Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De heer en mevrouw Humbel, verweerders in het hoofdgeding, zijn Fransen die in Luxemburg wonen en er - althans de heer Humbel - werken . Hun zoon Frédéric, geboren in 1966, ging sedert 1977 in België naar school; vanaf het schooljaar 1978/1979 tot en met het schooljaar 1984/1985 werden voor zijn onderwijs diverse bedragen aan schoolgeld betaald . Nadien werd het schoolgeld afgeschaft .
In de nationale procedure voor de vrederechter te Neufchâteau, die aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de onderhavige prejudiciële vraag heeft gesteld, vordert de Belgische Staat van de heer Humbel betaling van het schoolgeld voor 1984/1985, ten bedrage van 35 000 BFR . In een andere procedure heeft Humbel blijkbaar een vonnis gekregen waarbij de Belgische Staat werd veroordeeld tot terugbetaling van het schoolgeld dat Humbel de vorige jaren had betaald; tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld .
De verwijzende rechter stelt drie vragen . In de eerste plaats wenst hij te vernemen of de betrokken studies als beroepsopleiding zijn aan te merken . In de tweede plaats of,
indien dat niet het geval is, Frédéric is te beschouwen als een persoon te wiens behoeve diensten worden verricht in de zin van artikel 59, en of de inning van een schoolgeld een beperking is van zijn vrijheid om zich naar België te begeven ten einde aldaar te zijnen behoeve diensten te laten verrichten . Ten slotte, of een Franse werknemer die in Luxemburg woont, aanspraak kan maken op dezelfde rechten als de Luxemburgse onderdanen, die hun kinderen naar Belgische onderwijsinstellingen kunnen sturen zonder schoolgeld te moeten betalen .
Wat de eerste vraag betreft, heeft het Hof in zijn arrest in de zaak Gravier ( arrest van 13 februari 1985, zaak 293/83, Gravier, Jurispr . 1985, blz . 593 ) verklaard, dat het heffen van een vergoeding, zoals het schoolgeld, van gemeenschapsonderdanen, als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs, terwijl een dergelijke last niet wordt opgelegd aan studenten die onderdaan zijn van de ontvangende staat, een door artikel 7 juncto artikel 128 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van de nationaliteit vormt . In dat verband heeft het Hof beroepsopleiding omschreven als "iedere onderwijsvorm die opleidt voor een specifiek beroep, vak of betrekking, of die bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, ... ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen of studenten, en zelfs indien in het studieprogramma een aantal algemene vakken zijn opgenomen" ( r.o . 30 ).
In de onderhavige zaak wordt kennelijk niet betwist, dat het voor de opleiding van Frédéric verlangde schoolgeld uitsluitend uit hoofde van zijn nationaliteit werd geheven . Ware hij Belg of Luxemburger, dan zou hij daarvan vrijgesteld zijn geweest . Of het gevolgde onderwijs al dan niet als beroepsopleiding in de zin van het arrest Gravier is te beschouwen, is naar mijn gevoelen eigenlijk een vraag waarover de nationale rechter zich heeft uit te spreken . Alleen in zeer duidelijke gevallen kan het Hof beslissen dat een cursus als beroepsopleiding is te beschouwen ( zoals het heeft gedaan in het arrest van 2 februari 1988, zaak 24/86, Blaizot, Jurispr . 1988, blz . 379, doch in het arrest Gravier zelf uitdrukkelijk heeft nagelaten ).
Het litigieuze onderwijs wordt verstrekt in een technisch instituut ( een school voor secundair onderwijs ). Dit neemt niet weg dat het toch om beroepsopleiding kan gaan, daar het Hof in het arrest Gravier heeft verklaard, dat de leeftijd en het opleidingsniveau van de leerlingen zonder belang zijn . Het onderwijs is gespreid over zes jaar, verdeeld in drie zogeheten "graden" van telkens twee jaar . Het litigieuze schoolgeld betrof het vierde door Frédéric gevolgde jaar, en het staat vast dat hij dat jaar vrij algemene vakken kreeg ( talen, wiskunde, economie, algemene wetenschappen, typen ). In het vijfde en het zesde jaar daarentegen worden enkele veeleer technische vakken gegeven . De heer Humbel en de Belgische Staat zijn het er kennelijk over eens, dat het onderwijs in de laatste twee jaren beroepsopleiding is; voor die twee jaar werd overigens geen schoolgeld geheven . In geschil is, of elk leerjaar afzonderlijk kan worden beschouwd en of schoolgeld kan worden geheven voor de leerjaren die niet als beroepsopleiding zijn aan te merken . Ik meen dat de zienswijze van de heer Humbel de juiste is : men dient de studierichting in haar geheel te beschouwen en op grond daarvan uit te maken of het om beroepsonderwijs gaat, waarbij het feit dat het studieprogramma een aantal algemene vakken omvat, blijkens de in het arrest Gravier gegeven definitie niet eraan in de weg staat, dat het betrokken onderwijs het karakter van beroepsonderwijs behoudt .
Deze zienswijze is bevestigd in het arrest Blaizot, waar het ging over het Belgisch universitair onderwijs in de diergeneeskunde, dat is onderverdeeld in drie studiejaren voor het "kandidaatsexamen" en drie studiejaren voor het "doctorsexamen ". Het Hof verklaarde dat voor de tweede fase vereist is dat de eerste fase met succes is doorlopen, en dat de twee fasen als een ondeelbaar geheel zijn te beschouwen ( r.o . 21 ). Ik vraag mij af of in de onderhavige zaak tussen de verschillende "graden" hetzelfde verband bestaat als tussen de twee fasen in de zaak Blaizot, doch dit is een aangelegenheid die de nationale rechter dient te onderzoeken .
Zelfs indien het betrokken onderwijs als een geheel is te beschouwen, is het niet evident dat het ook in zijn geheel als beroepsopleiding is aan te merken . De eerste vier jaar ( dus ook het jaar waarover het in de onderhavige zaak gaat ) lijken volgens de informatie waarover het Hof beschikt, grotendeels, zo niet uitsluitend, algemeen onderwijs te zijn . Bovendien werd ter terechtzitting verklaard dat zelfs in de laatste twee jaar, waar verhoudingsgewijs meer technische vakken worden gegeven dan in de voorgaande jaren, per week in totaal slechts dertien uren aan technische vakken worden besteed tegen negentien uren aan algemene vakken . Het komt mij voor dat het Hof, waar het in het arrest Gravier verklaarde dat beroepsonderwijs ook "een aantal algemene vakken" mag omvatten, daarbij dacht aan een bijkomstig of verhoudingsgewijs gering aantal vakken . Men kan zich afvragen of een studieprogramma dat slechts voor 40 % uit beroepsonderwijs bestaat, eigenlijk wel onder het begrip beroepsopleiding kan vallen .
In ieder geval kan de studierichting, ook al zou zij hoofdzakelijk technische vakken bevatten, slechts als beroepsopleiding in de zin van het arrest Gravier worden aangemerkt, wanneer is aangetoond dat zij opleidt of bijzondere bekwaamheid verleent voor een specifiek beroep, vak of betrekking .
In rechtsoverweging 19 van het arrest Blaizot is het Hof kennelijk van dezelfde idee uitgegaan, waar het in verband met universitair onderwijs verklaarde dat van beroepsopleiding kan worden gesproken, niet alleen wanneer het onderwijs de betrokkene bevoegd maakt tot het uitoefenen van een specifiek beroep, vak of betrekking, doch ook wanneer die studie een bijzondere bekwaamheid (" aptitude particulière" volgens de bewoordingen van het arrest Gravier ) verleent, dat wil zeggen indien de studenten voor een beroep, vak of betrekking een bepaalde kennis nodig hebben, ook al is deze niet ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vereist .
Aan het Hof werd niet meegedeeld voor welk specifiek beroep, vak of betrekking het door Frédéric gevolgde onderwijs opleidt, zo dat al het geval is .
Ik ben dan ook van mening dat de eerste vraag aldus moet worden beantwoord, dat het aan de nationale rechter staat om de bijzonderheden van deze studierichting ( waarover het Hof eigenlijk niet beschikt ) te beoordelen en op grond daarvan uit te maken of zij valt onder de omschrijving van het begrip beroepsopleiding in de arresten Gravier en Blaizot .
Ware ik tot de conclusie gekomen dat het Hof zich wel heeft uit te spreken over de eerste vraag, dan zou ik op grond van de beschikbare gegevens als mijn mening te kennen hebben gegeven, dat deze studierichting, zelfs in haar geheel beschouwd, geen beroepsopleiding vormt in de zin van het arrest Gravier . Naar mijn gevoelen gaat het om een vorm van algemeen onderwijs, met een paar vakken van recente oorsprong ( informatica ) die voor het ogenblik op de grens tussen het algemeen en het technisch onderwijs liggen . Op zich beschouwd, is het betrokken schooljaar niet als beroepsopleiding aan te merken .
Indien de nationale rechter oordeelt, dat het door Frédéric gevolgde onderwijs geen beroepsopleiding is, dan rijst de tweede vraag betreffende de verdragsbepalingen inzake diensten .
Humbel, ondersteund door de Commissie, voert een argument aan dat veel gelijkenis vertoont met een argument van mevrouw Gravier dat ik in mijn conclusie in die zaak heb behandeld, doch waarover het Hof zich in zijn arrest niet heeft moeten uitspreken, aangezien het ervan is uitgegaan dat beroepsonderwijs binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt, zodat artikel 7 van toepassing is . Aangezien ik dat punt in de zaak Gravier in extenso heb behandeld, kan ik het hier samenvatten als volgt . Het verstrekken van onderwijs in een school of een andere onderwijsinstelling, is een dienstverrichting . Bijgevolg was Frédéric een persoon te wiens behoeve een dienst wordt verricht, zodat de overwegingen van het arrest Luisi en Carbone ( arrest van 31 januari 1984, gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Jurispr . 1984, blz . 377 ) op hem van toepassing zijn, inzonderheid rechtsoverweging 16 ( blz . 403 ) naar luid waarvan :
"De vrijheid van dienstverrichting impliceert ... de vrijheid van degenen te wier behoeve diensten worden verricht, om zich met het oog daarop naar een andere Lid-Staat te begeven zonder daarbij door betalingsbeperkingen te worden gehinderd; als personen te wier behoeve een dienst wordt verricht, zijn mede te beschouwen toeristen alsmede zij die geneeskundige behandeling behoeven, en zij die zich voor studie of zaken op reis begeven ."
Deze zaak is hier niet rechtstreeks relevant, aangezien het ging om beperkingen inzake betaling voor in het buitenland ontvangen diensten opgelegd door het land van herkomst van de personen te wier behoeve diensten waren verricht .
Zoals in de zaak Gravier, ga ik ook thans ervan uit dat onderwijs een dienstverrichting in de zin van de niet-exclusieve omschrijving in artikel 60 EEG-Verdrag kan vormen . De omstandigheid dat de diensten ten behoeve van Frédéric zowat zes jaar lang werden verricht, heeft mijns inziens niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat de zaak buiten het toepassingsgebied van de verdragsbepalingen inzake diensten komt te vallen; volgens sommigen wijst het begrip "diensten" op verrichtingen met een tijdelijk karakter in tegenstelling tot het begrip "vestiging" in de artikelen 52 tot en met 58 EEG-Verdrag, dat doelt op situaties van langere duur . Wanneer een dienstverrichter zich zeer vaak begeeft naar de Lid-Staat waar hij zijn diensten verricht, kan men zich afvragen of hij in die Lid-Staat is gevestigd . Artikel 60, derde alinea, impliceert evenwel duidelijk dat dit slechts één van de wijzen is waarop diensten in de zin van het EEG-Verdrag kunnen worden verricht . Het is ook mogelijk dat de dienstverrichter noch de persoon te wiens behoeve de dienst wordt verricht, zich verplaatsen en dat de dienst wordt verricht en betaald via de post of met gebruikmaking van modernere communicatiemiddelen, of dat - zoals in de onderhavige zaak en in de zaak Luisi en Carbone - de persoon te wiens behoeve de dienst wordt verricht, zich verplaatst . In geen van laatstgenoemde situaties is het onderscheid tussen vestiging en diensten mijns inziens relevant .
De regering van het Verenigd Koninkrijk voert aan, dat de verdragsbepalingen inzake diensten erop gericht zijn de dienstverrichter te bevrijden van beperkingen, ongeacht of die op hem rusten dan wel op de personen die zijn diensten wensen te ontvangen ( zoals in de zaak Luisi ). Deze bepalingen verlangen van hem evenwel niet, dat hij die diensten tegen zijn zin verricht . Met andere woorden, hij mag die vrijheid zoveel of zo weinig gebruiken als hij zelf wil . De weigering om diensten te verrichten kan onder andere verdragsbepalingen, met name de mededingingsregels vallen . De weigering om diensten te verrichten, is niet een "beperking" als bedoeld in het hoofdstuk Diensten, en hetzelfde geldt voor de bereidheid om ten behoeve van bepaalde categorieën personen tegen bijzondere voorwaarden of tegen hogere prijs diensten te verrichten .
Voor dit argument valt veel te zeggen, vooral met betrekking tot diensten verricht door natuurlijke of rechtspersonen die losstaan van de staat . Wanneer een dienst evenwel wordt verricht door de Staat of door een overheidsinstelling ( zoals een staatsschool ), dan kunnen andere overwegingen een rol spelen, en het komt mij voor, dat de weigering van de Staat om zonder discriminatie van onderdanen van andere Lid-Staten diensten te verrichten, in bepaalde omstandigheden een door de artikelen 59 en 60 verboden beperking kan vormen .
Het lijkt mij evenwel overbodig dieper in te gaan op deze argumenten, daar zij ervan uitgaan dat het door Frédéric genoten onderwijs een dienst in de zin van het EEG-Verdrag is . Om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak Gravier ( loc . cit ., blz . 602-604 ) heb aangegeven, ben ik van oordeel dat het betrokken onderwijs geen dienst is, daar het niet voldoet aan het criterium van artikel 60, volgens hetwelk "als diensten ( worden ) beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden", en men mijns inziens aan dit criterium niet zonder meer kan voorbijgaan .
Na kennis te hebben genomen van de in deze zaak naar voren gebrachte argumenten, blijf ik erbij dat het door de Staat verstrekte onderwijs niet "tegen vergoeding" geschiedt . De Staat is geen commerciële organisatie die erop uit is winst te maken of haar kosten te dekken en zelfs nog wat over te houden . Indien een organisatie die geen winst nastreeft ( die geen "winstoogmerk" heeft ) zich niet kan beroepen op de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid om zich in andere Lid-Staten te vestigen en aldaar diensten te verrichten ( zoals blijkt uit de artikelen 58 en 66 ), dan volgt daaruit mijns inziens dat de personen die door een dergelijke organisatie verrichte diensten willen genieten, zich evenmin op het EEG-Verdrag kunnen beroepen .
Organisaties die winst maken ( of nastreven ) worden over het algemeen gefinancierd uit de opbrengst van de verkochte goederen of verrichte diensten (" vergoeding "). Zij verkopen goederen of verrichten diensten met de bedoeling daarvoor een vergoeding te ontvangen . Het staatsonderwijs wordt evenwel, net als de gezondheidszorg, goeddeels uit de staatskas gefinancierd . Beide worden verstrekt in het kader van wat in algemene termen sociale politiek kan worden genoemd . De omstandigheid dat van sommige personen een doorgaans minieme doch in uitzonderlijke gevallen nagenoeg met de kosten van de diensten overeenkomende bijdrage wordt verlangd, verandert daar niets aan . Om de redenen die ik in mijn conclusie in de zaak Gravier heb uiteengezet, geloof ik niet dat advocaat-generaal Warner deze situatie voor ogen had in zijn conclusie in zaak 52/79 ( Debauve, Jurispr . 1980, blz . 833, 860 ), en ik denk niet dat de Commissie of de heer Humbel in die conclusie steun kunnen vinden voor hun opvatting .
De heer Humbel herneemt een argument dat reeds in de zaak Gravier was aangevoerd, namelijk dat de leraars een bezoldiging ontvangen en de werkingskosten van de scholen worden betaald, zodat niet kan worden beweerd dat de diensten niet tegen vergoeding worden verstrekt . Dit is volgens mij geen relevant criterium . Liefdadigheidsinstellingen en kloosterorden hebben ook personeel in dienst en betalen ook voor verwarming en verlichting . Voor bepaalde diensten verlangen zij wellicht ook een vergoeding . Het relevante criterium is, of de diensten worden verstrekt in het kader van een economische bedrijvigheid . In de plaats van economische bedrijvigheid zou men evengoed kunnen zeggen "commerciële" bedrijvigheid of "beroepsactiviteit ". Dit is mijns inziens de strekking van de woorden "welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden ". De vraag is niet of de leraars worden bezoldigd, doch wel of ( en hoe ) de school wordt vergoed ( of gefinancierd ).
De "vergoeding" in de zin van artikel 60 is nagenoeg steeds een betaling door of ten behoeve van de persoon voor wie de dienst werd verricht, waarvan het bedrag in verhouding staat tot de kostprijs van de diensten dan wel is vastgesteld aan de hand van andere commerciële criteria ( daarbij denk ik bij voorbeeld aan diensten die uit mededingingsoverwegingen of in de hoop meer opdrachten te krijgen, kosteloos of tegen lage prijs worden verricht ). Van een dergelijke vergoeding is mijns inziens geen sprake, wanneer de persoon te wiens behoeve de dienst wordt verricht, daarvoor niets behoeft te betalen dan wel betaalt uit een beurs die hij van de Staat heeft ontvangen, of ook nog wanneer hij voor een door of namens de Staat verrichte dienst betaalt en het betaalde hem geheel of ten dele door of namens de Staat wordt terugbetaald, zoals het geval is met het schoolgeld voor de Britse universiteiten ( een voorbeeld dat is aangevoerd ) en met de gezondheidszorg in sommige landen .
De gelijkenis met de gezondheidszorg is frappant, want ofschoon de gemeenschapsonderdanen over het algemeen overal in de Gemeenschap recht hebben op medische behandeling, wordt dat recht geschraagd door een ingewikkelde regeling aan de hand waarvan wordt uitgemaakt welke staat uiteindelijk de kosten van de behandeling zal moeten dragen . Ik kan alleen betreuren dat een dergelijk systeem nog niet bestaat voor het onderwijs in de hele Gemeenschap .
Mijn conclusie is dan ook identiek aan die in de zaak Gravier, namelijk dat studenten zich niet op de verdragsbepalingen inzake de diensten kunnen beroepen tot staving van hun aanspraken op onderwijs dat niet "tegen vergoeding" wordt verstrekt . De rest van de tweede vraag, inzonderheid de kwestie of het schoolgeld een "beperking" op het ontvangen van diensten vormt, behoeft derhalve niet te worden beantwoord .
Met betrekking tot de derde vraag moet nader worden ingegaan op artikel 48 EEG-Verdrag en op artikel 12 van verordening nr . 1612/68 ( PB 1968, L 257, blz . 2 ) naar luid waarvan "de kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat worden toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding ".
De heer Humbel heeft bij weten van het Hof nooit in België gewerkt . De kinderen van Luxemburgers kunnen, ongeacht of zij in het Groothertogdom dan wel elders wonen, in België naar school gaan zonder enige vergoeding te moeten betalen . Het Hof heeft niet vernomen of dat voortvloeit uit een formele overeenkomst dan wel uit een informele afspraak tussen België en Luxemburg . Het Hof heeft de Luxemburgse regering daarover een schriftelijke vraag gesteld, doch heeft daarop geen antwoord gekregen . De raadsman van de Belgische regering was niet in staat het Hof ter terechtzitting daarover te informeren .
Uit de opmerkingen van de heer Humbel en van de Commissie blijkt, dat de betrokken Belgische wettelijke regeling verschillende anomalieën bevat . Van kinderen van Fransen die in een Franse gemeente op minder dan vijftien kilometer van de Belgische grens wonen, wordt geen schoolgeld verlangd . Een Fransman die eender waar in Luxemburg woont, moet evenwel schoolgeld betalen wanneer zijn kinderen naar Belgische scholen gaan .
De heer Humbel stelt dat een dergelijke discriminatie op grond van de nationaliteit zonder meer door artikel 7 EEG-Verdrag wordt verboden . Zoals evenwel uit het arrest Gravier blijkt, moet worden aangetoond dat de discriminatie betrekking heeft op een materie die binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt .
Volgens Humbel tracht de Belgische regering die discriminatie te rechtvaardigen met een beroep op artikel 233 EEG-Verdrag, dat luidt :
"De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van dit Verdrag ."
Hij stelt, dat dit artikel België geen argument oplevert . De Benelux-unie is hier niet ter zake dienend, aangezien de Nederlandse studenten die gunstige behandeling niet genieten; de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie heeft met studenten niets te maken . Bovendien is dit artikel, gelijk het Hof in zijn arrest van 16 mei 1984 ( zaak 105/83, Pakvries, Jurispr . 1984, blz . 2101 ) heeft bevestigd, blijkens zijn bewoordingen slechts van toepassing wanneer de doelstellingen van de regionale unie onder het Verdrag niet kunnen worden bereikt, wat hier niet het geval is .
Ik ben evenwel van mening, dat artikel 233, net als artikel 7, alleen in aanmerking komt wanneer de toegepaste discriminatie in strijd is met het Verdrag, wat nog moet worden aangetoond .
Voorts voert Humbel aan, dat de Belgische handelwijze een door artikel 48 verboden beperking van het vrije verkeer van Franse werknemers vormt . Mijn mening is evenwel - en ik geloof dat de Commissie en de Italiaanse regering ( die ter terechtzitting enkel met betrekking tot de derde vraag heeft geïntervenieerd ) dit standpunt delen - dat de specifieke rechten van de migrerende werknemers ter zake van het onderwijs van hun kinderen, moeten worden afgeleid uit artikel 12 van verordening nr . 1612/68 .
De Commissie moet evenwel toegeven, dat de tekst van artikel 12, inzonderheid het vereiste dat de kinderen van de werknemers in de ontvangende Staat moeten wonen, het Hof belet deze bepaling in de onderhavige zaak toe te passen . Niettemin is de Commissie van mening dat de discriminatie in strijd is met de geest van artikel 12, en suggereert zij dat ingevolge artikel 12 van Luxemburg kan worden verlangd dat het voor kinderen van migrerende werknemers die in Luxemburg wonen, voorziet in kosteloos onderwijs in andere Lid-Staten, wanneer dat onderwijs in Luxemburg zelf niet kan worden gevolgd doch in andere Lid-Staten kosteloos openstaat voor Luxemburgers .
Ook de Italiaanse regering ( volgens welke de betrokken discriminatie er een is tussen Luxemburgse werknemers en in Luxemburg wonende migrerende werknemers uit andere landen van de Gemeenschap ) stelt dat artikel 12 niet uitdrukkelijk is beperkt tot onderwijs dat wordt verstrekt op het grondgebied van de ontvangende Staat . Indien de ontvangende Staat ten behoeve van zijn eigen onderdanen voorziet in de mogelijkheid om tegen gunstige voorwaarden in het buitenland te studeren, moet hij dat voordeel eveneens toekennen aan andere gemeenschapsonderdanen die op zijn grondgebied wonen of op zijn minst aan die welke onder verordening nr . 1612/68 vallen . Deze ter uitvoering van artikel 48 vastgestelde verordening beoogt de integratie van de migrerende werknemer in de ontvangende Staat en daarvan komt weinig terecht indien de kinderen van de migrerende werknemer met betrekking tot onderwijs en culturele ontplooiing niet dezelfde kansen krijgen als de onderdanen van de ontvangende Staat .
Hoewel voor dit argument heel wat te zeggen valt, betreft het, zoals de raadsman van de Italiaanse regering naar ik meen heeft erkend, in de eerste plaats de situatie in Luxemburg, en die is voor de Belgische rechter niet in het geding . Zoals de Commissie uiteindelijk heeft toegegeven, kan artikel 12 redelijkerwijs niet zo ruim worden uitgelegd, dat van België kan worden verlangd dat het bepaalde voordelen die het zonder enige verplichting doch op grond van overwegingen die het Hof niet bekend zijn, aan Luxemburgers heeft toegekend, ook aan in Luxemburg wonende migrerende werknemers toekent .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de Vrederechter te Neufchâteau te beantwoorden als volgt :
1 ) Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of de door Frédéric Humbel gevolgde studies onder het begrip beroepsopleiding als omschreven in het arrest Gravier vallen .
2 ) Het door de Staat verstrekte onderwijs is geen dienst in de zin van de artikelen 59 en 60 EEG-Verdrag, daar het niet tegen vergoeding wordt gegeven .
3 ) Artikel 12 van verordening nr . 1612/68 verplicht een Lid-Staat niet migrerende werknemers die in een andere Staat verblijven, tot zijn onderwijs toe te laten onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de onderdanen van die andere Lid-Staat gelden .
Over de kosten van Humbel en van de Belgische regering, partijen in het hoofdgeding, zal de nationale rechter moeten beslissen . Over de kosten van de Italiaanse, de Luxemburgse en de Britse regering alsmede van de Commissie behoeft niet te worden beslist .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy