Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Evenals in zaak 77/86 ( National Dried Fruit Trade Association, hierna : NDFTA; arrest van 11 februari 1988, Jurispr . 1988, blz . 757 ), gaat het in de onderhavige zaak om gemeenschapsbepalingen die een stelsel van minimuminvoerprijzen ( MIP ) opleggen voor uit derde landen ingevoerde gedroogde druiven . De prejudiciële vragen van het Finanzgericht Duesseldorf hebben betrekking op wat ik in mijn conclusie in de zaak NDFTA het "eerste MIP-stelsel" heb genoemd . Dat stelsel is beschreven zowel in het rapport ter terechtzitting in deze zaak als in genoemde conclusie . De geschiedenis ervan kan worden samengevat als volgt .
Op het voor deze zaak relevante tijdstip was de basisverordening van de gemeenschappelijke marktordening voor op basis van groenten en fruit ( met inbegrip van krenten en rozijnen ) verwerkte produkten de - herhaaldelijk gewijzigde - verordening nr . 516/77 van de Raad, die onder meer voorzag in een systeem van gemeenschappelijke prijzen en heffingen ( PB 1977, L 73, blz . 1 ). In de twaalfde overweging van de considerans werd erkend, dat dat systeem in uitzonderlijke omstandigheden tekort zou kunnen schieten .
Artikel 14, lid 1, bepaalde : "Indien in de Gemeenschap de markt voor één of meer van de in artikel 1 bedoelde produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen voor het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen worden toegepast tot deze verstoringen zijn opgeheven of het gevaar daarvoor geweken is ."
Gedetailleerde uitvoeringsbepalingen zijn te vinden in verordening nr . 521/77 van de Raad ( PB 1977, L 73, blz . 28 ). Volgens de considerans daarvan moet de toepassing van de op grond van artikel 14 genomen maatregelen worden beeïndigd zodra de verstoring of het gevaar van verstoring is verdwenen; zij dienen op de omstandigheden te worden afgestemd, om te vermijden dat zij andere dan de gewenste gevolgen hebben . Artikel 1 bepaalt, dat bij de beoordeling of de markt een verstoring ondergaat of dreigt te ondergaan, onder meer rekening moet worden gehouden met de omvang van de werkelijke of de te verwachten invoer, met de beschikbare hoeveelheden van de produkten op de markt van de Gemeenschap, met de prijzen voor de inheemse produkten op de markt van de Gemeenschap en met de te verwachten ontwikkeling daarvan, en dat "indien de in de aanhef bedoelde situatie zich voordoet ten gevolge van de invoer, met de tot een vergelijkbaar stadium teruggebrachte prijzen op de markt van de Gemeenschap van de produkten uit derde landen, met name hun neiging tot buitensporige daling ".
Artikel 2 bepaalt dat, wanneer de markt ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, voor produkten die onderworpen zijn aan het stelsel van invoercertificaten, de afgifte van certificaten kan worden stopgezet of de aanvragen van certificaten kunnen worden afgewezen, en voor produkten die niet zijn onderworpen aan het stelsel van invoercertificaten, de invoer geheel of gedeeltelijk kan worden opgeschort .
Het bepaalt voorts, dat "de in lid 1 bedoelde maatregelen slechts mogen worden getroffen in de mate en voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk zijn ... Zij kunnen worden beperkt tot produkten met een bepaalde ... kwaliteit of aanbiedingsvorm ".
In de considerans van verordening nr . 2742/82 van de Commissie ( PB 1982, L 290, blz . 28 ) werd overwogen, dat voor rozijnen beschermende maatregelen nodig waren, omdat in het verkoopseizoen 1981/1982 de prijzen bij invoer wezenlijk lager waren dan de in de Gemeenschap geldende prijzen, zodat in oktober 1982 60% van de oogst van sultanarozijnen van dat seizoen nog niet was afgezet . Hierdoor werd de markt van de Gemeenschap ernstig verstoord, zodat de in artikel 39 van het Verdrag genoemde doeleinden in gevaar konden worden gebracht .
