Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het door de Commissie ingestelde beroep strekt tot vaststelling door het Hof dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EEG-Verdrag, met name krachtens artikel 48 EEG-Verdrag, alsmede krachtens artikel 10, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 ( 1 ), door wettelijke bepalingen vast te stellen en te handhaven waarin als voorwaarde voor de verlenging van de verblijfsvergunning van familieleden van migrerende werknemers uit de Gemeenschap het vereiste wordt gesteld of wordt toegelaten, dat de familie behoorlijk is gehuisvest, en dat niet alleen op het tijdstip waarop zij zich bij de betrokken werknemer vestigen, doch tijdens de gehele verblijfsduur .
2 . De hierbedoelde Duitse wet is het "Aufenthaltsgesetz EWG", zoals gewijzigd op 31 januari 1980 ( 2 ), waarvan artikel 7 luidt als volgt :
"1 ) Aan familieleden wordt op verzoek een verblijfsvergunning verleend, wanneer de persoon tot wiens familie zij behoren, een verblijfsvergunning bezit, en hem en zijn familieleden een woning ter beschikking staat die aan de in de woonplaats geldende maatstaven voor een behoorlijke woning voldoet .
...
5 ) ...
De verblijfsvergunning voor familieleden van de werknemer wordt op verzoek met ten minste vijf jaren verlengd, indien nog steeds aan de voor verlening gestelde voorwaarden wordt voldaan .
...
9 ) De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan naderhand worden verkort, indien niet meer wordt voldaan aan de voor verlening daarvan gestelde voorwaarden ."
Artikel 10 van verordening nr . 1612/68 luidt als volgt :
"1 . Met de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld mogen zich vestigen, ongeacht hun nationaliteit :
a ) zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b ) de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn .
2 . De Lid-Staten begunstigen de toelating van alle familieleden die niet onder de bepalingen van lid 1 vallen, indien zij ten laste zijn van bovenbedoelde werknemer dan wel in het land van herkomst onder zijn dak leven .
3 . Voor de toepassing van de leden 1 en 2 moet de werknemer de beschikking hebben over een woning voor zijn familie, die in het gebied waar hij werkt voor de nationale werknemers als normaal wordt beschouwd; deze bepaling mag geen discriminatie tussen de nationale werknemers en de werknemers uit andere Lid-Staten ten gevolge hebben ."
3 . Volgens de Commissie volgt reeds uit de tekst van artikel 10, lid 3 - dat eng moet worden uitgelegd - dat het vereiste van een normale woning slechts bij de eerste vestiging van de familieleden van een migrerende werknemer onder diens dak kan worden gesteld en niet gedurende de gehele verblijfsduur . Zij voegt hieraan toe, dat zelfs indien deze bepaling aldus zou moeten worden uitgelegd, dat dit een duurzaam vereiste is, de Duitse wettelijke regeling hiermee in strijd is, daar die een discriminatie tussen migrerende werknemers en Duitse werknemers ten gevolge heeft, omdat voor laatstgenoemden niet een gelijkwaardige sanctie geldt als die welke de familieleden van de migrerende werknemers bedreigt : het zonder meer worden teruggezonden naar hun land van herkomst .
4 . De Duitse regering meent daarentegen, dat artikel 10, lid 3, het verblijfsrecht regelt, en wel voor het gehele tijdvak gedurende hetwelk de werknemer in de Lid-Staat van ontvangst aanwezig is . Haars inziens impliceert de uitdrukking "vestigen" reeds een zekere duur . Artikel 10 is erop gericht, dat de familieleden van de migrerende werknemer duurzaam met hem kunnen leven . Er bestaat geen enkele reden om te verlangen dat uitsluitend op het tijdstip waarop de familie wordt herenigd, aan de normale huisvestigingsvoorwaarden moet worden voldaan, en om aan te nemen dat deze later mogen verslechteren en vervolgens zelfs abnormaal mogen worden . Het duurzame karakter van het in artikel 10, lid 3, gestelde vereiste zou bovendien rechtvaardiging vinden in de meer algemene doelstellingen van dit artikel, te weten de bescherming van de werknemer zelf en de bevordering van de veiligheid en de openbare orde .
5 . Volgens de Duitse regering worden migrerende werknemers in de administratieve praktijk overigens niet gediscrimineerd bij ongeoorloofde overbewoning van een woning, omdat voor Duitse burgers ook sancties gelden . Deze worden in de regel door de plaatselijke autoriteiten toegepast, op basis van de wettelijke regelingen van de Laender . Vanzelfsprekend kan geen enkel land zijn eigen onderdanen uitwijzen .
6 . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de Duitse regering in het bijzonder beklemtoond, dat slechts een uitwijzingsmaatregel kan worden genomen, indien de buitenlandse werknemer stelselmatig weigert een behoorlijke huisvesting te verwerven, met name door hulp door de bevoegde autoriteiten af te wijzen en niet te profiteren van subsidies, waarop ieder op het Duitse grondgebied levende persoon recht heeft . Uitwijzing zou dus in geen geval het automatische gevolg zijn van een feitelijke situatie, te weten de onvoldoende huisvesting; als voorwaarde voor de uitwijzing geldt, dat het ongeoorloofde gedrag, zoals hiervoor beschreven, aanhoudt . Volgens de door de Duitse autoriteiten aan genoemde bepalingen gegeven uitlegging zou het niet verlengen van de verblijfsvergunning slechts mogelijk zijn, wanneer aan de door het Hof opgestelde criteria ter zake van uitwijzing wegens schending van de openbare orde is voldaan . Ook al kan men niet uitsluiten, dat de lokale overheid in bepaalde gevallen een verkeerde uitlegging van de voorschriften geeft, zouden de bepalingen in geding in feite slechts een "ultima ratio" zijn, een soort "zwaard van Damocles", dat de migrerende werknemers ertoe moet aanzetten om zich aan de regels te houden .
7 . Alvorens in te gaan op de betekenis van artikel 10, lid 3, wil ik onderzoeken, of de verklaringen van de Bondsrepubliek Duitsland over de wijze waarop zij in de praktijk de gewraakte voorschriften toepast, door het Hof in aanmerking kunnen worden genomen .
8 . Wat dit aangaat, moet ik om te beginnen vaststellen, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof eenvoudige administratieve praktijken die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, ontoereikend zijn om het bestaan van een niet-nakoming uit te sluiten, wanneer de nationale wettelijke regeling een bepaling inhoudt die onverenigbaar met het gemeenschapsrecht is ( zie laatstelijk het arrest van 15 maart 1988, zaak 147/86, Commissie/Helleense Republiek, r.o . 15 en 16, Jurispr . 1988, blz . 1637 ).
9 . Uit artikel 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de cooerdinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid ( PB 1964, blz . 850, e.v .), alsmede uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat de ter verzekering van de handhaving van de openbare orde genomen maatregelen uitsluitend mogen berusten op het persoonlijk gedrag van de betrokkene .
10 . De betrokken passages van de Duitse wet hebben geen betrekking op de werknemer zelf, maar uitsluitend op zijn familieleden . Zij lopen het risico te worden uitgewezen, terwijl zij in de meeste gevallen geen of slechts een gering aandeel hebben gehad in de beslissing een te kleine of onhygiënische woning te betrekken .
11 . Daar bovengenoemde verklaringen van de Bondsrepubliek Duitsland slechts betrekking hebben op de voorwaarden waaronder op de migrerende werknemer zelf een uitwijzingsmaatregel zou kunnen worden toegepast wegens zijn aanhoudende weigering om voor zichzelf en zijn gezin een behoorlijke huisvesting te verwerven, kunnen zij in het onderhavige verband dus niet in aanmerking worden genomen .
