Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Gewaarschuwd door klachten van diverse handelaars en door informatie in de Griekse pers en televisie over belemmeringen van de invoer in Griekenland van olijfolie uit andere Lid-Staten en derde landen, alsook van de uitvoer van dat produkt, heeft de Commissie tegen de Helleense Republiek de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid .
2 . Gelet op de teneur van de antwoorden die zij in de loop van de precontentieuze fase van de betrokken Lid-Staat ontving, heeft de Commissie uiteindelijk het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld, waarin zij de Helleense Republiek verwijt, de verplichtingen niet te zijn nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 30, 34 en 5 EEG-Verdrag en verordening nr . 136/66 van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( 1 ), inzonderheid artikel 3 daarvan .
3 . De feiten die aan het onderhavige beroep ten grondslag liggen, alsook het verloop van de precontentieuze fase zijn uitvoerig beschreven in het rapport ter terechtzitting, waarnaar ik voor het essentiële verwijs .
4 . Het hoofdprobleem in de onderhavige zaak is het bewijs van de feiten, die volgens de Commissie schending van de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag en van verordening nr . 136/66 opleveren .
5 . Immers, door de houding van de Griekse autoriteiten in heel deze zaak is een volledige opheldering van de feiten verhinderd . In de precontentieuze fase noch in de procedure op tegenspraak, en zelfs niet nadat het Hof haar daar meermaals om had verzocht, is de Helleense Republiek erin geslaagd, de tekst van de eventueel bestaande wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de betwiste punten over te leggen of een volledige verklaring met betrekking tot de door de ingediende klachten opgeworpen problemen te verstrekken .
6 . Daarom heeft de Commissie al bij de aanvang van de precontentieuze fase haar grieven uitgebreid tot schending door Griekenland van artikel 5 EEG-Verdrag .
7 . Onder die omstandigheden moet ik, alvorens de middelen en argumenten van partijen te onderzoeken, eerst de geformuleerde grieven nauwkeurig omschrijven .
8 . De Commissie voert tegen de Helleense Republiek de drie navolgende grieven aan :
a ) door de invoer van olijfolie uit andere Lid-Staten en derde landen te verbieden, heeft zij artikel 30 EEG-Verdrag en verordening nr . 136/66, inzonderheid artikel 3 daarvan, geschonden;
b ) door de uitvoer van olijfolie - met uitzondering van bij eerste persing verkregen olijfolie van de kwaliteiten extra en fino in verpakkingen van maximaal vijf liter - te verbieden, heeft zij artikel 34 EEG-Verdrag en verordening nr . 136/66, inzonderheid artikel 3 daarvan, geschonden;
c ) door de Commissie de ter zake gevraagde inlichtingen niet te verstrekken, is zij de krachtens artikel 5 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
9 . Op te merken valt, dat deze grieven, die in het door de Commissie bij het Hof neergelegde verzoekschrift zijn geformuleerd, volledig samenvallen met de grieven die tijdens de precontentieuze procedure zijn geformuleerd in de twee schriftelijke ingebrekestellingen en in de twee met redenen omklede adviezen, die de Commissie tot de Helleense Republiek heeft gericht . In zoverre staat dus niets in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep en aan het onderzoek van de gegrondheid ervan .
1 . Het probleem van de administratieve formaliteiten en de nationale bepalingen betreffende de in - en uitvoer van olijfolie
10 . Nog steeds met betrekking tot de omschrijving van het voorwerp van het beroep, houdt het eerste op te helderen punt verband met de miskenning van de teneur van eventuele nationale bepalingen of instructies, waarop de bestreden praktijken zouden zijn gebaseerd .
11 . Zoals reeds gezegd, heeft de Commissie de Griekse autoriteiten al tijdens de precontentieuze fase verzocht, haar informatie te verstrekken over de administratieve formaliteiten die in Griekenland voor de invoer van olijfolie uit andere Lid-Staten golden en ten gevolge waarvan - volgens de klachten - de binnenkomst van dat produkt in Griekenland werd bemoeilijkt of verhinderd .
12 . In weerwil van herhaald aandringen van de Commissie, hebben de Griekse autoriteiten de gevraagde gegevens nooit verstrekt; zij hebben zich beperkt tot de - met de door de betrokken handelaars verstrekte inlichtingen in strijd zijnde - mededeling, dat "de invoer in Griekenland van olijfolie uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap vrij is ".
