CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 22 september 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In 1983 stelde Ierland de „Fisheries Amendment Act” vast, waarbij in de nationale wettelijke regeling betreffende de visvangst (Fisheries Consolidation Act 1959) een artikel 222 B werd ingevoegd, krachtens hetwelk het gebruik van in Ierland geregistreerde vissersvaartuigen binnen en buiten de exclusieve visserijzone van dit land slechts is toegestaan, indien daarvoor een vergunning is afgegeven. De bevoegde minister mocht aan die vergunning de voorwaarde verbinden, dat ten minste 75% van de bemanning van het vaartuig uit EEG-onderdanen bestaat.
2.
Pesca Valentia Limited, verzoekster in het hoofdgeding, is een Iers visserijbedrijf opgericht in de vorm van een „joint venture” van Ierse (26%) en Spaanse (74%) belangen, dat sedert zijn oprichting in 1980 met in Ierland geregistreerde vissersvaartuigen in de Ierse wateren vist, met name op heek, die hoofdzakelijk voor export naar Spanje was bestemd.
3.
Voor het schip „Monte Marin”, eigendom van Pesca Valentia, was voor de periode 17 augustus 1984 — 16 augustus 1985 overeenkomstig de genoemde Ierse wettelijke regeling een vergunning afgegeven door het Ierse Ministerie voor Visserij, verweerder in het hoofdgeding.
4.
Deze vergunning bevatte met name de volgende twee bepalingen:
„a)
Het schip waarvoor onderhavige vergunning is afgegeven mag, zowel binnen als buiten de exclusieve visserijzones, slechts voor zeevisserij worden gebruikt, indien de bemanning voor ten minste 75% uit Ieren of andere EEG-onderdanen bestaat.
b)
Het schip mag niet voor zeevisserij worden gebruikt in het gedeelte van de exclusieve visserijzone van de staat, dat binnen twaalf zeemijl van de laagwaterlijn ligt.”
5.
Toen het vaartuig op 11 september 1984 in de Ierse visserijzone, doch buiten de Ierse kustwateren, werd gepraaid, voldeed de samenstelling van zijn bemanning niet aan het gestelde vereiste. Bijgevolg werd tegen de kapitein een strafvervolging ingesteld.
6.
In het kader van die strafvervolging stelde Pesca Valentia beroep in bij de High Court te Dublin, met het betoog dat de betrokken Ierse wettelijke regeling een materie betrof die tot de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap behoorde en dat deze regeling in ieder geval in strijd was met het non-discriminatiebeginsel van artikel 7 EEG-Verdrag.
7.
Om die twee argumenten te kunnen beoordelen heeft de verwijzende rechter de twee vragen gesteld die ik thans zal onderzoeken.
I — De bevoegdheid van de Lid-Staten (de eerste prejudiciële vraag)
8.
De eerste vraag van de verwijzende rechter luidt als volgt:
„Verbieden de artikelen 100 en 102 van de Toetredingsakte van 1972, de artikelen 1 en 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 en artikel 6 van verordening (EEG) nr. 170/83 een Lid-Staat een wettelijke regeling vast te stellen die verlangt dat de bemanning van vissersvaartuigen die de visserij beoefenen binnen de exclusieve visserijzones van die Lid-Staat, voor ten minste een bepaald gedeelte uit onderdanen van de Gemeenschap bestaat ?”
9.
A — Ik stel voor eerst de bepalingen van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19) te onderzoeken.
10.
Artikel 1 van die verordening bepaalt: „Ten einde te bevorderen dat de visserijsector zich binnen het algemene raam van de economie harmonisch en evenwichtig ontwikkelt en dat de biologische rijkdommen van de zee en van de binnenwateren rationeel worden geëxploiteerd, worden een gemeenschappelijke regeling voor de uitoefening van de zeevisserij, alsmede bijzondere maatregelen met het oog op passende acties en op de coördinatie van het structuurbeleid van de Lid-Staten in deze sector vastgesteld.”
11.
Artikel 2 luidt als volgt: „De in elk van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten.
12.
Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee.”
13.
Uit deze bepalingen volgt dat elke Lid-Staat de uitoefening van de visserij in het onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende gedeelte der zee naar eigen goeddunken mag regelen, op voorwaarde dat hij daarbij de vissersvaartuigen van de andere Lid-Staten niet discrimineert (een probleem waarop ik bij het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag zal ingaan).
14.
Dit wordt bevestigd door artikel 2, lid 2, volgens hetwelk de Lid-Staten „de andere Lid-Staten en de Commissie mededeling (doen) van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde gebied bestaan, alsmede van de maatregelen die voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van hetzelfde lid”.
15.
Ten slotte bepaalt artikel 3 van dezelfde verordening: „De Lid-Staten stellen de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis van de wijzigingen die zij voornemens zijn aan te brengen in de ter toepassing van het bepaalde in artikel 2 vastgestelde regeling voor de visserij.”
16.
Aangezien de verordening dus uitgaat van de idee dat de wettelijke regeling der Lid-Staten in de loop der jaren een ontwikkeling doormaakt is het duidelijk dat de stelling als zouden de Lid-Staten over de hele lijn de bevoegdheid hebben verloren om ter zake van de visserij wetgevend op te treden, niet kan worden staande gehouden.
17.
Deze eerste conclusie vindt bevestiging in het laatste deel van artikel 1 en in de artikelen 5, 6, 9, 10, 11 en 12 van zelfde verordening, waaruit duidelijk blijkt dat de verantwoordelijkheid inzake het structuurbeleid in eerste instantie bij de Lid-Staten ligt en dat de Gemeenschap slechts optreedt om dit beleid te coördineren.
18.
Dat de maatregelen betreffende de uitoefening van de zeevisserij tot het structuurbeleid behoren blijkt onder meer uit artikel 12, luidens hetwelk het Permanent comité voor de visserijstructuur met name tot taak heeft „er zorg voor te dragen dat de Lid-Staten en de Commissie elkaar inlichtingen verstrekken op het gebied van het structuurbeleid, met name ten aanzien van de maatregelen ter regeling van de uitoefening van de zeevisserij”.
19.
Ingevolge de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 101/76, is „het van belang... dat de visserij zich op rationele wijze ontwikkelt en dat aan degenen die van de visserij leven een redelijke levensstandaard wordt gewaarborgd”.
20.
Vaststaat, dat de levensstandaard van de vissers niet alleen afhangt van de beschikbare visgronden, maar ook van het aantal schepen dat die visgronden exploiteert. Een rationele ontwikkeling van de visserijsector is onmogelijk, indien het aantal vissersvaartuigen buitensporig toeneemt. In de verordening wordt dan ook bepaald, dat de Lid-Staten (artikel 8) of de Gemeenschap (artikel 9) financiële steun kunnen toekennen met het oog op de toeneming van de produktiviteit, met name door herstructurering van de vissersvloten.
21.
Ook de op artikel 9, lid 2, van verordening nr. 101/76 gebaseerde verordening nr. 2908/83 van de Raad van 4 oktober 1983 inzake een gemeenschappelijke actie voor herstructurering, modernisering en ontwikkeling van de visserij (PB 1983, L 290, blz. 1) alsmede voor de ontwikkeling van de aquicultuur, beoogt, in het kader van meerjarige programma's, een bevredigend evenwicht tussen de vangstcapaciteit en de beschikbare visbestanden tot stand te brengen (zie met name de derde overweging van de considerans en de artikelen 3, 4 en 11).
22.
De richtlijn van de Raad van 4 oktober 1983 inzake bepaalde acties voor de aanpassing van de capaciteit in de visserijsector (PB 1983, L 290, blz. 15) ten slotte, is erop gericht, de Lid-Staten ertoe aan te zetten, via eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, specifieke acties voor de structurele aanpassing van hun vissersvloten ten uitvoer te leggen (zie met name de vijfde, zesde en zevende overweging van de considerans). Krachtens deze richtlijn kunnen de Lid-Staten forfaitaire stillegpremies toekennen voor vaartuigen met een wegens de vangstbeperkingen onzekere rentabiliteit, of beëindigingsvergoedingen verlenen met het oog op de definitieve inkrimping van de vangstcapaciteit van de vloten die technisch moeilijk aan te passen zijn aan de vangstmogelijkheden die op middellange termijn worden verwacht.
23.
Op 24 april 1985 gaf de Commissie een beschikking betreffende het meerjarig oriëntatieprogramma voor de visserijvloot, dat Ierland overeenkomstig verordening nr. 2908/83 had ingediend (PB 1985, L 157, blz. 23). In die beschikking stelt de Commissie goedkeurend vast, dat het Ierse programma voorziet in een vernieuwing zonder verhoging van de totale tonnage, die beantwoordt aan de op middellange termijn verwachte mogelijkheden voor de exploitatie van de visbestanden. Zij neemt er akte van, dat de Ierse autoriteiten reeds een permanente controleregeling voor de in de vloot op te nemen nieuwe vaartuigen van meer dan twintig meter (65 voet) hebben ingevoerd met het oog op een betere benutting van de beschikbare hoeveelheid vis en een optimale spreiding van de visserij-inspanning (zie ook bijlage I, sub 4, bij de beschikking).
24.
Voorts wordt in bijlage II, „Slotconclusies”, verklaard: De Commissie is van mening „dat de Ierse autoriteiten hun vergunningenstelsel voor vissersvaartuigen zo spoedig mogelijk moeten uitbreiden om een beter evenwicht tot stand te brengen tussen vangstmogelijkheden en vangstcapaciteit. Voorts betuigt zij haar instemming met het voornemen van de Ierse autoriteiten om elke aanvraag voor de modernisering of vervanging van vaartuigen zeer streng te onderzoeken”.
25.
Uit deze bepalingen blijkt ten overvloede, dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden om — binnen de door de Gemeenschap gestelde perken — alle maatregelen te treffen, welke noodzakelijk zijn voor een rationele herstructurering van hun vissersvloot.
26.
Deze bevoegdheid houdt noodzakelijkerwijs in, dat zij ook maatregelen mogen nemen om te voorkomen dat het resultaat van al deze herstructureringsinspanningen, die belangrijke nationale en communautaire financiële middelen hebben gevergd, ongedaan wordt gemaakt of wordt „omzeild” door een ongecontroleerde uitbreiding van de vissersvloot als gevolg van de registratie van vaartuigen die voorheen in derde landen waren ingeschreven en waarvan de bemanning grotendeels uit onderdanen van die derde landen bestaat.
27.
Men kan zich stellig afvragen, waarom Ierland geen maatregelen heeft getroffen op het vlak van de registratie zelf. Een Lid-Staat kan evenwel niet de bevoegdheid worden ontzegd om te bepalen, dat de toestemming om zijn vlag te voeren of de registratie niet automatisch het recht meebrengt om de visserij uit te oefenen en dat daartoe een bijzondere toelating is vereist in de vorm van een vergunning, waaraan bepaalde voorwaarden kunnen worden verbonden.
28.
Volledigheidshalve wil ik nog, gelijk het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, wijzen op de rechtspraak van het Hof, volgens welke uit het enkele stilzwijgen van een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector niet mag worden afgeleid, dat de Lid-Staten op dat gebied geen maatregelen meer mogen treffen (arrest van 7 februari 1984, zaak 237/83, Jongeneel Kaas, Jurispr. 1984, blz. 483). Waar de gemeenschapswetgever geen regeling heeft vastgesteld, zijn de Lid-Staten juist bevoegd gebleven om de hun dienstig lijkende maatregelen voor de structuurverbetering in een bepaalde sector te treffen, mits zij daarbij de regelingen en beginselen van de gemeenschappelijke marktordening in acht nemen (arrest van 25 november 1986, zaak 148/85, Forest, Jurispr. 1986, blz. 3449).
29.
In de onderhavige zaak betreffen de voorgelegde vragen niet een gemeenschappelijke marktordening ( 1 ), maar een verordening houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid via de coördinatie van het structuurbeleid van de Lid-Staten.
30.
De door het Hof in genoemde arresten geformuleerde beginselen gelden a fortiori in een dergelijk geval.
31.
B — Voorts verwijst de nationale rechter naar artikel 100 van de Toetredingsakte en naar artikel 6, lid 1, van verordening nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1). In die bepalingen wordt de Lid-Staten uitdrukkelijk toegestaan binnen hun kustzone — thans twaaalf zeemijl — af te wijken van genoemd beginsel dat alle vissers van de Gemeenschap gelijke toegang moeten krijgen tot de wateren van de andere Lid-Staten.
32.
Deze bepalingen, die een Lid-Staat de mogelijkheid verlenen om in de andere Lid-Staten geregistreerde vissersvaartuigen de toegang tot zijn kustwateren te weigeren, zijn duidelijk irrelevant voor de vraag of een Lid-Staat de uitoefening van de visserij door zijn eigen vaartuigen in diezelfde exclusieve zone mag verbieden of aan bepaalde voorwaarden mag verbinden.
33.
C — Ten slotte moet nog worden onderzocht, of artikel 102 van de Toetredingsakte van 1972 van dien aard is dat het de Lid-Staten de bevoegdheid ontneemt om een wettelijke regeling vast te stellen als die waar het hier om gaat.
34.
Artikel 102 van de Toetredingsakte luidt als volgt: „Uiterlijk vanaf het zesde jaar na de toetreding stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, de voorwaarden vast voor de uitoefening van de visserij, ten einde de bescherming van de visbanken en het behoud van de biologische rijkdommen van de zee te waarborgen.” Krachtens deze bepaling komt de bevoegdheid om maatregelen tot instandhouding van de visbestanden te treffen per 1 januari 1979 volledig en onherroepelijk toe aan de Gemeenschap.
35.
Dit is door het Hof in een hele reeks arresten bevestigd. ( 2 )
36.
Bijgevolg „zijn de Lid-Staten... niet meer gerechtigd in de wateren onder hun jurisdictie een eigen bevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot instandhoudings-maatregelen” en „is het invoeren van dergelijke maatregelen, met de beperkingen die zij meebrengen voor de vangstactiviteiten, sedert die datum een zaak van het gemeenschapsrecht”. Voorts „dienen de visbestanden waartoe de vissers van de Lid-Staten gelijke toegang hebben, thans te vallen onder de regels van het gemeenschapsrecht”. ( 3 )
37.
Daar bij het verstrijken van de in artikel 102 van de Toetredingsakte voorziene overgangsperiode nog geen gemeenschapsregeling was vastgesteld, heeft het Hof destijds geoordeeld, dat de Lid-Staten tijdelijk bevoegd bleven om nationale instandhoudingsmaatregelen te treffen, met dien verstande evenwel dat zij zulks dienden te doen als „beheerders van het gemeenschappelijk belang”.
38.
Sedertdien is ter zake evenwel een gemeenschapsregeling vastgesteld, te weten genoemde verordening nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden. Deze regeling moet dus voortaan worden toegepast en is relevant voor onderhavige zaak.
39.
Om te kunnen beoordelen of de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap om de nodige maatregelen te nemen voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee eraan in de weg staat dat een Lid-Staat een regeling vaststelt als die waar het in casu om gaat, moet het begrip „instandhoudingsmaatregelen” worden omschreven.
40.
Wat onder dat begrip moet worden verstaan, blijkt uit verordening nr. 170/83 en de verordeningen tot uitvoering daarvan, te weten
—
verordening nr. 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 14);
—
verordening nr. 172/83 van de Raad van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de Lid-Staten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1983, L 24, blz. 20) alsmede de jaarlijkse verordeningen tot vaststelling van de totaal toegestane vangsten (TAC) en de verdeling daarvan over de Lid-Staten (quota).
41.