Voor de invoer van rozijnen werd aanvankelijk een minimumprijs van 106,7 ecu per 100 kg nettogewicht vastgesteld . Artikel 2, lid 2, legde een compenserende heffing op van 16,0 ecu per 100 kg nettogewicht ingeval de minimumprijs niet in acht werd genomen .
De in ecu vastgestelde minimumprijs en compenserende heffing dienden voor de vergelijking met de contractprijs in de nationale munteenheid te worden omgerekend op de dag van de vervulling van de douaneformaliteiten ( artikelen 2 en 3 van verordening nr . 2742/82 ). Voor die omrekening waren - periodiek herziene - coëfficiënten bepaald . Op het voor de onderhavige zaak relevante tijdstip golden de bij verordening nr . 2186/83 van de Commissie ( PB 1983, L 210, blz . 11 ) vastgestelde coëfficiënten .
De feiten die tot de onderhavige verwijzingsbeschikking aanleiding hebben gegeven, kunnen kort worden samengevat . Verzoekster in het hoofdgeding ( hierna : verzoekster ) importeerde in februari en maart 1984 drie partijen Turkse sultanarozijnen en gaf daarvoor telkens een invoerprijs aan die hoger was dan de minimumprijs . Een onderzoek van de douane bracht later aan het licht, dat de werkelijke contractprijs lager was dan de MIP . Daarom werden compenserende heffingen opgelegd voor een totaal van 20 174,70 DM . Met het betoog dat de destijds toepasselijke verordeningen ongeldig waren, verlangt verzoekster thans teruggave van dat bedrag . De zaak werd aanhangig gemaakt voor het Finanzgericht Duesseldorf, dat de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld :
"1 ) Bevat artikel 14 van verordening ( EEG ) nr . 516/77 junctis de artikelen 1 en 2 van verordening ( EEG ) nr . 521/77 een voldoende bepaalde, de wezenlijke criteria vastleggende machtiging voor beschermende maatregelen van de Commissie in de zin van verordening nr . 2742/82?
2 ) Subsidiair : Moet het begrip "als gevolg van de invoer" in artikel 14 van verordening ( EEG ) nr . 516/77 en artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 521/77 aldus worden uitgelegd, dat importen uit derde landen ten tijde van de vaststelling van verordening ( EEG ) nr . 2186/83 en ook nog ten tijde van verzoeksters importen de wezenlijke oorzaak van de verstoring moeten zijn geweest?
3 ) Subsidair : Moet artikel 2, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 521/77 junctis de artikelen 13 en 14 van verordening ( EEG ) nr . 516/77 en artikel 155 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat de Commissie niet gerechtigd was, in het geval van niet-inachtneming van de vastgestelde minimumprijzen bij invoer de toepassing van een compenserende heffing voor te schrijven?
4 ) Subsidiair : Moet artikel 2, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 521/77 junctis de artikelen 13 en 14 van verordening ( EEG ) nr . 516/77 aldus worden uitgelegd, dat de Commissie niet gerechtigd is, compenserende heffingen globaal zo vast te stellen, dat zij hoger zijn dan het verschil tussen de vastgestelde minimumprijs en de prijs bij invoer?
5 ) Subsidiair : Is de in artikel 2, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2742/82 vastgestelde minimumprijs onwettig, omdat hij niet op grond van objectieve criteria is berekend en niet gemotiveerd is?
De derde, vierde en vijfde vraag betreffen vraagpunten die reeds in de zaak NFDTA zijn gerezen . In de argumenten van partijen in de onderhavige zaak vind ik geen gronden om een ander standpunt in te nemen dan ik in mijn conclusie in die zaak heb uiteengezet, en ik verwijs derhalve naar die conclusie .
In zijn arrest in de zaak NFDTA heeft het Hof weliswaar het opleggen van compenserende heffingen, ofschoon die door artikel 2 van verordening nr . 521/77 niet uidrukkelijk zijn toegelaten, aangemerkt als een passend middel om een MIP-stelsel te doen eerbiedigen, en verklaarde het dat daarvoor een forfaitair bedrag mocht worden vastgesteld en dat een en ander voldoende was gemotiveerd, maar het overwoog ook, dat "het instellen van één compenserende heffing met een vast bedrag, die zelfs wordt toegepast wanneer het verschil tussen de invoerprijs en de minimumprijs erg klein is, gelijkstaat met het opleggen van een economische sanctie" en dat de Commissie niet had aangetoond dat een dergelijke regeling noodzakelijk was om het doel van het MIP-stelsel te bereiken . Het Hof verklaarde derhalve verordening nr . 2742/82 ( en mijns inziens dus ook alle latere wijzigingsverordeningen ) ongeldig "voor zover daarbij een compenserende heffing met een vast bedrag, gelijk aan het verschil tussen de minimumprijs en de laagste prijs op de wereldmarkt, is ingevoerd" ( r.o . 32 en 33 ).
De eerste en de tweede vraag stellen nieuwe punten aan de orde, zodat die twee vragen nader moeten worden onderzocht, ook al kan verzoeksters vordering worden toegewezen op grond van het arrest in de zaak NDFTA .
Het belangrijkste verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak NDFTA blijkt uit de eerste vraag : verzoekster bestrijdt zowel de verordeningen van de Raad die de grondslag van het MIP-stelsel vormen, als de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen van de Commissie . Zij betoogt, dat de machtigingsbepalingen zeer nauwkeurig moeten zijn, vooral omdat, anders dan in anti-dumpingprocedures het geval is, de belanghebbende partijen niet worden gehoord, en dat, nu de belanghebbenden in het stelsel van de gemeenschappelijke marktordening voor op basis van groenten en fruit verwerkte produkten geen rol is toebedacht, het Hof van Justitie dat moet compenseren door een diepgaand onderzoek van de feiten waarop de gemeenschapsinstellingen zich bij de invoering van het MIP-stelsel hebben gebaseerd . Zou het Hof niet tot zo een toetsing overgaan, dan zou dat in strijd zijn met de rechten die de Duitse grondwet verzoekster waarborgt .
Daarvan uitgaande, komt verzoekster tot de conclusie, dat verordening nr . 521/77 van de Raad nietig is . Terwijl zij eigenlijk gedetailleerde regels zou moeten bevatten ter uitvoering van de algemene voorschriften van artikel 14 van verordening nr . 516/77 van de Raad, is haar inhoud in feite nauwelijks minder algemeen dan die van artikel 14 en draagt zij in wezen de bevoegdheid van de Raad volledig aan de Commissie over . Verzoekster stelt dat het hier om een veel te ruime bevoegdheidsoverdracht gaat, die in strijd is met de artikelen 4, 43, 145 en 155 EEG-Verdrag, alsmede met de normenhiërarchie en het legaliteitsbeginsel .
Artikel 155 bepaalt, dat de Commissie onder meer "de bevoegdheden ( uitoefent ) welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt ".
De Raad, die alleen opmerkingen met betrekking tot de eerste vraag heeft ingediend, is van opvatting, dat de discretionaire bevoegdheid die de Commissie in verordening nr . 521/77 is verleend, de eerder door het Hof aanvaardbaar geachte grenzen niet overschrijdt en een normale uitoefening vormt van de in artikel 155 EEG-Verdrag verleende bevoegdheid . Die bevoegdheid is voldoende bepaald om volledige rechterlijke toetsing mogelijk te maken .
De Raad en de Commissie verwijzen beide naar de uitspraak van het Hof in zaak 25/70 ( arrest van 17 december 1970, Koester, Jurispr . 1970, blz . 1161 ), volgens welke niet mag worden verlangd dat de verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid in al hun onderdelen door de Raad volgens de procedure van artikel 43 worden vastgesteld, mits "de hoofdzaken van de te regelen materie" maar zijn vastgelegd - zoals in verordening nr . 516/77 het geval was . Voorschriften ter uitvoering van basisverordeningen kunnen volgens een andere procedure worden vastgesteld, hetzij door de Raad zelf, hetzij door de Commissie krachtens machtiging overeenkomstig artikel 155, dat een facultatieve bepaling vormt die het aan de Raad overlaat "uit te maken van welke eventuele modaliteiten hij de uitoefening der aan de Commissie verleende bevoegdheid afhankelijk wenst te stellen ".
Beide instellingen beklemtonen voorts, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid dient te beschikken - die de Raad haar bijgevolg krachtens artikel 155 kan verlenen - ten einde de spoedmaatregelen te nemen die het gemeenschappelijk landbouwbeleid van dag tot dag kan vereisen ( zie bij voorbeeld het arrest van 30 oktober 1975, zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr . 1975, blz . 1279, 1300 ). Dat de aan de Commissie verleende discretionaire bevoegdheid passend omschreven was, blijkt volgens de Raad en de Commissie uit de beperkingen die eraan zijn gesteld door artikel 14 van verordening nr . 516/77 ( het moet om ernstige verstoringen gaan en de toepassing van de maatregelen moet worden beëindigd zodra de verstoring is verdwenen ) en door de artikelen 1 en 2 van verordening nr . 521/77 ( bepaling van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beslissing of er ernstige verstoringen zijn of dreigen te ontstaan, alsmede van de aard van de te nemen maatregelen en de omstandigheden waarin zij kunnen worden genomen ). In ieder geval was die bevoegdheid aan de controle van de Raad onderworpen ingevolge artikel 14, lid 3, van verordening nr . 516/77, waarbij aan de Raad bevoegdheid is verleend om op initiatief van een Lid-Staat tot wijziging of vernietiging van de verordening van de Commissie over te gaan .
Ik sluit mij bij die argumenten van de instellingen aan . De beoordelingsvrijheid die de Commissie bij verordening nr . 521/77 is verleend, is niet abnormaal of te ruim . Binnen passende en controleerbare grenzen moet de Commissie snel en doeltreffend kunnen handelen . Haar bevoegdheden ter zake waren duidelijk bepaald en hun uitoefening was vatbaar voor rechterlijke toetsing ( met hiernaast de in artikel 14, lid 3, van verordening nr . 516/77 aan de Raad verleende bevoegdheid ). Ik geef derhalve in overweging, de eerste vraag bevestigend te beantwoorden .
Wat de tweede vraag betreft, betoogt verzoekster, dat artikel 14 van verordening nr . 516/77 en artikel 1 van verordening nr . 521/77 aldus moeten worden uitgelegd, dat importen zoniet de enige, dan toch de wezenlijke oorzaak van de marktverstoring moeten zijn . Volgens haar was in casu aan de voorwaarden voor beschermende maatregelen niet voldaan : voor zover er van marktverstoring sprake was, was die niet of niet voornamelijk door importen veroorzaakt . Zij voert daarvoor hoofdzakelijk twee argumenten aan .
In de eerste plaats leidde het naast elkaar bestaan van omvangrijke communautaire en nationale steun, die ongeacht de kwaliteit werd toegekend, zowel tot een kunstmatige uitbreiding van produktie en tot hogere prijzen als tot een vermindering van de kwaliteit . In die omstandigheden is voor beschermende maatregelen geen rechtvaardiging te vinden . De Commissie erkent dat Griekenland steun verleende waarvoor geen toestemming was gegeven en die voor een deel onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, maar volgens haar was het effect van die steun op de gemeenschappelijke markt voor een deel gunstig geweest ( stijging van de Griekse verkoop binnen de Gemeenschap ) en voor een deel neutraal ( toeneming van de Griekse exporten buiten de Gemeenschap ). De Commissie zet haar onderzoek van de gestelde steunmaatregelen voort . Van zijn kant ontkende Griekenland ter terechtzitting met klem, dat het onwettige steun zou hebben verleend .