13 . Met betrekking tot de uitvoer heeft de Griekse regering weliswaar erkend, dat gedurende een bepaalde periode beperkingen golden, doch zij heeft de Commissie nooit de tekst van de toepasselijke bepalingen toegezonden en de Commissie is er ook niet in geslaagd, er langs andere weg kennis van te krijgen .
14 . Daarom heeft het Hof, toen de schriftelijke behandeling reeds was beëindigd, de Griekse regering schriftelijk verzocht, de administratieve formaliteiten toe te lichten en de sedert 1984 geldende nationale bepalingen betreffende de in - en uitvoer van olijfolie over te leggen .
15 . Zoals in het rapport ter terechtzitting is uiteengezet, beweerde de Griekse regering aanvankelijk, dat na die datum geen enkele beperkende maatregel was vastgesteld, met uitzondering van de tijdelijke beperkingen van de uitvoer van bepaalde soorten olijfolie, welke gebaseerd waren op brief nr . 95 van 10 januari 1985 van de staatssecretaris voor Economische Zaken aan de Bank van Griekenland .
16 . Van oordeel dat dat antwoord niet volstond, heeft het Hof tot twee maal toe zijn verzoek herhaald .
17 . De Helleense Republiek begon toen met toe te geven, dat er een administratieve bankpraktijk bestond "in het kader van de tenuitvoerlegging van verordening nr . 136/66", evenwel zonder de desbetreffende bepalingen mee te delen .
18 . Toen het Hof bleef aandringen, heeft de Helleense Republiek weliswaar wat meer gedetailleerd uitgelegd wat die bankpraktijk inhield, doch nog steeds niet voldaan aan het verzoek van het Hof om de tekst van de toepasselijke bepalingen over te leggen .
19 . Ter terechtzitting hielden de gemachtigden van de Griekse regering, nader door het Hof ondervraagd, vol, dat er geen gecodificeerde tekst bestond en dat de betrokken administratieve praktijken "stellig" in verschillende interne documenten van de banken waren omschreven .
20 . De conclusie moet dus zijn, dat het - voormelde brief van de staatssecretaris voor Economische Zaken buiten beschouwing gelaten - onmogelijk is gebleken om in concreto te achterhalen, op welke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de bevoegde autoriteiten de aan de Commissie meegedeelde invoer - en uitvoerbeperkingen waren gebaseerd .
21 . Dat verklaart waarom de Commissie in haar met redenen omklede adviezen en in het beroep geen bepaalde norm of bepaling heeft genoemd die in strijd met het geldende gemeenschapsrecht zou moeten worden verklaard .
22 . Anderzijds wijs ik erop, dat de aard van de "administratieve bankpraktijk", zoals zij door de Griekse regering in haar antwoorden op 's Hofs vragen is beschreven, onvermijdelijk de vraag doet rijzen, of zij mogelijkerwijze verband houdt met problemen inzake de wisselcontrole .
23 . Naar de Griekse regering meedeelt, houdt de procedure immers in, dat bij de Bank van Griekenland of bij een bijkantoor een aanvraag wordt ingediend, zodat het dossier kan worden onderzocht "met het oog op eventuele deviezenproblemen", ten einde na te gaan of aan de "verplichtingen van de deviezenregeling" is voldaan en om "illegale deviezenvlucht te voorkomen ".
24 . De verschafte gegevens zijn evenwel duidelijk onvoldoende om het probleem vanuit dat oogpunt te kunnen onderzoeken .
25 . Dat is dan ook de reden waarom de Commissie, naar zij het Hof ter terechtzitting meedeelde, reeds sedert verscheidene jaren poogt kennis te nemen van de toepasselijke bepalingen, om duidelijkheid te verkrijgen over de aard en de omvang van die wisselcontroles .
26 . Daarom heeft zij, bij gebreke van concludente gegevens, ervan afgezien haar beroep tot dit aspect van de Griekse in - en uitvoerformaliteiten uit te breiden .
27 . Wij zullen dus moeten nagaan of, op basis van de andere beschikbare gegevens, kan worden gezegd dat in Griekenland beperkingen van de in - en uitvoer van olijfolie gelden, waarvan het bestaan blijkt uit administratieve praktijken die in strijd zijn met het Verdrag of het afgeleide recht .
28 . Zo ja, dan zal het oordeel moeten luiden, dat de Helleense Republiek de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
29 . Immers, volgens 's Hofs rechtspraak zijn eenvoudige administratieve praktijken, indien duidelijk bewezen, voldoende om tot een niet-nakoming in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag te besluiten . ( 2 )
2 . De invoerbeperkingen
30 . De Commissie verwijt de Helleense Republiek, in strijd met de fundamentele beginselen van het vrije verkeer van goederen en de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten haar markt te sluiten voor de invoer van olijfolie uit andere Lid-Staten en derde landen .
31 . Voor die stelling beroept de Commissie ( zie de repliek ) zich op het feit, dat sedert de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschappen ( 1 januari 1981 ) tot op de dag waarop het beroep is ingesteld ( 11 november 1986 ), die Lid-Staat slechts 2 005 ton geraffineerde olijfolie uit Italië heeft ingevoerd, die overigens onmiddellijk weer werd uitgevoerd naar de Sovjetunie .
32 . Voorts wijst zij op een artikel in de vakpers, waar met name gewag wordt gemaakt van verklaringen van de Griekse minister van Handel, dat in Griekenland geen olijfolie wordt ingevoerd .
33 . Ten slotte vermeldt de Commissie de herhaalde pogingen van handelaars met name in 1984 en 1985, om Italiaanse olijfolie in Griekenland in te voeren . De aanvragen van de betrokken ondernemingen zijn stilwijgend en zonder enige verklaring afgewezen .
34 . Met betrekking tot het eerste punt verschuilt de Helleense Republiek zich achter de algemene verklaring, dat de invoer van olijfolie in Griekenland vrij is; dat er niettemin geen invoer is geweest ( met uitzondering van de 2 005 ton die onmiddellijk weer waren uitgevoerd naar de Sovjetunie ), komt doordat daar geen behoefte aan was, aangezien de nationale produktie de binnenlandse vraag geheel dekte - zoals ter terechtzitting werd gezegd -, en de prijzen op de Griekse markt lager zijn dan elders .
35 . Het moet gezegd, dat reeds het feit dat gedurende zo een lange periode nagenoeg geen olijfolie werd ingevoerd, de vraag doet rijzen, of de gang van zaken tijdens die periode wel zuiver op de graat was .
36 . Daarbij komt, dat het verweer van de Helleense Republiek op dit punt flagrant in strijd is met haar eigen stelling - die zij ter rechtvaardiging van het haar eveneens verweten uitvoerverbod aanvoert -, dat de Griekse markt tijdens een gedeelte van de betrokken periode te lijden had gehad onder een aanzienlijke vermindering van de produktie, die tot grote schaarste aan olijfolie had geleid . Het betoog van de Griekse regering valt dus over zijn eigen tegenstrijdigheden .
37 . Dit alles neemt evenwel niet weg, dat het bestaan van "twijfel" of van een "vermoeden" van onregelmatigheid, ingegeven door het ontbreken van invoer, op zichzelf onvoldoende is om tot niet-nakoming van gemeenschapsregels te concluderen .
38 . Evenmin volstaat daartoe een zinnetje in een dagblad, waarmee een lid van de regering een bepaalde uitspraak in de mond wordt gelegd .
39 . Mijns inziens liggen de zaken echter anders met betrekking tot het argument ontleend aan het derde feit ( of de reeks feiten ), dat de Commissie tot staving van haar beroep aanvoert, namelijk de concrete gevallen waarin - zonder de minste verklaring - geen vergunning is verleend voor de invoer van olijfolie uit andere Lid-Staten .
40 . Op verzoek van het Hof heeft de Commissie documenten overgelegd waaruit blijkt, dat een handelaar ( de Italiaanse firma Alivar ) in 1984 en 1985 meermaals vruchteloos heeft gepoogd, in Griekenland olijfolie in te voeren, zonder dat de Griekse autoriteiten hem enige verklaring voor hun weigering hebben gegeven . Volgens het dossier is de betrokken olijfolie geblokkeerd gebleven in de douane-entrepots .
41 . Voor invoer diende bij de banken een aanvraag te worden ingediend; de bedoeling daarvan was, gelijk de Helleense Republiek zelf heeft erkend, "zowel om de belanghebbenden in staat te stellen invoertransacties te verrichten als om illegale deviezenvlucht te voorkomen ". In de documenten betreffende de klachten van Alivar wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de aanvraag bij de bank is ingediend, waarop een vage bureaucratische procedure volgde . De aanvraag is in ieder geval onbeantwoord gebleven .
42 . De Griekse regering ontkent niet, dat die invoermoeilijkheden zich inderdaad hebben voorgedaan . Zij zegt echter, dat het om uitzonderlijke gevallen ging, en ter terechtzitting hadden haar gemachtigden niets anders te vertellen dan dat de bevoegde diensten hun hadden meegedeeld, dat de bij de Commissie ingediende klachten ongegrond waren, maar dat zij die bewering niet konden staven . Hoe dan ook, zij hebben erkend, dat de klachten mogelijkerwijze een reactie waren tegen de "starheid van de Griekse administratieve molen ".
43 . Men zou kunnen zeggen, dat de betrokken praktijk niet zo constant en algemeen is als 's Hofs rechtspraak verlangt om een administratieve praktijk als een met artikel 30 onverenigbare maatregel aan te merken ( arrest van 9 mei 1985, zaak 21/84, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, r.o . 13 ).
44 . Aangezien er tussen januari 1981 en november 1986 slechts 2 005 ton is ingevoerd ( welke hoeveelheid overigens nooit op Grieks grondgebied is binnengekomen, daar zij onmiddellijk weer is uitgevoerd naar de Sovjetunie ), is er maar één mogelijkheid :
- ofwel was Alivar de enige die in die periode een aanvraag heeft ingediend om olijfolie in te voeren, hetgeen betekent dat ( met uitzondering van het bijzondere geval van de 2 005 ton ) alle aangevraagde importen verboden zijn,
- ofwel zijn er nog andere invoeraanvragen geweest en zijn die alle afgewezen, hetgeen betekent dat de andere door de Commissie genoemde klachten gegrond zijn .
45 . Onder die omstandigheden vormen de gevallen waarin is aangetoond dat de invoer werd belet, mijns inziens een voldoende grond om Griekenland te veroordelen .
46 . Ofschoon dus niet is aangetoond dat de invoer van olijfolie uit derde landen is verhinderd ( en daarom moet het daarop betrekking hebbende onderdeel van het beroep worden verworpen ), blijkt uit het dossier, dat de Helleense Repbuliek, door de invoer in Griekenland van olijfolie uit andere Lid-Staten te beletten, artikel 30 van het Verdrag heeft geschonden .
3 . De uitvoerbeperkingen
47 . Gewaarschuwd door klachten en informatie die haar hadden bereikt, verzocht de Commissie bij telexbericht van 1 februari 1985 de Griekse minister van Landbouw om opheldering over het eventuele bestaan van beperkingen van de uitvoer in bulk van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino naar andere Lid-Staten en derde landen .
48 . Op 14 februari antwoordde de Griekse minister de Commissie, dat de langdurige droogte van het voorgaande jaar en de op een laat tijdstip opgetreden olijfboomvliegenplaag tot schaarste van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino op de Griekse markt hadden geleid, waardoor de prijzen buitensporig waren gestegen en de markt was verstoord, zodat een speculatiegolf was ontstaan . Daarom had de Griekse regering besloten, de uitvoer van die twee kwaliteiten olijfolie tijdelijk te verbieden .
49 . In haar eerste schriftelijke ingebrekestelling en in haar eerste met redenen omkleed advies van 21 oktober 1985 heeft de Commissie dan ook bezwaar gemaakt tegen de door de Helleense Republiek ingestelde uitvoerbeperkingen voor olijfolie .
50 . Nadien vernam de Commissie door nieuwe klachten van handelaars, dat de Helleense Republiek niet alleen de uitvoer van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino bleef verbieden, maar het verbod bovendien had uitgebreid tot alle soorten voor consumptie bestemde olijfolie alsook tot olijfolie voor verlichtingsdoeleinden, bestemd voor de industrie . Alleen olijfolie van de kwaliteiten extra en fino in verpakkingen van maximaal vijf liter mocht worden uitgevoerd .
51 . Daarom zond de Commissie op 10 april 1986 een nieuwe schriftelijke ingebrekestelling en bracht zij op 26 juni 1986 een nieuw met redenen omkleed advies uit, waarin zij haar grieven tot alle soorten olijfolie uitbreidde .
52 . Ook in haar verzoekschrift heeft de Commissie het voorwerp van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming met betrekking tot de uitvoer zo ruim omschreven .
