Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . Het twistpunt in het geding waarin ik thans conclusie neem, is de samenstelling van het Economisch en Sociaal Comité ( hierna : ESC ) zoals die voor de periode van 21 september 1986 tot en met 20 september 1990 na raadpleging van de Commissie werd vastgesteld bij besluit van de Raad van 15 september 1986 . ( 1 )
2 . Zowel het EEG-Verdrag als het Euratom-Verdrag kent dit Comité - krachtens artikel 5 van de Overeenkomst betreffende bepaalde Instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, is er slechts één gemeenschappelijk Comité - dat bestaat "uit vertegenwoordigers van alle sectoren van het economische en sociale leven, met name van de producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, van de vrije beroepen en van het algemeen belang" ( aldus artikel 193 EEG-Verdrag, dat ingevolge artikel 5 van de Overeenkomst betreffende gemeenschappelijke instellingen de enige relevante bepaling is ). In artikel 195 EEG-Verdrag ( respectievelijk artikel 167 Euratom-Verdrag ) is eveneens vastgelegd, dat bij de samenstelling van het Comité rekening moet worden gehouden met de noodzaak, "aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging te verzekeren ". De leden worden aangewezen nadat iedere Lid-Staat een lijst heeft voorgelegd waarop tweemaal zoveel kandidaten voorkomen als er zetels zijn toegekend voor zijn onderdanen ( artikel 195 EEG-Verdrag; artikel 167 Euratom-Verdrag ). In het geval van de Italiaanse Republiek, die ( overeenkomstig artikel 194 EEG-Verdrag en artikel 166 Euratom-Verdrag ) over 24 zetels beschikt, moet die lijst dus 48 kandidaten bevatten . Krachtens artikel 19 van het Reglement van orde van het ESC ( 2 ) kunnen in het Comité drie groepen worden gevormd, die met name de werkgevers, de werknemers en de overige categorieën van het economische en sociale leven vertegenwoordigen . Daarom gebeurt de samenstelling van de nationale lijsten op dezelfde wijze en dus bevatte de Italiaanse lijst drie groepen van telkens acht hoofdkandidaten en evenveel reservekandidaten .
3 . Verzoekers in het onderhavige geding - de Confederazione Italiana Dirigenti di Azienda ( hierna : CIDA ), die ( zo is ons verteld ) in Italië exclusief de belangen van leidinggevend personeel behartigt; F . d' Elia, voorzitter van de CIDA en momenteel tevens voorzitter van de Confédération internationale des cadres, waarbij alle overeenkomstige nationale organisaties in Europa zijn aangesloten, en P . Marchesi, ondervoorzitter van de CIDA - bekritiseren het feit, dat twee vertegenwoordigers van het leidinggevend personeel op de Italiaanse lijst slechts als reservekandidaten van de derde groep waren opgenomen, zodat het ESC dat momenteel in functie is, over geen Italiaanse vertegenwoordiger van het leidinggevend personeel beschikt ( terwijl dit in 1982 wel het geval was, daar d' Elia toen als hoofdkandidaat was benoemd ).
4 . Daardoor wordt volgens hen het EEG-Verdrag in verscheidene opzichten geschonden en bijgevolg hebben zij tegen de Raad een beroep ingesteld waarin zij het Hof verzoeken het besluit inzake de benoeming van de leden van het ESC voor de periode 1986-1990 nietig te verklaren .
5 . Mijns inziens moet dit beroep, dat volgens verweerder en interveniënt als niet-ontvankelijk en in ieder geval als ongegrond moet worden afgewezen, als volgt worden beoordeeld .
B - Discussie
I - De ontvankelijkheid van het beroep
6 . Wat de CIDA betreft, wordt de ontvankelijkheid van het beroep in twijfel getrokken op grond dat deze, gelet op de regeling die van toepassing is op de samenstelling van het ESC, in het geheel niet door het bestreden besluit wordt geraakt, of tenminste niet kan worden geacht rechtstreeks te worden geraakt ( zoals de Spaanse regering aanvoert ). Met betrekking tot het beroep van de twee genoemde particulieren wordt de vraag gesteld, of zij inderdaad kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt, of dat het tegendeel moet worden aangenomen, nu hun de toegang tot het ESC is onthouden op dezelfde wijze als alle anderen die niet benoemd zijn .