Geen der partijen wist het Hof gegevens te verschaffen over het bedrag of het doel van de nationale steun . De opmerkingen van verzoekster bevatten een aantal gegevens over de door de Gemeenschap krachtens de betrokken gemeenschappelijke marktordening betaalde steun, maar als ik verzoekster goed begrijp, dan is het niet haar bedoeling, dat stelsel te kritiseren ( tenzij misschien in verband met de GATT, maar daar kom ik later op terug ). Zij verwijst naar niet-goedgekeurde nationale steun die naast de communautaire steun is betaald . In mijn opvatting is het niet juist, dat het bestaan van nationale steun verhindert dat de Gemeenschap beschermende maatregelen zoals de in geding zijnde vaststelt . Evenmin lijkt het mij in casu bewezen, dat de marktverstoring door die steun is veroorzaakt . Die vraag dient uiteindelijk echter door de nationale rechter te worden onderzocht .
In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat de ingevoerde goederen niet gelijksoortig waren met de produktie van de Gemeenschap en bijgevolg geen verstoring van de markt konden veroorzaken . Het is dan de vraag, of er onderscheid moet worden gemaakt tussen gewone rozijnen en sultanarozijnen; deze vraag is in de zaak NDFTA al uitvoerig aan de orde geweest .
Verzoekster stelt, dat er naast krenten twee soorten gedroogde druiven bestaan : "Rosinen" ( gedroogde druiven met pitten, die althans in Duitsland niet meer worden verkocht ) en sultanarozijnen ( afkomstig van groene druiven zonder pitten ). Sultanarozijnen zijn weer in twee categorieën in te delen, namelijk lichte en donkere . Lichte sultanarozijnen worden in water gedompeld waaraan een kleine hoeveelheid potassiumcarbonaat en een droogmiddel is toegevoegd, waarna zij in de zon worden gedroogd; donkere sultanarozijnen worden, zonder een dergelijke behandeling, in de volle zon gedroogd . Donkere sultanarozijnen heten in Engeland en de Verenigde Staten "raisins ". Lichte sultanarozijnen worden verder onderverdeeld naar gelang zij al dan niet met sulfiet zijn behandeld . Om redenen van volksgezondheid zijn met sulfiet behandelde sultanarozijnen op de Duitse markt niet gewenst . Griekse sultanarozijnen zijn steeds met sulfiet behandeld, omdat zij alleen op die manier de kleur krijgen die de kopers verwachten te zien . Zij zijn dan ook ongeschikt voor verkoop in Duitsland en in bepaalde andere Lid-Staten . Verzoekster importeerde niet met sulfiet behandelde sultanarozijnen .
Deze indeling van gedroogde druiven verschilt niet wezenlijk van die welke in de zaak NDFTA is beschreven . Met name lijkt vast te staan, dat het produkt dat in Groot-Brittannië "raisins" wordt genoemd, van dezelfde soort druiven afkomstig is als Griekse sultanarozijnen, maar volgens een ander procédé wordt verkregen . De daartegen ingebrachte argumenten van de Commissie en de Griekse regering zijn in wezen dezelfde als die zij in de zaak NDFTA aanvoerden .
In die zaak was ik, ofschoon voorshands geneigd aan te nemen dat er verschil bestaat tussen donkere en lichte sultanarozijnen, de mening toegedaan dat dat eigenlijk een feitelijke kwestie was die door de verwijzende rechter moest worden beslecht, en dat het Hof er bij de behandeling van de prejudiciële vraag mocht van uitgaan, dat er een verschil bestond, daar dit mijns inziens niet noodzakelijkerwijs meebracht dat de Commissie haar bevoegdheden had overschreden door een minimuminvoerprijs en een compenserende heffing op te leggen voor alle gedroogde druiven behalve krenten . Zoals ik immers in mijn conclusie in de zaak NDFTA stelde, kan "de invoer van een produkt dat niet in de Gemeenschap wordt geproduceerd ... de communautaire markt van een in de Gemeenschap vervaardigd produkt ernstig ... verstoren ". Inzonderheid behoeven volgens artikel 14 van verordening nr . 516/77 van de Raad de eventueel getroffen maatregelen niet enkel voor de invoer van gelijksoortige produkten te gelden .