53 . Bij ons onderzoek moeten wij onderscheiden tussen de twee fasen waarin de grieven achtereenvolgens zijn geformuleerd .
54 . a ) In de eerste plaats constateer ik, dat de Griekse regering heeft toegegeven de uitvoer van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino tijdelijk te hebben verboden . De verbodsperiode, die aanvankelijk vier maanden zou duren, te rekenen vanaf 10 januari 1985, is nadien uitdrukkelijk verlengd tot 10 juni van hetzelfde jaar . Op 11 juli was een eerste partij van 10 000 ton olijfolie naar de Sovjetunie uitgevoerd .
55 . Zoals gezegd, werd de schaarste van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino als rechtvaardiging voor de beperkende maatregel opgegeven . Voorts verweerde de Griekse regering zich door de Commissie te verwijten, dat zij niet was ingegaan op het verzoek van de Griekse minister van Landbouw in diens brief van 14 februari 1985, waarin hij de wens had uitgedrukt, dat de bevoegde diensten van de Commissie te zamen met de diensten van het Griekse Ministerie van Landbouw naar een oplossing voor dit uitzonderlijke probleem zouden zoeken .
56 . De argumenten waarmee de Griekse regering zich verweert, zijn niet ter zake .
57 . Immers, "ten einde de gevolgen van de onregelmatigheid van de oogsten voor het evenwicht tussen vraag en aanbod te beperken en aldus een stabilisatie van de consumentenprijzen te verkrijgen", bepaalt artikel 13 van verordening nr . 136/66, dat "de Raad, op voorstel van de Commissie", volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, EEG-Verdrag, kan "besluiten dat de interventiebureaus een buffervoorraad van olijfolie aanleggen", en voorts "de voorschriften met betrekking tot de vorming, het beheer en de afzet van de voorraad" kan vaststellen .
58 . De nationale autoriteiten zijn niet bevoegd, om de aangevoerde redenen eenzijdig - gelijk de Griekse regering heeft gedaan - uitvoerbeperkingen op te leggen .
59 . Bijgevolg kan de Griekse regering de eenzijdige uitvoerbeperkingen die zij per 10 januari 1985 had ingesteld, niet rechtvaardigen door te verwijzen naar het verzoek dat zij in haar brief van 14 februari had gedaan .
60 . Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie voorts betoogd, dat toepassing van de in artikel 12 van de verordening bedoelde maatregel niet gerechtvaardigd was, aangezien er bij de interventiebureaus van andere Lid-Staten overschotten aan olijfolie bestonden .
61 . In ieder geval was de Helleense Republiek niet bevoegd, in de plaats van de Raad - de enige daartoe bevoegde instantie - beperkende en regulariserende maatregelen te treffen .
62 . Om die reden kan ik niet anders dan vaststellen, dat de Helleense Republiek, door van 10 januari tot en met 10 juni 1985 de uitvoer van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino te verbieden, de krachtens artikel 34 EEG-Verdrag en verordening nr . 136/66 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
63 . b ) De Commissie betoogt echter, dat de Helleense Republiek ook na de zojuist genoemde periode de uitvoer van olijfolie is blijven verbieden en het verbod tot alle kwaliteiten heeft uitgebreid, met uitzondering van voor consumptie bestemde olijfolie in kleine verpakkingen van maximaal vijf liter, en alle soorten olijfkoekolie .
64 . In de eerste plaats baseert de Commissie zich hierbij op een vergelijking van de statistische gegevens van Eurostat betreffende de uitgevoerde hoeveelheden in verpakkingen van maximaal vijf liter met de cijfers betreffende de totale uitvoer .
65 . Voorts betoogt zij, dat het feit dat in de loop van het oogstjaar 1985/1986 65 000 ton olijfolie in bulk is uitgevoerd, erop wijst, dat er sprake was van contingentering en staatsinterventie op de markt van olijfolie, dit te meer daar - afgezien van 10 000 ton, uitgevoerd door particuliere handelaars - al die olijfolie via de centrale cooeperatieve unie van olijfolieproducenten op grond van overeenkomsten tussen de twee betrokken staten is uitgevoerd .
66 . Volgens de Commissie bevestigen deze feiten de inhoud van diverse artikelen die in een vakblad zijn verschenen, alsook de bevindingen van een groep ambtenaren die in september 1985 Griekenland bezocht .
67 . Subsidiair voert de Commissie een reeks van twaalf klachten aan, waarvan zij een lijst overlegt, die tussen 9 januari 1985 en 18 november 1986 waren ingediend door Griekse en Italiaanse handelaars, die tevergeefs hadden gepoogd voor consumptie bestemde olijfolie in bulk uit Griekenland uit te voeren .
68 . Uit de bewijsstukken in het dossier van de Commissie kan mijns inziens echter niets definitiefs worden geconcludeerd met betrekking tot het probleem dat ons bezighoudt .
69 . Vergeleken met de gegevens betreffende de andere Lid-Staten zijn de statistieken van Eurostat niet volledig concludent, en bovendien zeggen zij niets over de redenen van de relatief geringe Griekse uitvoer .
70 . De Griekse regering heeft daartegenover haar eigen verklaring van de feiten gesteld : zij schrijft de geringe uitvoer toe aan de voedingsgewoonten van de Griekse bevolking, die de grootste hoeveelheid olijfolie per inwoner van de Gemeenschap ( 20 kilogram ) consumeert, zodat nagenoeg de totale binnenlandse produktie in Griekenland zelf wordt opgebruikt .
71 . Voor het feit dat 85 % van de uitvoer van olijfolie in bulk via de cooeperatieve vereniging "Elaiourgiki" is gelopen, geeft de Griekse regering als verklaring, dat dat de belangrijkste cooeperatieve vereniging van olijfolieproducenten is en dat deze over aanzienlijke voorraden beschikte die zij gemakkelijk kon exporteren .
72 . Voorts zouden de aangehaalde persartikelen hoogstens indicatieve waarde, maar geen bewijskracht hebben . Wat de informatie betreft, die de groep ambtenaren van de Commissie had verzameld, zou de indruk die erdoor wordt gewekt, door geen enkel bewijs worden gestaafd, terwijl zij ook niet in een rapport systematisch is weergegeven .
73 . De klachten van de handelaars ten slotte lijken evenmin vergezeld te gaan van het bewijsmateriaal dat nodig is om de gegrondheid ervan te kunnen beoordelen .
74 . Een en ander geeft inderdaad de moeilijkheden weer, waarop de Commissie bij het zoeken naar aanwijzingen betreffende de haar meegedeelde inbreuken, en naar bewijzen daarvan, is gestuit .
75 . Vaststaat dat, zoals verder duidelijker zal worden, die moeilijkheden in grote mate zijn veroorzaakt door het gebrek aan medewerking van de Griekse autoriteiten .
76 . De context van de onderhavige zaak lijkt er bovendien op te wijzen, dat er iets schort aan de opvattingen van de Helleense Republiek over wat het gemeenschapsrecht van haar verlangt, en over de wijze waarop de voorschriften ervan moeten worden nageleefd .
77 . Ten slotte is het een feit, dat de gemachtigden van de Griekse regering hebben toegegeven, dat de klachten van de exporteurs mogelijkerwijze een reactie waren op de bureaucratische behandeling van hun aanvragen door de Griekse administratie .
78 . Op grond van aanwijzingen kan men echter niet tot niet-nakoming concluderen, door datgene wat men wil bewijzen, als bewijs aan te nemen . Mijns inziens zijn er dus onvoldoende redenen om de bewijslast om te keren .
79 . Bijgevolg ben ik van mening, dat het beroep ongegrond moet worden verklaard voor zover het de gestelde beperkingen van de uitvoer van olijfolie ná 10 juni 1985 betreft .
4 . Schending van de verplichting tot samenwerking, bedoeld in artikel 5 EEG-Verdrag
80 . Volgens de Commissie is de Griekse regering, door te weigeren of te verzuimen haar de gevraagde inlichtingen te verstrekken en door overdreven lang te wachten met de toezending ervan, de krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
81 . Zoals reeds uit het voorgaande blijkt, is het gedrag van de Griekse regering inderdaad voor kritiek vatbaar . Ik herinner eraan, dat de Commissie de Helleense Republiek op 13 augustus 1984 een telexbericht zond, waarin zij haar om informatie verzocht over de invoerbeperkingen voor olijfolie, en met name over twee concrete gevallen waarin geen invoervergunning was afgegeven, en waarin zij vroeg op welke administratieve formaliteiten die beperkingen waren gebaseerd . Daar antwoord uitbleef, herhaalde de Commissie haar verzoek op 4 oktober en op 28 november 1984 .
82 . Eerst ongeveer acht maanden na het eerste telexbericht, namelijk op 4 april 1985, antwoordden de Griekse autoriteiten, waarbij zij eenvoudig verklaarden, dat de invoer in Griekenland van olijfolie uit andere landen van de Gemeenschap vrij was .
83 . De Griekse autoriteiten legden opnieuw een gebrek aan bereidheid tot samenwerking aan de dag, toen het Hof meermaals vroeg de administratieve formaliteiten toe te lichten en de nationale bepalingen betreffende de in - en uitvoer van olijfolie mee te delen .
84 . Niet alleen heeft de Griekse regering de tekst van die bepalingen niet overgelegd, evenmin heeft zij enige toelichting gegeven met betrekking tot de achtergrond van de verplichtingen van de importeurs en exporteurs in het kader van de "administratieve bankpraktijk" en de manier waarop zij van die verplichtingen in kennis waren gesteld .
85 . Een zelfde gebrek aan samenwerking deed zich voor met betrekking tot de export : zo is er geen enkele verklaring gegeven voor de klachten die zijn ingediend na de periode tijdens welke het door de Griekse regering toegegeven invoerverbod gold, en met betrekking tot de periode waarop in het tweede met redenen omkleed advies werd gedoeld, is de Commissie noch het Hof de tekst van enige - wettelijke of bestuursrechtelijke - bepaling overgelegd .
86 . Voorts kan niet worden aangenomen, dat de omstandigheid waarop de Griekse regering zich beroept, te weten dat de bevoegdheden over diverse overheidsdiensten waren verdeeld, een voldoende rechtvaardiging oplevert .
87 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging om, gelijk het heeft gedaan in het arrest van 24 maart 1988 in zaak 240/86 ( 3 ), te verklaren voor recht, dat het gedrag van de Helleense Republiek in strijd is met de samenwerkingsverplichting bedoeld in artikel 5 EEG-Verdrag, krachtens hetwelk de Lid-Staten de vervulling van de taak van de Commissie moeten vergemakkelijken en alle algemene of bijzondere maatregelen moeten treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren .
5 . Conclusie
88 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging te verklaren voor recht, dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen welke op haar rusten krachtens de artikelen 30, 34 en 5 EEG-Verdrag en verordening nr . 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, in zoverre zij
a ) de invoer van olijfolie uit een andere Lid-Staat heeft belet door in het kader van een administratieve bankpraktijk te verlangen dat een aanvraag werd ingediend die vervolgens zonder enige verklaring zonder gevolg bleef;
b ) ten minste gedurende de periode van 10 januari tot 10 juli 1985 de uitvoer van olijfolie van de kwaliteiten extra en fino heeft verboden;
c ) heeft nagelaten volledige inlichtingen over de gestelde feiten te verstrekken en de toepasselijke nationale bepalingen mee te delen, en aldus niet heeft voldaan aan de op de Lid-Staten rustende verplichting tot samenwerking met de instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag .
89 . Voor het overige moet het beroep ongegrond worden verklaard .
90 . Het feit dat verzoekster niet op alle punten in het gelijk is gesteld, is grotendeels toe te schrijven aan het gebrek aan samenwerking van de Helleense Republiek; daarom geef ik in overweging, die Lid-Staat krachtens artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering in alle kosten te verwijzen .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) PB 1966, blz . 3025 .
( 2 ) Zie in dit verband het arrest van 22 maart 1983 ( zaak 42/82, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1983, blz . 1013 en volgende ), waarin het Hof diverse praktijken van de Franse autoriteiten, waardoor de uitvoer van Italiaanse wijn werd beperkt, heeft veroordeeld . Zie ook het arrest van 9 mei 1985 ( zaak 21/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1985, blz . 1355 en volgende ), waarin de praktijk van de Franse administratie om de door een Britse fabrikant gevraagde goedkeuring voor frankeermachines die hij naar Frankrijk wenste te exporteren, te bemoeilijken, uit te stellen en ten slotte zonder passende rechtvaardiging te weigeren, in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag werd verklaard .
( 3 ) Commissie/Griekenland, Jurispr . 1988, blz . 0000 .
Full & Egal Universal Law Academy