Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Hof is wederom verzocht, een uitspraak te doen over de uitlegging van de communautaire bepalingen inzake de vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief ( GDT ) voor wetenschappelijke apparatuur . In een geschil tussen Nicolet Instrument GmbH en het Hauptzollamt Berlin-Packhof heeft het Finanzgericht Berlin het Hof de vraag gesteld, of vrijstelling kan worden geweigerd wanneer een Europees apparaat voorhanden is, dat weliswaar geschikt is voor het betrokken onderzoeksproject, maar een dermate hoog prestatievermogen heeft dat het de objectieve vereisten van het project in ruime mate overschrijdt .
De feiten . De onderneming Nicolet heeft uit de Verenigde Staten een apparaat genaamd Fourier-Transform-Infrarood-Spectrometersysteem, model MX-1 met toebehoren, ingevoerd en verkocht aan het Robert-Koch-Institut van het Bundesgesundheidsamt te Berlijn, dat het apparaat wilde gebruiken voor bacterieel onderzoek van celwanden . In haar verzoek om vrijstelling van douanerechten verklaarde Nicolet, dat noch in Duitsland noch in andere landen van de Gemeenschap apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd . Het Hauptzollamt weigerde de vrijstelling evenwel met de opmerking, dat er minstens twee gelijkwaardige apparaten voorhanden waren, die beide werden vervaardigd door Bruker Analytische Messtechnik GmbH . Het bezwaarschrift van Nicolet tegen deze beschikking van 23*februari*1982 werd afgewezen, waarop zij beroep instelde bij het Finanzgericht Berlijn .
Voor het Finanzgericht betoogde zij dat de twee Duitse apparaten, de IFS*110 en IFS*85, niet gelijkwaardig waren aan het Amerikaanse instrument, daar zij een veel hoger prestatievermogen hadden en derhalve te krachtig waren voor de experimenten van het Robert-Koch-Institut . Voor die experimenten zou namelijk een oplossend vermogen noodzakelijk zijn van twee tot vier oplossingselementen, terwijl de veel duurdere IFS*110 en IFS*85 een vermogen hadden van 0,2 en 0,5 . Het Hauptzollamt beriep zich op de bewoordingen van de communautaire verordening ten betoge, dat een prestatievermogen dat de behoeften van het betrokken onderzoeksproject overschrijdt, bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid niet in de beschouwing mag worden betrokken .
Bij beschikking van 27*juni*1986 heeft de VIIe Senat van het Finanzgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel*177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Is een apparaat in de zin van verordening nr.*1798/75 'wetenschappelijk gelijkwaardig' , wanneer het weliswaar kan worden gebruikt om het voorgenomen onderzoek te verrichten doch een dermate groot prestatievermogen heeft, dat het objectief gezien rederlijkerwijs niet voor gebruik in aanmerking komt?"
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Nicolet, de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen . Alleen deze laatste is ter terechtzitting verschenen .
2 . Zoals bekend, zijn de criteria voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van wetenschappelijke instrumenten neergelegd in verordening nr.*1798/75 van de Raad van 10*juli*1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard ( PB*1975, L*184, blz.*1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr.*1027/79 van de Raad van 8*mei*1979 ( PB*1979, L*134, blz.*1 ) en aangevuld bij verordening nr.*2784/79 van de Commissie van 12*december*1979 ( PB*1979, L*318, blz.*32 ).
Volgens artikel*3, lid*3, derde streepje, van verordening nr.*1790/75 ( zoals gewijzigd ) moet de gelijkwaardigheid worden beoordeeld "door de essentiële technische kenmerken van het instrument of het apparaat waarvoor de ... aanvraag om vrijstelling werd gedaan, te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als die waartoe (( het eerste )) is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen ". Artikel*5, lid*2, van verordening nr.*2784/79 bepaalt, dat voor de vergelijking "slechts de technische kenmerken die van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het resultaat van de beoogde specifieke werkzaamheden als 'essentieel' worden beschouwd", terwijl geen rekening moet worden gehouden met "het feit dat een instrument of apparaat hogere prestaties kan leveren dan die welke noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de beoogde specifieke werkzaamheden ".
3 . Laatstgenoemd voorschrift vormt de kern van het geschil . De verwijzende rechter stelt zich immers duidelijk op het standpunt, dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid het evenredigheidsbeginsel niet buiten beschouwing mag worden gelaten . Nicolet deelt deze mening en voegt er nog aan toe, dat het oneconomisch en onwetenschappelijk is om een onderzoek te verrichten met inadequate, waaronder ook te sterke middelen . Volgens de Nederlandse regering en de Commissie daarentegen moet de juistheid van deze stelling nog door toekomstig recht worden bevestigd . Onder de huidige regeling zou het verboden zijn, rekening te houden met het "hogere prestatievermogen" dat aan een apparaat wordt toegeschreven, ongeacht of het om een Europees of een ingevoerd apparaat gaat . Dit zou voor een bevestigend antwoord van de gestelde vraag reeds volstaan .
Ik wil er onmiddellijk op wijzen, dat ik de voorkeur geef aan het eerste standpunt . Ik geloof derhalve, dat de litigieuze regeling thans reeds kan worden toegepast zonder in te druisen tegen de letter en de geest ervan en tegelijkertijd zonder in strijd te geraken met de vereisten van het onderzoek en met de financiële mogelijkheden van de onderzoeksinstituten .