7 . 1 . Ik ben van mening, dat genoemde bedenkingen niet opgaan voor het beroep van de twee particulieren . Dit kan betrekkelijk eenvoudig worden aangetoond en daarom begin ik mijn beoordeling met dit punt .
8 . In feite bestaat er geen twijfel over dat zij geraakt zijn . Zij zijn door de Italiaanse regering immers wel voorgedragen, maar door de Raad niet uit de Italiaanse voordracht gekozen . Van hen kan men zeggen, dat zij zich in een soortgelijke situatie bevinden als ( afgewezen ) kandidaten voor een uitgeschreven overheidsfunctie; er bestaat bij hen dus zoiets als een aanspraak op benoeming ( daarentegen is bij voorbeeld de ten aanzien van d' Elia gemaakte opmerking dat deze vroeger al lid van het ESC was, irrelevant, omdat er natuurlijk voor vroegere leden van het ESC geen recht op herbenoeming bestaat ).
9 . Ook moet worden erkend dat genoemde verzoekers individueel geraakt zijn . Zoals bekend, is volgens de rechtspraak daarvoor van belang, of een rechtspositie van de verzoeker wordt beïnvloed uit hoofde van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert ( 3 ), of dat - zoals het arrest in zaak 169/84 ( 4 ) het formuleert - een rechtshandeling de verzoeker raakt wegens bepaalde persoonlijke hoedanigheden of wegens bijzondere omstandigheden die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseren . In casu is dit zeker het geval, aangezien de twee individuele verzoekers in ieder geval ten opzichte van allen die niet zijn benoemd, gekarakteriseerd worden door het feit dat hun naam op de Italiaanse voordracht stond .
10 . 2 . Wat het beroep van de Italiaanse vereniging betreft, lijken de bedenkingen echter meer gerechtvaardigd .
11 . De rechtspraak die in dit verband van belang is, is inderdaad bijzonder streng . Ik herinner eraan, dat in zaak 117/86 ( 5 ) het beroep van een vereniging tegen gemeenschapsverordeningen die de algemene economische belangen van een hele sector raakten, niet-ontvankelijk werd verklaard . Op soortgelijke wijze werd geoordeeld in zaak 282/85 ( 6 ), waarin van belang werd geacht dat een vereniging met haar beroep tegen een beschikking van de Commissie die een hele bedrijfstak raakte, geen eigen belangen nastreefde, alsook in zaak 135/81 ( 7 ), waarin een vereniging niet werd geacht rechtstreeks geraakt te zijn, omdat zij niet kon deelnemen aan de door de Commissie verrichte aanbesteding ( waarover het in casu ging ).
12 . Voorts is van belang, dat het ESC uitsluitend is samengesteld uit particuliere personen, die niet worden benoemd in hun hoedanigheid van lid van een vereniging . Dit blijkt uit artikel 194 EEG-Verdrag, volgens hetwelk de leden van het Comité "worden benoemd in hun persoonlijke hoedanigheid" en "niet gebonden ( mogen ) zijn door enig imperatief mandaat ". Betekenis heeft in dit verband ook de vaststelling van de Italiaanse delegatie tijdens de vergadering van de Permanente Vertegenwoordigers van 14 april 1958 ( over de voorbereiding van de eerste aanwijzing van het ESC ), dat de leden van het Comité "ne doivent être liés par aucun mandat impératif ".
13 . Bovendien staat vast, dat op grond van de Verdragen van Rome verenigingen niet op dezelfde wijze deelnemen aan de samenstelling van het ESC als het geval is volgens het EGKS-Verdrag, waarvan artikel 18 bepaalt dat de Raad de representatieve organisaties van producenten en werknemers aanwijst waartussen hij de zetels verdeelt, en dat iedere organisatie een lijst met kandidaten samenstelt waaruit de benoeming geschiedt . In het kader van de Romeinse Verdragen zijn de verenigingen slechts losjes bij de procedure betrokken, in die zin dat de Raad volgens artikel 195, lid 2, de mening kan vragen van de Europese organisaties die representatief zijn voor de verschillende economische en sociale sectoren welke belang hebben bij de activiteit van de Gemeenschap .
14 . Anderzijds dienen wij terdege rekening te houden met het arrest in zaak 66/76 ( 8 ), gewezen in een soortgelijke zaak in het kader van de EGKS ( een Franse vereniging had zich erover beklaagd, niet onder de representatieve organisaties te zijn opgenomen die lijsten met kandidaten voor het Raadgevend Comité mogen opstellen ). In dat arrest werd namelijk gewezen op de noodzaak een ruime uitlegging te geven aan de bepalingen inzake de toegang tot het Hof, ten einde de rechtsbescherming van particulieren te verzekeren . In het betrokken geval stuitte dat wegens het systeem en de bewoordingen van het EGKS-Verdrag weliswaar af op onoverkomelijke beperkingen ( tegen besluiten van de Raad kan uitsluitend beroep worden ingesteld door de Lid-Staten en de Commissie ), maar in de onderhavige zaak is er geen reden om dat fundamentele beginsel niet met zijn volle gewicht op artikel 173 EEG-Verdrag toe te passen .
15 . Verder mag men niet vergeten, dat het in de onderhavige zaak niet - zoals in de hiervoor vermelde zaken 282/85 en 117/86 - gaat om een handeling die in de eerste plaats de belangen van de leden van een vereniging raakt en niet die van de vereniging zelf . In geding is immers de vraag inzake de passende deelneming van de economische en sociale groepen aan het ESC, waarover de Raad krachtens artikel 195 EEG-Verdrag moet oordelen . Bij deze discussie is echter niets natuurlijker dan de behartiging van het in artikel 195 bedoelde groepsbelang over te laten aan de georganiseerde groepen, dus de verenigingen, vooral omdat de individuele leden van de groepen zich in de regel niet tot het Hof kunnen wenden, omdat zij niet individueel zijn geraakt .
16 . Ten slotte, ook niet veel verder helpt ons mijns inziens de verwijzing door de vertegenwoordigster van de Spaanse regering ter terechtzitting naar de mogelijkheid waarover de Commissie en de Lid-Staten beschikken om het overeenkomstig artikel 194 EEG-Verdrag vastgestelde besluit van de Raad door de rechter te laten toetsen . Het spreekt immers vanzelf dat die mogelijkheid, die niet altijd gemakkelijk te verwezenlijken is - een beroep op de nationale rechter lijkt mij al helemaal uitgesloten -, niet dezelfde rechtsbescherming kan bieden als een rechtstreeks beroep door de eigenlijke belanghebbenden zelf .
17 . Niet in de laatste plaats omdat het bij de CIDA om een belangrijke belangengroep gaat, ben ik dan ook van mening, dat men in haar geval zonder ernstige bedenkingen kan aanvaarden dat zij individueel en rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag, en dat men derhalve haar beroep tegen het besluit van de Raad tot benoeming van de leden van het ESC, als ontvankelijk kan beschouwen .
II - Ten gronde
1 . Schending van het Verdrag
18 . Zoals de Spaanse regering terecht heeft opgemerkt, gaat het hier - ook al hebben verzoekers het over de artikelen 193-195 EEG-Verdrag - in de eerste plaats om de naleving van artikel 195, lid 2, dat bepaalt dat bij de samenstelling van het Comité rekening moet worden gehouden met de noodzaak, aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging te verzekeren .
19 . a ) In dit verband bekritiseren verzoekers het feit, dat de Italiaanse voordracht niet evenwichtig was, doordat vertegenwoordigers van de groep van leidinggevend personeel slechts waren opgenomen in de reservelijst ( waarmee gewoonlijk geen rekening wordt gehouden ), hoewel het belang van deze groep in verscheidene Italiaanse wetten en in de hoogste rechtspraak zou zijn erkend . Ik meen dat deze kritiek hoogstens op zijn plaats zou zijn in een nationale procedure tegen de handeling waarbij de nationale overheid de voordracht heeft vastgesteld ( voor zover er althans bij een algemene beoordeling van deze lijst oeberhaupt al plaats zou zijn voor kritiek, aangezien er wel degelijk vertegenwoordigers van de CIDA in de Italiaanse lijst zijn opgenomen ).
20 . Bovendien kan men stellig niet beweren, dat er slechts aan artikel 195, lid 2, is voldaan wanneer ook de nationale lijsten ermee in overeenstemming zijn . Dat zou bij kleinere landen met slechts weinig leden trouwens moeilijk kunnen en daarom was men, zo werd ons verteld, al in 1958 erop bedacht, de zetels in het ESC zo over de verschillende groepen en staten te verdelen, dat, over het geheel genomen, rekening werd gehouden met de vereiste van artikel 195, lid 2 ( ik verwijs in dit verband naar bijlage I bij de nota van het Secretariaat van de Raad van 11 maart 1958, waaruit overigens ook blijkt dat zelfs de grote Lid-Staten niet in elke categorie vertegenwoordigers hadden ). Daarenboven blijkt uit de wijze waarop het ESC wordt samengesteld ( uit nationale lijsten met een dubbel aantal kandidaten ), dat het op communautair niveau niet gaat om een eenvoudige samenvoeging van de nationale lijsten, maar, zo nodig, om een doelmatige keuze daaruit, teneinde aan het vereiste van artikel 195 te voldoen .
21 . b ) Wat vervolgens de naleving van artikel 195, lid 2, bij de samenstelling van het ESC door de Raad betreft, zo kan men op grond van de wetenschap dat artikel 193 slechts voorbeelden noemt van de in aanmerking te nemen sectoren, en overeenkomstig de bewoordingen van artikel 195 (" passende vertegenwoordiging" van de diverse sectoren ) niet anders dan ervan uitgaan, dat artikel 195 een aanzienlijke beoordelingsvrijheid laat . Met betrekking tot de in aanmerking te nemen groepen en de afweging ertussen zou men slechts van niet-naleving van dit artikel kunnen spreken in het geval van een duidelijk verkeerde beoordeling .
22 . Na alles wat wij in dit verband hebben gehoord, kan daarvan in het onderhavige geval echter nauwelijks sprake zijn .
23 . aa ) Men kan stellig niet spreken van niet-naleving van artikel 195 op grond van het aanvankelijk door verzoekers aangevoerde argument, dat in het huidige ESC vertegenwoordigers van het leidinggevend personeel ontbreken .
24 . Naar ons werd meegedeeld, wordt deze categorie in werkelijkheid vertegenwoordigd door een lid van de Franse Confédération générale des cadres ( die in 1949 te zamen met de CIDA en een Duitse vereniging de Confédération internationale des cadres heeft opgericht, waarvan d' Elia nog steeds voorzitter is ). Zoals de vertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting onweersproken heeft verklaard, kan daartoe ook worden gerekend het bestuurslid van de Luxemburgse Fédération des employés privés, een vereniging die eveneens bij genoemde Confédération internationale des cadres is aangesloten . Daarom kan uiteindelijk ook de door de Raad opgeworpen vraag onbeantwoord blijven, of inderdaad wel van een relevante groep van leidinggevend personeel gesproken kan worden, nu een dergelijke groep zich in het ESC blijkbaar niet heeft geconstitueerd ( d' Elia behoorde gedurende zijn lidmaatschap tot de groep van de werknemers ).
25 . bb ) Wegens het feit dat de CIDA thans niet meer in het ESC vertegenwoordigd is, kan men ook niet van willekeur spreken .
26 . In dit verband heeft de Raad er terecht op gewezen, dat het Verdrag niet spreekt over de vertegenwoordiging van organisaties, maar over de vertegenwoordiging van economische en sociale sectoren ( zoals wij zagen, is dit wat het leidinggevend personeel betreft, in feite verzekerd ). Verzoekers hebben echter niets aangevoerd waaruit zou blijken dat die groep niet passend vertegenwoordigd is ( in ieder geval hebben immers vertegenwoordigers zitting van de Luxemburgse vereniging en van de Franse organisatie, die de CIDA in grootte ruimschoots overtreft ). Verzoekers hebben in feite alleen maar gesteld, dat de Raad niet heeft gemotiveerd waarom hij de CIDA bij de samenstelling van het ESC buiten spel heeft gelaten . Dit is echter stellig niet voldoende om willekeur aan te tonen .
27 . cc ) Van willekeur kan men tenslotte ook niet spreken op grond dat twee andere Italiaanse sectoren van het economische en sociale leven oververtegenwoordigd waren op de Italiaanse voordracht . Verzoekers verwijzen hiervoor naar het feit dat drie Italiaanse vakbonden elk drie vertegenwoordigers in het ESC hebben gekregen, hoewel zij qua grootte sterk uiteenlopen ( één vakbond zou namelijk even groot zijn als de twee andere samen ), en naar de omstandigheid dat ook drie vertegenwoordigers van de Italiaanse overheidsbedrijven in het ESC zijn gekomen .
28 . Hiertegen valt in te brengen, dat het volgens het EEG-Verdrag niet aankomt op de passende vertegenwoordiging van organisaties ( en dus op hun grootte ), maar op de vertegenwoordiging van sociale sectoren . Daarbij moet verder worden beklemtoond, dat de in artikel 195 EEG-Verdrag bedoelde passende vertegenwoordiging niet op nationaal niveau behoeft te bestaan, maar in het gezamenlijke communautaire verband . Verzoekers hebben echter nergens gesteld, dat als gevolg van de samenstelling van de Italiaanse voordracht, die moet worden gezien in samenhang met de uit andere voordrachten benoemde leden, er in het ESC een oververtegenwoordiging bestaat van de stellig belangrijke sectoren van de werknemers en de overheidsbedrijven . Daarbij komt nog, dat zelfs wanneer men aanneemt dat de twee genoemde sectoren op de Italiaanse lijst oververtegenwoordigd waren ( waartegen dan wel op nationaal niveau bezwaar gemaakt zou moeten worden ), dit nog niet behoeft te betekenen dat juist het leidinggevend personeel niet passend vertegenwoordigd was . Deze laatste groep moet men zien in verhouding tot alle andere groepen ( waarover verder geen opmerkingen zijn gemaakt ), en het valt geenszins uit te sluiten, dat een eventuele oververtegenwoordiging van werknemers en overheidsbedrijven ten koste is gegaan van een andere groep dan het leidinggevend personeel .
29 . c ) De conclusie kan dus alleen maar zijn, dat verzoekers niet afdoende hebben aangetoond dat de Raad artikel 195, lid 2, EEG-Verdrag heeft geschonden door de Italiaanse voordracht eenvoudig over te nemen .
2 . Misbruik van bevoegdheid
30 . Met een tweede middel wordt de Raad verweten dat hij, door eenvoudig de door Italië voorgedragen hoofdkandidaten over te nemen zonder te onderzoeken of daarmee wel een passende vertegenwoordiging van de verschillende sectoren werd bereikt, zijn bevoegdheden niet naar behoren heeft gebruikt en aldus de samenstelling van het ESC in werkelijkheid heeft overgelaten aan de regeringen van de verschillende Lid-Staten .
31 . a ) Gelet op de gebruikelijke definitie van misbruik van bevoegdheid ( gebruik van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend ), zou men op dit punt al kunnen opmerken dat het twijfelachtig is of de geuite kritiek inderdaad in de categorie misbruik van bevoegdheid thuishoort, en of niet gewoon moet worden gesproken van schending van het Verdrag ( nalaten van het door artikel 195, lid 2, vereiste onderzoek ).
32 . b ) Nog belangrijker echter - en daarmee loop ik vooruit op het resultaat van mijn onderzoek - is, dat ook uit het tweede argument van verzoekers niet blijkt van een afdoende grond voor vernietiging van het besluit van de Raad .
33 . aa ) Zo lijkt het mij duidelijk, dat het enkele feit dat een nationale lijst van hoofdkandidaten ongewijzigd is overgenomen, niet noodzakelijkerwijs betekent dat deze niet inhoudelijk is onderzocht . Duidelijk is ook, dat zelfs bij een eenvoudige samenvoeging van de nationale voordrachten van hoofdkandidaten de door artikel 195 vereiste passende vertegenwoordiging van de verschillende economische en sociale sectoren volledig gewaarborgd kan zijn .
34 . bb ) Dat de aanvankelijk voorgelegde Italiaanse lijst enkel namen vermeldde zonder nadere aanduiding van de kwalificaties van de betrokken personen, levert evenmin een aanwijzing op dat de Raad het onderzoek waartoe hij verplicht was, niet heeft verricht . Ter terechtzitting is onder verwijzing naar een desbetreffende telex met klem erop gewezen, dat de Raad dat gebrek had bemerkt en om een aanvulling van de lijst had verzocht . Toen de leden van het ESC werden benoemd, was dus ook van de Italiaanse kandidaten bekend tot welke beroepsorganisatie zij behoorden, zodat het duidelijk was bij welke sector in de zin van artikel 193 EEG-Verdrag zij moesten worden ingedeeld .
35 . cc ) Tot staving van genoemd verwijt van verzoekers kan evenmin worden aangevoerd, dat in de ons voorgelegde notulen van de Raad geen sprake is van een onderzoek van de lijst en een gedachtenwisseling daaromtrent . Wij zagen reeds, dat het besluit van de Raad is genomen in het kader van de zogenoemde A-punten van de agenda, dat wil zeggen dat de Raad zich hierbij in wezen heeft gebaseerd op de voorbereidende werkzaamheden van het Comité van permanente vertegenwoordigers . Uit niets blijkt evenwel dat deze hun taak niet naar beste weten hebben vervuld, al zou het natuurlijk bevredigender zijn geweest om hierover een of andere aantekening te vinden . Integendeel : volgens de ons ter terechtzitting verschafte informatie is de samenstelling in 1986 juist zoals bij eerdere gelegenheden onderzocht . Daarbij was men echter niet tot resultaten gekomen die afweken van de voordrachten van de Lid-Staten . Deze verklaring van de Raad is niet op tegenspraak gestuit .
36 . dd ) Verder is mijns inziens niet belangrijk, dat de in artikel 195, lid 3, bedoelde representatieve Europese organisaties niet zijn geraadpleegd . Op dit punt zijn verzoekers van mening, dat de Raad bewust van de raadpleging van die organisaties heeft afgezien ( de CIDA zou zeker niet hebben nagelaten haar standpunt te laten weten ), omdat hij geen discussie wenste over de nationale voordrachten .
37 . Nog afgezien van het feit dat artikel 195 het uitsluitend heeft over Europese organisaties - zodat de CIDA als nationale vereniging moeilijk krachtens deze bepaling aan het woord zou gekomen zijn -, moet hier vooreerst worden opgemerkt, dat volgens de bewoordingen van artikel 195 een dergelijke raadpleging niet dwingend is voorgeschreven, maar naar goeddunken kan plaatsvinden . Men kan echter bezwaarlijk spreken van willekeur, want ter terechtzitting is uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de Raad gebleken, dat van raadpleging werd afgezien omdat in het verleden perscommuniqués met het verzoek om commentaar te leveren, slechts "teleurstellende resultaten" hadden opgeleverd . ( 9 )
38 . ee ) Ten slotte is evenmin kritiek mogelijk op de wijze waarop de Commissie door de Raad is geraadpleegd . Met de raadpleging van de Commissie wordt beoogd, de Raad te helpen rekening te houden met de noodzaak, aan de verschillende sectoren van het economische en sociale leven een passende vertegenwoordiging in het ESC te verzekeren . Hiertoe is de Commissie bijzonder geschikt, omdat zij door de wijze waarop zij is samengesteld, in staat is de verhoudingen in iedere Lid-Staat afzonderlijk en dus ook in de Gemeenschap in haar geheel te overzien, en zo het belang van de Gemeenschap bij een naleving van de bepalingen inzake een passende vertegenwoordiging van de verschillende sectoren in het ESC te doen gelden . De raadpleging van de Commissie is aldus verlopen, dat de Raad haar de voordrachten van de Lid-Staten afzonderlijk of met enkele tegelijk toestuurde . De Commissie was zo in de gelegenheid, in een zo vroeg mogelijk stadium kennis te nemen van de voordrachten van de Lid-Staten, zonder evenwel haar standpunt te prejudiciëren . Ik ben derhalve van mening, dat de door de Raad gevolgde procedure niet voor kritiek vatbaar is .
39 . Dit geldt ook voor de reactie van de Commissie op de raadpleging door de Raad . Zij heeft in verscheidene brieven haar mening over de voordrachten van de Lid-Staten te kennen gegeven . De laatste brief werd daags voor de beslissende vergadering van het Comité van permanente vertegenwoordigers verzonden . Op dat ogenblik beschikte zij over alle voordrachten en de als laatste binnengekomen voordracht was mét de enige dagen later gearriveerde verduidelijkingen toen reeds een maand in haar bezit . De vergadering van de Raad, waarop over de samenstelling van het ESC werd beslist, vond plaats op 15 en 16 september 1986, dat wil zeggen meer dan vier weken na ontvangst van de laatste voordracht van een Lid-Staat . Hieruit kan worden geconcludeerd dat de Commissie met volle kennis van de samenstelling van het ESC in zijn geheel haar standpunt kon bepalen, en met name kon zij dat toen zij haar mening over de voordracht van de Italiaanse regering formuleerde . Weliswaar moet verzoekers worden toegegeven, dat het dossier geen stukken bevat waaruit blijkt van zulk een algemene beoordeling van de Commissie, maar zoals de vertegenwoordiger van de Raad heeft betoogd, kan daaruit niet worden afgeleid dat die beoordeling niet heeft plaatsgevonden, juist omdat de procedure tussen Raad en Commissie voor een gedeelte niet schriftelijk verloopt . Hoe dit ook zij, in de gegeven omstandigheden kan uit het ontbreken van zo' n geschrift niet worden geconcludeerd, dat de Commissie in strijd met het Verdrag een dergelijke algemene afweging achterwege heeft gelaten .
40 . ff ) Gelet op het voorafgaande, lijkt het overbodig om in te gaan op de eveneens in dit verband aangevoerde kritiek, dat de vakbonden en overheidsbedrijven oververtegenwoordigd waren op de Italiaanse voordracht .
41 . c ) Mitsdien kom ik tot de conclusie, dat het middel inzake misbruik van bevoegdheid ten onrechte is aangevoerd, waaruit alles te zamen genomen volgt dat het beroep moet worden verworpen .
C - Conclusie
Ik geef het Hof in overweging te beslissen als volgt :
42 . Het beroep, ingesteld door de Confederazione Italiana Dirigenti di Azienda en de heren d' Elia en Marchesi, moet worden verworpen, met verwijzing van verzoekers in de kosten van het geding en in die van de interveniënt .
(*) Vertaald uit het Duits .
( 1 ) PB 1986, C 244, blz . 2 .
( 2 ) PB 1986, L 354, blz . 1 e.v .
( 3 ) Arrest van 18 november 1975, zaak 100/74, CAM, Jurispr . 1975, blz . 1393 .
( 4 ) Arrest van 28 januari 1986, zaak 169/84, COFAZ, Jurispr . 1986, blz . 408 .
( 5 ) Beschikking van 5 november 1986, zaak 117/86, UFADE, Jurispr . 1986, blz . 3255 .
( 6 ) Arrest van 10 juli 1986, zaak 282/85, DEFI, Jurispr . 1986, blz . 2469 .
( 7 ) Arrest van 28 oktober 1982, zaak 135/81, Groupement des Agences de Voyages, Jurispr . 1982, blz . 3799 .
( 8 ) Arrest van 17 februari 1977, zaak 66/76, CFDT/Raad, Jurispr . 1977, blz . 310, r.o . 8 .
( 9 ) "des résultats quelque peu décevants ".
Full & Egal Universal Law Academy