworden dat de taak van de gemachtigde van de Commissie tijdens de uitvoering van een project beperkt is tot het nemen van de financieringsbesluiten "die nodig zijn voor een in economisch en technisch opzicht optimale uitvoering van de goedgekeurde projecten", aldus lid 1 van artikel 29 van het Protocol nr . 2 . Het is niet moeilijk in te zien dat deze taakomschrijving uitsluit dat de Commissie zich zou inlaten met de technische uitvoering van het project - dit laatste behoort immers tot de "soevereine bevoegdheid" van de betrokken ACS-staat ( 62 ). Vanzelfsprekend mag de Commissie ook haar eigen ( financiële en beheers-)bevoegdheid niet aanwenden om dit resultaat langs indirecte weg te bereiken - dit laatste wordt trouwens door verzoekster zelf geargumenteerd ( zie hiervoor, de tweede hypothese, nrs . 26 en 27 ).
32 . Voor welke "tussenkomst" van de Commissie laat het reglementair kader van Lomé I dan nog plaats over? Mijns inziens heeft de term "nodig" in het in vorig nummer geciteerde artikel 29 van Protocol nr . 2 vooral betrekking op een bewaking van de uitgaven : het EOF financiert het project, maar dient erover te waken dat er niet meer fondsen van de Gemeenschap worden besteed dan voor een optimale uitvoering van het project nodig is . De door verzoekster ingeroepen artikelen 29, 31 en 33 van het Protocol hebben dezelfde inspiratie, die trouwens met de algemene filosofie van het Lomé I Verdrag overeenstemt : eerder dan de betrokken ACS-staat bepaalde oplossingen op te leggen, kent men hem een beperkte kredietenveloppe toe waarmee in principe het volledige project moet worden betaald - overschrijdingen zijn slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk ( cfr . artikel 33 ). Weliswaar is kostenbesparing niet de eerste prioriteit : de Gemeenschap stelt voldoende fondsen ter beschikking om een optimale uitvoering van de werken te waarborgen ( zie artikel 29, lid 1 ). Bij dit alles is het toezicht van de gemachtigde evenwel niet zozeer ten behoeve van de bouwheer ingesteld . "De gemachtigde ziet er namens de Commissie op toe dat de uit de middelen van het Fonds gefinancierde projecten ... in financieel en technisch opzicht goed worden uitgevoerd" ( artikel 31, lid 6, mijn cursivering ), en dit om te vermijden dat de fondsen van de Gemeenschap nodeloos worden aangesproken .
Dit reglementair kader sluit weliswaar niet uit dat onder bepaalde ( extreme ) omstandigheden een ingrijpen van de gemachtigde geboden kan zijn dat eveneens een weerslag heeft op de uitvoering van het contract . Dit is de richting waarin verzoeksters argument gaat : zij beweert dat er een fundamentele herziening had moeten plaatsvinden van de kredietenveloppe van het project . Zij heeft nochtans, buiten een algemene verwijzing naar de zware moeilijkheden tijdens de uitvoering van het project, geen specifiek bewijsmateriaal voorgedragen ter ondersteuning van deze bewering . Noch uit haar schets van de feiten ( 63 ), noch uit de zesde scheidsrechterlijke beslissing ( 64 ) is gebleken dat het beheer van de kredietenveloppe de oorzaak was van de moeilijkheden van het project . Natuurlijk, het is waarschijnlijk dat een additionele "kapitaalsinjectie" door het EOF ertoe zou hebben geleid dat de moeilijkheden tussen Rwanda en Spie-Batignolles ( op kosten van de Gemeenschap ) werden bijgelegd . Maar uit voorgaande uiteenzetting moge gebleken zijn dat het geenszins de taak is van het EOF alle problemen die tussen bouwheer en aannemer rijzen "op te lossen" door een automatische verruiming van de kredietenveloppe voor het project . Overigens is de Commissie, anders dan verzoekster voor het Hof beweert, wel degelijk opgetreden om de gerezen problemen te verhelpen, zoals moge blijken uit de navolgende voorbeelden . De Commissie nam deel aan de "verzoeningsvergadering" in Rwanda van 11 en 12 mei 1981 ( 65 ). Ze trachtte de meningsverschillen tussen Rwanda en Spie-Batignolles in der minne te regelen, precies met de bedoeling om de verbreking van het contract door de Rwandese overheid te voorkomen ( 66 ). De Commissie organiseerde eveneens een "ultieme" vergadering te Brussel op 13-15 mei 1981, waar tussen Spie-Batignolles en de Rwandese Overheid bijna overeenstemming werd bereikt over een aanhangsel (" Avenant ") aan beide contracten ( 67 ).
