Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 augustus 1986, vordert de Asociación Profesional de Empresarios de Pesca Comunitarios ( hierna : Apesco ) nietigverklaring van de handeling waarbij de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan de lijst van vaartuigen onder Spaanse vlag die in de maand juli 1986 visserijactiviteiten mochten uitoefenen in de wateren van de andere Lid-Staten, behalve Portugal .
2 . De vissers die zich in Apesco hebben verenigd, menen dat zij stelselmatig worden gediscrimineerd ten opzichte van hun concurrenten, wier vaartuigen veel vaker op de maandelijks door de Commissie goedgekeurde lijsten voorkomen .
3 . Met name op de lijst van juli 1986 zouden aan de vaartuigen van Apesco gemiddeld 12,58 visdagen zijn toegekend, terwijl de vaartuigen van haar voornaamste concurrent, de Asociación de Armadores de Buques de Pesca con Derechos de Acceso a las Pesquerias de la CEE ( hierna : Ceepesca ), die gezamenlijk met drie andere ondernemingen intervenieert aan de zijde van de Commissie, gemiddeld over 19,67 visdagen konden beschikken .
4 . Het verschil in behandeling waarover verzoekster klaagt, zou zijn ontstaan doordat de Spaanse autoriteiten bij de opstelling van de periodieke lijsten een ministerieel besluit van 12 juni 1981 toepassen dat een reder de mogelijkheid biedt om, ten einde het gebruik van de middelen te optimaliseren door het aantal schepen af te stemmen op de vangstmogelijkheden, op één van zijn vaartuigen de visrechten van zijn andere vaartuigen te cumuleren, met name wanneer hij deze onder bepaalde voorwaarden heeft verkocht, gesloopt of geëxporteerd .
5 . Verzoekster stelt dat de Commissie, door haar goedkeuring te hechten aan de door de Spaanse autoriteiten volgens de regels van dit ministerieel besluit opgestelde ontwerp-lijsten, in werkelijkheid nationale Spaanse regels toepast, aldus inbreuk makend op het beginsel van de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap op dit gebied, en dat de uit deze regels voortvloeiende discriminatie daardoor voor haar rekening komt .
6 . De Commissie, ondersteund door Ceepesca en de Spaanse regering, die eveneens intervenieert, betoogt dat zij volgens de op dit gebied bestaande taakverdeling tussen de Spaanse autoriteiten en haarzelf, niet bevoegd is om ontwerp-lijsten van Spaanse vissers die in de wateren van de oude Gemeenschap van Tien mogen vissen, op te stellen of te wijzigen, en dus niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de beweerde discriminatie door de Spaanse autoriteiten bij de keuze van de vaartuigen die voorkomen op de bij haar ingediende ontwerp-lijsten .
7 . Ceepesca en de Spaanse regering voegen hieraan toe, dat in casu geen enkele bepaling van de Toetredingsakte of van de verordeningen ter uitvoering daarvan is geschonden, en dat het bij het ministerieel besluit van 1981 ingevoerde stelsel in geen geval discriminerend is .
8 . Blijkens het voorgaande en de middelen en argumenten van partijen, die nader zijn weergegeven in het rapport ter terechtzitting, roept het onderhavige geding twee belangrijke vragen op, te weten :
1 ) Wat is de rol van de Commissie en tot waar reikt haar bevoegdheid bij de vaststelling van de periodieke lijsten?
2 ) Wordt in deze lijsten al dan niet gediscrimineerd?
9 . De tweede vraag is slechts van subsidiaire aard en is enkel van belang wanneer zou blijken dat de Commissie, alvorens de ontwerp-lijsten goed te keuren, moet onderzoeken of in deze lijsten het non-discriminatiebeginsel is geëerbiedigd .
10 . Alvorens op deze grondvragen in te gaan, wil ik nog enkele opmerkingen maken over de ontvankelijkheid van het beroep . De Commissie en Ceepesca hebben daarover enige twijfel geuit, zonder overigens formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen .
A - Ontvankelijkheid
11 . a ) Het beroep van Apesco is voornamelijk gericht op nietigverklaring van de handeling waarbij de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan de lijst van vaartuigen onder Spaanse vlag, die in de maand juli 1986 in de wateren van de Gemeenschap mochten vissen . Deze goedkeuring is aan de Spaanse autoriteiten meegedeeld, die verzoekster daarvan bij telex van 25 juni 1986 in kennis hebben gesteld .
12 . Sommige argumenten van verweerster en interveniënten komen erop neer, dat de Commissie op het onderhavige gebied geen reële bevoegdheid bezit en enkel tot taak heeft, de periodieke lijsten te controleren en formeel vast te stellen . Bij lezing van deze argumenten zou men zich kunnen afvragen, of een dergelijke goedkeuringshandeling wel het onderwerp van een beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag kan vormen .
13 . Mijns inziens vormt de goedkeuring door de Commissie evenwel een handeling waaruit rechtsgevolgen voor derden voortvloeien en die vatbaar is voor een dergelijk beroep, wanneer ook de overige voorwaarden van artikel 173 zijn vervuld .
14 . De betrokken voorschriften laten wat dat betreft immers nauwelijks ruimte voor twijfel . Artikel 163, lid 1 en 2, Toetredingsakte bepaalt, dat de Spaanse autoriteiten ontwerpen van de periodieke lijsten indienen bij de Commissie, die deze na verificatie goedkeurt en aan de Spaanse autoriteiten en aan de controlerende autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten toezendt .
15 . Evenzo bepaalt artikel 3, lid 1 en 5, van verordening ( EEG ) nr . 3531/85 van de Commissie van 12 december 1985 ( 1 ), ter uitvoering van artikel 163, lid 3, tweede alinea, dat de Spaanse autoriteiten de ontwerpen van de periodieke lijsten indienen bij de Commissie, die deze periodieke lijsten na onderzoek vaststelt en meedeelt aan de betrokken autoriteiten .
16 . Krachtens artikel 158, lid 2, Toetredingsakte mogen alleen de vaartuigen die voorkomen op een door de Commissie vastgestelde periodieke lijst, gedurende de betrokken periode hun visserijactiviteiten uitoefenen .
17 . Ongeacht de vraag, hoever de bevoegdheid van de Commissie reikt ten aanzien van de verificatie en het onderzoek van de door de Spaanse autoriteiten ingediende ontwerp-lijsten, kan dus niet worden ontkend dat deze lijsten eerst na formele goedkeuring door de Commissie definitief worden, in werking treden en aan de daarop geplaatste vaartuigen het recht verlenen om gedurende de aangegeven periode onder bepaalde voorwaarden in de vastgestelde zones hun visserijactiviteiten uit te oefenen .
18 . De handeling waarbij de Commissie goedkeuring heeft verleend aan de door de Spaanse autoriteiten voor de maand juli 1986 ingediende lijst, is dus als zodanig een handeling waartegen beroep krachtens artikel 173 kan worden ingesteld .
19 . Daarmee kom ik toe aan de overige opmerkingen van de Commissie en interveniënten over de ontvankelijkheid van het beroep .
20 . a ) Ceepesca voert aan, dat het beroep te laat is ingesteld en voorwerp mist, aangezien het is ingediend op een moment waarop de lijst voor de maand juli niet meer gold en was vervangen door de lijst voor de maand augustus .
21 . Ongeacht de vraag, of een interveniënt tegen de ontvankelijkheid van het beroep argumenten mag aanvoeren, die niet zijn gebruikt door de partij wier conclusies hij ondersteunt, kan ik volstaan met de vaststelling dat het onderhavige beroep binnen de in artikel 173, lid 3, EEG-Verdrag gestelde termijn is ingesteld, dat wil zeggen binnen twee maanden na kennisgeving van de betwiste handeling aan verzoekster . Deze houdt haar procesbelang, ondanks het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestreden handeling en ook al is deze reeds ten uitvoer gelegd . Nietigverklaring zou als zodanig rechtsgevolgen kunnen hebben, in de eerste plaats doordat zij kan dienen als basis voor een eis tot schadevergoeding en in de tweede plaats doordat aldus wordt voorkomen, dat de Commissie in de toekomst opnieuw handelingen verricht die dezelfde vormgebreken hebben en verzoekster op dezelfde wijze benadelen . ( 2 )
22 . a ) De subsidiaire verzoeken van Apesco, waarmee zij wenst te zien vastgesteld dat zij recht heeft op beëindiging van de discriminatie van de vaartuigen van haar leden en op herstel van de geleden schade door deze vaartuigen op toekomstige periodieke lijsten compensatie te geven, zijn daarentegen niet-ontvankelijk .
23 . Zoals de Commissie terecht betoogt, is het Hof in het kader van de in artikel 173 voorziene procedure voor de wettigheidstoetsing niet bevoegd om een dergelijk bevel te geven . ( 3 )
24 . a ) De Commissie betoogt voorts, dat alleen de reders van vaartuigen die op de betwiste lijst voorkomen, door de bestreden handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt in de zin van artikel 173, lid 2, EEG-Verdrag, zodat het beroep van Apesco slechts ontvankelijk is, voor zover het is ingesteld uit naam van deze reders . Ik acht deze opmerking ongegrond .
25 . Omdat het bij de betwiste handeling gaat om een lijst die voor een bepaalde maand geldig is, kunnen uiteraard alleen de tegen die lijst gerichte middelen met vrucht worden ingeroepen . De vraag of de vaartuigen die niet op de lijst voorkomen gediscrimineerd worden, kan niet worden beantwoord aan de hand van één enkele periodieke lijst, want het is juist inherent aan het bij de Toetredingsakte ingevoerde systeem van lijsten, dat de schepen die op de basislijst staan niet allemaal gelijktijdig op de periodieke lijsten kunnen worden geplaatst en dat sommige noodzakelijkerwijze moeten worden overgeslagen . Alleen aan de hand van een hele reeks periodieke lijsten zou dus kunnen worden nagegaan, of schepen die niet op de lijst voor juli 1986 voorkomen worden gediscrimineerd ten opzichte van andere vaartuigen .
26 . Mijns inziens moet een ieder echter wel de mogelijkheid hebben om er bezwaar tegen te maken, dat een bepaald vaartuig niet op de lijst van een bepaalde maand voorkomt, om vervolgens met behulp van een aantal lijsten van eerdere maanden waarop dat vaartuig evenmin voorkomt, aan te tonen dat hij wordt gediscrimineerd .
27 . Hoe dit ook zij, uit de argumenten van Apesco kan mijns inziens worden geconcludeerd, dat deze vereniging in casu alleen optreedt namens leden wier schepen op de lijst voor de maand juli 1986 voorkomen . Mitsdien acht ik het beroep ontvankelijk .
28 . a ) De Commissie heeft nog opgemerkt, dat Apesco niet gerechtigd is om in het kader van de procedure van artikel 173 de vraag op te werpen, of het nationale recht in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht . In dezelfde gedachtengang past het bezwaar van Ceepesca, dat Apesco in werkelijkheid Spaanse nationale rechtsregels betwist en dat het onderhavige geding dus niet door het Hof, maar door de Spaanse rechter moet worden beslist, eventueel nadat hij het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing heeft verzocht .
29 . Het is duidelijk, dat het Hof in het kader van deze zaak nooit zou kunnen vaststellen dat het Spaanse ministerieel besluit onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht . Een dergelijke vaststelling zou alleen denkbaar zijn in het kader van een beroep van de Commissie tegen het Koninkrijk Spanje wegens niet-nakoming, welk beroep een diepgaande discussie over alle relevante aspecten van dit besluit met zich mee zou brengen .
30 . Wel moet worden erkend, dat Apesco het Hof niet formeel heeft verzocht om vast te stellen, dat het Spaanse ministerieel besluit niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, maar dat zij de Commissie verwijt, haar goedkeuring te hebben gehecht aan een periodieke lijst die niet uitsluitend op basis van gemeenschapsrecht is vastgesteld en die inbreuk maakt op het non-discriminatiebeginsel . Centraal in deze zaak ligt dan ook de vraag, hoever de controle reikt die de Commissie op de ontwerpen van de periodieke lijsten kan uitoefenen . Dit probleem zal ik nu onderzoeken .
B - Reikwijdte van de door de Commissie uit te oefenen controle
31 . Krachtens artikel 163, lid 1, Toetredingsakte hebben de Spaanse autoriteiten tot taak om bij de Commissie ontwerpen van de periodieke lijsten in te dienen .
32 . Volgens artikel 163, lid 2, worden deze lijsten "na verificatie ... goedgekeurd door de Commissie die deze lijsten toezendt aan de Spaanse autoriteiten en aan de controlerende autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten ."
33 . Welke elementen moeten nu door de Commissie worden gecontroleerd?
34 . In de eerste plaats de basisvereisten, die rechtstreeks uit artikel 158 Toetredingsakte voortvloeien en die voornamelijk betrekking hebben op :
- de identiteit van de vaartuigen, die verplicht moeten behoren tot de 300 vaartuigen die voorkomen op de basislijst in bijlage IX van de Toetredingsakte;
- hun motorvermogen en de toepassing op ieder vaartuig van de omrekeningstabel per categorie motorvermogen;
- hun totale aantal, dat niet groter mag zijn dan 150 "standaardvaartuigen";
- hun verdeling, binnen de aangegeven grenzen, over de verschillende toegestane gebieden, waarbij alleen 5 vaartuigen voor het vissen op andere dan demersale soorten kunnen worden gebruikt .
35 . Voorts bepaalt artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr . 3531/85 dat op de periodieke lijst per dag wordt aangegeven, welke vaartuigen hun visserijactiviteiten tegelijkertijd mogen uitoefenen, en dat elk vaartuig voor ten minste zes achtereenvolgende dagen op een dergelijke lijst moet voorkomen .
36 . Krachtens artikel 3, lid 4, dienen de periodieke lijsten voor elk vaartuig nauwkeurige gegevens op deze verschillende punten te bevatten, alsmede gegevens over het registratienummer en de roepnaam, de naam ( namen ) van de eigenaar(s ) of huurder(s ) en de visserijmethode . Al deze gegevens moeten het de Commissie dan mogelijk maken om te verifiëren, of de Spaanse autoriteiten zich daadwerkelijk hebben gehouden aan eerdergenoemde basisvereisten .
37 . Ten slotte bepaalt verordening nr . 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 ( 4 ) dat, wanneer er een overtreding wordt geconstateerd van de regeling inzake de toelating tot de wateren en de visbestanden zoals vastgesteld in de Toetredingsakte, de Spaanse autoriteiten het betrokken vaartuig niet meer mogen vermelden op de ontwerp-lijsten die zij bij de Commissie indienen . Alvorens een ontwerp-lijst goed te keuren, moet de Commissie dus nagaan of de Spaanse autoriteiten deze sanctie daadwerkelijk hebben toegepast .
38 . In casu is niet betoogd, dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op een of meer van deze voorschriften .
39 . Behalve al deze veeleer technische regels, bevatten noch de Toetredingsakte noch de uitvoeringsverordeningen andere criteria die bij de opstelling van de lijsten zouden moeten worden gehanteerd . Met name heb ik geen bepaling kunnen vinden op grond waarvan elk individueel vaartuig in een bepaalde maand gedurende hetzelfde aantal dagen moet kunnen vissen als ieder ander willekeurig vaartuig op de lijst . A fortiori wordt nergens vermeld dat de vaartuigen die tot een bepaalde vereniging van Spaanse vissers behoren, gemiddeld hetzelfde aantal dagen moeten kunnen vissen als de vaartuigen van een andere vereniging .
40 . Dit betekent, dat de Spaanse autoriteiten bij hun keuze van de vaartuigen die iedere maand op de lijst moeten worden geplaatst en bij de vaststelling van hun respectieve vangstperiode over een tamelijk ruime beoordelingsvrijheid beschikken . Om deze taak te kunnen vervullen, moeten zij derhalve over de noodzakelijke selectiecriteria kunnen beschikken .
41 . Evenals men uit het enkele stilzwijgen van een regeling betreffende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening op een bepaald gebied niet kan afleiden, dat de Lid-Staten op dat gebied geen enkele maatregel meer mogen treffen ( 5 ), moeten zij, in een situatie waarin hun uitdrukkelijk is opgedragen te handelen, bevoegd worden geacht om bij dat handelen regels toe te passen die zij zelf hebben vastgesteld .
42 . Dit geldt eens te meer wanneer deze regels bestemd zijn om uitsluitend te worden toegepast op onderdanen van de betrokken Lid-Staat .
43 . Speciaal op het gebied van de visserij bestaan er voorschriften op grond waarvan de Lid-Staten gerechtigd zo niet gehouden zijn om de communautaire voorschriften aan te vullen met een regeling voor hun eigen onderdanen .
44 . Zo mogen de Lid-Staten op grond van artikel 20 van verordening nr . 171/83 van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 14 ) voor hun eigen vissers op het nationale vlak technische maatregelen vaststellen die verder gaan dan de minimumvereisten die de gemeenschapsregeling stelt .
45 . Evenzo draagt artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ) de Lid-Staten uitdrukkelijk op, zelf de regels voor het gebruik van de hun toegekende quota vast te stellen .
46 . Uit niets kan evenwel worden geconcludeerd, dat de Lid-Staten in het kader van de Toetredingsakte hebben willen afwijken van dit beginsel door de rechten van Spaanse vissers te verdelen of hun toegang tot de aan Spanje toegewezen visbestanden te regelen .
47 . De in de artikelen 156 tot en met 163 Toetredingsakte vervatte regeling heeft enkel tot doel, bij te dragen aan de instandhouding van de visbestanden in de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de Lid-Staten die de oude Gemeenschap van de Tien vormden . Artikel 156 Toetredingsakte spreekt immers uitdrukkelijk en uitsluitend van integratie van schepen die de Spaanse vlag voeren in de communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden, ingesteld bij de zojuist genoemde verordening nr . 170/83 .
48 . Gelijk ik ten slotte reeds opmerkte in mijn conclusie van 22 september 1987 in zaak 223/86 ( Pesca Valentia, punt 25, Jurispr . 1987 ), blijkt uit een aantal regelingen, met name verordening ( EEG ) nr . 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector ( PB 1976, L 20, blz . 19 ), "dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden om binnen de door de Gemeenschap gestelde grenzen alle maatregelen te treffen, welke noodzakelijk zijn voor een rationele herstructurering van hun vissersvloot ." Het lijdt geen twijfel, dat het Spaanse ministerieel besluit van 1981 tot doel heeft, de capaciteit van de vissersvloot van deze Lid-Staat rationeel te organiseren .
49 . Het door verzoekster ingeroepen beginsel van "de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap op visserijgebied" ontneemt de Lid-Staten dus niet iedere bevoegdheid om op dit gebied maatregelen te treffen . Hun speelruimte is echter duidelijk beperkt . De twee bepalingen die ik zoëven citeerde, vereisen zelfs uitdrukkelijk dat de betrokken nationale maatregelen "verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid" respectievelijk met "de geldende communautaire regels ".
50 . Mijns inziens geldt dit ook in het onderhavige geval, want het is wel duidelijk dat wanneer de Lid-Staten gerechtigd zijn om in te grijpen op een gebied dat tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoort, dit hen niet ontslaat van de verplichting, de beginselen en algemene regels van gemeenschapsrecht te eerbiedigen . ( 6 )
51 . In dit verband moet ik echter verduidelijken dat artikel 2 van verordening nr . 101/76 van de Raad, bepalende dat de Lid-Staten "met name dienen ... te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee" ( dat wil zeggen het gedeelte dat onder hun soevereiniteit valt ), in casu niet van toepassing is . Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, verplicht dit artikel elke Lid-Staat om vissers uit andere Lid-Staten op dezelfde voet te behandelen als zijn eigen vissers, en wel in het gedeelte van de zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, maar niet om de gelijke behandeling van eigen onderdanen in de wateren van andere Lid-Staten te garanderen . Ik heb overigens de indruk, dat de vertegenwoordiger van Apesco dit argument in de laatste stadia van de procedure nagenoeg heeft laten vallen .
52 . Tot de communautaire beginselen en algemene regels behoort op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid evenwel artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, waarin "elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap" wordt verboden .
53 . Omdat deze bepaling slechts een bijzondere uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat één van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht is ( 7 ), geldt zij niet alleen in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, maar voor alle maatregelen die tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoren .
54 . Verder overwoog het Hof in zijn arrest van 25 november 1986 ( gevoegde zaken 201 en 202/85, Klensch, Jurispr . 1986, blz . 3477 ) uitdrukkelijk, dat deze bepaling de Lid-Staten ook bindt wanneer deze het gemeenschappelijk landbouwbeleid zelf uitvoeren ( r.o . 8 ).
55 . Het Hof leidde daaruit af dat, wanneer de gemeenschapsregeling de Lid-Staten vrijlaat om tussen verschillende toepassingswijzen te kiezen, zij
" niet mogen kiezen voor de mogelijkheid waarvan de toepassing op hun grondgebied, wegens de bijzondere marktsituatie aldaar en met name de structuur van de aldaar uitgeoefende landbouwactiviteiten, al dan niet rechtstreeks zou leiden tot een discriminatie in de zin van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag tussen de betrokken producenten" ( r.o . 11 ).
56 . In een eerder arrest, van 13 juni 1978 ( zaak 139/77, Denkavit, Jurispr . 1978, blz . 1317 ), bevestigde het Hof reeds dat
" artikel 40, lid 3, van het Verdrag elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap en zelfs van een enkel land daarvan verbiedt" ( r.o . 15 ),
alvorens te onderzoeken of het fiscale onderscheid in een Duitse wet tussen twee categorieën veefokkers discriminerend was in de zin van deze verdragsbepaling .
57 . Er is dus geen twijfel mogelijk, dat de Spaanse autoriteiten bij het opstellen van de periodieke lijsten waarmee zij krachtens de Toetredingsakte belast zijn, behalve aan de uitdrukkelijk voorgeschreven regels ook gebonden zijn aan het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, zoals dit door het Hof is uitgelegd .
58 . Rest evenwel nog de vraag of de Commissie, voordat zij de periodieke lijst voor een bepaalde maand vaststelt, de inhoud daarvan rechtstreeks dient te beoordelen in het licht van het algemene gelijkheidsbeginsel .
59 . Op het eerste gezicht zou ik geneigd zijn, deze vraag bevestigend te beantwoorden . Men zou immers kunnen stellen, dat het in casu gaat om een geval waarin op een Lid-Staat een beroep wordt gedaan om samen te werken met een communautaire instelling bij het treffen van een maatregel ter uitvoering van in de Toetredingsakte vastgestelde regels . Ik herinner eraan, dat het recht van de betrokken schepen om hun visserijactiviteiten gedurende de aangegeven periode uit te oefenen pas ontstaat door de handeling waarbij de Commissie een door de nationale autoriteiten ingediend ontwerp goedkeurt .
60 . Zoals de Lid-Staten bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de geldende beginselen en algemene regels moeten eerbiedigen, zo moet de Commissie, wanneer zij om zo te zeggen in samenwerking met een Lid-Staat een communautaire handeling met betrekking tot deze politiek verricht, zich ervan verzekeren dat deze handeling verenigbaar is met die beginselen en algemene regels .
61 . Niettemin is het systeem van periodieke lijsten zoals dit bij de Toetredingsakte is ingevoerd, mijns inziens van dien aard, dat rechtstreeks onderzoek van de ontwerp-lijsten in het licht van het algemene gelijkheidsbeginsel onmogelijk is .
62 . In de eerste plaats kan niet uitsluitend aan de hand van een enkele lijst van een bepaalde maand worden beoordeeld, of het gelijkheidsbeginsel is geëerbiedigd, omdat niet alle 300 schepen van de basislijst gelijktijdig op deze lijst kunnen voorkomen . De Commissie zou er dan tevens rekening mee moeten houden, hoe vaak de verschillende vaartuigen op eerdere lijsten zijn voorgekomen ( of op toekomstige lijsten zouden kunnen voorkomen ).
63 . In de tweede plaats is het op grond van het gelijkheidsbeginsel verboden om gelijke situaties verschillend of verschillende situaties gelijk te behandelen . ( 8 )
64 . Toepassing van dit beginsel veronderstelt dus, dat de Commissie over voldoende elementen beschikt om de situatie van alle betrokkenen goed te kunnen beoordelen .
65 . Wat de betrokken vaartuigen betreft, beschikt zij echter alleen over de gegevens die de Spaanse autoriteiten op hun ontwerp-lijsten moeten vermelden overeenkomstig bovenbedoelde voorschriften van de Toetredingsakte en van de uitvoeringsverordeningen .
66 . De Commissie kan nauwelijks op de hoogte zijn van alle overige beoordelingselementen die de Spaanse autoriteiten kunnen beïnvloeden bij de opstelling van hun periodieke lijsten, noch van de bijzondere redenen die er eventueel toe kunnen leiden dat een schip gedurende een bepaalde tijd niet op die lijst staat . Het kan bij voorbeeld zo zijn dat schepen gerepareerd worden of actief zijn in andere visgebieden dan die van de Lid-Staten van de Gemeenschap van Tien .
67 . In deze gedachtengang betoogt de Commissie terecht in haar verweerschrift, dat er, om haar in staat te stellen een keuze te maken uit de op de periodieke lijst voorkomende vaartuigen, een systeem zou moeten bestaan waarbij de vissers zich rechtstreeks en met alle bijzonderheden bij haar diensten bekend kunnen maken .
68 . Men dient voorts voor ogen te houden, hoe de ontwerp-lijsten er in de praktijk uitzien .
69 . Volgens artikel 158, lid 2, Toetredingsakte mogen "slechts 150 standaardvaartuigen, waarvan vijf alleen voor het vissen op andere soorten dan demersale soorten kunnen worden gebruikt, die voorkomen op de basislijst, ... tegelijkertijd hun visserijactiviteiten uitoefenen, op voorwaarde dat zij voorkomen op een periodieke lijst die door de Commissie wordt vastgesteld, zulks met de volgende verdeling :
a ) 23 in de ICES-sectoren V b en VI,
b ) 70 in ICES-sector VII,
c ) 57 in ICES-sector VIII a, b, d ".
70 . Men moet echter niet denken dat de Spaanse autoriteiten ermee zouden kunnen volstaan, de 300 schepen die op de basislijst voorkomen in twee lijsten van 150 schepen te verdelen en die dan afwisselend bij de Commissie in te dienen . In werkelijkheid is de regeling veel ingewikkelder . Zo bevat de periodieke lijst voor de maand juli 1986, het voorwerp van het onderhavige beroep, als ik goed heb geteld de namen van 294 vaartuigen . Dat komt omdat de 150 in artikel 158, lid 2, bedoelde vaartuigen "standaardvaartuigen" zijn, dat wil zeggen vaartuigen met een remkracht van 700 paardekrachten ( bhp ), waarop coëfficiënt 1 wordt toegepast . Op vaartuigen met een kleiner vermogen dan 700 pk is een coëfficiënt onder de 1 van toepassing en op vaartuigen met een groter vermogen dan 800 pk een coëfficiënt boven de 1 . In de tweede plaats kan een zelfde vaartuig vergunning krijgen om in dezelfde maand bij voorbeeld enkele dagen in zone VI en enkele dagen in zone VII te vissen, zodat zijn naam twee keer op de periodieke lijst voorkomt .
71 . Volgens de ontwerp-lijst voor de maand juli 1986 mochten sommige schepen gedurende zes dagen vissen en andere gedurende 12, 19, 21 of 31 dagen . Hiertegen kon geen bezwaar worden gemaakt, want artikel 3, lid 2, van verordening nr . 3531/85 schrijft alleen voor dat elk vaartuig voor ten minste zes achtereenvolgende dagen op de lijst moet voorkomen .
72 . Dat er geen regel bestaat op grond waarvan elk vaartuig gedurende hetzelfde aantal dagen moet kunnen vissen als een willekeurig ander op de lijst voorkomend vaartuig, valt waarschijnlijk te verklaren uit het feit dat de afmetingen en het motorvermogen van de schepen onderling zeer verschillen en niet elk schip even lang op volle zee kan blijven . Ook kan het voorkomen, dat bepaalde vissoorten zich voor het ene schip dichter bij de thuishaven bevinden dan voor het andere schip .
73 . De ontwerp-lijst vermeldt evenmin, tot welke vereniging van vissers de eigenaren van de vaartuigen behoren, want dit is niet voorgeschreven . In ieder geval kon aan de hand van het aantal toegekende visdagen niet worden vastgesteld, welke vaartuigen tot Apesco behoorden . Uit de in bijlage 3 bij het beroep opgenomen overzichten blijkt wel, dat aan sommige vaartuigen van deze vereniging in juli 1986 meer visdagen zijn toegekend dan aan sommige vaartuigen die tot Ceepesca behoren, ook al zijn de vaartuigen van Ceepesca gemiddeld beter bedeeld ( minimumaantal visdagen voor een vaartuig van Ceepesca : 10 dagen; maximumaantal voor een vaartuig van Apesco : 31 dagen ).
74 . Ik zie dus niet in, hoe de Commissie uit een lijst met de namen van 294 schepen, waaraan voor periodes oplopend van 6 tot 31 dagen vangstvergunningen moesten worden verleend, op eigen gezag kon afleiden dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden .
75 . Er mag dus worden geconcludeerd, dat het bij de Toetredingsakte ingevoerde systeem de Commissie niet in staat stelt om de ontwerp-lijsten in het licht van het gelijkheidsbeginsel te controleren .
76 . Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie bij de goedkeuring van de door de Spaanse autoriteiten opgestelde ontwerp-lijst voor de maand juli 1986 noch de daarvoor in de Toetredingsakte en de uitvoeringsverordeningen voorgeschreven regels noch het gelijkheidsbeginsel of het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden . Er is dus geen reden om dit besluit nietig te verklaren .
77 . Wel blijft het de vraag, of deze periodieke lijst ( en de andere lijsten ) door de toepassing van het ministerieel besluit van 1981 niet toch leiden tot discriminatie tussen de Spaanse vissers onderling .
78 . Als hoedster van de Verdragen is de Commissie verplicht om dit besluit onder meer aan het gelijkheidsbeginsel te toetsen en, wanneer zij tot de conclusie komt dat het besluit elementen bevat die onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, moet zij tegen het Koninkrijk Spanje de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag inleiden en in voorkomend geval het Hof om een uitspraak vragen .
79 . Gesteld dat de Commissie inderdaad tot deze conclusie komt, zou zij dan vanaf dat moment haar goedkeuring aan de periodieke ontwerp-lijsten moeten onthouden?
80 . Mijns inziens is dit onmogelijk . Anders dan in het EGKS-Verdrag, waarin het ingevolge artikel 88 de taak is van de Hoge Autoriteit om bij een met redenen omklede beschikking het verzuim van een Lid-Staat te constateren, komt deze bevoegdheid in het EEG-Verdrag ( behalve in het bijzondere geval van artikel 93, lid 2 ) toe aan het Hof van Justitie .
81 . Zolang het Hof geen uitspraak heeft gedaan, staat de onverenigbaarheid van het besluit of van sommige voorschriften daarvan met het gemeenschapsrecht niet vast .
82 . Wanneer de Commissie goedkeuring van een door de Spaanse autoriteiten ingediende ontwerp-lijst zou mogen weigeren omdat deze lijst volgens haar is opgesteld op basis van nationale regels die onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, zou dit erop neerkomen dat deze instelling bevoegd is om incidenteel vast te stellen hetgeen zij rechtstreeks niet mag vaststellen . We moeten wel bedenken, dat in de communautaire rechtsorde enkel de nationale rechter bevoegd is om een nationale rechtsregel die in strijd is met het gemeenschapsrecht, buiten toepassing te verklaren .
83 . Bovendien, wanneer de Commissie zonder meer zou weigeren om de lijsten goed te keuren, zouden de betrokken schepen of niet kunnen uitvaren - wat niet de bedoeling zal zijn -, ofwel gedwongen zijn om illegaal te gaan vissen . Ik denk dus dat de Commissie in dat geval hooguit zou kunnen verklaren dat zij de ontwerp-lijsten "onder alle voorbehoud" goedkeurt, waarbij zij de eigenaren van de benadeelde schepen een argument verschaft om compensatie te vragen, wanneer het Hof in het kader van een beroep wegens niet-nakoming mocht vaststellen dat het betrokken besluit inderdaad inbreuk maakt op het gemeenschapsrecht .
84 . Daarnaast blijft het uiteraard steeds mogelijk dat een Spaanse rechter, eventueel nadat hij het Hof krachtens artikel 177 prejudiciële vragen heeft gesteld, vaststelt dat sommige bepalingen van het ministerieel besluit van 1981 in strijd zijn met het gemeenschapsrecht . In dat geval moeten de Spaanse autoriteiten onmiddellijk stoppen met het indienen van ontwerp-lijsten waarmee die bepalingen worden toegepast .
85 . In ieder geval is het probleem van de verenigbaarheid van het ministerieel besluit van 1981 met het gemeenschapsrecht niet het onderwerp van dit geschil en tijdens de schriftelijke procedure is het slechts van enkele kanten terloops ter sprake gebracht . Onder deze omstandigheden acht ik het niet nodig, hierover een standpunt in te nemen .
Conclusie
86 . Concluderend kan ik het Hof slechts in overweging geven, het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënten .
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 3531/85 van de Commissie van 12 december 1985 tot vaststelling van bepaalde technische maatregelen en controlemaatregelen voor de visserijactiviteiten van de vaartuigen die de vlag van Spanje voeren en vissen in de wateren van de andere Lid-Staten, met uitzondering van Portugal ( PB 1985, L 336, blz . 20 ).
( 2 ) Zie bij voorbeeld arrest van 24 juni 1986, zaak 53/85, AKZO, Jurispr . 1986, blz . 1965, r.o . 21; zie ook arrest van 6 maart 1979, zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr . 1979, blz . 777, r.o . 32 .
( 3 ) Zie laatstelijk arrest van 17 november 1987, gevoegde zaken 142 en 156/84, British American Tobacco en Reynolds Industries, Jurispr . 1987, blz . 4487, r.o . 13 .
( 4 ) Verordening ( EEG ) nr . 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 tot vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen tegen degenen die bepaalde voorschriften inzake visserijactiviteiten welke zijn vervat in de Akte van toetreding van Spanje en Portugal, niet in acht nemen ( PB 1985, L 363, blz . 26 ).
( 5 ) Zie bij voorbeeld arrest van 25 november 1986, zaak 148/85, Forest, Jurispr . 1986, blz . 3449, r.o . 14 .
( 6 ) Zie voor dergelijke machtigingen in het kader van de werking van een gemeenschappelijke marktordening arrest van 16 januari 1979, zaak 151/78, Sukkerfabriken Nykìbing, Jurispr . 1979, blz . 1, r.o . 22 .
( 7 ) Zie bij voorbeeld arresten van 19 oktober 1977, gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, Jurispr . 1977, blz . 1753, r.o . 7, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson, Jurispr . 1977, blz . 1795, r.o . 16 .
( 8 ) Zie bij voorbeeld arrest van 23 februari 1983, zaak 8/82, Wagner, Jurispr . 1983, blz . 371, r.o . 18 .
Full & Egal Universal Law Academy