In zijn arrest in die zaak overwoog het Hof, dat weliswaar niet behoefde te worden nagegaan of "rozijnen" in twee categorieën kunnen worden onderscheiden, namelijk ( donkere ) gewone rozijnen en ( lichte ) sultanarozijnen ( r.o . 12 ), maar dat NDFTA niet had aangetoond dat "deze twee produkten niet in dezelfde behoeften kunnen voorzien, zodat zij niet-substitueerbaar kunnen worden geacht" ( r.o . 13 ). Het Hof zag het probleem dus als een bewijskwestie (" de opvatting van de Commissie, dat deze twee categorieën rozijnen substitueerbaar zijn, ( dient ) te worden aanvaard, tenzij wordt bewezen dat deze twee produkten niet in dezelfde behoeften kunnen voorzien, zodat zij niet-substitueerbaar kunnen worden geacht "). Het verklaarde met zoveel woorden, dat voor dit probleem niet alleen "de kookgewoonten in bepaalde streken van Groot-Brittannië en Ierland" bepalend mochten zijn . Bovendien hechtte het Hof geen belang, respectievelijk besteedde het geen aandacht aan de toelichting in de schriftelijke opmerkingen van NDFTA over de respectieve geschiktheid van gewone rozijnen en sultanarozijnen voor de in de voedingsindustrie toegepaste procédés ( anders dan voor gewoon keukengebruik ) - zoals vriesdroging, verhitting, verwerking in deegwaren, suikerwerk en ontbijtgraanprodukten - evenmin als aan de niet weersproken verklaring van NDFTA, dat er in bepaalde Lid-Staten geen traditie bestaat om donkere sultanarozijnen te gebruiken .
In deze procedure, die reeds aanhangig was toen de terechtzitting in de zaak NDFTA plaatsvond, beschikt het Hof over nadere informatie waaruit blijkt dat de twee soorten rozijnen in een derde Lid-Staat - althans voor bepaalde doeleinden - als niet-substitueerbaar worden beschouwd . Ter terechtzitting vernamen wij verder, dat dat ook in Nederland het geval is en dat de behandeling van een overeenkomstige zaak aldaar was opgeschort totdat over de twee verwijzingen uitspraak zou zijn gedaan . Het probleem lijkt mij dus niet tot een bepaalde streek of Lid-Staat beperkt te zijn .
Voor zover het echter de vraag zou zijn, of de Commissie over afdoende bewijsmateriaal beschikte om te beslissen dat de produkten onderling vervangbaar waren, meen ik, dat in deze zaak niet is gebleken dat het Hof tot een andere oplossing zou moeten komen dan in de zaak NDFTA .
Gaat het daarentegen om de bewijsvoering in rechte - en niet over het bewijs in de procedure voor de Commissie -, dan blijf ik van opvatting dat de substitueerbaarheid een feitelijke kwestie is, waarover de nationale rechter heeft te beslissen aan de hand van de gegevens waarover hij beschikt . Komt de nationale rechter tot het besluit dat de produkten onderling vervangbaar zijn, dan zal hij ongetwijfeld de uitspraak in de zaak NDFTA volgen, waarin voor het geval van substitueerbaarheid is vastgesteld, dat de Commissie geen ongelijk had met haar mening, dat de stijging van de importen uit derde landen, met name uit Turkije, op een ogenblik dat de wereldmarktprijzen daalden, een verstoring van de gemeenschappelijke markt dreigde te veroorzaken . Komt de nationale rechter tot de conclusie dat er verschil bestaat tussen de produkten van de Gemeenschap en de door verzoekster geïmporteerde produkten, dan moet hij beslissen of die importen op het betrokken tijdstip op de gemeenschappelijke markt een ernstige verstoring voor het communautaire produkt veroorzaakten of dreigden te veroorzaken .