33 . Nu niet is gebleken dat het beheer van de kredietenveloppe tot de moeilijkheden heeft geleid of bijgedragen, zou verzoekster moeten bewijzen dat de door het EOF goedgekeurde kredietenveloppe voor het project ( ab initio ) kennelijk ontoereikend was voor de uitvoering ervan . Dit heeft zij evenwel niet aangetoond, ook al heeft zij omstandig betoogd dat de Commissie de ondeugdelijkheid van de geologische studie ( en van het gehele aanbestedingsdossier ) had moeten opmerken . In dit verband kwam ik hiervoor ( nr . 29 ) reeds tot het besluit dat de Commissie niet kan verweten worden de gebreken in de technische conceptie niet te hebben opgemerkt . Verzoekster heeft de kennelijke ontoereikendheid van de financiële planning voor het project evenmin bewezen aan de hand van de rest van het aanbestedingsdossier of van andere elementen; de moeilijkheden in de uitvoering blijken daarentegen stuk voor stuk het gevolg te zijn van later opgetreden of later ontdekte omstandigheden . Ook in deze laatste hypothese kom ik daarom tot het besluit dat de Commissie niet gehouden was tot een optreden dat de verbreking van het contract had kunnen voorkomen .
Subsidiair : aansprakelijkheid van de Commissie voor een geheel of een deel van de overige door verzoekster geleden schade
34 . Wanneer U zou oordelen dat verzoeksters aanspraken op vergoeding van de "extra kosten" die zij heeft geleden ten gevolge van het optreden van de Commissie ( hiervoor, nr . 7 ) niet verjaard zijn, dan dien ik haar argumenten op dit punt eveneens ten gronde te onderzoeken . Ik zal nochtans zeer kort zijn, omdat haar argumenten op dit punt niet verschillen van de argumenten die zij heeft ingeroepen om de verbreking van het contract aan het optreden van de Commissie te wijten .
Weliswaar rust op dit punt geen even zware bewijslast op verzoekster : zij dient niet te bewijzen dat de fouten van de Commissie de verbreking van het contract hebben veroorzaakt, maar wel dat deze fouten een deel of het geheel hebben veroorzaakt van de schade die het voorwerp uitmaakt van de arbitrale procedure . Uit voorgaand onderzoek is echter gebleken dat verzoekster niet alleen in gebreke is gebleven te bewijzen dat de Commissie verantwoordelijk was voor de verbreking van het contract, maar zelfs dat de Commissie zich in het kader van de uitvoering van beide projecten op enigerlei wijze onrechtmatig zou hebben gedragen . Inderdaad, we hebben gezien dat er geen bewijs bestaat dat de Commissie zich op onrechtmatige wijze zou hebben ingelaten met de uitvoering van de overeenkomst ( nrs . 26 en 27 ), dat de Commissie een fout zou hebben begaan bij de voorbereiding van het aanbestedingsdossier ( nrs . 28 en 29 ), of dat de Commissie te kort zou zijn gekomen aan de op haar rustende verplichtingen wat betreft het beheer van de EOF-fondsen tijdens de uitvoering van beide projecten ( nrs . 30 tot en met 33 ). Mijns inziens moet verzoeksters eis daarom ook op dit punt worden afgewezen .
Conclusie
35 . Op grond van het voorgaande geef ik U in overweging :
1 ) verzoeksters beroep ongegrond te verklaren voor zover het ertoe strekt de aansprakelijkheid van de Commissie te doen vaststellen voor de verbreking door de Rwandese overheid op 6 juni 1981 van het contract voor kavel nr . 1 ( EOF-project nr . 4.100.041.43.14 );
2 ) verzoeksters beroep voor het overige te verwerpen als verjaard;
3 ) verzoekster tot de kosten van het geding te veroordelen .
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) PB 1976, L 25, blz . 1 .
( 2 ) Zie het rapport ter terechtzitting, sub II .