12 . Dit brengt mij weer terug bij de vraag, of de Duitse wet in haar huidige redactie, die het verblijfsrecht van de familieleden van de werknemer blijvend afhankelijk stelt van de voorwaarde van een behoorlijke woning, waarvan de naleving op elk moment en met name bij de verlenging van de verblijfsvergunning kan worden gecontroleerd, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
13 . Naar aanleiding hiervan wil ik vooraf twee opmerkingen maken over het belang van het geding .
14 . Om te beginnen is het duidelijk, dat telkens wanneer een nieuw familielid van de werknemer aankomt, kan worden gecontroleerd, of aan de huisvestingsvoorwaarde wordt voldaan, zelfs indien dit lang na de vestiging van de werknemer zelf of van zijn eerste familieleden die na hem zijn aangekomen, is geschied . Wordt de woning door deze aankomst ontoereikend, dan mag alleen aan het nieuwe familielid het recht om zich bij de werknemer te vestigen worden geweigerd . De aankomst van een nieuw familielid mag niet als voorwendsel dienen om de verblijfsvergunning van een ander, reeds regelmatig gevestigd familielid of, a fortiori, van de werknemer zelf niet te verlengen of deze in te trekken . De enige werkelijke vraag is dan ook, of het geoorloofd is de verblijfsvergunning van een familielid dat reeds bij de werknemer is gevestigd, niet te verlengen dan wel deze in te trekken, wanneer de woning ten gevolge van een andere gebeurtenis, zoals de geboorte of de meerderjarigheid van een kind of een gedwongen of vrijwillige verhuizing van de familie naar een te kleine of onhygiënische woning, niet meer als normaal kan worden beschouwd .
15 . In de tweede plaats meen ik dat de opmerking van de Commissie, dat de huisvestingsvoorwaarde slechts bij de eerste binnenkomst van een familielid op het grondgebied van het land van ontvangst van toepassing is, kennelijk niet zo mag worden opgevat, dat de werknemer en zijn familie slechts enkele dagen ( bij voorbeeld tot het verkrijgen van de verblijfsvergunning ) aan deze verplichting zijn gebonden en dat het hun daarna vrij zou staan, onmiddellijk naar een kleinere woning te verhuizen . Een dergelijke houding zou misbruik ( 3 ) opleveren en zou mijns inziens een reden kunnen zijn voor het intrekken van de verblijfskaart . Uit de in artikel 10 gebruikte termen "zich vestigen met", "stabilirsi con", "to install themselves with", maar vooral de Duitse uitdrukking "Wohnung nehmen", blijkt immers duidelijk dat dit artikel verwijst naar een situatie - het samenleven of het samenwonen van familieleden en van de werknemer die hen is voorgegaan - die naar zijn aard een bepaalde duur moet hebben .
16 . Maar wat moet worden verstaan onder "een woning ... die in het gebied, waar hij ( de werknemer ) werkt voor de nationale werknemers als normaal wordt beschouwd"? Volgens de Duitse regering ( in antwoord op de door het Hof gestelde vragen ) gaat het om een door de Duitse werknemers in het betrokken gebied gestelde kwaliteitsstandaard (" der von deutschen Arbeitnehmern regionale gesetzte Standard "), dat wil zeggen om het gemiddelde kwaliteitsniveau dat kan worden afgeleid uit het soort woningen dat in feite door Duitse werknemers in het betrokken gebied wordt bewoond . Omdat volgens de Duitse regering dit criterium qua inhoud door de feitelijke situatie wordt bepaald en dus varieert naar gelang het plaatselijke niveau van maatschappelijke ontwikkeling, bestaat er in de Bondsrepubliek Duitsland per definitie geen enkele bepaling of maatregel die Duitse onderdanen verplicht om te voldoen aan de regionaal voor Duitse werknemers als normaal geldende woonstandaarden ( antwoord op de vragen van het Hof ). Ten slotte merkt de Duitse Bondsrepubliek op, dat er geen sprake is van discriminatie, omdat voor migrerende werknemers geen striktere eisen gelden dan die welke uit de daadwerkelijke regionale situatie voortvloeien .
17 . Deze stelling overtuigt mij echter niet . Of er geen sprake is van discriminatie, moet mijns inziens worden beoordeeld met betrekking tot de vereisten die bij nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aan de werknemers zijn gesteld, daar anders een objectieve behandeling van al deze gevallen niet meer voldoende wordt gewaarborgd . Zulke bepalingen nu bestaan in de meeste, zo niet alle "Laender ". Zo kunnen in Berlijn bij voorbeeld alleen maar woningen worden verhuurd of gebruikt, wanneer zij een woonoppervlakte hebben van 9 m2 per volwassene en van ten minste 6 m2 per kind ( wet van 6.3.1973 ). In Hamburg moet de woonoppervlakte ten minste 10 m2 per persoon bedragen ( wet van 8.3.1982 ). In Bremen is de norm 7,5 m3 lucht per kind van schoolgaande leeftijd en 15 m3 per volwassene ( wet van 26.7.1910 ). De wettelijke regelingen van de Laender bevatten ook voorschriften op hygiënisch gebied . Naar mijn mening is dus een normale woning in de zin van artikel 10, lid 3, een woning die ten minste voldoet aan deze criteria die door de in de woonplaats geldende wettelijke regeling worden gesteld . Met inachtneming van deze bepalingen geven of onthouden de bevoegde autoriteiten de familieleden van de werknemer toestemming om het land binnen te komen en het zijn ook deze regels die in het vervolg moeten worden nageleefd .
18 . Artikel 10, lid 3, heeft uitsluitend ten doel ervoor te zorgen, dat in elk geval bij de binnenkomst van de familie in het land en gedurende de eerste tijd onmiddellijk daarna aan bovengenoemde regels wordt voldaan . Dit artikel kan later niet meer worden ingeroepen om de verblijfsvergunning in te trekken of niet meer te vernieuwen, wanneer zich een nieuw element voordoet zoals bij wege van voorbeeld genoemd in nr . 14 hierboven . Op dat moment moet de familie van de migrerende werknemer worden behandeld als burgers van het land van ontvangst . Het kan alleen nog maar aan de sancties zijn blootgesteld, die de toepasselijke regeling voorziet voor nationale onderdanen die dezelfde regels overtreden, daar anders het in het tweede gedeelte van artikel 10, lid 3, neergelegde discriminatieverbod niet zou worden nageleefd .
19 . De volgende bijkomende argumenten kunnen nog worden aangevoerd voor de stelling dat de familieleden niet uit een Lid-Staat kunnen worden uitgewezen, wanneer hun woonomstandigheden op een na hun binnenkomst in het land gelegen tijdstip ontoereikend worden .
20 . Allereerst blijkt zeer duidelijk uit de door de Commissie overgelegde documenten betreffende de voorgeschiedenis en met name uit de notulen van de 44e vergadering van de Raad van 29 juli 1968, blz . 32 (( document nr . 1297/68 ( P.V./Raad 21 ) def .)), dat zo enerzijds de voorwaarde van een "normale woning" is ingevoerd om te vermijden dat migrerende werknemers worden bevoordeeld boven nationale onderdanen, anderzijds het laatste gedeelte van lid 10, lid 3, is toegevoegd om uit te sluiten dat werknemers uit andere Lid-Staten in vergelijking met nationale onderdanen worden gediscrimineerd .
21 . Overigens overwoog het Hof in het arrest Adoui en Cornuaille ( 4 ) met betrekking tot sancties die vreemdelingen kunnen treffen bij schending van de openbare orde :
" De in de artikelen 48 en 56 van het Verdrag gemaakte voorbehouden leiden ertoe dat de Lid-Staten, om de in die bepaling genoemde redenen, en wel met name om redenen van openbare orde, maatregelen kunnen nemen waartoe ten aanzien van eigen onderdanen niet kan worden overgegaan, in dier voege dat zij laatstgenoemden niet van het nationale grondgebied kunnen verwijderen, noch ook hun de toegang tot dat grondgebied kunnen ontzeggen . Moet dit verschil in behandeling, dat de aard der te nemen maatregelen betreft, derhalve worden aanvaard, nochtans mag de overheid van een Lid-Staat die tot zulke maatregelen overgaat, aan de uitoefening van haar bevoegdheden geen beoordelingen van bepaalde gedragingen ten grondslag leggen die op een willekeurig onderscheid ten nadele van de onderdanen van andere Lid-Staten zouden neerkomen ."