Allereerst een vanzelfsprekende opmerking . De enkele omstandigheid dat een apparaat een hoger prestatievermogen heeft, betekent nog niet dat van gelijkwaardigheid geen sprake is, ook indien het Europese apparaat te krachtig is ( het tegenovergestelde geval was aan de orde in het arrest van 25*oktober*1984, zaak 185/83, Universiteit Groningen, Jurispr.*1984, blz.*3623, r.o.*33 ). Tot dit resultaat leidt niet alleen de formulering van artikel*5, lid*2, maar ook een onweerlegbaar a contrario-argument : indien het Europese apparaat niet onder het voorschrift viel, zouden voor de vergelijking ook "essentieel" zijn de kenmerken die niet "van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het resultaat" van het onderzoek, met als gevolg een enorme toeneming van het aantal gevallen waarin het apparaat niet gelijkwaardig wordt beschouwd .
Mitsdien verzoekt de verwijzende rechter niet om een uitspraak op dit punt . Hij wenst veeleer te vernemen, of de regel volgens welke een hoger prestatievermogen irrelevant is, niet meer opgaat wanneer een vergelijking van apparaten onmogelijk is omdat hun prestatievermogen een zodanige wanverhouding vertoont, dat gebruik van het ene apparaat in plaats van het andere "redelijkerwijs niet ... in aanmerking komt ". Het komt mij voor, dat het antwoord op deze vraag bevestigend moet luiden en dat daarvoor op zijn minst twee tekstuele argumenten pleiten .
In de eerste plaats de eerste overweging van verordening nr.*1798/75, waarin de bedoeling tot uitdrukking wordt gebracht, "het verrichten van wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap te bevorderen ". Het beginsel van de communautaire preferentie wordt derhalve afgezwakt door de belangen van de wetenschap . Het spreekt vanzelf dat deze belangen onvoldoende worden gewaarborgd, wanneer de weigering om vrijstelling van douanerechten te verlenen, wordt gebaseerd op het bestaan van instrumenten die geen onderzoeker voor de verwezenlijking van een bepaald project ook maar in overweging zou nemen . Het tweede argument is artikel*3, lid*3, derde streepje, van verordening nr.*1798/75, dat zoals gezegd bepaalt, dat het ingevoerde apparaat wordt vergeleken met het "overeenkomstige" apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of het "vergelijkbare diensten kan bewijzen ". Deze adjectieven impliceren mijns inziens zonder meer, dat beide apparaten tot dezelfde categorie of tot vergelijkbare categorieën behoren, met andere woorden dat een vergelijking tussen hun respectieve kenmerken toch een minimum aan betekenis heeft .
Het beginsel van artikel*5, lid*2, moet derhalve in het licht van deze voorschriften worden uitgelegd . Met andere woorden, het eventuele hogere prestatievermogen van het ene of het andere apparaat is inderdaad irrelevant, zij het irrelevant voor zover het gaat om apparaten waarvan het ene enkel geperfectioneerder of krachtiger is dan het andere . Daarentegen kan van irrelevantie geen sprake zijn, wanneer de grotere perfectie of het hogere vermogen ertoe leidt, dat de apparaten niet vergelijkbaar of niet substitueerbaar zijn . Dan immers ontbreken juist de voorwaarden voor de vaststelling van de gelijkwaardigheid; in het uiterste geval zijn de twee apparaten niet alleen niet gelijkwaardig, maar bovendien geheel onvergelijkbaar .
De door mij voorgestane uitlegging strookt voor het overige met de aandacht die in de rechtspraak van het Hof steeds aan het evenredigheidscriterium is besteed . Bovendien ontkomt men alleen op deze wijze aan paradoxale resultaten waarvan de onzinnigheid volstrekt duidelijk wordt, wanneer men het soms wazige terrein van de rechtsbegrippen verlaat en naar analogieën uit het dagelijkse leven grijpt . Een voorbeeld : wat te denken van de stelling dat een BMW*735 en een paard gelijkwaardig zijn, enkel op grond dat met beide de afstand tussen het begin en het einde van de Kurfuerstendamm kan worden afgelegd?
4 . Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de vraag, door het Finanzgericht Berlin, VIIe Senat, bij beschikking van 27*juni*1986 gesteld in het aldaar aanhangig geding tussen Nicolet Instrument GmbH en Hauptzollamt Berlin-Packhof, te beantwoorden als volgt :
"Verordening nr.*1798/75 van de Raad en verordening nr.*2784/79 van de Commissie moeten aldus worden uitgelegd, dat bij de beoordeling van de gelijkheid in de zin van artikel*3, lid*3, derde streepje, van eerstgenoemde verordening de enkele omstandigheid dat een apparaaat -*ook indien in de Gemeenschap vervaardigd *- een hoger prestatievermogen heeft dan voor de verrichtingen van een bepaald onderzoek noodzakelijk is, irrelevant is; evenwel kan niet worden gesproken van wetenschappelijke gelijkwaardigheid, wanneer een apparaat objectief gezien voor het betrokken onderzoeksproject buitensporig hoge prestaties levert en het gebruik ervan derhalve redelijkerwijs volledig moet worden uitgesloten ."
(*)* Vertaald uit het Italiaans .
Full & Egal Universal Law Academy