Uit deze teksten blijkt, dat de bedoelde maatregelen voor elke soort of groep soorten, kunnen bestaan in:
—
de vaststelling van zones waar de visserij is verboden of is beperkt tot bepaalde periodes, tot bepaalde soorten vaartuigen, tot een maximumaantal vaartuigen van elke Lid-Staat dat gelijktijdig de visserij mag beoefenen, tot bepaalde soorten vistuig of tot bepaalde gebruiksdoeleinden;
—
de vaststelling van normen inzake vistuig;
—
de vaststelling van een minimummaat of minimumgewicht per soort;
—
een regeling voor de bijvangsten;
—
de beperking van de visserijactiviteiten, met name door beperking van de vangsten voor de vissersvloot van elke Lid-Staat.
42.
In casu zijn alleen het eerste en het laatste punt van belang.
43.
a)
Uit het voorgaande, alsmede uit het arrest van het Hof van 10 juli 1984 (zaak 63/83, Kirk, Jurispr. 1984, blz. 2689, r. o. 19) volgt, dat een maatregel inzake de toegang tot de uitoefening van de visserij in bepaalde gevallen tot de gewenste instandhouding van de visbestanden kan bijdragen.
44.
Het is evenwel duidelijk, dat dit niet het doel was van de Ierse maatregel. Hij is niet bedoeld om de vissoorten te beschermen (die doelstelling wordt bereikt door de vaststelling van quota en technische instandhoudingsmaatregelen), maar om degenen die van de zeevisserij leven een redelijke levensstandaard te waarborgen (zie de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 101/76).
45.
Artikel 102 van de Toetredingsakte en de rechtspraak van het Hof, waaruit de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap ter zake van de instandhouding van de visbestanden blijkt, zijn in casu dus niet van toepassing.
46.
b)
Maar zelfs indien dit wel het geval ware, kan niet worden geconcludeerd dat de betrokken maatregel onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
47.
Voor zover Pesca Valentia vist op soorten waarvoor quota gelden, valt de bestreden maatregel immers onder artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83, krachtens hetwelk het aan de Lid-Staten wordt overgelaten, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften voor bet gebruik van de hun toegekende quota vast te stellen.
48.
Het Hof heeft dit bevestigd in zijn arrest van 3 oktober 1985 (zaak 207/84, De Boer, Jurispr. 1985, blz. 3203, r. o. 28), waar het overwoog:
„Voor zover een nationale regeling het aantal schepen dat op haringvangst kan gaan, regelt door aan de toegang tot het quotum de voorwaarde te verbinden, dat de betrokken visser in staat is om de gevangen haring aan boord tot maatjes (licht gezouten en gekaakte haring) te verwerken, vormt die regeling een voorschrift voor het gebruik van het quotum in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83, dat tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort en in overeenstemming is met de bepalingen en de doelstelling van voornoemde verordening...”
49.
Wanneer een Lid-Staat dus voor een vissoort of groep vissoorten een quotum heeft gekregen, mag hij de toegang van zijn vaartuigen tot dat quotum afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden betreffende de samenstelling van de bemanningen.
50.
Voor zover de vaartuigen van Pesca Valentia wensen te vissen op soorten waarvoor de Gemeenschap geen quota heeft vastgesteld, valt op die voorwaarde evenmin kritiek te leveren. Een Lid-Staat mag vaartuigen die onder zijn vlag varen, verbieden dergelijke soorten te vangen, of dienaangaande beperkingen opleggen. Die mogelijkheid is, wat de technische maatregelen betreft, uitdrukkelijk voorzien in artikel 20, lid 1, van verordening nr. 171/83, dat luidt als volgt:
„Deze verordening is van toepassing, onverminderd de alleen voor de vissers van de betrokken Lid-Staat geldende nationale technische maatregelen die verder gaan dan de minimumvereisten van deze verordening en die een beter beheer of een beter gebruik van de quota ten doel hebben of betrekking hebben op soorten waarvoor geen quota gelden of waarvoor deze verordening geen specifieke maatregelen behelst, voor zover die maatregelen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en stroken met het gemeenschappelijk visserijbeleid.”
51.
Hetgeen voor technische maatregelen geldt, geldt uiteraard ook voor een maatregel als die welke Ierland heeft vastgesteld. Gelijk bij de behandeling van de tweede vraag zal blijken, verdraagt deze maatregel zich inderdaad met het gemeenschapsrecht.
52.
Ik wil er evenwel nogmaals op wijzen, dat de Ierse regeling mijns inziens geen instandhoudingsmaatregel is.
53.
Op grond van het voorgaande ben ik van mening, dat geen enkele van de door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag aangehaalde bepalingen van gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat een wettelijke regeling vaststelt, op grond waarvan in die Lid-Staat geregistreerde vaartuigen de zeevisserij slechts mogen beoefenen indien hun bemanning voor ten minste een bepaald gedeelte uit EEG-onderdanen bestaat.
II — De discriminatie (de tweede prejudiciele vraag)
54.
De tweede vraag van de High Court te Dublin is erop gericht te vernemen, of een wettelijke regeling als die welke in Ierland geldt, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
55.
Het valt echter moeilijk in te zien, hoe een bepaling die geen enkel onderscheid maakt tussen Ierse onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten, tot discriminatie tussen de onderdanen van de Gemeenschap kan leiden. Is die bepaling niet juist een toepassing van het non-discriminatiebeginsel ?
56.
Verzoekers betogen evenwel, dat om te beginnen de Britse visserijbedrijven worden gediscrimineerd, daar deze slechts in de Ierse wateren mogen vissen indien de bemanning van hun vaartuigen eveneens voor 75% uit EEG-onderdanen bestaat.
57.
Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de vraag van de High Court te Dublin niet betrekking heeft op dit aspect van de Ierse wettelijke regeling.
58.
Verder zij opgemerkt, dat in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vaartuigen in het onderhavige geval ter zake van de samenstelling van hun bemanning niet anders worden behandeld dan de vaartuigen van verzoekster in het hoofdgeding, of, om het met de woorden van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 te zeggen, dat de in Ierland geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder zijn soevereiniteit op zijn jurisdictie valt, niet leidt tot verschillen in behandeling ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk.
59.
Er lijken nog drie andere vormen van discriminatie te zijn aangevoerd:
—
discriminatie ten voordele van concurrerende bedrijven van andere Lid-Staten waar een dergelijke wettelijke regeling niet bestaat;
—
discriminatie ten voordele van andere Ierse bedrijven, die, wegens de aard van hun visserijactiviteiten geen nadeel ondervinden van een dergelijke voorwaarde;
—
discriminatie ten nadele van de onderdanen van andere Lid-Staten, aangezien de houder van een vergunning waaraan de 75%-voorwaarde is verbonden, in feite verplicht is Ierse vissers aan te werven, daar hij zijn activiteiten in de wateren van die staat uitoefent.
60.
Geen enkel van deze verschillen in behandeling valt evenwel onder het verbod van artikel 7 EEG-Verdrag.
61.
a)
In zijn arrest van 3 juli 1979 (gevoegde zaken 185-204/78, Van Dam en anderen, Jurispr. 1979, blz. 2345, r. o. 10) overwoog het Hof uitdrukkelijk, dat „toepassing van een nationale wettelijke regeling, waarvan de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht voor het overige niet wordt betwist, niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel kan worden geacht op grond dat andere Lid-Staten minder strenge bepalingen zouden toepassen. Zo dergelijke ongelijkheden al zouden bestaan, kunnen zij... geen grond opleveren voor het verwijt dat nationale bepalingen..., die door een Lid-Staat gelijkelijk worden toegepast op eenieder die onder zijn rechtsmacht valt, discriminerend zijn.”
62.
Derhalve levert het feit dat de Ierse wettelijke regeling in Ierland geregistreerde vaartuigen voorwaarden oplegt, die in de wetgevingen van andere Lid-Staten niet worden opgelegd aan aldaar geregistreerde vaartuigen, geen discriminatie op.
63.
b)
Artikel 7, dat „elke discriminatie op grond van nationaliteit” verbiedt, is niet van toepassing op het verschil in behandeling van onderdanen van een zelfde Lid-Staat. Dergelijke verschillen in behandeling, die uitsluitend uit de wettelijke regeling van een Lid-Staat voortvloeien, vallen niet onder het gemeenschapsrecht.
64.
c)
Met betrekking tot de omstandigheid dat de Ierse zeelui en vissers bij de aanwerving in feite een bevoordeelde positie hebben, zij erop gewezen, dat het Hof in zijn arrest van 18 maart 1980 (zaak 52/79, Debauve, Jurispr. 1980, blz. 833, r. o. 21) overwoog, dat „deze aan natuurlijke verschijnselen te wijten verschillen... geen ‚discriminatie’ in de zin van het Verdrag kunnen worden genoemd, daar dit slechts die verschillen in behandeling zo bestempelt, welke het gevolg zijn van menselijke activiteiten en met name van overheidsmaatregelen”.
65.
Derhalve kan niet als discriminatie worden aangemerkt de omstandigheid, dat bij de aanwerving door Ierse visserijbedrijven van een bemanning voor de vaartuigen die in Ierse wateren vissen, de Ieren zich feitelijk in een gunstigere positie bevinden dan de onderdanen van de andere Lid-Staten.
66.
Geen enkele van de aangevoerde verschillen in behandeling of ongelijkheden valt derhalve onder artikel 7 EEG-Verdrag.
67.
Ten slotte is het mijns inziens niet nodig, dat het Hof zich uitspreekt over het door de Commissie opgeworpen probleem van de eventuele onverenigbaarheid van de Ierse wettelijke regeling met artikel 11 van verordening nr. 1612/68 van de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers en artikel 7 van verordening nr. 1251/70 van de Commissie met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld. Het gaat hier immers niet om een procedure wegens niet-nakoming. Bovendien heeft de verwijzende rechter dit probleem niet ter sprake gebracht, zodat mag worden aangenomen dat het in het hoofdgeding niet aan de orde was. Ten slotte is het een volstrekt marginaal probleem. Het kan immers alleen opduiken, wanneer het toegelaten percentage van 25% onderdanen van derde landen wordt overschreden door de aanwerving van een of meer zeevissers die met Ierse onderdanen zijn gehuwd. Bij de huidige stand van zaken kan niet worden uitgesloten, dat de Ierse autoriteiten niet bereid zouden zijn dergelijke bemanningsleden als Ierse vissers te beschouwen.
III — Conclusie
68.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de twee vragen van de High Court te Dublin te beantwoorden als volgt:
„1)
De artikelen 100 en 102 van de Toetredingsakte van 1972, de artikelen 1 en 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76 en artikel 6 van verordening (EEG) nr. 170/83 verbieden een Lid-Staat niet, een wettelijke regeling vast te stellen die verlangt dat de bemanning van in die Lid-Staat ingeschreven vaartuigen die de visserij beoefenen in de onder de soevereiniteit of de jurisdictie van die Lid-Staat vallende wateren, voor ten minste een bepaald gedeelte uit onderdanen van de Gemeenschap bestaat.
2)
Een dergelijke wettelijke regeling kan niet worden geacht een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit op te leveren.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
( 1 ) De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten is tol stand gebracht bij verordening nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 (PB 1981, L 379, blz. 1).
( 2 ) Arrest van 5 mei 1981, zaak 804/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981, blz. 1045; arrest van 2 juni 1981, zaak 124/80, Van Dam, Jurispr. 1981, blz. 1447; arrest van 16 december 1981, zaak 269/80, Tymen, Jurispr. 1981, blz. 3079; arrest van 10 februari 1982, zaak 21/81, Bout, Jurispr. 1982, blz. 381; arrest van 11 mei 1983, zaak 87/82, Rogers, Jurispr. 1983, blz. 1579; arrest van 14 februari, zaaK 24/83, Gewiese en Mehlich, jurispr. 1984, blz. 817.
( 3 ) Zie liet arrest van 5 mei 1981, zaak 804/79, Jurispr. 1981, blz. 1045; 1073, r. o. 18.
Full & Egal Universal Law Academy