22 . Het Hof heeft hieruit afgeleid dat :
"een Lid-Staat krachtens het in de artikelen 48 en 56 van het Verdrag gemaakte voorbehoud van openbare orde, een onderdaan van een andere Lid-Staat niet van zijn grondgebied mag verwijderen, noch ook hem de toegang tot dat grondgebied mag ontzeggen wegens gedragingen die, indien door de onderdanen van eerstgenoemde Lid-Staat begaan, geen aanleiding geven tot repressieve maatregelen, noch ook tot andere daadwerkelijke, op bestrijding van zulke gedragingen gerichte maatregelen ."
23 . Uit het voorgaande volgt met zekerheid, dat een Lid-Staat die geen regels inzake huisvestingsvoorwaarden kent, zulke regels niet enkel voor migrerende werknemers mag stellen, zelfs niet bij de eerste vestiging van hun familieleden .
24 . Hieruit volgt ook, dat een Lid-Staat die zulke regels wel kent, maar geen repressieve maatregelen ten aanzien van zijn onderdanen neemt wanneer zij deze regels niet naleven, evenmin repressieve maatregelen mag nemen ten aanzien van migrerende werknemers en hun familie .
25 . Mijns inziens volgt hieruit evenwel, dat een Lid-Staat die tegenover zijn eigen onderdanen repressieve maatregelen neemt, niet zover kan gaan dat hij het verblijfsrecht van de familieleden van een migrerende werknemer mag intrekken, indien mocht blijken, dat de huisvesting waarover deze tijdens hun gemeenschappelijk verblijf de beschikking heeft, onvoldoende wordt .
26 . Immers, een boete of zelfs een gedwongen uitzetting uit de betrokken woning enerzijds en de intrekking of de weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning die in laatste instantie gelijkstaat met het zonder meer terugzenden naar het land van herkomst anderzijds, hebben niets met elkaar gemeen .
27 . Het Hof heeft reeds de mogelijkheid gehad met klem te bevestigen "dat, als straf voor verzuim van de voorgeschreven formaliteiten van aanmelding en inschrijving, uitwijzing van door het Gemeenschapsrecht beschermde personen stellig onverenigbaar is met het Verdrag, aangezien die maatregel, zoals het Hof reeds in ander verband heeft verklaard, de ontkenning is van het door het Verdrag verleende en gewaarborgde recht ". ( 5 ) In zijn arrest Pieck van 3 juli 1980 ( zaak 157/79, Jurispr . 1980, blz . 2171 ) heeft het Hof ook uitgesloten, dat niet-nakoming van de formaliteiten die nodig zijn voor de vaststelling van het verblijfsrecht van een door het gemeenschapsrecht beschermde werknemer, kan worden bestraft met gevangenisstraf ( r.o . 18 tot 20 ). In het arrest Sagulo, Brenca en Bakhouche van 14 juli 1977, zaak 8/77, Jurispr . 1977, blz . 1495, overwoog het Hof meer algemeen :
"dat het weliswaar de zaak der Lid-Staten is de verplichting van de onder het gemeenschapsrecht vallende personen om zich van een geldig paspoort of identiteitsbewijs te voorzien, binnen redelijke grenzen met sancties te omgeven, doch dat deze sancties in geen geval zo zwaar mogen zijn dat zij een belemmering voor de in het Verdrag voorziene vrijheid van binnenkomst en verblijf zouden vormen" ( r.o . 12 ).
Opgemerkt zij, dat het Hof in de arresten Watson ( r.o . 21 ) en Pieck ( r.o . 19 ) heeft gesproken van :
"een straf die zozeer onevenredig is aan de ernst van de overtreding, dat zij tot een hinderpaal voor het vrije personenverkeer zou worden ".
28 . Overbewoning van een woning is stellig een ernstiger overtreding dan de niet-nakoming van een formaliteit, maar de uitzetting van een familielid zou rechtstreeks met het door artikel 10 nagestreefde doel in strijd komen, te weten het bijdragen aan het opheffen van belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers met name door hun toe te staan om hun familie te doen overkomen : in plaats van de gezinshereniging te bevorderen, zou uitzetting hieraan een einde maken . Het is echter moeilijk voorstelbaar dat de sanctie die een Lid-Staat in geval van overbewoning van een woning kan opleggen, de scheiding van de bewoners zou zijn, wanneer zij tot één familie behoren . In verscheidene Lid-Staten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, zou dit vermoedelijk in strijd zijn met constitutionele of wettelijke bepalingen .
29 . Daarbij komt nog het netelige probleem, dat in een dergelijk geval soms zou moeten worden uitgemaakt, tegen welk familielid een uitwijzingsmaatregel moet worden genomen : de laatst aangekomene, degene wiens verblijfsvergunning het eerst afloopt of het kind dat een bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden met als gevolg dat de beschikbare oppervlakte per persoon van de ene op de andere dag voor de regeling onvoldoende wordt?
30 . In haar antwoord op de door het Hof gestelde vraag heeft de Duitse regering nog uiteengezet dat de huisvestigingsomstandigheden een onontbeerlijk middel zijn om de maatschappelijke integratie van de werknemer en zijn familieleden in het land van ontvangst te bevorderen, zodat een Lid-Staat zich niet ertoe kan beperken om hen dezelfde sancties op te leggen als die welke gelden voor haar eigen onderdanen . Het valt echter moeilijk te begrijpen, hoe een uitzetting deze integratie zou kunnen bevorderen .
31 . Wat de Duitse autoriteiten zonder twijfel willen zeggen, is dat zij moeten kunnen dreigen met uitwijzing om naleving van de normale huisvestingsvoorwaarden af te dwingen . Ik heb het volste begrip voor dit verlangen om over een doeltreffend drukmiddel te beschikken, maar volgens mij heeft dreiging met uitwijzing slechts zin, als deze ook wettelijk kan worden uitgevoerd . Om de hiervoor gegeven redenen lijkt mij dit niet het geval te kunnen zijn .
32 . Bovendien toont mijns inziens artikel 9 van verordening nr . 1612/68 aan, dat de gemeenschapswetgever de integratie van de migrerende werknemers met positieve en niet met negatieve middelen heeft willen bevorderen, door hen aanspraak te geven op "alle rechten en alle voordelen die aan de nationale werknemers inzake huisvesting zijn toegekend, met inbegrip van de mogelijkheid, de woongelegenheid die hij nodig heeft in eigendom te verwerven ". "Deze werknemer kan zich" - zo vervolgt artikel 9, lid 2, - "op dezelfde wijze als de nationale werknemers in het gebied waar hij is tewerkgesteld doen inschrijven op de lijsten van de aanvragen voor huisvesting, daar waar zulke lijsten bestaan, en hij geniet de voordelen en prioriteiten die hieruit voortvloeien . Zijn familie die in het land van herkomst is gebleven, wordt te dien einde beschouwd als wonend in genoemde streek, voor zover er voor de nationale werknemers een soortgelijke veronderstelling toepassing vindt ." De gemachtigde van de Duitse regering heeft overigens verklaard, dat zijn land dit artikel volledig naleeft, zodat in de meeste gevallen op deze wijze passende oplossingen kunnen worden gevonden .
33 . Ten slotte heeft de Commissie terecht het Hof opmerkzaam gemaakt op artikel 4 van de richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 voor de cooerdinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid ( richtlijn 64/221/EEG, PB 1964, L 56, blz . 850 ). Volgens deze bepaling zijn de enige ziekten of gebreken die weigering tot toelating op het grondgebied of tot afgifte van de eerste verblijfsvergunning kunnen rechtvaardigen, de ziekten of gebreken welke zijn opgenomen in de als bijlage aan de richtlijn gehechte lijst . Het gaat om zeer ernstige ziekten, namelijk tot quarantaine aanleiding gevende ziekten, tuberculose, syphilis en andere besmettelijke door infectie of parasieten teweeggebrachte ziekten . En toch wordt in lid 2 van dit artikel bepaald, dat indien de ziekte of het gebrek zijn ontstaan na de afgifte van de eerste verblijfsvergunning, zulks de weigering van de verlenging van de verblijfsvergunning of verwijdering van het grondgebied niet kan wettigen . Wanneer deze weigering niet geoorloofd is, terwijl dergelijke ziekten ernstige risico' s voor de plaatselijke bevolking meebrengen en grote uitgaven voor de ziektekassen van het land van ontvangst, mag worden verondersteld, dat de Raad, toen hij artikel 10, lid 3, van verordening nr . 1612/68 opstelde, niet een recht van uitwijzing heeft willen creëren, wanneer de woonomstandigheden na de aankomst van de familie van de werknemer ontoereikend worden .
34 . Ik kom dus tot de slotsom dat een nationale wettelijke bepaling, volgens welke de verblijfsvergunning niet kan worden vernieuwd of de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van een familielid van een migrerende werknemer naderhand kan worden verkort, indien de woning van de familie volgens de in de woonplaats geldende maatstaven ter zake niet meer als behoorlijk kan worden beschouwd, onverenigbaar is met het laatste gedeelte van artikel 10, lid 3, van verordening nr . 1612/68 dat elke discriminatie bij de toepassing van deze bepaling verbiedt .
35 . De Commissie meent voorts, dat er ipso facto ook sprake is van niet-nakoming van artikel 48 EEG-Verdrag . De Duitse regering stelt daarentegen dat deze grief niet gegrond is daar artikel 48 de familieleden van de migrerende werknemer geen enkel "primair" of "eigen" recht op vrij verkeer toekent .
36 . Dit probleem is niet gemakkelijk te beslissen . Enerzijds draagt immers de aan de familieleden gegeven mogelijkheid om zich met de werknemer te vestigen bij tot de verwezenlijking van het doel van artikel 48 EEG-Verdrag, doordat de belemmeringen worden opgeheven voor de uitoefening van het recht van de werknemers om zich vrij op het grondgebied van de andere Lid-Staten te verplaatsen en er te verblijven om een beroep uit te oefenen . Wat voor de familieleden van een werknemer het recht is om zich met hem op het grondgebied van een andere Lid-Staat te vestigen, is voor de werknemer zelf het recht om zijn familie te doen overkomen ( zie dienaangaande de vijfde overweging van de considerans van verordening nr . 1612/68 ). Het betreft hier dus in zekere zin een zowel aan de werknemer als aan zijn familie toegekend recht .
37 . Anderzijds heeft advocaat-generaal Lenz terecht opgemerkt ( 6 ):
"dat in de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag, betreffende het vrije verkeer van werknemers, geen sprake is van een recht om familieleden te laten overkomen . In zoverre gaat verordening nr . 1612/68 van de Raad dus verder dan in het EEG-Verdrag gestelde minimumnormen" ( blz . 1291 ).
Men kan hieraan toevoegen dat het woord "familieleden" zelf niet in deze artikelen voorkomt en dat vóór de vaststelling van verordening nr . 1612/68 elke definitie van de strekking van dit begrip ontbrak .
38 . In verschillende arresten heeft het Hof trouwens vastgesteld, dat de familieleden van de werknemer in de zin van artikel 10 van verordening nr . 1612/68 slechts "indirect aanspraak hebben" ( 7 ) op het recht op vrij verkeer dat artikel 48 EEG-Verdrag de werknemer toekent, en dat de rechten die de artikelen 10 en 11 hun toekennen, slechts "afgeleide" rechten zijn, in die zin dat zij gebonden zijn aan die welke de werknemer heeft ingevolge artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en volgende van verordening nr . 1612/68 ( 8 ).
39 . Bovendien overwoog het Hof in het arrest Royer van 8 april 1976 ( zaak 48/75, Jurispr . 1976, blz . 497 ):
"dat het recht van de onderdanen van een Lid-Staat om het grondgebied van een andere Lid-Staat binnen te komen en er te verblijven met de in het Verdrag genoemde oogmerken _- met name om er al dan niet in loondienst een beroepsactiviteit te zoeken of uit te oefenen, of om zich bij hun echtgenote of hun gezin te voegen - rechtstreeks wordt toegekend door het Verdrag of, al naar het geval, door de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen " ( zie ook r.o . 50 en dictum ).
Mijns inziens behoren de aan de familieleden toegekende rechten tot deze laatste categorie .
40 . Ten slotte zou de redenering van de Commissie, dat iedere schending van verordening nr . 1612/68 ipso facto een schending van artikel 48 EEG-Verdrag meebrengt, daar deze verordening gebaseerd is op artikel 49, dat voorziet in de vaststelling van "maatregelen welke nodig zijn om geleidelijk tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in het voorgaande artikel is omschreven", logischerwijze moeten leiden tot een restrictieve uitlegging van de bepalingen van genoemde verordening, daar in die redenering hun draagwijdte wordt beperkt tot hetgeen "nodig" is om te komen tot een vrij verkeer van werknemers . De rechtspraak van het Hof, meer in het bijzonder met betrekking tot het begrip "sociale voordelen" in artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, gaat in precies de tegenovergestelde richting . Ik geloof niet dat het in het belang van wie ook zou zijn en zeker niet in dat van de Commissie, om het Hof van deze ruime uitlegging te willen doen terugkomen; ik meen dan ook dat er geen termen zijn om een niet-nakoming van artikel 48 EEG-Verdrag aan te nemen .
Conclusie
41 . Op grond van het hiervoor overwogene geef ik het Hof in overweging, vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 10, lid 3, van verordening nr . 1612/68 van de Raad op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door wettelijke bepalingen vast te stellen en te handhaven volgens welke verlenging van de verblijfsvergunning van familieleden van migrerende werknemers kan worden geweigerd en de geldigheidsduur ervan kan worden verkort, wanneer de woning waarover de migrerende werknemer voor zijn familie beschikt, volgens de ter zake in de woonplaats geldende maatstaven niet meer behoorlijk wordt geacht .
42 . Aangezien ik aldus meen dat de Commissie op de wezenlijke punten van haar beroep in het gelijk moet worden gesteld, geef ik eveneens in overweging, de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 2 ).
( 2 ) BGBl . I 1980 van 6.2.1980, blz . 117 .
( 3 ) In r.o . 43 van het arrest van 21 juni 1988, zaak 39/86, Lair, Jurispr . 1988, blz . 3161, heeft het Hof het begrip misbruik al eens gebruikt .
( 4 ) Gevoegde zaken 115 en 116/81, Jurispr . 1982, blz . 1665, blz . 1707 en 1708, r.o . 7 .
( 5 ) Zie het arrest van 7 juli 1976, zaak 118/75, Watson en Belmann, Jurispr . 1976, blz . 1185, r.o . 20 .
( 6 ) Conclusie in zaak 59/85, Reed, Jurispr . 1986, blz . 1283 en 1284 .
( 7 ) Zie het arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn te Courcelles, Jurispr . 1987, blz . 2811, r.o . 12 .
( 8 ) Zie het arrest van 7 mei 1968, zaak 131/85, Guel, Jurispr . 1986, blz . 1573, r.o . 20 .
Full & Egal Universal Law Academy