Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Koninkrijk Spanje vordert nietigverklaring van twee verordeningen van de Raad van 6 mei 1986, namelijk verordening nr . 1335/86 ( 1 ) tot wijziging van verordening nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( 2 ), en verordening nr . 1343/86 ( 3 ) tot wijziging van verordening nr . 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten . ( 4 ) Sommige middelen tot nietigverklaring worden tegen beide verordeningen ingeroepen, andere slechts tegen een van beide .
2 . De bestreden verordeningen maken deel uit van het programma van de gemeenschapsinstellingen voor het afremmen van de toename van de melk - en zuiveloverschotten . Zij voorzien met name in de eenvormige verlaging in de Gemeenschap met 3 % van de gegarandeerde totale hoeveelheden . Voor Spanje betekent dat een vermindering van de totale hoeveelheden voor levering aan melkfabrieken en voor rechtstreekse verkoop aan de consument, die zijn voorzien in de Toetredingsakte die op dit punt de verordeningen nrs . 856/84 ( 5 ) en 857/84 heeft gewijzigd .
3 . De middelen tot nietigverklaring kunnen in twee groepen worden ingedeeld : schending van het Verdrag of van enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels en schending van wezenlijke vormvoorschriften .
I - Middelen tegen beide verordeningen
4 . Het middel ontleend aan schending van het Verdrag of van enige op de uitvoering daarvan betrekking hebbende rechtsregels omvat drie onderdelen :
- schending van artikel 39, lid 1, sub b, EEG-Verdrag, volgens hetwelk een der doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is : de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren;
- schending van het discriminatieverbod, dat in artikel 7 EEG-Verdrag in het algemeen is geformuleerd, en in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt herhaald . Volgens deze laatste bepaling moet de gemeenschappelijke ordening der markten "zich beperken tot het nastreven van de in artikel 39 genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten";
- schending van het vertrouwensbeginsel .
5 . Wat de gestelde schending van artikel 39 betreft : tot de verlaging van de totale hoeveelheden in de bestreden verordeningen is besloten, conform de bij de de verordeningen nrs . 856/84 en 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 instelde regeling, waarvan Spanje de wettigheid niet heeft betwist . Voorts is niet aangetoond, dat de gevolgen van de bestreden verordeningen voor de melkproduktie in Spanje wel de door Spanje beschreven gevolgen moeten zijn . Om te beoordelen of deze verordeningen wettig zijn wat artikel 39 van het Verdrag betreft, dient immers
- rekening te worden gehouden met de relevante communautaire regeling in haar geheel : zoals door de Raad en de Commissie wordt opgemerkt, moeten de eventuele gevolgen van de vermindering van de melkproduktie worden beoordeeld in het licht van onder meer verordening nr . 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie ( 6 );
- eraan te worden herinnerd, dat de door de betrokken verordeningen opgelegde verlaging over een tijdvak van twee jaar is gespreid, dat pas één jaar na de bekendmaking van de verordeningen ingaat .
In die omstandigheden kunnen de bestreden verordeningen niet worden geacht, in strijd te zijn met de wezenlijke doelstelling : de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren .
6 . Wat de schending van het discriminatieverbod betreft : Spanje wijst nadrukkelijk op de bijzondere situatie van de Spaanse zuivelsector en het acht de bestreden verordeningen onwettig, omdat zij zonder met die situatie rekening te houden in de gehele Gemeenschap een lineaire verlaging van de totale hoeveelheden hebben opgelegd . Met andere woorden, een eenvormige verlaging voor alle melkproducenten in de Gemeenschap levert een schending van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod op, omdat geen rekening is gehouden met de bijzondere situatie van de Spaanse zuivelsector en omdat verschillende situaties dus gelijk worden behandeld .
7 . De bijzondere situatie die door Spanje wordt gesteld doch door de Raad wordt betwist, lijkt hoe dan ook irrelevant voor de wettigheid van de bestreden verordeningen . In dat verband verwijs ik naar de door de Raad aangehaalde rechtspraak van het Hof, volgens welke bij de door de gemeenschapsinstellingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening getroffen maatregelen niet tussen de grondgebieden der Lid-Staten mag worden onderscheiden . ( 7 ) Bovendien werd, zoals de Raad heeft verklaard, op het tijdstip van de vaststelling van de verordeningen betreffende de extraheffing rekening gehouden met de structurele verschillen tussen de verschillende gebieden van de Gemeenschap en werd het bij die regeling gevestigde evenwicht gehandhaafd toen die verordeningen door de Toetredingsakte werden gewijzigd .
8 . Wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft : het staat vast, dat de marktdeelnemers niet met een beroep op dat beginsel aanspraak kunnen maken op handhaving van een bestaande communautaire regeling . Artikel 8 Toetredingsakte, waarop ik verder nog zal terugkomen, sluit bovendien uit, dat de betrokken marktdeelnemers - voor welke duur ook - een gewettigd vertrouwen kunnen hebben in de handhaving van de op het tijdstip van de toetreding geldende hoeveelheden . Ten slotte heeft volgens 's Hofs rechtspraak het vertrouwensbeginsel alleen betrekking op individuele situaties en kan het niet worden ingeroepen in verband met situaties die per se een algemeen karakter hebben .
9 . Met het middel ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften wil Spanje de bestreden verordeningen onwettig doen verklaren, op grond dat zij zijn vastgesteld ondanks zijn tegenstem . Zijn stelling komt er in wezen op neer, dat de in de Toetredingsakte bepaalde totale hoeveelheden bij overeenkomst zijn vastgesteld en als zodanig niet zonder de instemming van de betrokken partij bij eenzijdige beslissing kunnen worden gewijzigd .
10 . Deze redenering gaat voorbij aan artikel 8 Toetredingsakte, dat luidt als volgt : "De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen van de Gemeenschappen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen ." Daar de voor Spanje geldende totale hoeveelheden in de Toetredingsakte zijn vastgesteld door middel van een wijziging van de verordeningen nrs . 804/68 en 857/84, konden zij krachtens die bepaling opnieuw worden gewijzigd volgens de communautaire wetgevingsprocedure, in casu met gekwalificeerde meerheid van stemmen . De door de Spaanse regering bij de vaststelling van de bestreden verordeningen uitgebrachte tegenstem is dus niet van belang voor de wettigheid ervan . Aangezien de partijen bij de onderhandelingen over Spanje' s toetreding tot de Gemeenschap het erover eens waren om artikel 8 in de Toetredingsakte op te nemen, kan de Raad niet worden verweten, dat hij er gebruik van maakte .
II - Het enkel met betrekking tot verordening nr . 1343/86 ingeroepen middel
11 . Spanje voert twee vormgebreken aan : het ontbreken van de vereiste raadpleging van het Europees Parlement, en ontoereikende motivering .
12 . Het niet raadplegen van het Europees Parlement levert volgens Spanje een schending op van artikel 43, lid 2, van het Verdrag . De Raad, hierin ondersteund door de Commissie, antwoordt daarop, dat verordening nr . 1343/86 een uitvoeringsverordening is; zij wijzigt verordening nr . 857/84, die zelf is vastgesteld ter uitvoering van basisverordening nr . 804/68 .
13 . Verordening nr . 857/84 werd door de Raad vastgesteld zonder voorafgaande raadpleging van het Europees Parlement . Overeenkomstig de door de Raad aangehaalde rechtspraak van het Hof behoeft voor de vaststelling van uitvoeringsbepalingen van een basisverordening niet noodzakelijk de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag te worden gevolgd .
14 . Wat ten slotte de schending van de in artikel 190 EEG-Verdrag voorgeschreven motiveringsplicht betreft : verzoekers stelling dat de visa van de verordeningen altijd een verdragsbepaling moeten vermelden, kan niet worden aanvaard . Voor een uitvoeringsverordening is, wat het onderhavige aspect betreft, aan het motiveringsvereiste voldaan, wanneer in haar preambule uitdrukkelijk de verordening is vermeld krachtens welke zij is vastgesteld . Derhalve lijkt mij, nu in de bestreden verordening verordening nr . 804/68 is vermeld, die daarvan de rechtsgrondslag vormt, de verwijzing naar een afzonderlijke bepaling van het Verdrag niet meer nodig .
15 . Gelet op een en ander, concludeer ik tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring, en tot verwijzing van het Koninkrijk Spanje in de kosten .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) PB 1986, L 119, blz . 19 .
( 2 ) PB 1968, L 148, blz . 13 .
( 3 ) PB 1986, L 119, blz . 34 .
( 4 ) PB 1984, L 90, blz . 13 .
( 5 ) Tot wijziging van verordening nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 ).
( 6 ) PB 1986, L 119, blz . 21 .
( 7 ) Met name de arresten van 13 juli 1978, zaak 8/78, Milac, Jurispr . 1978, blz . 1721, en 13 december 1984, zaak 106/83, Sermide, Jurispr . 1984, blz . 4209 .
Full & Egal Universal Law Academy