Deze beide argumenten betreffen de vraag in hoeverre de importen daadwerkelijk een ernstige verstoring veroorzaakten of dreigden te veroorzaken . Volgens de Commissie behoeft niet te worden aangetoond, dat de importen de voornaamste oorzaak van de verstoring vormden . Dat criterium ware niet bruikbaar . Onderling verbonden factoren scheppen namelijk de marktvoorwaarden of verstoren deze : de algemene economische situatie, de produktiekosten ( bij sommige waarvan politieke factoren een rol spelen, zoals de inkomenswaarborg in de gemeenschappelijke marktordeningen ) het weer - waarvan afhangt of de oogst goed of slecht is - en de consumptievraag . De combinatie van die factoren bepaalt, of importeren al dan niet aantrekkelijk is . Zijn de prijzen binnen de Gemeenschap hoog bij voldoende vraag, dan zal invoer tegen een lagere kostprijs worden nagestreefd . Wanneer dat voor de producenten binnen de Gemeenschap problemen veroorzaakt, kan men dan zeggen dat hun problemen, al dan niet in de eerste plaats, door die importen zijn veroorzaakt?
De verordeningen machtigen de Commissie om in te grijpen wanneer de markt "als gevolg van de invoer" verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan . Mijns inziens is daarmee bedoeld, dat de importen een wezenlijke of belangrijke factor van verstoring of bedreiging van de markt vormen, en dat die factor door beschermende maatregelen kan worden beïnvloed . Is de daadwerkelijke oorzaak van de verstoring ( of van het gevaar voor verstoring ) een andere, zodat beschermende maatregelen met betrekking tot de invoer de verstoring niet werkelijk beïnvloeden, dan zijn de verstoring of het gevaar voor verstoring geen gevolg van de invoer . Aan de andere kant is het mijns inziens niet vereist, dat de importen de enige of zelfs maar de "voornaamste" oorzaak van de marktverstoring of de enige of voornaamste bedreiging voor de markt vormen . Anders zou het gebruik van beschermende maatregelen in veel gevallen uitgesloten zijn, met name wanneer de importen een wezenlijk of belangrijk effect hebben of dreigen te hebben op de stabiliteit van de markt, maar ook andere factoren een rol spelen . In casu komt het mij voor, dat indien sultanarozijnen en gewone rozijnen onderling vervangbaar moeten worden geacht, de Commissie duidelijk redenen had om te besluiten dat de invoer een wezenlijke of belangrijke factor vormde . Indien die twee produkten niet echt substitueerbaar zijn, dan zal de nationale rechter moeten onderzoeken of de invoer van het ene produkt een wezenlijk of belangrijk effect had op de markt van het andere produkt .
Verzoekster heeft naar artikel 3 van verordening nr . 521/77 verwezen, dat bepaalt dat "bij de toepassing van deze verordening de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die de Gemeenschap in internationaal verband binden, in acht ( worden genomen )". Zij betoogt, dat de Gemeenschap derhalve de GATT - inzonderheid de artikelen XIX, II en XXIII - moet eerbiedigen . Zij refereert aan het GATT-panel-rapport L/5778 van 20 februari 1985, dat als titel heeft "The European Economic Community - production aids granted on canned peaches, canned pears, canned fruit cocktail and dried grapes ".
Deze problematiek is in de verwijzingsbeschikking niet aan de orde gesteld . Naar mijn gevoelen staaft verzoekster dit middel in ieder geval niet, en de conclusies van het GATT-panel lijken haar mijns inziens ook niet verder te helpen . Over dit vraagpunt behoeft volgens mij geen uitspraak te worden gedaan .
Op grond van een en ander geef ik het Hof bijgevolg in overweging, de vragen van het Finanzgericht Duesseldorf in die zin te beantwoorden, dat in deze procedure niet is gebleken dat de verordeningen nrs . 516/77 en 521/77 ongeldig zijn, maar dat de verordeningen tot vaststelling van het eerste minimuminvoerprijs-stelsel ( meer bepaald verordening nr . 2742/82 van de Commissie en de verordeningen tot wijziging daarvan ) ongeldig zijn, voor zover daarin een compenserende heffing wordt vastgesteld met een vast bedrag, ongeacht het verschil tussen de werkelijke invoerprijs en de minimuminvoerprijs . Voor de toepassing van beschermende maatregelen moet de invoer een wezenlijke oorzaak van de gestelde verstoring van de gemeenschappelijke markt vormen .
Over verzoeksters kosten heeft de verwijzende rechter te beslissen . De kosten door de Griekse regering en door de Raad en de Commissie gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy