Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij verordening nr . 2800/86 van 9 september 1986 ( PB 1986, L 259, blz . 14, hierna : de voorlopige verordening ) stelde de Commissie een voorlopig anti-dumpingrecht van 33% in voor vrieskasten van oorsprong uit de Sovjetunie . Technointorg is blijkbaar de enige die deze produkten vanuit de Sovjetunie naar de EEG exporteert . Bij een op 26 november 1986 ingediend verzoekschrift maakte Technointorg een procedure aanhangig tegen de Commissie, waarin zij nietigverklaring vorderde van verordening nr . 2800/86, althans voor zover deze, in het bijzonder in artikel 1, van toepassing was op Technointorg ( zaak 294/86 ). Bij een tweede verzoekschrift van 26 november 1986 ( zaak 294/86 R ) verzocht Technointorg het Hof in kort geding, de tenuitvoerlegging van verordening nr . 2800/86 ten aanzien van Technointorg op te schorten, op voorwaarde dat zij een waarborg bleef stellen voor het bedrag van het voorlopige anti-dumpingrecht . Bij beschikking van de president van het Hof van 17 december 1986 werd dit verzoek afgewezen en werd de beslissing omtrent de kosten aangehouden .
Bij verordening nr . 29/87 van 22 december 1986 ( PB 1987, L 6, blz . 1, hierna : de definitieve verordening ) stelde de Raad een definitief anti-dumpingrecht van 33% in voor dezelfde produkten ( artikel 1 ) en gelastte hij de definitieve inning van de bedragen die krachtens verordening nr . 2800/86 als waarborg waren gestort voor het voorlopige anti-dumpingrecht ( artikel 2 ). Bij een op 18 maart 1987 ingekomen verzoekschrift maakte Technointorg een procedure aanhangig tegen de Raad ( zaak 77/87 ), waarin zij nietigverklaring vorderde van verordening nr . 29/87 voor zover deze op haar van toepassing was . In die zaak worden deels argumenten aangevoerd die overeenkomen met die in zaak 294/86, en deels andere punten toegevoegd . Bij een tweede verzoekschrift van 18 maart 1987 ( zaak 77/87 R ) verzocht Technointorg in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr . 29/87 ten aanzien van haar, op voorwaarde dat zij een waarborg bleef stellen "voor de nakoming van de krachtens verordening nr . 2800/86 van de Commissie op haar rustende verplichting ". Bij beschikking van 23 maart 1987 liet de president van het Hof de Commissie toe om in zaak 77/87 R te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad . Bij beschikking van de president van het Hof van 9 april 1987 werd dit verzoek in kort geding afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden . Bij beschikking van 8 mei 1987 liet het Hof de Commissie toe om in zaak 77/87 te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad .
Bij beschikking van 8 juli 1987 heeft het Hof de zaken 294/86 en 77/87 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest .
In een telexbericht, door het Hof ontvangen op 20 maart 1987, stelde de Commissie dat de vordering in zaak 294/86 tot nietigverklaring van de voorlopige verordening zonder voorwerp was geraakt, aangezien het voorlopige anti-dumpingrecht dat bij die verordening was opgelegd, niet langer van kracht was . In een telexbericht van 6 april 1987 antwoordde Technointorg, dat het besluit van de Raad om over te gaan tot definitieve inning van de voorlopige anti-dumpingrechten, niet meer was dan een besluit aangaande de tenuitvoerlegging van de verordening van de Commissie waarbij de voorlopige anti-dumpingrechten waren ingesteld, en dat die rechten enkel kunnen worden teruggevorderd indien het Hof van Justitie de verordening van de Commissie nietig verklaart, waarbij zij zijn ingesteld . Dit betoog valt mijns inziens niet te rijmen met de regeling voor anti-dumpingmaatregelen, die is neergelegd in verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EEG ( PB 1984, L 201, blz 1, hierna : de basisverordening ). Op grond van de artikelen 11 en 12 van deze verordening en artikel 6 van de voorlopige verordening was laatstgenoemde niet meer van toepassing, behalve voor zover zij in de definitieve verordening was overgenomen, wat bij voorbeeld het geval was in overweging 14 van de definitieve verordening, die overweging 24 van de voorlopige verordening gedeeltelijk bekrachtigde, en in artikel 2 van de definitieve verordening, op grond waarvan de als voorlopig recht verkregen bedragen definitief werden geïnd . Delen van de voorlopige verordening, die aldus in de definitieve verordening zijn geïncorporeerd, moeten mijns inziens worden aangevochten via een actie tegen laatstgenoemde, hetgeen Technointorg in zaak 77/87 ook heeft gedaan . De delen van de voorlopige verordening, die niet aldus zijn bevestigd, zijn vervallen en er valt niets meer nietig te verklaren .
Technointorg voert aan, dat de voorlopige verordening, ondanks het feit dat de geldigheidsduur ervan is verstreken, een "blijvend economisch feit" in het leven heeft geroepen, dat nog steeds vatbaar is voor aparte rechterlijke toetsing . Dat de rechten nog steeds gelden, is echter uitsluitend het gevolg van de definitieve verordening . Op grond van de voorlopige verordening alleen zouden de voorlopige rechten zijn vervallen en hadden zij moeten worden gerestitueerd . Technointorg is er mijns inziens niet in geslaagd, een zelfstandig gevolg aan te wijzen, dat na de inwerkingtreding van de definitieve verordening ( 9.1.1987 ) nog aan de voorlopige verordening kon worden toegeschreven .
Technointorg zinspeelt ook op een niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie en stelt dat zij belang houdt bij de voortzetting van het beroep tot nietigverklaring van de voorlopige verordening, omdat elke door het Hof vastgestelde grond voor onwettigheid de grondslag kan vormen voor een schadevergoedingsactie . Noch in zaak 294/86 noch in zaak 77/87 vordert Technointorg schadevergoeding . Bovendien heeft zij geen verlies of schade gesteld die uit de voorlopige verordening zou kunnen voortvloeien, zelfs indien het Hof deze nietig zou verklaren . Dit argument biedt dus geen steun aan de conclusie, dat de voortzetting van zaak 294/86 na de inwerkingtreding van de definitieve verordening nog zinvol was .
Mijns inziens had zaak 294/86 na 9 januari 1987 dan ook geen enkel doel meer en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard; Technointorg dient in de kosten van de Commissie te worden verwezen . Over de in die zaak behandelde punten, moet in het kader van zaak 77/87 worden beslist .
In zaak 77/87 voert Technointorg ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring zeven middelen aan .
Het eerste middel klaagt over schending van het recht van de verdediging en van het wezenlijke procedurele vereiste, dat de betrokken partijen moeten worden gehoord . Zij voert hiertoe aan, dat zij de heer Astakhov, algemeen directeur van de met haar geassocieerde importeur in België, East-West Agencies - Technical and Optical Equipment Belgium SA - NV ( hierna : EWA ) volmacht had gegeven om namens haar in de betrokken anti-dumpingprocedure op te treden, en dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten, hem om inlichtingen te vragen of hem een vragenlijst voor exporteurs toe te zenden . Dit zou ook in strijd zijn met artikel 7, lid 1, sub b, van de basisverordening, dat de Commissie verplicht om exporteurs van de inleiding van een anti-dumpingprocedure op de hoogte te stellen .
De stelling van Technointorg wordt mijns inziens niet door de feiten geschraagd . De Commissie heeft de inleiding van de betrokken anti-dumpingprocedure aangekondigd in een mededeling ( 85/C 319/05 ) die op 11 december 1985 in het Publikatieblad is gepubliceerd ( PB 1985, C 319, blz . 3 ) en waarin een termijn werd gesteld ( vóór 17.1.1986 ) waarbinnen de belanghebbenden informatie konden verstrekken of konden verzoeken om te worden gehoord . In december 1985 werd een kopie van deze mededeling met een vragenlijst voor exporteurs naar Technointorg gestuurd op haar adres in Moskou . De Raad stelt, dat zij op 13 december aangetekend zijn verzonden, maar het door het postkantoor afgegeven bewijs van ontvangst, dat aan het Hof is overgelegd, is gedateerd 17 december . Ik ga ervan uit, dat de mededeling en de vragenlijst op zijn laatst op 17 december 1985 zijn verstuurd . De Raad zegt ook dat op 13 december 1985 aan Technointorg in Moskou onder het telexnummer dat later door Technointorg is gebruikt voor telexberichten aan de Commissie, een telexbericht is gestuurd met de mededeling dat de vragenlijst was opgestuurd . Technointorg ontkent dat zij dit telexbericht heeft ontvangen . De Commissie zegt, dat op 13 februari 1986 nog een telexbericht aan Technointorg is verstuurd, maar dat hierop geen antwoord is ontvangen . Wat er ook zij van deze telexberichten, duidelijk is dat de brief met de vragenlijst is ontvangen, want op 19 februari 1986 zond Technointorg een telexbericht aan de Commissie waarin zij bevestigde dat zij deze "pas een paar dagen geleden" had ontvangen en verzocht om een verlenging van de termijn voor antwoord tot maart 1986 . Hiermee heeft de Commissie voldaan aan haar verplichting ex artikel 7, lid 1, sub b, van de basisverordening om de exporteur in te lichten .
Wat de heer Astakhov aangaat, stelt Technointorg dat de Commissie op 14 februari 1986 een kopie van zijn volmacht heeft ontvangen ( die gedateerd was 23.12.1985 ). De Commissie ontkent dit en er is hiervoor geen enkel bewijs . Opgemerkt zij, dat de brief van EWA aan de Commissie van 14 februari 1986, die door Astakhov is getekend, geen melding maakt van de volmacht of zelfs van Technointorg . Hij kan in redelijkheid worden gelezen als een brief namens de importeurs aan wie ook een vragenlijst voor importeurs was gestuurd . De Commissie stelt, dat zij voor het eerst iets hoorde over Astakhovs hoedanigheid van gevolmachtigde in een telexbericht van Technointorg van 27 februari 1986 en dat zij de volmacht pas op 7 maart 1986 ontving als bijlage bij een brief met de antwoorden op de vragenlijst die aan de importeurs was gestuurd . Het telexbericht van 27 februari 1986 zegt niet dat er al een volmacht was opgestuurd en ik wil wel aannemen, dat de Commissie voor 27 februari 1986 niet wist dat de heer Astakhov gemachtigd was . Uit niets in de stukken blijkt, dat zij eerder kennisgeving van die machtiging had gekregen . Nu Technointorg op 19 februari de ontvangst van de vragenlijst had bevestigd en door haar verzoek om uitstel impliciet te kennen had gegeven dat zij deze zou beantwoorden, waren de gemeenschapsinstanties niet verplicht zelf contact op te nemen met Astakhov, totdat zij antwoord op de vragenlijst kregen . Een eigenaardig detail van deze zaak is, dat EWA de Commissie op 10 maart 1986 per telexbericht lijkt te hebben meegedeeld, dat Technointorg had gevraagd of de vragenlijst voor exporteurs wel naar het juiste adres in de USSR was gestuurd, terwijl Technointorg al op 19 februari 1986 per telexbericht de ontvangst hiervan had bevestigd . Bovendien stelt de Commissie onweersproken, dat EWA op 3 maart telefonisch en op 14 maart 1986 per telexbericht was meegedeeld, dat een vragenlijst aan Technointorg was opgestuurd waarop geen antwoord was ontvangen .
Astakhov had een of meer bijeenkomsten met ambtenaren van de Commissie, onder meer op 1 april 1986 . Bovendien verstrekte EWA in de loop van 1986 inlichtingen over het standpunt van de importeur . Dat wil zeggen dat Astakhov of zijn collega' s contact hadden met de Commissie . Technointorg zegt, dat Astakhov geen specifieke vragen zijn voorgelegd over het standpunt van Technointorg en over de verbintenissen waartoe zij bereid zou zijn en dat hem niet is verzocht het vragenformulier in te vullen . Mijns inziens had hij echter de gelegenheid om namens Technointorg gegevens te verstrekken en argumenten aan te voeren en om de ingevulde vragenlijst in te leveren, ongeacht of hem specifiek hierom was verzocht . Het betoog van Technointorg ter terechtzitting, dat "indien de Commissie had gezegd 'vul de vragenlijst in' , wij dat hadden gedaan" en dat de schuld bij de Commissie ligt, vind ik onaanvaardbaar . De Commissie had ondubbelzinnig duidelijk gemaakt, dat zij de vragenlijst had opgestuurd en antwoord wenste .
De vragenlijst voor exporteurs is in werkelijkheid nooit ingevuld . In anti-dumpingprocedures hebben de gemeenschapsinstanties maar beperkte onderzoeksbevoegdheden en zijn zij grotendeels afhankelijk van de inlichtingen van in het bijzonder de betrokken exporteurs . Zij zijn kennelijk afhankelijk van de antwoorden op de vragenlijst voor exporteurs om de situatie in grote lijnen te kunnen beoordelen en om te kunnen vaststellen welke verdere punten eventueel moeten worden opgehelderd, bij voorbeeld door verificatiebezoeken . Technointorg heeft zelf nagelaten om de basisgegevens te verstrekken, waaruit andere stappen in het onderzoek konden voortvloeien . Onder die omstandigheden konden de gemeenschapsinstanties zich mijns inziens zonder meer beroepen op artikel 7, lid 7, sub b, van de basisverordening, op grond waarvan zij, indien inlichtingen worden achtergehouden, hun conclusies mogen trekken op basis van de beschikbare gegevens .
Onder deze omstandigheden moet Technointorg' s argument, dat de rechten van de verdediging of het recht van hoor en wederhoor zijn geschonden, mijns inziens worden verworpen .
In haar tweede middel stelt Technointorg schending van artikel 190 EEG-Verdrag en van het algemene rechtsbeginsel, dat besluiten met redenen moeten zijn omkleed . De kritiek van Technointorg richt zich op de overwegingen 14, 17 en 18 van de definitieve verordening en op overweging 33 van de voorlopige verordening, omdat deze onvoldoende toelichting geven op : a ) de definitie van het marktaandeel van Technointorg, respectievelijk b ) het begrip gemeenschapsbelang, en zij onvoldoende verklaren c ) waarom 33% adequaat werd geacht om de schade op te heffen die aan de bedrijfstak van de Gemeenschap is berokkend .
Met betrekking tot het marktaandeel is het bezwaar van Technointorg, dat overweging 14 enkel spreekt van de vergroting van haar marktaandeel in het Verenigd Koninkrijk en in België, terwijl hieruit niet volgt, dat haar marktaandeel in de EEG als geheel naar evenredigheid is toegenomen of dat aan de bedrijfstak van de EEG als geheel schade is berokkend . Deze klacht gaat voorbij aan de eerste volzin van de derde alinea van overweging 14, die duidelijk maakt, dat het marktaandeel van Technointorg in de EEG als geheel is toegenomen ( daar ondanks stabiel verbruik in de Gemeenschap de invoer vanuit de Sovjetunie tussen 1981 en 1985 met meer dan 20 000 eenheden was toegenomen ); zij gaat eveneens voorbij aan overweging 13, waarin de constateringen worden onderschreven die de Commissie in dit verband had gedaan in de voorlopige verordening, die dit onderwerp vrij gedetailleerd behandelt, in het bijzonder in overweging 23 . Deze klacht mist bijgevolg feitelijke grondslag en moet mijns inziens worden verworpen .
Technointorg betoogt, dat overweging 17 niet verklaart waarom het gemeenschapsbelang voor moest gaan boven het belang van importeur Peja Import BV bij voortzetting van de invoer van de betrokken produkten . In de overweging wordt evenwel uiteengezet, dat het gemeenschapsbelang voor moet gaan "vanwege de moeilijkheden waarmee de bedrijfstak van de Gemeenschap van diepvriezers te kampen heeft en gelet op het economische en sociale belang daarvan ". Dit is mijns inziens een adequate motivering die aan de eisen van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet; de stelling van Technointorg moet dan ook mijns inziens worden verworpen .
Soortgelijke overwegingen gelden met betrekking tot overweging 33 van de voorlopige verordening en overweging 18 van de definitieve verordening, die gaan over de hoogte van het recht . De vastgestelde dumpingmarge bedroeg 204 %. Ingevolge artikel 13, lid 3, van de basisverordening moest het bedrag van het recht lager zijn dan die marge, "indien lagere rechten voldoende zijn om de schade op te heffen ". De twee genoemde overwegingen zetten uiteen, waarom een heffing van 33% toereikend is om die schade op te heffen ( door de verkoopprijs die nodig is om efficiënte producenten van de Gemeenschap een redelijke winstmarge te verzekeren, te vergelijken met de verkoopprijzen in de Gemeenschap van de met dumping ingevoerde goederen ) en zijn mijns inziens gedetailleerd en duidelijk genoeg om aan de eisen van artikel 190 EEG-Verdrag te voldoen .
Het tweede middel acht ik bijgevolg ongegrond .
In haar derde middel stelt Technointorg schending van artikel 2, lid 5, van de basisverordening en van artikel 190 EEG-Verdrag .
Op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening moet de normale waarde van importen uit landen die geen markteconomie hebben ( zoals de Sovjetunie ), "op passende en niet onredelijke wijze" worden vastgesteld op basis van a ) de prijs waartegen een soortgelijk produkt van een derde land met een markteconomie werkelijk wordt verkocht, b ) de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie of, bij gebreke daarvan c ) de werkelijke prijs van een soortgelijk produkt in de Gemeenschap, zo nodig naar behoren aangepast om er een redelijke winst in op te nemen . Overweging 8 van de voorlopige verordening vermeldt, dat Spanje ( dat destijds nog niet tot de EEG behoorde ) voor dit doel was voorgesteld als land van vergelijking, maar dat dit op bezwaren was gestuit van onder meer een importeur die met de Sovjetexporteur gelieerd was, en dat : "de Commissie van mening was, en deze keuze is door geen der partijen aangevochten, dat de op de binnenlandse Joegoslavische markt toegepaste prijzen een passende en niet onredelijke grondslag voor vergelijking boden ".
Technointorg betwist de stelling in deze overweging, dat geen van de partijen de keuze van Joegoslavië heeft aangevochten, met het argument dat de Commissie Technointorg niet naar haar mening heeft gevraagd en de heer Astakhov niet om inlichtingen heeft verzocht . Mijns inziens was de Commissie hiertoe ook niet verplicht . Het was een zaak van de betrokken partij om haar standpunt tijdig kenbaar te maken . Het is in confesso, dat Technointorg zich noch rechtstreeks noch indirect via Astakhov heeft uitgelaten over de keuze van het land van vergelijking tot na de oplegging van het voorlopige anti-dumpingrecht . Dientengevolge is de grief mijns inziens niet gegrond .
De grief is hoe dan ook irrelevant, omdat dat deel van de voorlopige verordening is vervangen door de definitieve verordening, waarvan overweging 6 luidt :
"Technointorg heeft de keuze van Joegoslavië als land van vergelijking aangevochten omdat enerzijds de produktiemethoden in Joegoslavië afwijkend zouden zijn van die in de Sovjetunie en anderzijds de koopkracht in Joegoslavië driemaal hoger zou zijn dan die in de Sovjetunie . De exporteur heeft evenwel ter staving van zijn stellingen geen bewijsmateriaal aangevoerd en bovendien geen enkel alternatief voor de keuze van een land van vergelijking geboden . Hoe dit ook zij, zelfs indien de door de exporteur naar voren gebrachte elementen gestaafd zouden zijn geworden door overtuigende feitelijke gegevens, zou het nodig geweest zijn over te gaan tot een aanvullend onderzoek dat om de reeds in overweging 4 van deze verordening uiteengezette redenen wordt uitgesloten ..."
Overweging 4 luidt als volgt :
"Na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht heeft Technointorg zich bereid verklaard volledig met de Commissie samen te werken . De Commissie vestigt er de aandacht op dat de exporteur ondanks deze verklaringen geen enkele inlichting ten aanzien van zijn uitvoer naar de Gemeenschap heeft verstrekt . Hoe dit ook zij, gezien het feit dat Technointorg zich niet binnen de bij de bekendmaking van het bericht van inleiding van de procedure gestelde termijn kenbaar heeft gemaakt, hadden de gegevens die door deze exporteur met betrekking tot zijn uitvoer naar de Gemeenschap zouden zijn ingediend, niet in aanmerking kunnen worden genomen zonder dat een aanvullend onderzoek zou zijn verricht . Nog afgezien van de aanvullende administratieve lastenverzwaring die dit met zich zou brengen, zou het verrichten van een dergelijk aanvullend onderzoek na de instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht andere partijen ertoe kunnen brengen niet reeds in de eerste fase van de procedure medewerking te verlenen doch zich eerst kenbaar te maken wanneer het zonder hun deelneming gedane onderzoek zou leiden tot voor hen nadelige resultaten ."
Technointorgs grief in verband met deze overwegingen is, dat de vraag of zij voor haar stelling enig bewijs heeft aangevoerd ( wat zij naar haar zeggen heeft gedaan ), door de Raad zelf volledig irrelevant wordt gemaakt met de opmerking, dat bij dergelijk bewijs aanvullend onderzoek nodig was geweest, wat hoe dan ook was uitgesloten .
Gezien het late stadium waarin Technointorg deze grief heeft aangevoerd, kent overweging 6 er mijns inziens voldoende gewicht aan toe . Overweging 4 zet het beleid van de gemeenschapsinstanties uiteen, dat zich ertegen verzet, dat in een laat stadium van de procedure een nader onderzoek wordt ingesteld om partijen ter wille te zijn die eerder hebben geweigerd deel te nemen aan het normale verloop van de procedure volgens de regeling van de basisverordening . Als algemene regel is dit een aanvaardbaar beleid, hoewel zich gevallen kunnen voordoen waarin het juist is om het onderzoek te heropenen wanneer - wat hier niet is gebeurd - de basisgegevens zijn verstrekt; de Commissie erkent dit . Een tegengestelde aanpak zou partijen die normaal deelnemen, discrimineren . Aanvaarding door het Hof van het betoog van Technointorg dreigt de procedurevoorschriften van de basisverordening te ondermijnen . Overwegingen 4 en 6 van de definitieve verordening zijn mijns inziens duidelijk en spreken voor zich zelf . Van schending van artikel 190 EEG-Verdrag kan dan ook geen sprake zijn . Ik geef het Hof daarom in overweging om het derde middel van Technointorg te verwerpen .
In haar vierde middel stelt Technointorg schending van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, aangezien de binnenlandse prijs op de Joegoslavische markt een onredelijk vergelijkingscriterium is in het geval van een exporteur uit de Sovjetunie, omdat : 1 ) de koopkracht van Joegoslavische consumenten, omgerekend in Belgische franken, bijna drie keer zo groot is als de koopkracht van de consumenten in de Sovjetunie, en 2 ) bepaalde onderdelen van diepvriezers die in Joegoslavië worden vervaardigd ofwel worden vervaardigd onder licenties van niet-Joegoslavische ondernemingen ( waarvoor royalties moeten worden betaald ), ofwel buiten Joegoslavië worden aangeschaft . De gemeenschapsinstanties hadden zonder bezwaar met deze factoren rekening kunnen houden indien zij niet waren uitgegaan van de werkelijke binnenlandse prijs in Joegoslavië, maar hadden besloten om een aangenomen normale waarde op de Joegoslavische markt te bepalen .
Dit laatste argument is niet steekhoudend . Wanneer de gemeenschapsinstanties de aangenomen normale waarde in een bepaald land ( hier : Joegoslavië ) bepalen, mogen zij geen rekening houden met kostenfactoren in andere landen ( in casu : de Sovjetunie ). Op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening hebben de gemeenschapsinstanties een zekere vrijheid om uit te gaan van een aangenomen waarde of van de werkelijke prijzen uit te gaan . Technointorg heeft niet aangetoond, dat zij deze vrijheid hebben misbruikt door in casu de binnenlandse prijzen in Joegoslavië als grondslag te kiezen voor de normale waarde; gezien de stukken mocht de Commissie deze als de beste maatstaf beschouwen .
De argumenten betreffende de koopkracht en de kosten van onderdelen gaan ook niet op, aangezien zij betrekking hebben op de koopkracht en kosten in een land zonder markteconomie ( de Sovjetunie ), terwijl het doel van artikel 2, lid 5, juist is om kosten en prijzen in dergelijke landen buiten beschouwing te laten, omdat zij niet voortvloeien uit de wetten van vraag en aanbod . Voor verschillen in kosten of prijzen tussen het land van vergelijking en het land van uitvoer behoeven dan ook op grond van dat artikel geen aanpassingen te worden aangebracht .
Op grond hiervan geef ik het Hof in overweging om het vierde middel van Technointorg te verwerpen .
In het vijfde middel stelt Technointorg schending van artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening . De Commissie zou door haar weigering om rekening te houden met andere factoren dan die genoemd in artikel 2, leden 9 en 10, geen "deugdelijke vergelijking" hebben gemaakt . De gemeenschapsinstanties hadden rekening moeten houden met de, reeds in het vierde middel genoemde, hogere lonen en kosten voor onderdelen in Joegoslavië, ook al zouden die wellicht niet onder de categorieën vallen, die in artikel 2, leden 9 en 10, van de basisverordening worden genoemd .
Met het oog op een deugdelijke vergelijking tussen exportprijs en normale waarde kan ingevolge artikel 2, leden 9 en 10, worden rekening gehouden met verschillen in fysieke hoedanigheden van het produkt, in hoeveelheid, in verkoopvoorwaarden en in invoerbelastingen en indirecte belastingen . De door Technointorg gestelde verschillen vallen onder geen van deze categorieën en ondanks het feit dat artikel 2, lid 10, richtsnoeren geeft en niet limitatief factoren opsomt, mochten de gemeenschapsinstanties mijns inziens de gestelde factoren buiten beschouwing laten . Ik stel daarom voor om het vijfde middel te verwerpen .
In het zesde middel stelt Technointorg schending van de artikelen 4, lid 1, en 11, lid 1, van de basisverordening en van artikel 190 EEG-Verdrag, aangezien de uitvoer van Technointorg, gesteld al dat die met dumping plaatsvond, geen aanmerkelijke schade heeft kunnen berokkenen aan de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel, maar enkel aan een kleine fractie van de gemeenschapsproducenten die in het onderste segment van de markt opereren . Gezien het geringe aantal eenheden dat Technointorg naar de EEG uitvoerde ( rond 20 000 in 1985 ) kan de bedrijfstak van de Gemeenschap onmogelijk aanmerkelijke schade hebben geleden door de uitvoer van Technointorg als zodanig, los van de uitvoer uit andere niet-EEG-landen, en de gemeenschapsinstanties hebben hun conclusie, dat er sprake was van cumulatieve schade, niet gemotiveerd .
Technointorg betoogt, dat de EEG-markt voor vrieskasten in twee volstrekt gescheiden segmenten is verdeeld . Een bovenste voor technisch verfijnde, dure diepvriezers van hoge kwaliteit en een onderste voor goedkope elementaire diepvriezers zonder tierelantijnen of dure promotiecampagnes . Volgens haar worden eerstgenoemde enkel door welvarende consumenten gekocht en laatstgenoemde enkel door arme . Ik ben het hier niet mee eens . Hoewel er goede gronden zijn om ( gelijk in overweging 6 van de verordening betreffende het voorlopige recht wordt gedaan ) onderscheid te maken tussen vrieskasten en vrieskisten, wordt niet gemotiveerd waarom vrieskasten ( de enige vriezers waar het hier om gaat ) voor de toepassing van artikel 4, leden 1 en 5, van de basisverordening niet alle kunnen worden beschouwd als "soortgelijke produkten ". Technointorg heeft geen serieus bewijs aangedragen voor haar stelling, dat zij als verschillende produkten moeten worden behandeld; wat de categorie potentiële kopers betreft, de conclusie dat de betrekkelijk gegoeden en de gegoeden noodzakelijkerwijze op de duurdere modellen afgaan lijkt mij niet dwingend . Niet alleen voor de in het betoog opgevoerde "arme immigranten", maar voor veel meer kopers kan een goedkoop simpel model aantrekkelijk zijn, wanneer het luxemodel veel duurder is . Voor kopers die anders modellen uit het doorsnee assortiment of het lagere assortiment zouden kopen, is het nog aantrekkelijker om het goedkope model te kopen .
Het argument dat haar produkten niet van dezelfde kwaliteit zijn als gemeenschapsprodukten, helpt haar al evenmin . Indien produkten kwalitatief niet met elkaar kunnen concurreren, is het alternatief prijsconcurrentie, en dat maakt de bescherming tegen oneerlijke prijsconcurrentie door dumping bijzonder noodzakelijk . Ten slotte probeert Technointorg zich te beroepen op het feit, dat de gemeenschapsinstanties voor de vaststelling van een prijsonderbieding haar produkten heeft vergeleken met de simpelste en goedkoopste EEG-produkten . Deze omstandigheid is mijns inziens voor het betoog irrelevant, want die vergelijking vindt plaats in het kader van het onderzoek naar een prijsonderbieding als bedoeld in artikel 4, lid 2, sub b, van de basisverordening en niet van de afbakening van het soortgelijke produkt voor de toepassing van artikel 4, leden 1 en 5 . Hoe dit ook zij, door de invoer uit de Sovjetunie te vergelijken met de simpelere en goedkopere EEG-produkten hebben de gemeenschapsinstanties de voor Technointorg gunstigste aanpak gekozen, en desondanks stelden zij aan de hand van gegevens die niet met succes zijn betwist, dumping en schade voor de producenten van de Gemeenschap vast .
Op een markt van 1,6 miljoen eenheden ( overweging 23 van de verordening betreffende het voorlopige recht ) zijn 20 000 eenheden mijns inziens niet rechtens te verwaarlozen . Bovendien is de omvang van de met dumping verrichte invoer slechts een van de factoren die voor de vaststelling van schade op grond van artikel 4, lid 2, van de basisverordening moet worden onderzocht . Het aantal eenheden dat Technointorg in 1985 naar de EEG heeft uitgevoerd, moge dan betrekkelijk bescheiden zijn geweest, de stijging van die uitvoer - die ook op grond van artikel 4, lid 2, moet worden onderzocht ( hetzij in absolute termen, hetzij ten opzichte van de produktie of het verbruik in de Gemeenschap ) - was aanzienlijk terwijl het verbruik in de Gemeenschap stabiel bleef . Technointorg is er mijns inziens niet in geslaagd, te bewijzen dat de raming van de gemeenschapsinstanties op dit punt gebrekkig was .
Met betrekking tot de beslissing van de gemeenschapsinstanties om het effect op de bedrijfstak van de Gemeenschap van de met dumping verrichte invoer van Technointorg te zamen te onderzoeken met die uit Joegoslavië en de Duitse Democratische Republiek, wil ik het volgende opmerken . Wanneer uit een aantal landen met dumping wordt ingevoerd, is het evident, dat deze importen een cumulatief effect hebben op de bedrijfstak van de Gemeenschap . De gemeenschapsinstanties moeten dan ook de mogelijkheid hebben om tegen alle exporteurs op te treden, zelfs indien de uitvoer van elke exporteur afzonderlijk betrekkelijk laag is . Om het doel van de basisverordening - bescherming tegen dumping - te kunnen bereiken, moeten de gemeenschapsinstanties bevoegd worden geacht, het totale effect van dumping van het soortgelijke produkt uit verschillende landen te onderzoeken, zoals hier is gebeurd . De tegengestelde opvatting van Technointorg moet dan ook worden verworpen .
Bovenstaande punten zijn uitgebreid besproken in de overwegingen 11 tot en met 15 van de definitieve verordening en overweging 24 van de voorlopige verordening, welke overweging uitdrukkelijk in de laatste alinea van overweging 14 van de definitieve verordening is bekrachtigd . De motivering was mijns inziens duidelijk en voldeed aan de eisen van artikel 190 EEG-Verdrag .
Ik geef het Hof daarom in overweging het zesde middel van Technointorg te verwerpen .
In haar zevende middel stelt Technointorg, dat inbreuk is gemaakt op artikel 10, leden 1 en 3, van de basisverordening, alsmede dat artikel 190 EEG-Verdrag en het non-discriminatiebeginsel zijn geschonden door de weigering van de Commissie om verbintenissen te aanvaarden die Technointorg had aangeboden en om met Technointorg verbintenissen te bespreken waartoe zij eventueel bereid zou zijn .
Technointorg heeft twee alternatieve verbintenissen aangeboden, de eerste op 22 oktober 1986, met een wijziging op 24 november 1986, en de tweede op 4 november 1986 . Overweging 16 van de definitieve verordening vermeldt, dat de Commissie beide verbintenissen van de hand heeft gewezen en Technointorg de redenen hiervoor heeft meegedeeld, en wel bij telexberichten van 18 en 28 november 1986 en een brief van 11 december 1986, die aan het Hof zijn overgelegd . Uit deze correspondentie blijkt, dat de aangeboden verbintenissen in drie opzichten ontoereikend werden geacht : 1 ) Technointorg stelde prijsverhogingen voor die veel lager waren dan voor de opheffing van de schade vereist was; 2 ) de prijsverhogingen waren gespreid over een aantal jaren, zodat het maximum percentage pas in 1989/1990 zou worden bereikt, en 3 ) de maximum prijsverhoging van 25% was afhankelijk gesteld van de opening van een nieuwe fabriek, een gebeurtenis waarover de gemeenschapsinstanties geen zeggenschap hebben . In het licht van deze omstandigheden, die niet door Technointorg worden ontkend, heeft de Commissie de grenzen van de discretionaire bevoegdheid die zij op grond van artikel 10 van de basisverordening heeft, mijns inziens niet overschreden toen zij de aangeboden verbintenissen verwierp .
Bovendien was de Commissie weliswaar niet bereid tot een onderhoud om de formulering van verbintenissen te bespreken - omdat Technointorg niet de nodige gegevens had verschaft -, maar zij heeft wel duidelijk gemaakt dat zij verbintenissen die haar zouden worden voorgelegd, in overweging zou nemen .
Met betrekking tot de beweerde discriminerende behandeling blijkt uit de correspondentie die aan het Hof is overgelegd, dat de Commissie, anders dan Technointorg stelt, steeds bereid was om de commentaren van Technointorg in overweging te nemen . Door de verbintenissen van de exporteurs in Joegoslavië en de Duitse Democratische Republiek te aanvaarden - wat in de voorlopige verordening is gebeurd -, maar die van Technointorg van de hand te wijzen, heeft de Commissie zich niet schuldig gemaakt aan discriminatie, aangezien eerstgenoemden in een andere situatie verkeerden . Blijkens overweging 34 van die verordening zouden de aanvaarde verbintenissen leiden tot een prijsverhoging die groot genoeg was om de door de dumping veroorzaakte schade op te heffen en was het mogelijk zich te vergewissen van de naleving van de aangeboden verbintenissen . Technointorg bood daarentegen ontoereikende prijsstijgingen aan en doordat zij de vragenlijst niet had ingevuld en geen gegevens had verstrekt, kon niet worden nagegaan of een effectief toezicht op de naleving van haar verbintenissen mogelijk was .
Het zevende middel acht ik daarom ongegrond .
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging :
- het beroep in zaak 294/86 niet-ontvankelijk te verklaren omdat het zonder voorwerp is geraakt, of om het te verwerpen op dezelfde gronden, mutatis mutandis, die tot de verwerping van het beroep in zaak 77/87 leiden, en Technointorg in die zaak te verwijzen in de kosten van de Commissie, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding, en
- het beroep in zaak 77/87 te verwerpen en Technointorg te verwijzen in de kosten van de Raad en de Commissie en de Raad, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy