Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De drie vragen die de High Court te Dublin heeft gesteld, zijn gerezen in een geding over de wettigheid van het besluit van de Ierse autoriteiten tot gedeeltelijke verbeurdverklaring van de waarborg die verzoeksters in het hoofdgeding hadden gesteld bij de aankoop van uitgebeend rundvlees uit de voorraden van het Ierse interventiebureau en bestemd voor uitvoer uit de Gemeenschap .
2 . In casu konden 20 van de door verzoeksters gekochte 166 ton rundvlees niet worden uitgevoerd, doordat zij werden gestolen toen zij zich in Engeland onder de hoede van een transportbedrijf bevonden .
3 . De eerste vraag van de verwijzende rechter luidt, kort gezegd, of artikel 16, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 2173/79 van de Commissie van 4 oktober 1979 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de afzet van rundvlees gekocht door de interventiebureaus ( PB 1979, L 251, blz . 12 ), aldus moet worden uitgelegd, dat het ook geldt voor een geval van overmacht in de zin van artikel 16, lid 2, van die verordening .
4 . Uit de opmerkingen van de Commissie blijkt echter, dat de betrokken vleesverkopen naar alle waarschijnlijkheid hebben plaatsgevonden op grond van de verordeningen nrs . 1929/82 en 2534/82 van de Commissie van 13 juli respectievelijk 15 september 1982 . ( 1 )
5 . Deze verordeningen bepaalden, dat het vlees moest worden "verkocht voor de export" en dat de verkoop moest plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van verordening nr . 985/81 van de Commissie van 9 april 1981 houdende uitvoeringsbepalingen voor de verkoop van voor uitvoer bestemd bevroren rundvlees uit interventievoorraden en houdende wijziging van verordening ( EEG ) nr . 1687/76 ( PB 1981, L 99, blz . 38 ).
6 . Artikel 1, lid 2, van verordening nr . 985/81 luidt : "Behoudens wanneer in deze verordening anders is bepaald, geschiedt de verkoop overeenkomstig verordening ( EEG ) nr . 2173/79, met name haar artikelen 2 tot en met 5, en verordening ( EEG ) nr . 1687/76 ."
7 . Volgens artikel 3, lid 2, van verordening nr . 985/81 wordt de ter garantie van de uitvoer gestelde waarborg slechts vrijgegeven na levering van het bewijs bedoeld in artikel 12 van verordening nr . 1687/76 van de Commissie van 30 juni 1976 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie ( PB 1976, L 190, blz . 1 ).
8 . Uit genoemd artikel 12 junctis de artikelen 2, lid 1, en 3, eerste alinea, sub a, ( zoals gewijzigd bij verordening nr . 2675/80 ( 2 )), volgt, dat dit bewijs juist betrekking moet hebben op het feit dat de voor uitvoer bestemde produkten het geografisch grondgebied van de Gemeenschap inderdaad hebben verlaten .
9 . Artikel 13, lid 4, van verordening nr . 1687/76 bepaalt - en artikel 3, lid 2, van verordening nr . 985/81 bevestigt dit -, dat de waarborg moet worden vrijgegeven wanneer aan die voorwaarde is voldaan . Artikel 13, lid 5, van eerstgenoemde verordening voegt daaraan toe : "Op verzoek van de belanghebbende kunnen de Lid-Staten de waarborg vrijgeven in gedeelten, naar evenredigheid van de hoeveelheden waarvoor het in lid 4 bedoelde bewijs is geleverd ."
10 . De situatie van produkten die als gevolg van overmacht niet het beoogde gebruik en/of de beoogde bestemming hebben gekregen, wordt uitdrukkelijk geregeld in artikel 11 van verordening nr . 1687/76 .
11 . Artikel 11, lid 1, luidt als volgt :
" 1 ) Wanneer als gevolg van overmacht niet kan worden voldaan aan de met betrekking tot het gebruik en/of de bestemming voorgeschreven voorwaarden, besluiten de instanties van de Lid-Staat waar de waarborg is gesteld of, indien geen waarborg is gesteld, de bevoegde instanties in de Lid-Staat waar de uitslag uit interventievoorraad heeft plaatsgevonden, op verzoek van de belanghebbende
a ) dat de voor de transactie voorgeschreven termijn wordt verlengd met de tijd die op grond van de aangevoerde omstandigheden nodig wordt geacht,
of
b ) dat de controle kan worden geacht te zijn verricht indien de produkten onherroepelijk te loor zijn gegaan .
Indien evenwel bij een geval van overmacht de sub a ) en b ) bedoelde maatregelen niet adequaat zijn, wordt zulks door de bevoegde instanties medegedeeld aan de Commissie, die de nodige maatregelen kan vaststellen volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr . 136/66/EEG en de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten ."
12 . Er is dus een nauwkeurige bepaling van gemeenschapsrecht die toelaat rekening te houden met gevallen van overmacht, wanneer van een interventiebureau gekocht, voor uitvoer uit de Gemeenschap bestemd vlees niet binnen de gestelde termijn zijn bestemming heeft bereikt .
13 . De erkenning van overmacht leidt echter niet automatisch tot vrijgifte van de waarborg . Naar gelang van de omstandigheden kunnen hetzij andere maatregelen worden genomen ( bijvoorbeeld verlenging van de voor de transactie voorgeschreven termijn ), hetzij het bewijs worden geleverd dat aan een tweede voorwaarde is voldaan, namelijk dat de goederen definitief verloren zijn gegaan .
14 . Gezien de voorgaande opmerkingen, die ten doel hadden het in de eerste prejudiciële vraag aan de orde gestelde probleem nauwkeurig te situeren in het juridisch kader zoals dat door de in de verwijzingsbeschikking van de High Court genoemde elementen wordt bepaald, geef ik in overweging de eerste vraag te beantwoorden als volgt :
" De situatie van een handelaar die, in het kader van een verkoop overeenkomstig de verordeningen nrs . 2173/79 en 985/81 van de Commissie, rundvlees uit interventievoorraden heeft gekocht, doch zijn verplichting om dat vlees uit de Gemeenschap uit te voeren, niet is nagekomen, moet worden beoordeeld in het licht van verordening nr . 1687/76 van de Commissie . Ingevolge artikel 11 van deze verordening is het bestaan van overmacht in een dergelijk geval een weliswaar noodzakelijke, doch op zich niet voldoende voorwaarde voor de vrijgifte van de als garantie voor de uitvoer gestelde waarborg ."
15 . Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag - leveren de feiten van de onderhavige zaak, zoals zij door de High Court te Dublin zijn weergegeven, een geval van overmacht op in de zin van artikel 11 van verordening nr . 1687/76? - wil ik, met de Ierse regering en de Commissie, in de eerste plaats herinneren aan het arrest van het Hof in zaak 42/79 ( Milch -, Fett - und Eier-Kontor, Jurispr . 1979, blz . 3703 ), waarvan de feiten veel op die van de onderhavige zaak lijken . De verzoekster in het hoofdgeding had tegen verlaagde prijs boter uit interventievoorraden gekocht op voorwaarde dat zij binnen 30 dagen uit de Gemeenschap zou worden uitgevoerd; zij verkocht ze echter door aan een derde, die ze uiteindelijk niet uitvoerde .
16 . Het Hof overwoog daaromtrent :
" Als de eerste koper in weerwil van deze regeling toch besluit de boter voor uitvoer door te verkopen, dan draagt hij jegens het interventiebureau alle risico' s die een zorgvuldig koopman bij een dergelijke transactie redelijkerwijs kan en moet voorzien, daaronder begrepen het risico dat de boter door bedrieglijke handelingen van een procuratiehouder van de derde aan haar bestemming wordt onttrokken . De mogelijkheid van een dergelijke gedraging is voor de koper, inzonderheid in de door de nationale rechter beschreven omstandigheden, geen volstrekt onvoorzienbaar risico . De onmogelijkheid om de boter daadwerkelijk uit te voeren, waarin de koper door vorenbedoelde verduistering komt te verkeren, kan derhalve niet worden beschouwd als een buitengewone en abnormale toestand die alle kenmerken vertoont van overmacht ..." ( r.o . 10 ).
17 . Nu is het vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 27 oktober 1987, zaak 109/76, Theodorakis, Jurispr . 1987, blz . 4319 ), dat de juiste betekenis van de term overmacht "moet worden vastgesteld naargelang van het wettelijk kader waarin de term bestemd is effect te sorteren" ( r.o . 6 ).
18 . Maar evenals in zaak 42/79 werd de rechtssituatie in de onderhavige zaak juist gekenmerkt door de krachtens de toepasselijke gemeenschapsverordeningen aan de koper opgelegde verplichting om de betrokken landbouwprodukten uit de Gemeenschap uit te voeren . Evenals in zaak 42/79 wordt de uitvoering van deze verplichting gegarandeerd door een waarborg die, behalve in geval van overmacht, slechts mag worden vrijgegeven wanneer de uitvoer inderdaad heeft plaatsgevonden .
19 . Daaruit mag men mijns inziens dus afleiden, dat ook in dit geval de koper van het betrokken rundvlees, indien hij niet zelf de uitvoer verzorgt, doch een derde daarmee belast, daarmee toch niet bevrijd is van zijn uitvoerverplichting . Integendeel, hij blijft tegenover het interventiebureau alle risico' s dragen die een zorgvuldig handelaar redelijkerwijs kan en moet voorzien, en hij blijft bijgevolg aansprakelijk voor onrechtmatig gedrag of nalatigheid van die derde .
20 . Dit geldt mijns inziens in casu te meer, nu de koper de produkten niet heeft verkocht, doch enkel een vervoerbedrijf heeft opgedragen ze uit te voeren .
21 . Men kan er zeker van zijn, dat indien het vlees was ontvreemd door een werknemer van verzoeksters uit een hun toebehorende loods of vrachtwagen, er geen sprake was geweest van overmacht . Een dergelijke gebeurtenis is niet volstrekt onvoorzienbaar noch volledig onontkoombaar .
22 . Iets wat echter geen overmacht zou zijn indien het zich bij de koper van het vlees zelf voordeed, kan ook niet worden beschouwd als een buitengewone en onvoorzienbare omstandigheid met ondanks alle betrachte zorgvuldigheid niet te voorkomen gevolgen, indien het zich voordoet bij een vervoerbedrijf, ook al is dit onafhankelijk van de koper en is het vervoer hem als onderaannemer opgedragen buiten medeweten van de koper .
23 . Volgens het arrest Reich ( 3 ) dient de handelaar ook de nodige oplettendheid te betrachten in zijn betrekkingen met het vervoerbedrijf, want er bestaan
" nalatigheden die bij een zorgvuldig importeur niet mogen voorkomen, hetzij bij het afsluiten van de koop - of de vervoerovereenkomst, hetzij bij het aansprakelijk stellen van de vervoerder" ( r.o . 4 ).
In dit verband wijst de Commissie er terecht op, dat indien Terrytrans ( het bedrijf dat rechtstreeks door verzoeksters met het vervoer was belast ) bevoegd was een onderaannemingsovereenkomst af te sluiten, verzoeksters indirect aansprakelijk zijn voor de handelingen van C . Ward en zijn "associé ". Is Terrytrans door een onderaannemer in te schakelen, haar boekje daarentegen te buiten gegaan, dan kunnen verzoeksters haar waarschijnlijk in rechte aanspreken .
24 . Ik geef dan ook in overweging, de tweede vraag ontkennend te beantwoorden en te verklaren voor recht :
" Wanneer een koper van voor uitvoer bestemd rundvlees uit interventievoorraden zijn exportverplichting niet kan nakomen als gevolg van frauduleuze handelingen en/of nalatigheid van een vervoerondernemer die buiten zijn medeweten als onderaannemer met het vervoer van de goederen is belast, levert dat geen overmacht op in de zin van artikel 11 van verordening nr . 1687/76 van de Commissie ."
25 . De derde vraag van de verwijzende rechter luidt, kort gezegd, of het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, verlangt, dat het interventiebureau het verbeurd te verklaren bedrag van de waarborg uitsluitend vaststelt op basis van de niet uitgevoerde hoeveelheid, of dat het verlangt, dat ook rekening wordt gehoudden met andere factoren, zoals die genoemd in vraag 3, sub c .
26 . Volgens vaste rechtspraak van het Hof, laatstelijk bevestigd in het arrest van 30 juni 1987 ( zaak 47/86, Roquette Frères, Jurispr . 1987 ), moet,
" ten einde vast te stellen of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, ... worden onderzocht of de daarin gebruikte middelen geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is" ( r.o . 19 ).
27 . Dit beginsel verlangt derhalve dat de sanctie op de niet-naleving van een communautaire verplichting niet verder gaat dan passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken .
28 . Volgens de considerans van de verordeningen nrs . 1929/82 en 2534/82 van de Commissie werd in casu beoogd, de grote voorraden vlees waarover het Franse en het Ierse interventiebureau beschikten, in bepaalde derde landen, waar er een markt voor was, af te zetten, om een langere opslag van dit vlees met alle daaraan verbonden kosten te voorkomen . Het met dat doel te koop aangeboden vlees was uitdrukkelijk voor de export bestemd en de waarborgregeling was juist bedoeld om de naleving van de uitvoerverplichting te verzekeren .
29 . De Ierse regering wijst er terecht op, dat wanneer een hoeveelheid van dat - bovendien erg goedkope - vlees niet wordt uitgevoerd, het gewoonlijk weer op de communautaire markt komt in plaats van een overeenkomstige hoeveelheid "gewoon" vlees, dat dan weer voor interventie wordt aangeboden .
30 . Het is echter ook vaste rechtspraak ( zie laatstelijk het arrest van 27 november 1986, zaak 21/85, Maas, Jurispr . 1986, blz . 3537 ), dat indien "de in geding zijnde verplichtingen moeten worden beschouwd als hoofdverplichtingen waarvan de nakoming van fundamenteel belang is voor het goed functioneren van een gemeenschapsregeling, de niet-nakoming ( daarvan ) met volledige verbeurte van de waarborg kan worden gesanctioneerd zonder dat dit tot schending van het evenredigheidsbeginsel leidt ..." ( r.o . 15 ).
31 . In het kader van de hierbedoelde regeling is verbeurte van de waarborg naar evenredigheid van de niet-uitgevoerde hoeveelheid dus stellig niet onevenredig met het beoogde doel .
32 . In artikel 13, lid 5, van verordening nr . 1687/76 is deze mogelijkheid trouwens uitdrukkelijk voorzien .
33 . Gezien het fundamentele belang van de uitvoerverplichting, verlangt het evenredigheidsbeginsel daarentegen niet, dat rekening wordt gehouden met andere overwegingen, uiteraard met uitzondering van gevallen van overmacht die gepaard gaan met het definitief verloren gaan van de goederen . In die gevallen doet zich eigenlijk in het geheel geen evenredigheidsprobleem voor en moet de waarborg in ieder geval geheel worden vrijgegeven .
34 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de derde vraag te beantwoorden als volgt :
" Wanneer een handelaar zich heeft verplicht een bepaalde hoeveelheid rundvlees uit te voeren en nalaat een gedeelte daarvan uit te voeren, wordt het evenredigheidsbeginsel correct toegepast indien de waarborg wordt vrijgegeven naar evenredigheid van de uitgevoerde hoeveelheid . Buiten het geval van overmacht behoeft het overige bedrag van de waarborg niet te worden vrijgegeven, ongeacht alle andere omstandigheden ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1929/82 van de Commissie van 13 juli 1982 betreffende de verkoop tegen vooraf vastgestelde prijs, van bepaalde door het Franse en Ierse interventiebureau opgeslagen en voor uitvoer bestemde soorten rundvlees zonder been ( PB 1982, L 209, blz . 34 ), en verordening ( EEG ) nr . 2534/82 van de Commissie van 15 september 1982 met dezelfde titel ( PB 1982, L 217, blz . 6 ).
( 2 ) Verordening ( EEG ) nr . 2675/80 van de Commissie van 17 oktober 1980 houdende wijziging van verordening ( EEG ) nr . 1687/76 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de controle op het gebruik en/of de bestemming van produkten uit interventie ( PB 1980, L 274, blz . 14 ).
( 3 ) Arrest van 20 februari 1975, zaak 64/74, Reich, Jurispr . 1975, blz . 261, 267 .
Full & Egal Universal Law Academy