( 3 ) Partijen zijn het erover eens dat bedoeld bezwaarschrift een "verzoek" is in de zin van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG, dat de verjaring van een vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid met een termijn van twee maanden ( zoals bedoeld in artikel 173 en met inachtname van de tweede alinea van artikel 175 ) verlengt . Verzoeksters beroep bij het Hof werd ter griffie ingeschreven op 1.8.1986, nadat haar bezwaarschrift op 5.7.1986 door de Commissie was verworpen .
( 4 ) Zie het arrest van 27.1.1982, gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Birra Wuehrer/Commissie, Jurispr . 1982, blz . 85, r.o . 10 .
( 5 ) Een termijn van vijf jaar die inging op 6.6.1981 loopt pas af op het einde van de dag van 6.6.1986 ( datum waarop verzoeksters bezwaarschrift de Commissie heeft bereikt ). Zie het arrest van 15.1.1987, zaak 152/85, Misset, Jurispr . 1987, blz . 223, i.h.b . r.o . 7 en 8 .
( 6 ) Zie voor kavel nr . 1, Bijlage nr . 25 bij het verzoekschrift, in het bijzonder blz . 5 en 6, en voor kavel nr . 2, Bijlage nr . 26 bij het verzoekschrift, in het bijzonder blz . 6 .
( 7 ) Zie Bijlage nr . 39 bij het verzoekschrift .
( 8 ) Zie blz . 10 van de conclusies van de Commissie betreffende de exceptie van onontvankelijkheid . Dit wordt niet weersproken door verzoekster, die in haar verzoekschrift vermeldt dat zij na 6.12.1980 geen enkel dienstorder meer ontving .
( 9 ) Zie Bijlage nr . 25 bij het verzoekschrift ( kavel nr . 1 ), blz . 2, en Bijlage nr . 26 ( kavel nr . 2 ), blz . 6 .
( 10 ) Zie Bijlage nr . 28 bij het verzoekschrift voor het proces-verbaal van deze vergadering .
( 11 ) Het toewijzen van deze beide verzoeken was trouwens verzoeksters hoofdeis in de arbitrale procedure tegen Rwanda ( naast de eis die betrekking had op de verbreking door de Rwandese overheid van het contract voor kavel nr . 1, waarover verder ). Dit is er een aanwijzing van dat er zich tussen december 1980 en 6 juni 1981 geen andere schade concretiseerde .
( 12 ) Meer bepaald besliste U in de Birra Wuehrer-zaak dat de verjaringstermijn voor de vergoeding van schade die door een verordening was veroorzaakt niet aanving met de "abstracte" uitvaardiging of toepasselijkheid van deze verordening, maar wel op het moment dat de verzoekers in deze zaak de "concrete" nadelige gevolgen ondervonden van de toepassing van bedoelde verordening ( zie r.o . 10 van het arrest ).
( 13 ) Zie hierover verder, noot 35 en begeleidende tekst .
( 14 ) Arrest in gevoegde zaken 56/74 tot 60/74, Kampffmeyer/Commissie en Raad, Jurispr . 1976, blz . 711 .
( 15 ) Deze uitspraak werd bevestigd in het arrest van 2.3.1977, zaak 44/76, Eier-Kontor, Jurispr . 1977, blz . 393, in het bijzonder r.o . 8, en in het arrest van 29.1.1985, zaak 147/83, Binderer/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 257, in het bijzonder r.o . 19 .
( 16 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 17.12.1981, gevoegde zaken 197/80 tot en met 200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmuehle/Raad en Commissie, Jurispr . 1981, blz . 3211, r.o . 18 .
( 17 ) Arrest in zaak 33/82, Murri Frères/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 2759 .
( 18 ) Zie arrest 33/82, reeds aangehaald .
( 19 ) Ik ga hier van de veronderstelling uit dat de Internationale Kamer van Koophandel de Rwandese overheid aansprakelijk zal verklaren voor al de schade die verzoekster in de arbitrale procedure heeft gevorderd in verband met de verbreking van het contract . Is dit niet het geval, dan rijst het hier gestelde probleem enkel voor het deel van de schade waarvoor én de andere partij én de Gemeenschap aansprakelijk zou worden gesteld .
( 20 ) Zie in dit verband Uw arrest van 14.7.1967, gevoegde zaken 5/66, 7/66 en 13/66 tot 24/66, Kampffmeyer e.a./Commissie, Jurispr . 1967, blz . 305, in het bijzonder op blz . 331 . Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Gand, blz . 334, op blz . 347 en 348 .
( 21 ) Het gaat hier om de "negatieve" conditio sine qua non-test; het omgekeerde is niet altijd waar . Zie de conclusie van advocaat-generaal Roemer in de gevoegde zaken 29/63, 31/63, 36/63, 39/63 tot en met 47/63, 50/63 en 51/63, Jurispr . 1965, blz . 1245, op blz . 1251; zie ook de conclusie van advocaat-generaal Gand in de gevoegde zaken 5/66, 7/66 en 13/66 tot en met 24/66, Jurispr . 1967, blz . 334, op blz . 346 tot en met 348 .
( 22 ) Zie het arrest van 10.5.1978, zaak 132/77, Suiker Export/Commissie, Jurispr . 1978, blz . 1061, r.o . 22 tot en met 27 .
( 23 ) Zie het in voetnoot 22 aangehaalde Suiker Export-arrest .
( 24 ) Zie artikel 51 van Lomé I .
( 25 ) Zie artikel 52 van Lomé I .
( 26 ) Zie artikel 53 van Lomé I .
( 27 ) Zie artikel 54 van Lomé I . Het is beslist niet ondenkbaar dat in dit stadium de uitvoering van een technische studie wordt gelast, ten einde na te gaan of het project technisch en financieel haalbaar is . De "geologische studie" waarover in casu zoveel te doen is ( zie verderop in de tekst ) is echter geen dergelijke "haalbaarheidsstudie", maar een technische studie die normalerwijze in de uitvoeringsfase van het project wordt verricht, en in het offertedossier ( zie verder ) wordt opgenomen .
( 28 ) Zie artikel 56 van de Algemene Bepalingen voor door het EOF gefinancierde overeenkomsten met de overheid inzake werken en leveranties, zoals van toepassing verklaard door Raadsverordening ( EEG ) nr . 282/72 van 31.1.1972, PB 1972, L 39, blz . 1 ( hierna "Algemene Bepalingen "). Voor wat betreft de uitvoering van de twee projecten die aanleiding gegeven hebben tot onderhavig geding werd de leiding van de uitvoering waargenomen door het Rwandese Ministerie van Openbare Werken en Uitrusting . Het Ministerie delegeerde deze bevoegdheid echter aan het Duitse ingenieursbureau Rhein-Ruhr Ingenieur GMBH ( hierna : "RRI "), die ook de auteur was van de veelbesproken geologische studie ( waarover verder, in nrs . 28 en 29 van de tekst ). Zie Bijlagen 1 en 2 bij het verzoekschrift ( tekst van het schrijven waarin de aanbesteding aan Spie-Batignolles werd meegedeeld ), sub 7 .
( 29 ) Zie artikel 29 van het Protocol nr . 2 betreffende de toepassing van de financiële en technische samenwerking van de eerste Overeenkomst van Lomé, PB 1976, L 25, blz . 104 .
( 30 ) Terloops weze opgemerkt dat deze functionele scheiding enigszins wordt genuanceerd in het Protocol nr . 2 bij Lomé I ( hiervoor aangehaald in voetnoot 29 ). Om de Commissie toe te laten haar beheerstaak op efficiënte wijze te vervullen, wordt zij ook betrokken bij de gunningsprocedure ( zie artikel 25 van het Protocol ) en het onderhandelen en afsluiten van het contract met de begunstigde ( zie artikel 26 van het Protocol ). Zoals ook blijkt uit de in het vervolg van de tekst geciteerde rechtspraak, doen deze bepalingen echter geen afbreuk aan de primaire bevoegdheid van de betrokken ACS-staat .
( 31 ) Zie het arrest van 19.9.1985, zaak 33/82, Murri Frères/Commissie, reeds aangehaald in noot 17, in het bijzonder r.o . 33 en 34; het arrest van 24.6.1986, zaak 267/82, Développement SA en Clémessy/Commissie, Jurispr . 1986, blz . 1907, in het bijzonder r.o . 25; het arrest van 10.7.1985, zaak 118/83, CMC/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 2325, in het bijzonder r.o . 28, en het arrest van 10.7.1984, zaak 126/83, STS/Commissie, Jurispr . 1984, blz . 2769, in het bijzonder r.o . 13 tot en met 18 . Weliswaar betreft slechts het Développement SA en Clémessy-arrest de toepassing van de eerste Overeenkomst van Lomé, maar in al de hier aangehaalde arresten wordt bevestigd dat dit beginsel op gelijke wijze geldt voor de verschillende Overeenkomsten van Lomé en Yaoende .
( 32 ) Arrest-CMC, hiervoor aangehaald in noot 31, r.o . 31; arrest-Murri, ibid ., r.o . 35; arrest-Développement SA en Clémessy, ibid ., r.o . 16 en 17 .
( 33 ) Verzoekster heeft niet verduidelijkt op welke wijze deze omstandigheden de verantwoordelijkheid van de Commissie in het gedrang zouden kunnen brengen, noch uit welke stukken de "bijzonder abusievelijke omstandigheden" zouden ( kunnen ) blijken .
( 34 ) Voor de verklaring van deze term, zie artikel 11 van de Algemene Bepalingen, hiervoor aangehaald, noot 28 . De overeenkomst met verzoekster was een in datzelfde artikel 11 gedefinieerde overeenkomst op basis van eenheidsprijzen .
( 35 ) Verzoeksters argument op dit punt versta ik als volgt : de beslissing van Rwanda het contract met verzoekster te verbreken zou gesteund zijn op de toezegging van de Commissie dat het project zou worden afgewerkt door een andere onderneming én zou worden gefinancierd door de Gemeenschap, waarbij de toezegging noch de financieringswijze in overeenstemming met de toepasselijke regels zouden zijn . Verzoekster heeft hiervan evenwel geen enkel bewijs geleverd . Overigens heeft de Commissie ter terechtzitting laten opmerken dat de toewijzing aan Colas gebeurde na een aanbestedingsprocedure .
( 36 ) Zie het rapport ter terechtzitting, sub I.B . in fine .
( 37 ) Voor deze bewering verwijst verzoekster naar stuk nr . 33 van de Bundel van de Commissie . Zie de bespreking van dit en andere stukken verderop in de tekst .
( 38 ) Voor deze bewering verwijst verzoekster naar stuk nr . 21 van de Bundel van de Commissie . Zie de bespreking van dit en andere stukken verderop in de tekst .
( 39 ) Ik ben me ervan bewust dat stukken die door de Commissie of haar gemachtigde zijn opgesteld, geen volkomen bewijskracht hebben, met andere woorden niet onverkort ter decharge van de Commissie kunnen worden ingeroepen . Niettemin dient er rekening mee te worden gehouden dat verzoekster en de Commissie zich ten tijde van de uitvoering van het contract niet in een litigieuze situatie bevonden . Daarom mogen documenten die door de diensten van de Commissie op onverdachte tijdstippen en in onverdachte omstandigheden zijn opgesteld mijns inziens prima facie als geloofwaardig worden beschouwd, althans voor wat betreft de vraag naar de ingesteldheid en het optreden van de Commissie ten tijde van de verbreking van het contract .
( 40 ) Op dit punt moge ik verwijzen naar de in de Bundel van de Commissie vervatte maandelijkse rapporten van de gemachtigde van de Commissie .
( 41 ) Het gaat om een brief van de Président-directeur général van Spie-Batignolles-Travaux Publics aan de adjunct directeur-generaal van het EOF, gevoegd als Annex nr . 76 bij de repliek van verzoekster . Onderaan op blz . 3 van deze brief wordt gesteld dat Spie-Batignolles de positie van de Commissie nooit heeft willen assimileren aan deze van Rwanda, maar zich in deze brief enkel tot de Commissie richt omdat zij als kredietverlener het best zou geplaatst zijn om een dialoog tussen haarzelf en de Rwandese overheid op gang te brengen . Uit de gegevens die voor het Hof liggen is niet gebleken dat het standpunt dat verzoekster in voornoemde brief innam, gesteund was op verkeerde feitelijke veronderstellingen betreffende de rol of het optreden van de Commissie .
( 42 ) Zie blz . 2, tweede alinea, van het dokument .
( 43 ) Zie bij voorbeeld de Bundel van de Commissie, stuk nr . 26, een telex dd . 10.2.1981, in het bijzonder de slotparagraaf, en Annex I bij stuk nr . 33 van dezelfde overlegging, een ( interne ) nota van de diensten van de Commissie dd . 12.5.1981, opgesteld ter voorbereiding van een ( ultieme ) verzoeningsvergadering die op initiatief van de Commissie werd belegd . Uit deze nota blijkt duidelijk dat de Commissie geen partij koos noch Rwanda een bepaalde optie wilde aanbevelen; enkel wilde zij de verschillende mogelijkheden voor de beslechting van het conflict tussen verzoekster en de Rwandese overheid toelichten .
( 44 ) Dit blijkt bv . duidelijk uit stuk nr . 33 van de Bundel van de Commissie, een nota dd . 2.6.1981 van een adjunct-directeur generaal van het EOF aan de gemachtigde van de Commissie in Rwanda . Zie ook Annex V bij deze nota, een telex tussen dezelfde personen dd . 20.5.1981, in het bijzonder de laatste vijf regels .
( 45 ) Zie bij voorbeeld Annex IV en Annex V van het reeds genoemde stuk nr . 33 van de Bundel van de Commissie .
( 46 ) Zo heeft verzoekster tijdens de terechtzitting bv . gewezen op een geschreven aantekening ( wellicht aangebracht door een ambtenaar van het EOF ) op een brief dd . 18.11.1980 van de gemachtigde van de Commissie aan de bevoegde ambtenaar van het EOF te Brussel ( stuk nr . 21 van de Bundel van de Commissie ).
( 47 ) Artikel 29 van het Protocol nr . 2 bij Lomé I, hiervoor aangehaald in noot 29 .
( 48 ) Zie Bijlage 51 bij de repliek van verzoekster voor de tekst van de arbitrale uitspraak .
( 49 ) Zie artikel 31, lid 6, juncto artikel 29, lid 1, van het Protocol nr . 2 bij Lomé I, hiervoor aangehaald in noot 29 .
( 50 ) Arrest-STS, hiervoor aangehaald in noot 31, r.o . 15 . Deze passus van het arrest was weliswaar een premisse van de stelling dat in het reglementaire kader van de Lomé-Overeenkomsten ondernemingen door de handelingen van de Commissie niet "rechtstreeks geraakt" kunnen worden ( in de zin van artikel 173 en niet van artikel 215 van het verdrag ). Niettemin volgt uit dit en de latere arresten dat uit het toepasselijke reglementaire kader geen in solidum aansprakelijkheid van de Commissie en de betrokken ACS-staat af te leiden is .
( 51 ) Zie Bijlage 39 bij het verzoekschrift voor een kopie van de brief waarin het verzoek was vervat .
( 52 ) Zie Bijlage 40 van het verzoekschrift, op blz . 2, sub 3 c ) van het verslag .
( 53 ) Zie Bijlage 41 van het verzoekschrift, op blz . 1, sub B 2 ) van het verslag .
( 54 ) Zie Bijlage 42 van het verzoekschrift, op blz . 5, sub 3 e ) van het verslag .
( 55 ) Zie Bijlage 43 van het verzoekschrift, op blz . 5 onderaan, en op blz . 1, sub B I d ).
( 56 ) In haar verzoekschrift beweert verzoekster dat de Commissie deze wijziging zou hebben "opgelegd ". Dit is klaarblijkelijk onjuist, daar het verslag vermeldt dat tot de wijziging werd besloten door de Rwandese Administratie op voorstel van verzoekster .
( 57 ) Zie hiervoor, in voetnoot 41 .
( 58 ) Zie artikel 27 van het Protocol nr . 2 bij Lomé I, hiervoor aangehaald in noot 29 .
( 59 ) Zie artikel 30, lid 2, van het Protocol nr . 2 bij Lomé I, hiervoor aangehaald in noot 29 .
( 60 ) Zie Bijlage nr . 51 bij de repliek, op blz . 33en 34 .
( 61 ) Het gaat om het bureau RRI . Zie hiervoor, noot 28 .
( 62 ) Zie hiervoor, nr . 21 en de in noot 31 geciteerde rechtspraak .
( 63 ) Zie verzoekschrift, blz . 2 tot en met 6 .
( 64 ) Bijlage 51 bij de repliek .
( 65 ) Zie het verslag van het zendingshoofd van de Commissie, stuk nr . 30 van de Bundel van de Commissie .
( 66 ) Zie in het bijzonder stuk nr . 32 van de Bundel van de Commissie .
( 67 ) Zie stuk nr . 33 ( met bijlagen ) van de Bundel van de Commissie .
Full & Egal Universal Law Academy