Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . Het sinds 1982 aanhangige geding tussen Maria Frascogna en de Caisse des dépôts et consignations te Bordeaux heeft opnieuw geleid tot een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hof .
2 . Zoals het Hof bekend is uit zaak*157/84 ( 1 ), woont verzoekster, die weduwe is, sinds*1976 bij haar zoon die in Frankrijk in loondienst werkt en in haar onderhoud voorziet .
3 . Zij ontving zelf van het bevoegde Italiaanse orgaan een weduwenpensioen, dat in*1981 slechts 1*000*FF per maand bedroeg . Haar verzoek om toekenning van de bijzondere ouderdomstoelage werd in 1982 door de Caisse des dépôts et consignations, verweerster in het hoofdgeding, afgewezen, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarde van vijftien jaar ingezetenschap in Frankrijk, overeenkomstig de bepalingen van de Europese Interimovereenkomst van 11*december 1953 betreffende regelingen inzake sociale zekerheid .
4 . Verzoekster ging van deze beschikking in beroep bij de commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale des Hauts-de-Seine, die het Hof daarop verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of de bepalingen van de Europese interimovereenkomst van 11*december 1953 nog verenigbaar waren met verordening nr.*1408/71 van de Raad van 14*juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.(2 )
5 . In zijn arrest van 6*juni 1985 stelde het Hof allereerst vast, dat een bloedverwant in opgaande lijn van een migrerend werknemer op grond van verordening nr.*1408/71 geen aanspraak kan maken op bedoelde toelage . Om echter een antwoord te geven op alle vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht, waarvan de oplossing dienstig zou kunnen zijn voor de beslissing in het hoofdgeding, gaf het Hof onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak aan, dat in het concrete geval de toekenning van genoemde toelage een sociaal voordeel vormde in de zin van artikel*7, lid*2, van verordening nr.*1612/68 van de Raad van 15*oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.(3 ) Het Hof verklaarde derhalve voor recht :
"a ) De toekenning van een bijzondere ouderdomstoelage, waarmee onder de voorwaarden voorzien in de in het hoofdgeding toepasselijke nationale wet, aan bejaarden een minimuminkomen wordt gewaarborgd, vormt een sociaal voordeel in de zin van verordening nr.*1612/68 van de Raad van 15*oktober*1968 .
b ) Artikel*7, lid*2, van deze verordening moet aldus worden uitgelegd, dat de toekenning van een dergelijk sociaal voordeel niet afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat de begunstigde gedurende een bepaald aantal jaren daadwerkelijk op het grondgebied van een Lid-Staat heeft gewoond, indien deze voorwaarde niet geldt voor onderdanen van die Lid-Staat ."
6 . Tijdens de voortgezette behandeling van het hoofdgeding door het tribunal des affaires de sécurité sociale te Nanterre -*de nieuwe naam van de verwijzende rechterlijke instantie *- wees verweerder de eis van verzoekster wederom af . De bijzondere ouderdomstoelage zou namelijk niet binnen de werkingssfeer van verordening nr.*1612/68 vallen; krachtens artikel*7, lid*2, van deze verordening heeft een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld, weliswaar recht op dezelfde sociale en fiscale voordelen als nationale werknemers, maar deze gelijke behandeling zou slechts voor de werknemer zelf gelden . Verzoekster, die een wettelijk recht had op toekenning van de gewone toelage voor sociale hulp aan huis, zou in ieder geval niet beschouwd kunnen worden als een ten laste komende bloedverwant in opgaande lijn van een werknemer/onderdaan van een andere Lid-Staat; ook om deze reden zou zij niet onder verordening nr.*1612/68 vallen .
7 . Verzoekster stelde daarentegen, dat de werkingssfeer van verordening nr.*1612/68 zich niet alleen uitstrekt tot de werknemer zelf, maar ook tot zijn gezinsleden die gebruik maken van het recht om bij die werknemer op het grondgebied van een Lid-Staat te gaan wonen .
8 . Het tribunal des affaires de sécurité sociale te Nanterre heeft het Hof vervolgens de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
" Valt de bijzondere ouderdomstoelage binnen de materiële en personele werkingssfeer van verordening nr.*1612/68 van 15*oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap?"
B - Standpuntbepaling
9 . Wanneer men het dictum en de rechtsoverwegingen, met name rechtsoverweging*21, van het arrest van 6*juni 1985 in zaak*157/84 goed leest, dan blijkt de vraag van de verwijzende rechter in feite reeds beantwoord te zijn . Ik wil mij daarom tot de volgende aanvullende opmerkingen beperken .
10 . In zijn arrest van 12*juni 1984 in zaak*261/83 ( 4 ) overwoog het Hof reeds dat onder het begrip sociaal voordeel in de zin van artikel*7, lid*2, van verordening nr.*1612/68 ook de toekenning valt van het in een Lid-Staat wettelijk gewaarborgde inkomen voor bejaarden aan bloedverwanten in opgaande lijn die ten laste komen van de werknemer . De in artikel*7 van de verordening voorgeschreven gelijkheid van behandeling beoogt ook discriminatie te voorkomen van ten laste komende bloedverwanten in opgaande lijn van de werknemer .
11 . In zijn arrest van 18*juni 1987 in zaak*316/85 ( 5 ) stelde het Hof evenwel vast, dat gezinsleden van een werknemer in de zin van artikel*10 van verordening nr.*1612/68 slechts indirect recht hebben op gelijke behandeling . Zij komen alleen dan in aanmerking voor de desbetreffende uitkeringen wanneer deze zijn te beschouwen als een sociaal voordeel in de zin van artikel*7, lid*2, van verordening nr.*1612/68 voor de migrerende werknemer zelf, maar niet bij voorbeeld voor een bloedverwant in de opgaande lijn die te zijnen laste komt . Voor gezinsleden gaat het hier dus om een recht dat voortvloeit uit de rechtspositie van de werknemer, en niet om een zelfstandig recht .
12 . In genoemd arrest van 18*juni 1987 oordeelde het Hof voorts, dat dit soort uitkeringen aan gezinsleden van een werknemer slechts dan een sociaal voordeel in de zin van artikel*7, lid*2, van de verordening vormt, wanneer deze werknemer in hun onderhoud voorziet .
13 . Gelijk echter het Hof eveneens in het arrest van 18*juni 1987 vaststelde, valt de hoedanigheid van gezinslid ten laste niet weg door het feit dat dat gezinslid een in de ontvangende Lid-Staat wettelijk voorzien minimuminkomen aanvraagt of ontvangt . Ook in dit geval is het gezinslid nog te beschouwen als een gezinslid dat door de migrerende werknemer wordt onderhouden . Iedere andere uitlegging zou in strijd zijn met het grondbeginsel van gelijke behandeling van migrerende werknemers.(6 ) Ik heb dit destijds in mijn conclusie in zaak*316/85 als volgt geformuleerd : "Het is duidelijk dat een tegenovergestelde mening onhoudbaar is als men bedenkt, dat dit in het geval van behoeftige gezinsleden van de migrerende werknemer ertoe zou leiden, dat zij bij een beroep op sociale voorzieningen hun recht op verblijf zouden kwijtraken ( omdat zij dan niet meer ten laste komen van de werknemer ), of, anders gezegd, dat in dergelijke situaties het recht op verblijf slechts mogelijk zou zijn door af te zien van essentiële uitkeringen die voor eigen onderdanen bestaan, hetgeen een ernstige benadeling betekent ." ( 7 )
C - Conclusie
Ik geef u derhalve in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt :
"Indien bloedverwanten in de opgaande lijn gaan wonen bij een werknemer/onderdaan van een Lid-Staat, die werkzaam is op het grondgebied van een andere Lid-Staat, en door die werknemer in hun onderhoud wordt voorzien, dan vormt de toekenning van een bijzondere ouderdomstoelage waarmee door de in het hoofdgeding toepasselijke nationale wet onder bepaalde voorwaarden aan bejaarden een minimuminkomen wordt gewaarborgd, voor de migrerende arbeider een sociaal voordeel in de zin van artikel*7, lid*2, van verordening nr.*1612/68 van de Raad van 15*oktober 1968 ."
(*)* Vertaald uit het Duits .
( 1)*Arrest van 6*juni 1985, zaak*157/84, Frascogna, Jurispr.*1985, blz.*1744 .
( 2)*PB*1971, L*149, blz.*2 .
( 3)*PB*1968, L*257, blz.*2 .
( 4)*Castelli, Jurispr.*1984, blz.*3199 .
( 5)*Arrest van 18*juni 1987, Lebon, Jurispr.*1987, blz.*0000 .
( 6)*Zie r.o.*20 .
( 7)*Zie punt*35 van de conclusie .
Full & Egal Universal Law Academy