Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . Verordening nr . 3796/81 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten ( 1 ), die in de plaats is gekomen van verordening nr . 100/76, bepaalt in artikel 20, dat de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geschorst voor onder meer tonijn, bestemd voor de industriële vervaardiging van produkten bedoeld in post 16.04 . Dit is gebeurd - zoals in de considerans van de verordening wordt vermeld -, daar de tonijnproduktie van de Gemeenschap voor de voedingsmiddelenverwerkende industrie niet toereikend is . De verordening bepaalt in artikel 24 ook dat indien in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1, lid 2, genoemde produkten als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat, in het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen kunnen worden toegepast . Dit is - wegens de prijzen voor geelvintonijn op de internationale markt - gebeurd in de vorm van toezicht op de invoer in Frankrijk . ( 2 )
2 . Voorts bepaalt genoemde verordening van de Raad in artikel 17, dat voor de in bijlage III genoemde tonijn, bestemd voor de conservenindustrie, zo nodig aan de tonijnproducenten van de Gemeenschap een compenserende vergoeding wordt toegekend om - zoals blijkt uit de considerans van de verordening - ervoor te zorgen, dat het inkomenspeil van de producenten in de Gemeenschap door daling van de invoerprijzen voor tonijn bestemd voor de conservenindustrie, niet in gevaar wordt gebracht . In dit artikel 17 wordt ook bepaald, dat voor de in lid 1 bedoelde produkten een communautaire produktieprijs wordt vastgesteld op de grondslag van het gemiddelde van de prijzen die tijdens de laatste drie aan de vaststelling van deze prijs voorafgaande visseizoenen op de representatieve groothandelsmarkten of in de representatieve havens voor een belangrijk gedeelte van de communautaire produktie zijn geconstateerd; dat de algemene voorschriften voor de in lid 1 bedoelde vergoeding, alsmede de in lid 4 bedoelde communautaire produktieprijs door de Raad worden vastgelegd; en dat de wijze van toepassing van dit artikel wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 33 ( dat wil zeggen door de Commissie in samenwerking met het beheerscomité voor visserijprodukten ).
3 . Op grond van het zoëven genoemde artikel heeft de Raad bij verordening nr . 3605/85 ( 3 ) de communautaire produktieprijs voor geelvintonijn voor het visseizoen 1986 vastgesteld op 1 479 ecu per ton . Reeds onder de vroeger geldende marktordening voor visserijprodukten heeft de Raad in verordening nr . 1196/76 ( 4 ) basisregels vastgesteld voor de toekenning van een compenserende vergoeding aan de producenten van tonijn voor de conservenindustrie . Daarin wordt voor elk van de in de bijlage vermelde produkten ( onder meer geelvintonijn ) elke maand op basis van het gewogen gemiddelde van de voor elk produkt geconstateerde maandelijkse gemiddelde prijsnoteringen een gemiddelde communautaire marktprijs bepaald ( artikel 2 ). Volgens artikel 3 wordt voor elk van de in de bijlage vermelde produkten aan de tonijnproducenten van de Gemeenschap een compenserende vergoeding toegekend, wanneer zowel de driemaandelijkse prijs op de communautaire markt als de invoerprijs ( thans in de zin van artikel 21, lid 3, tweede alinea, van verordening nr . 3796/81 ) lager zijn dan 90 % van de communautaire produktieprijs . Artikel 4 van deze verordening bepaalt, dat de compenserende vergoeding pas wordt toegekend, wanneer na onderzoek blijkt dat de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde situatie voortvloeit uit het niveau van de prijs op de wereldtonijnmarkt en dat een daling van de prijs op de markt van de Gemeenschap niet wordt veroorzaakt door een abnormale toename van de geproduceerde hoeveelheden . Volgens artikel 5 kan voor alle hoeveelheden tonijn die aan de conservenindustrie werden geleverd gedurende het tijdvak van drie maanden waarop de prijsconstateringen betrekking hadden, de compenserende vergoeding ten hoogste gelijk zijn aan het verschil tussen de communautaire produktieprijs en de daadwerkelijk door de communautaire producent ontvangen prijs . Deze vergoeding - zo vervolgt artikel 5 - mag in geen geval meer bedragen dan het verschil tussen de communautaire produktieprijs en de driemaandelijkse gemiddelde prijs op de communautaire markt ( die aan de hand van de maandelijkse gemiddelde prijs wordt bepaald ). Ten slotte wordt in artikel 7 nog bepaald, dat de uitvoeringsbepalingen van deze verordening en het maximumbedrag van de compenserende vergoeding worden vastgesteld volgens de procedure van het beheerscomité .
4 . Het eerste is gebeurd in de verordening van de Commissie nr . 2469/86 van 31 juli 1986 ( 5 ), waarvan artikel 2 thans het belangrijkste is . Volgens lid 2 daarvan wordt de vergoeding toegekend voor elk van de produkten bedoeld in bijlage III van verordening nr . 3796/81 ( dus ook geelvintonijn ) voor alle hoeveelheden tonijn die door een in de Gemeenschap gevestigde producent worden gevangen, in de Gemeenschap worden aangevoerd en die door deze producent aan de in de Gemeenschap gevestigde conservenindustrie worden verkocht en geleverd binnen de betrokken periode, ten einde geheel en definitief te worden verwerkt tot produkten van hoofdstuk 16.04 van het gemeenschappelijk douanetarief . Voorts bepaalt lid 3 :
"Het maximumbedrag van de vergoeding wordt vastgesteld op het niveau dat noodzakelijk is om te voorkomen dat de verlaging van de prijs op de gemeenschappelijke markt het inkomen van de producenten van tonijn uit de verkoop van de geproduceerde hoeveelheden zowel op de gemeenschappelijke markt als op die van derde landen, in gevaar brengt ."
5 . Dit betekent - zoals in de loop van het geding duidelijk is geworden - dat het maximumbedrag niet louter het verschil is tussen de communautaire produktieprijs en de driemaandelijkse gemiddelde prijs op de communautaire markt . Tevens is van belang de verhouding tussen alle inkomens tijdens het kwartaal waarvoor de compenserende vergoeding wordt toegekend en het gewogen gemiddelde van alle inkomens van de producenten in de Gemeenschap, dat valt af te leiden uit de overeenkomstige kwartalen van de jaren 1983 tot 1985 ( voor bijzonderheden verwijs ik naar de technische nota in het dossier ).
6 . Daar de genoemde toezichtmaatregelen niet toereikend waren en omvangrijke importen tegen lage prijzen werden geconstateerd, heeft de Commissie op 31 juli 1986 ook verordening nr . 2470/86 ( 6 ) vastgesteld, waarin voor de eerste keer een compenserende vergoeding voor producenten van tonijn werd voorzien . Het maximumbedrag bedroeg voor geelvintonijn wegende meer dan 10 kg 170 ecu per ton en voor geelvintonijn wegende niet meer dan 10 kg 185 ecu per ton ( het verschil tussen de communautaire produktieprijs en de driemaandelijkse gemiddelde prijs op de communautaire markt bedroeg 315 ecu per ton respectievelijk 344 ecu per ton ).
7 . Tegen deze twee verordeningen van de Commissie heeft de Franse Republiek op 21 oktober 1986 een beroep tot nietigverklaring ingesteld, althans - voor wat de eerste verordening betreft - tot nietigverklaring van artikel 2, lid 3 ( zoals op een vraag van de rapporteur ter terechtzitting duidelijk is gebleken ).
B - Standpuntbepaling
8 . Thans moet ik onderzoeken of deze vordering - die door de Spaanse regering wordt ondersteund - kan worden toegewezen . Daarbij moeten tweeërlei argumenten worden onderscheiden : die welke betrekking hebben op de formele motivering en die welke de materieelrechtelijke juistheid van de verordeningen betreffen .
1 ) In afwijking van de in het verzoekschrift gekozen volgorde, zal ik met het laatste beginnen .
9 . Aangaande dit punt is in hoofdzaak ( voor de bijzonderheden verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting ) betoogd, dat de verordeningen van de Commissie niet in overeenstemming zijn met de verordeningen van de Raad nrs . 3796/81 en 1196/76 . Volgens de door de Raad vastgestelde regels moet bij de bepaling van het maximumbedrag van de compenserende vergoeding enkel worden gelet op de in verordening nr . 1196/76 genoemde prijzen; de Commissie mocht niet, zoals zij heeft gedaan, een grens stellen aan de compenserende vergoeding door de aangevoerde hoeveelheden in aanmerking te nemen, omdat dit een straf op produktiviteitsstijgingen betekent . In geen geval kan een regeling als die welke is ingevoerd bij verordening nr . 2469/86 ( die zo weinig precies is, dat zij de Commissie een ruime beoordelingsmarge geeft ) als uitvoeringsbepaling in de zin van artikel 7 van verordening nr . 1196/76 worden beschouwd . Had men een nadere regeling noodzakelijk geacht, dan had de Raad zelf deze bij de in artikel 17 van verordening nr . 3796/81 genoemde algemene regels moeten opnemen, want alleen dat was met de in het gemeenschapsrecht geldende regel van de hiërarchie van regelingen in overeenstemming geweest .
10 . a ) Wat in dit verband de in de laatste plaats genoemde principiële kwestie betreft, namelijk of een regeling als die van artikel 2, lid 3, van verordening nr . 2469/86 kon worden vastgesteld als onderdeel van de door de Commissie vast te stellen uitvoeringsbepalingen dan wel of zij had moeten worden opgenomen bij de algemene, door de Raad overeenkomstig artikel 17 van verordening nr . 3796/81 vast te stellen regels, zie ik geen reden om mij bij het standpunt van verzoekster en interveniënt aan te sluiten .
11 . Immers, in artikel 155 EEG-Verdrag, dat de bevoegdheden van de Commissie regelt, wordt heel algemeen gesproken van de uitoefening van de bevoegdheden welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt . Hier wordt op geen enkele wijze onderscheid gemaakt naar de mate van belangrijkheid van de normen, en uit dit artikel valt niet op te maken, dat aan de Commissie slechts bevoegdheden van volledig ondergeschikte aard met precieze vermelding van de toe te passen criteria kunnen worden overgedragen .
12 . Van belang is ook, dat aan de relevante rechtspraak geen argumenten ten gunste van verzoeksters standpunt kunnen worden ontleend; de rechtspraak levert integendeel belangrijke aanwijzingen die voor het standpunt van de Commissie pleiten .
13 . Ik herinner bij voorbeeld aan het arrest in zaak 25/70 ( 7 ), waarin het Hof oordeelde dat enkel de hoofdzaken van de landbouwverordeningen volgens de procedure van artikel 43, lid 2, derde alinea, EEG-Verdrag behoeven te worden vastgesteld en dat uitvoeringsbepalingen volgens een afwijkende procedure door de Raad zelf of door de Commissie kunnen worden vastgelegd; het Hof beklemtoonde daarbij nog, dat de procedure van het beheerscomité het de Raad mogelijk maakt aan de Commissie voldoende ruime uitvoerende bevoegdheden te verlenen .
Ik herinner verder aan het arrest in zaak 57/72 ( 8 ) waarin wordt gezegd, dat de Commissie een ruime mate van vrijheid kan worden overgelaten die ieder automatisme uitsluit, waarbij zij zich moet doen leiden door de economische beleidsoogmerken die in de basisverordening zijn vastgelegd ( hierin wordt ook gezegd, dat de Commissie ter verzekering van de werking van een bepaalde regeling over de nodige bevoegdheden beschikt ).
Ik moet ook het arrest in zaak 23/75 ( 9 ) noemen, waarin duidelijk wordt gemaakt, dat het begrip uitvoering in artikel 155 EEG-Verdrag ruim moet worden uitgelegd ( zodat aan de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijke landbouwbeleid een ruime beoordelings - en handelingsbevoegdheid kan worden gelaten ); verder sprak het Hof uit, dat de procedure van het comité van beheer het de Raad mogelijk maakt de Commissie een aanzienlijke uitvoerende bevoegdheid toe te kennen waarvan de grenzen moeten worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de marktordening en niet allereerst van de letterlijke betekenis van de bevoegdverklaring .
Deze lijn wordt in de jongste rechtspraak doorgetrokken . Ook in het arrest in zaak 27/85 ( 10 ) wordt immers gezegd, dat de uitvoeringsbevoegdheid van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ruim moet worden uitgelegd en dat haar hier een ruime beoordelings - en handelingsbevoegdheid is gelaten, waarvan de grenzen aan de hand van de algemene hoofddoelen van de betrokken marktordening moeten worden bepaald .
14 . b ) Waar er dus geen principiële bezwaren zijn om aan de Commissie voor de toepassing van de onderhavige compenserende vergoeding een ruime beoordelingsvrijheid te laten ( wat volgens de uitvoerige opmerkingen van de Commissie ook elders bij de verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vaak het geval is ), is de doorslaggevende vraag, of uit de door verzoekster genoemde verordeningen duidelijke beperkingen van de aan de Commissie overgelaten bevoegdheden kunnen worden afgeleid .
15 . aa ) Naar mijn mening is het direct al duidelijk, dat dit niet het geval is bij de basisverordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten . In verzoeksters betoog speelt deze verordening overigens ook nauwelijks een rol .
16 . Over de aan tonijnproducenten te betalen compenserende vergoeding wordt in het reeds genoemde artikel 17 van verordening nr . 3796/81 eerst - in zeer algemene bewoordingen - alleen maar gezegd, dat zij "zo nodig" wordt toegekend ( volgens de considerans van de verordening is de compenserende vergoeding bedoeld om het inkomenspeil van tonijnproducenten veilig te stellen, dat door prijsdalingen bij de invoer van voor de conservenindustrie bestemde tonijn in gevaar kan worden gebracht ). Artikel 17 gaat dan verder met te bepalen, dat de algemene voorschriften voor de toekenning van de compenserende vergoeding door de Raad worden vastgesteld ( 11 ) en de wijze van toepassing volgens de procedure van het beheerscomité . Uit dit artikel valt echter niet op te maken, wat waar thuis hoort . Duidelijk is alleen, dat de Raad de gemeenschappelijke produktieprijs moet bepalen; deze bepaling dwingt echter niet tot de opvatting, dat de Raad geen ruime bevoegdheden aan de Commissie zou mogen delegeren, in het bijzonder de bevoegdheid om alle regels vast te stellen die - naar het oordeel van de Commissie - voor een juiste toepassing van de vergoedingsregeling nodig zijn .
17 . bb ) Het zwaartepunt van de discussie lag dientengevolge bij de uitlegging van verordening nr . 1196/76 en betrof de vraag, of de bestreden verordeningen van de Commissie daarmee verenigbaar zijn .
18 . Zoals het Hof weet, meende verzoekster ( en zij werd daarin ondersteund door de Spaanse regering ), dat de Raad de term "zo nodig" in artikel 17 van verordening nr . 3796/81 ( die ook voorkwam in de vroegere verordening nr . 100/76 ) nauwkeurig heeft gedefinieerd in verordening nr . 1196/76 . Wanneer is komen vast te staan, dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 ( daling van de prijzen op de gemeenschappelijke markt en van de invoerprijzen beneden een zeker peil ) en ook aan die van artikel 4 ( de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde situatie moet voortvloeien uit het niveau van de prijs op de wereldmarkt ), dan zou de Commissie derhalve niet meer kunnen doen dan volgens de in artikel 5 van de verordening bedoelde beheerscomitéprocedure de berekeningselementen in te vullen ( vaststelling van de driemaandelijkse gemiddelde prijs ) en de methode ter controle van de werkelijke verkoopprijzen te bepalen . Onder maximumbedrag zou dus het in artikel 5 van de verordening genoemde verschil zijn te verstaan, dat in geen geval het verschil tussen de communautaire produktieprijs en de driemaandelijkse gemiddelde prijs mag overschrijden . Wil het inkomenspeil van de tonijnproducenten worden gegarandeerd, dan zou het dus alleen aan de communautaire produktieprijs moeten zijn gerelateerd . De regeling van de Commissie in verordening nr . 2469/86 daarentegen zou - omdat de geproduceerde hoeveelheden bij de berekening van het maximumbedrag een rol spelen - neerkomen op een bestraffing van produktiviteitsstijgingen, wat niet de bedoeling kan zijn . Deze regeling zou ter vermijding van de overcompensatie die volgens de Commissie met de compenserende vergoeding gepaard gaat, niet nodig zijn, daar dit immers ook met behulp van artikel 4 van verordening nr . 1196/76 kan worden bereikt .
19 . Mij dunkt - als ik dit direct mag zeggen -, dat wij verzoekster en interveniënt op dit punt niet moeten volgen en dat de Commissie veel betere argumenten aan haar zijde heeft wanneer zij, op grond van het gehele stelsel van de regeling en het daarmee nagestreefde doel, meent noodzakelijkerwijs bevoegd te zijn om het maximumbedrag op andere wijze dan aan de hand van de in artikel 5 van verordening nr . 1196/76 genoemde elementen vast te stellen .
20 . Hiervoor pleiten immers reeds bepaalde, in de artikelen 5 en 7 van de verordening van de Raad gebruikte formuleringen . Zo valt op, dat in artikel 5 wordt gezegd : "de compenserende vergoeding kan ten hoogste gelijk zijn ..." (" the compensation shall not exceed ..."; "die Ausgleichsentschaedigung belaeuft sich ... hoechstens ..."; "le montant de l' indemnité compensatoire est limité à ..."; "l' importo dell' indemnità compensativa è limitato alla differenzia ..."). Indien verzoeksters uitlegging de juiste zou zijn, dan had een formulering als in verordening nr . 3117/85 van de Raad ( 12 ) echter meer voor de hand gelegen, te weten : "Het bedrag van de vergoeding is gelijk aan het verschil tussen de door de producent ontvangen verkoopprijs en de gegarandeerde minimumprijs ." Het feit dat deze formule niet is gekozen, pleit ervoor dat de term "ten hoogste" op een andere berekeningswijze doelt . Ook valt op, dat in artikel 7 wordt gezegd dat het maximumbedrag van de compenserende vergoeding moet worden vastgesteld, en wel volgens de procedure van het beheerscomité . De keuze van deze procedure en de uitdrukkelijke vermelding van een maximumbedrag valt echter niet goed te begrijpen, wanneer het enkel om de in artikel 5 aangegeven relatief eenvoudige berekening zou gaan ( namelijk de bepaling van het verschil tussen de communautaire produktieprijs en de gemiddelde driemaandelijkse verkoopprijs van de producenten ).
21 . Nu de letter van de regeling van de Raad niet ondubbelzinnig pleit voor verzoeksters opvatting, moeten wij nagaan, welke uitlegging het meeste strookt met de doelstelling van de regeling en wat - althans impliciet - kan worden afgeleid uit artikel 4 van de verordening van de Raad .
22 . Het doel van de regeling heb ik reeds enige malen aangegeven : het gaat om de handhaving van het inkomenspeil van de tonijnproducenten in de gemeenschap, dat door invloeden van de wereldmarkt ( waartegen in beginsel geen beschermingsmechanismen bestaan ) kan worden bedreigd . Het inkomenspeil wordt echter duidelijk niet alleen door de prijzen, maar ook door de afgezette hoeveelheden bepaald . Zelfs bij dalende prijzen kan het bij evenredige uitbreiding van de produktie onveranderd blijven . Gelet op de doelstelling van de regeling ligt de gedachte van de Commissie dus eigenlijk reeds in de regeling besloten . Het is zonder meer duidelijk, dat de regeling zonder een dergelijk correctief haar doel zou kunnen voorbijschieten en dat het zou kunnen komen tot een overcompensatie, als het ware neerkomend op een produktiepremie ( met alle daaraan verbonden nadelige gevolgen, zoals : aansporing tot produktieverhoging in de toekomst met het gevaar van marktdestabilisatie en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de Staten ten nadele van derde landen ). Bij een letterlijke toepassing van artikel 4 zou een dergelijke situatie alleen maar verhinderd worden in geval van een abnormale toename van de geproduceerde hoeveelheden; toekenning van de compenserende vergoeding is dan immers uitgesloten .
23 . Met betrekking tot het zojuist genoemde artikel 4 wijs ik er nog op - en dit is voor de onderhavige uitleggingsvraag zeker van belang -, dat het de Commissie een grote beoordelingsmarge toekent ( namelijk inzake de vraag, wanneer van een abnormale toename van de geproduceerde hoeveelheden sprake is en hoe de invloed op de prijsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt moet worden beoordeeld ). Hiermee valt niet goed te rijmen de opvatting, dat bij de toepassing van de compensatieregeling de taak van de Commissie ( na de beoordeling aan de hand van artikel 4 ) in de procedure van het beheerscomité alleen maar bestaat in het uitvoeren van een eenvoudige rekenoperatie . Van groot belang is ook de aan artikel 4 ten grondslag liggende idee, waarover ik zojuist sprak, dat de geproduceerde hoeveelheden, die natuurlijk het marktgebeuren en de economische situatie beïnvloeden, niet buiten beschouwing mogen worden gelaten . Mijns inziens heeft de Commissie gelijk wanneer zij betoogt, dat moeilijk valt te begrijpen waarom deze idee alleen maar een rol zou kunnen spelen in extreme situaties ( te weten wanneer een abnormale toename van de communautaire produktie wordt geregistreerd en de prijsdaling alleen daarvan het gevolg lijkt te zijn ), en niet ook in situaties waarin het prijspeil zowel door de wereldmarkt als door de communautaire produktie lijkt te worden beïnvloed, zodat een uitsluiting van de compensatievergoeding niet in aanmerking komt . Men zou zo immers - omdat de invloed van een stijging van de geproduceerde hoeveelheden op het inkomen buiten beschouwing blijft - niet alleen accepteren, dat de toekenning van de compenserende vergoeding kan leiden tot overcompensatie, die niet strookt met het doel ervan; ook zou het systeem echter plotselinge en vergaande wijzigingen te verwerken krijgen - enerzijds de betaling van veel te hoge compenserende vergoedingen bij "normale" produktiestijgingen en anderzijds het geheel wegvallen van de vergoeding bij een abnormale toename van de produktie in een volgende periode ( zoals in de latere kwartalen van 1986 het geval was ).
24 . Gezien de in artikel 4 van de verordening van de Raad slechts onvolledig uitgewerkte gedachte, gelet op het met de regeling nagestreefde doel en in aanmerking genomen de niet erg duidelijke bewoordingen van de artikelen 5 en 7 van de verordening van de Raad, lijkt mij dan ook de enig mogelijke conclusie te zijn, dat de verordening van de Raad zeer zeker toelaat ( zo men wil : ertoe machtigt ) de compenserende vergoeding op een ander maximumbedrag te bepalen dan het bedrag dat zou voortvloeien uit artikel 5 van de verordening van de Raad zoals het door verzoekster en interveniënt wordt uitgelegd . Bijgevolg kan er geen inbreuk op verordening nr . 1196/76 in worden gezien, dat de Commissie in verordening nr . 2469/86 het tot nu toe door de tonijnproducenten genoten inkomen als beslissend criterium heeft aangehouden .
25 . cc ) In dit verband wil ik niet dieper ingaan op de stellingen in de conclusies, daar deze zich beperken tot de vraag, of de Commissie bij de vaststelling van het maximumbedrag alleen de in artikel 5 van verordening nr . 1196/76 genoemde prijselementen of ook andere factoren in aanmerking mag nemen .
26 . Tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoekster en interveniënt echter een stap verder gegaan, toen zij betwijfelden, of de door de Commissie bij de bestreden verordening vastgestelde methode eigenlijk wel tot compensatie van de inkomensverliezen leidt . Zij wezen erop, dat de relevante basisregels in verordening nr . 1196/76 van de Raad enkel spreken van een driemaandelijkse gemiddelde prijs op de communautaire markt, maar niet van de verkoopcijfers van de afgelopen drie jaren . Voorts achtten zij het juister om van het reële inkomen van de tonijnproducenten uit te gaan; de Commissie had dus niet met omzetcijfers genoegen mogen nemen, zonder zich er rekenschap van te geven, dat bij een toenemende produktie ook de kosten daarvan stijgen en dat na de door de Commissie als uitgangspunt genomen referentieperiode ( 1983 tot 1985 ) ook de kosten van levensonderhoud zijn gestegen .
27 . Deze bijkomende argumenten moeten naar mijn mening op grond van de in onze procedure heersende beginselen wegens tardiviteit buiten beschouwing blijven, want men kan niet zeggen, dat zij enkel dienen ter verduidelijking van de schriftelijke argumenten; mijns inziens hebben wij hier veeleer te maken met een nieuw en zelfstandig middel .
Toch wil ik er kort nog iets over zeggen .
28 . Als ik goed zie, wordt de juistheid van de door de Commissie in de technische nota genoemde cijfers niet in twijfel getrokken . Er dient dus van te worden uitgegaan, dat zich bij de tonijnproducenten een zekere produktiestijging en derhalve een zekere inkomensstijging heeft voorgedaan ( ook al heeft deze niet de omvang bereikt van - zoals in de considerans van verordening nr . 2470/86 wordt gezegd - een "abnormale vergroting ").
29 . Voor zover verzoekster en interveniënt op de noodzaak hebben gewezen om het reële inkomen en de produktiekosten in aanmerking te nemen, kan hier niet alleen tegenin worden gebracht, dat de uitdrukking "veilig stellen van het inkomenspeil" zeker ruimte laat voor een strikte uitlegging in de zin van een zuinig beleid ( zoals dat de Commissie reeds enige tijd alom wordt aangeraden voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid ). Ook kon de Commissie onbetwist betogen, dat zij van de Lid-Staten slechts cijfers met betrekking tot de globale inkomens van de tonijnproducenten had gekregen en dat zij zich in genoemde technische nota alleen daarop kon baseren .
30 . Wat ten slotte het feit betreft, dat de gemiddelde inkomens in de jaren 1983 tot 1985 als referentiepunt zijn gekozen, moet ik toegeven, dat aldus voor 1986 een inkomenspeil is aangehouden dat onder dat van 1985 ligt . Gezien de regeling in haar geheel kan de juistheid van deze methode echter niet zomaar worden betwist; immers, ook uit de basisverordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten ( nr . 3796/81 ) blijkt, dat de belangrijke referentiefactor "communautaire produktieprijs" wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde van de prijzen, die gedurende de drie visserijseizoenen vóór de vaststelling van deze prijs werden geconstateerd . Zo beschouwd, kan van een kennelijke overschrijding van de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie beschikt, moeilijk worden gesproken .
31 . 2 ) Blijken er dus kortom wat de materiële juistheid betreft geen doorslaggevende bezwaren te bestaan tegen de verordeningen van de Commissie, thans moet ik nog ingaan op de vraag, of zij wel zo volledig met redenen omkleed zijn, als artikel 190 EEG-Verdrag verlangt, dan wel of de gegeven - inderdaad zeer summiere - redengeving indruist tegen wezenlijke vormvoorschriften .
32 . Volgens verzoekster is dit laatste het geval . Zij mist in verordening nr . 2469/86 de voor de bepaling van het maximumbedrag relevante criteria evenals een aanduiding, op welke bepaling van de verordening van de Raad nr . 1196/76, die geen van de door de Commissie gebruikte criteria uitdrukkelijk noemt, de Commissie zich bij de vaststelling van haar verordening heeft gebaseerd . Verzoekster geeft toe, dat bepaalde elementen kunnen worden ontleend aan de considerans van verordening nr . 2470/86, maar ziet daarin echter - omdat deze verordening maar een kwartaal heeft gegolden - geen toereikende motivering voor de verordening van de Commissie, die uitvoeringsbepalingen als bedoeld in verordening nr . 1196/76 behelsde . Voorts hadden in de considerans van verordening nr . 2470/86 ook concrete gegevens over de berekening van het maximumbedrag moeten worden opgenomen, bij voorbeeld had het begrip "inkomen" moeten worden verklaard, dus elementen die voorkomen in de reeds enkele malen genoemde technische nota, die aan het beheerscomité is voorgelegd . De Spaanse regering is het hiermee eens . Ook zij meent, dat voor een volledige motivering nodig was geweest, dat de wijze van berekening van het maximumbedrag en de door de Commissie gebruikte berekeningselementen ( inkomen, prijs, referentieperiode ) waren aangegeven .
33 . Over het naar verhouding dikwijls aangevoerde middel van ontoereikende motivering bestaat reeds een overvloedige rechtspraak waaraan bepaalde, ook voor de onderhavige zaak waardevolle basisregels kunnen worden ontleend . Zo overwoog het Hof onlangs in het algemeen ( zaken 142 en 156/84 ) ( 13 ), dat de draagwijdte van de motiveringsverplichting afhangt van de context waarin een handeling is vastgesteld ( wat belangrijk zou kunnen zijn, aangezien op de vergadering van het comité van beheer en - naar werd verklaard - reeds bij de voorbereiding daarvan gedetailleerde technische nota' s over de berekening van de compenserende vergoeding werden verspreid, zodat de aldus bij de procedure betrokken Lid-Staten nauwkeurig op de hoogte waren ). Volgens de rechtspraak mag men ook geen motivering van alle detailpunten van een regeling verlangen, wanneer deze in het systeem van het geheel passen, maar moet alleen de wezenlijke inhoud worden toegelicht ( 14 ), of, zoals het Hof in rechtsoverweging 21 van het arrest in zaak 108/81 ( 15 ) overwoog, er moet duidelijk blijken van het doel dat heeft voorgezeten . In 's Hofs rechtspraak wordt verder nog gezegd, dat het niet nodig is in bijzonderheden te treden ten aanzien van de concrete feiten, maar dat kan worden volstaan met een algemene aanduiding van de fundamentele gegevens die tot de waardering van de feiten hebben geleid, alsmede van de voor die waardering gevolgde procedure ( 16 ), en ( in zaak 230/78 ( 17 )) dat de overwegingen van een uitvoeringsverordening naar een feitelijke situatie mogen verwijzen, waarvan de bijzonderheden in de basisverordening zijn vermeld .
34 . Beziet men de onderhavige regeling tegen deze achtergrond, dan lijkt het om te beginnen van belang, dat in de considerans van verordening nr . 2469/86 een verwijzing naar het behoud van het inkomenspeil van de tonijnproducenten voorkomt en dat uit artikel 2 van deze verordening rechtstreeks volgt, dat het gaat om het inkomen verkregen uit het op de markt brengen van alle geproduceerde hoeveelheden tonijn ( hetzij op de markt van de Gemeenschap, hetzij op die van derde landen ). In de considerans van verordening nr . 2470/86 wordt deze gedachte herhaald, terwijl er tevens op wordt gewezen dat de inkomensontwikkeling ( in vorenbedoelde zin ) in een representatieve periode in aanmerking wordt genomen .
35 . Vervolgens is van belang het verband met verordening nr . 3796/81 . De considerans daarvan noemt immers als voornaamste doel van de compensatieregeling, het veilig stellen van het inkomenspeil van de tonijnproducenten, en uit artikel 17 kan worden afgeleid dat bij de vaststelling van de communautaire produktieprijs ( en dus bij de vaststelling van een voor het inkomenspeil belangrijke referentiefactor ) uitgegaan wordt van de prijzen van de aan de vaststelling van deze produktieprijs voorafgaande drie visseizoenen . Verder vergete men niet - ook dit behoort tot het systeem van het geheel -, dat blijkens artikel 4 van de door de Raad bij verordening nr . 1196/76 vastgestelde basisregels het voor de compensatieregeling van centrale betekenis is, dat de compensatie voor het inkomensverlies wegens prijsdaling niet door een toename van de geproduceerde hoeveelheden wordt bereikt .
36 . Dit alles te zamen vormt weliswaar niet het ideale type motivering voor de betrokken regeling van de Commissie; er hadden gemakkelijk nog enige elementen uit de genoemde technische nota kunnen worden toegevoegd, zonder dat dit zou hebben geleid tot een overdreven zware verordeningstekst . Toch kan ik het echter moeilijk eens zijn met de klachten van de Lid-Staten ( die aan de uitwerking hebben meegewerkt ), dat de verordening ontoereikend met redenen is omkleed, en in het bijzonder kan mijns inziens niet van een zo ernstige schending van de motiveringsplicht worden gesproken, dat de nietigverklaring van de regeling op deze grond gerechtvaardigd zou zijn .
C - Conclusie
37 . Zonder dat het mij nodig lijkt in te gaan op een tijdens de mondelinge behandeling door de Spaanse regering aangevoerd bijkomend argument ( dat zij aan een voorstel van de Commissie tot wijziging van verordening nr . 3796/81 meent te kunnen ontlenen ), geef ik het Hof op grond van het bovenstaande in overweging, het beroep te verwerpen en te verstaan dat de kosten van het geding door verzoekster en interveniënt gezamenlijk worden gedragen .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1981, L 379, blz . 1 .
( 2 ) Vergelijk verordening nr . 293/86 van 10 februari 1986 ( PB 1986, L 35, blz . 7 ) houdende verlenging van verordening nr . 3150/85 van de Commissie .
( 3 ) PB 1985, L 344, blz . 11 .
( 4 ) PB 1976, L 133, blz . 1
( 5 ) PB 1986, L 211, blz . 19 .
( 6 ) PB 1986, L 211, blz . 22 .
( 7 ) Arrest van 17 december 1970, zaak 25/70, Einfuhr - und Vorratsstelle foer Getreide und Futtermittel, Jurispr . 1970, blz . 1161 .
( 8 ) Arrest van 14 maart 1973, zaak 57/72, Westzucker, Jurispr . 1973, blz . 321 .
( 9 ) Arrest van 30 oktober 1975, zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr . 1975, blz . 1302, r.o . 10 tot en met 14 .
( 10 ) Arrest van 11 mei 1987, zaak 27/85, Vandemoortele, Jurispr . 1987, blz . 0000 .
( 11 ) De verwijzing naar de "algemene voorschriften" ontbreekt in de Duitse tekst, zie PB 1981, L 379, blz . 10 .
( 12 ) Zie verordening nr . 3117/85 van de Raad van 4 november 1985 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van compenserende vergoedingen voor sardines ( PB 1985, L 297, blz . 1 ).
( 13 ) Arrest van 17 november 1987, gevoegde zaken 142 en 156/84, British American Tobacco, Jurispr . 1987, blz . 0000 .
( 14 ) Arrest van 29 februari 1984, zaak 37/83, Rewe-Zentrale, Jurispr . 1984, blz . 1229 .
( 15 ) Arrest van 30 september 1982, zaak 108/81, Amylum, Jurispr . 1982, blz . 3135, r.o . 21 .
( 16 ) Arrest van 15 maart 1984, zaak 64/82, Tradax Graanhandel, Jurispr . 1984, blz . 1359 .
( 17 ) Arrest van 27 september 1979, zaak 230/78, Eridania, Jurispr . 1979, blz . 2749 .
Full & Egal Universal Law Academy