Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I - Inleiding
1 . Bij verordening ( EEG ) nr . 3019/86 van 30 september 1986 heeft de Commissie een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie ( 1 ). Bij verordening ( EEG ) nr . 864/87 van 23 maart 1987 heeft de Raad een definitief anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van de beoogde elektromotoren van oorsprong uit de voornoemde landen met staatshandel, op Roemenië na . ( 2 ) Beide verordeningen werden uitgevaardigd met toepassing van de dan van kracht zijnde verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap . ( 3 )
2 . Drie communautaire importeurs van elektromotoren ( de Italiaanse vennootschap Enital, de Duitse vennootschap Neotype Techmashexport ( hierna "Neotype ") en de Franse vennootschap Stanko France ( hierna "Stanko ")), die met de sovjetexporteur Energomachexport zijn verbonden, betwisten de rechtsgeldigheid van zowel de voorlopige als de definitieve verordening ( gevoegde zaken 304/86 en 185/87, 305/86 en 160/87, 320/86 en 188/87 ). De Bulgaarse exporteur van elektromotoren Electroimpex en drie communautaire importeurs van deze goederen ( de Franse vennootschap Sofbim en de Duitse vennootschap Elprom-Verkaufs-GmbH die met Electroimpex zijn verbonden, evenals de Italiaanse vennootschap Elprom-Parma die een alleenverkoopovereenkomst met Electroimpex heeft gesloten maar met deze laatste niet is verbonden ) betwisten de rechtsgeldigheid van uitsluitend de definitieve verordening ( zaak 157/87 ). In al deze zaken is de beroepsvereniging Groupement des Industries de Matériels d' Équipement Electrique en de l' Électronique Industrielle Associée ( hierna "Gimelec ") tussengekomen, dit ter ondersteuning van de Commissie en de Raad .
Aangezien de voornoemde zaken op dezelfde verordeningen betrekking hebben en de middelen en argumenten van de eisende respectievelijk verwerende partijen in de onderscheiden zaken in ruime mate samenvallen, is deze conclusie gemeenschappelijk voor al deze zaken .
Voor de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen verwijs ik naar de rapporten ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering .
II - De ontvankelijkheid
A - De ontvankelijkheid van de beroepen tegen de voorlopige verordening
3 . Op de eerste plaats moet worden nagegaan of het beroep van Enital, Neotype en Stanko tegen de verordening van de Commissie tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht ontvankelijk is, gelet op het feit dat de Raad vervolgens een definitief anti-dumpingrecht heeft ingesteld .
In zaak 305/86 doet de Commissie opmerken dat de voorlopige verordening geen rechtsgevolgen meer heeft nu de definitieve verordening de inning heeft opgelegd van de bedragen die als waarborg werden gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht, dit ten belope van de bedragen berekend overeenkomstig de definitief ingestelde rechten . ( 4 ) Het standpunt van GIMELEC heeft dezelfde strekking maar is anders gemotiveerd . Naar de mening van de interveniënt is het opleggen van een voorlopig anti-dumpingrecht een voorlopige maatregel waartegen als zodanig geen beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag kan worden ingesteld . Neotype is de enige verzoekster die tegen het onontvankelijkheidsmiddel in het verweer komt . Zij beweert dat de voorlopige verordening wel nog rechtsgevolgen heeft na het instellen van een definitief anti-dumpingrecht .
4 . Deze opmerkingen van partijen werden ingediend vóór het Hof uitspraak heeft gedaan in de zaken Technointorg ( 5 ) en Brother Industries ( 6 ). In beide zaken stond onder meer de vraag ter discussie of verzoeksters nog belang hadden bij het betwisten van de verordening tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht na het van kracht worden van de verordening tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht . In beide arresten heeft het Hof gesteld dat, rekening houdend met het feit dat de bedragen die als waarborg waren gesteld voor het voorlopige anti-dumpingrecht, krachtens de definitieve verordening werden geïnd tegen het tarief van het definitieve anti-dumpingrecht, verzoeksters zich niet meer konden beroepen op enig juridisch gevolg van de voorlopige verordening .
Zoals de definitieve verordening in voornoemde zaken, heeft ook verordening ( EEG ) nr . 864/87 de inning opgelegd van de bedragen die als waarborg voor het voorlopig recht waren gesteld, dit op basis van de regels die gelden voor de inning van het definitieve recht . Overeenkomstig voornoemde rechtspraak van het Hof heeft het beroep van Enital, Neotype en Stanko tegen de voorlopige verordening geen voorwerp meer en dient er dan ook geen uitspraak over te worden gedaan . Mijn verder onderzoek kan bijgevolg beperkt blijven tot de middelen die tegen de definitieve verordening worden ingeroepen .
B - De ontvankelijkheid van de beroepen van de importeurs tegen de definitieve verordening
5 . Gimelec vraagt het Hof het beroep tegen de definitieve verordening aangetekend door de verzoeksters die de hoedanigheid hebben van in de Gemeenschap gevestigde importeurs ( met name Enital, Neotype, Stanko, Sofbim, Elprom-Verkaufs-GmbH en Elprom-Parma ) onontvankelijk te verklaren . Zij wijst erop dat bij verordening ( EEG ) nr . 864/87 dumping werd vastgesteld door de normale waarde van de elektromotoren te vergelijken met de prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap, dus niet met de prijs waartegen het ingevoerde produkt door de importeur wordt doorverkocht aan een onafhankelijk koper . Volgens Gimelec zouden de betrokken importeurs zich dan ook in dezelfde situatie bevinden als importeur Demufert waarvan het beroep bij arrest van 21 februari 1984 in de zaak Allied Corporation ( 7 ) onontvankelijk werd verklaard .
6 . De Raad en de Commissie delen dit standpunt niet . Hun gedachtengang is als volgt . In casu heeft de Raad de dumpingmarge weliswaar niet vastgesteld rekening houdend met de door de verbonden importeurs toegepaste verkoopprijzen, maar hij heeft hiermee wel rekening gehouden bij het vaststellen van het anti-dumpingrecht . Indien volgens de douaneautoriteiten blijkt dat er tussen de importeur en de exporteur of een derde een associatie of een compensatieregeling bestaat in de zin van artikel 2, lid 8, onder b, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 ( zie artikel 1, lid 4, van de definitieve verordening ) wordt met name afgeweken van de algemene regeling voor de vaststelling van het anti-dumpingrecht zoals omschreven in artikel 1, lid 3, van de definitieve verordening . In de plaats daarvan komt een regeling waarbij als referentie voor de berekening van het anti-dumpingrecht de prijs aan de eerste niet met een exporteur verbonden afnemer wordt genomen . Voor de ontvankelijkheidskwestie zou belangrijk zijn dat de Raad zich er niet toe beperkt heeft deze afwijkende regeling ten aanzien van alle verbonden importeurs op te leggen, maar ze uitdrukkelijk toepasselijk heeft verklaard op zeven nominatim in de verordening aangeduide importeurs, waaronder Enital, Neotype, Stanko, Sofbim en Elprom-Verkaufs-GmbH . Volgens de Raad en de Commissie zijn deze importeurs aldus in de definitieve verordening geïndividualiseerd in de zin zoals omschreven in de rechtspraak van het Hof .
Enital, Neotype en Stanko komen eveneens in het verweer tegen de door Gimelec opgeworpen ontvankelijkheidkwestie . Voor hun argumenten verwijs ik naar de onderscheiden rapporten ter terechtzitting . ( 8 )
7 . Aangezien het Hof de onontvankelijkheid van een beroep ambtshalve kan opwerpen, hoef ik hier niet te onderzoeken of een interveniënt zelf een onontvankelijkheidsmiddel mag opwerpen dat niet wordt opgeworpen door een van de partijen waarvan hij de conclusies ondersteunt .
Ik ben de mening toegedaan dat het opgeworpen onontvankelijkheidsmiddel niet gegrond is, althans niet wat de verbonden importeurs betreft . In de beschikking van 8 juli 1987 in zaak Sermes ( 9 ) heeft het Hof zijn rechtspraak samengevat inzake de ontvankelijkheid van beroepen tegen verordeningen waarbij een anti-dumpingrecht wordt ingesteld . Ofschoon het Hof ervan uitgaat dat dergelijke verordeningen naar aard en strekking normatieve maatregelen zijn, heeft het niettemin aangenomen dat importeurs hierdoor rechtstreeks en individueel worden geraakt wanneer het bestaan van een dumpingpraktijk wordt vastgesteld aan de hand van hun wederverkoopprijzen, zoals dit is voorzien in artikel 2, punt 8, onder b, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 voor het geval er tussen de exporteur en de importeur een associatie bestaat ( r.o . 16 ).
In een recent arrest van 5 oktober 1988 in de zaak Canon ( 10 ) heeft het Hof in rechtsoverweging 8 laten blijken dat de voornoemde hypothese exemplatief is en dat bedoelde verordeningen de importeurs ook rechtstreeks en individueel kunnen raken in andere onderdelen dan degene met betrekking tot de vaststelling van het bestaan van dumping . Dit is in de hier besproken zaken het geval nu, voor de berekening van het anti-dumpingrecht en steeds voor het geval er tussen exporteur en importeur een associatie bestaat, rekening wordt gehouden ( zie artikel 1, lid 4, onder a, van de definitieve verordening ) met de douanewaarde zoals bepaald overeenkomstig artikel 6 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 ( 11 ), met name een douanewaarde gebaseerd op de prijs waartegen de ingevoerde goederen worden verkocht aan niet met de verkoper verbonden personen . ( 12 )
Hieruit volgt mijns inziens dat alle verbonden importeurs, waarvoor deze bijzondere berekeningswijze geldt, door de verordening rechtstreeks en individueel worden geraakt en dit ongeacht de omstandigheid of zij in de verordening nominatief worden genoemd .
8 . Wat voorafgaat is niet toepasselijk op Elprom-Parma . Deze Italiaanse importeur van Bulgaarse elektromotoren is niet met een Bulgaarse exporteur of producent verbonden . In het geval van deze importeur wordt het anti-dumpingrecht niet berekend op basis van zijn wederverkoopprijzen, maar wordt wel degelijk rekening gehouden met de nettoprijs franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard ( zie artikel 1, lid 3, van de definitieve verordening ). De omstandigheid dat Elprom-Parma een alleenverkoopovereenkomst met de exporteur van Bulgaarse elektromotoren heeft gesloten, doet daaraan geen afbreuk . In de voornoemde zaak Sermes ging het eveneens om een alleenimporteur van elektromotoren, in dat geval afkomstig uit de Duitse Democratische Republiek . Het Hof zag daarin geen relevante factor ( r.o . 18 ).
Ik stel U dan ook voor het beroep van Elprom-Parma onontvankelijk te verklaren, maar voor het overige geen gehoor te geven aan het hier besproken onontvankelijkheidsmiddel .
C - De ontvankelijkheid van de beroepen tegen de definitieve verordening in haar geheel
9 . Neotype en Stanko vragen dat het Hof de definitieve verordening nietig zou verklaren in zover zij betrekking heeft op de invoer van elektromotoren uit de Sovjet-Unie . Het beroep van Electroimpex en van Enital is ruimer . Zij vragen de vernietiging van de definitieve verordening in haar geheel .
In vier arresten van 7 mei 1987 heeft het Hof gesteld dat het nietigheidsberoep tegen een anti-dumpingverordening slechts ontvankelijk is in zover het gericht is tegen de bepalingen van deze verordening die verzoekers individueel raken . ( 13 ) De gegrondheid van het beroep van Electroimpex en van Enital moet dan ook slechts worden onderzocht voor zover het strekt tot nietigverklaring van die bepalingen van de definitieve verordening die betrekking hebben op invoer van elektromotoren afkomstig respectievelijk uit Bulgarije en de Sovjet-Unie .
III - Ten gronde
Algemeen
10 . Hierna zal ik achtereenvolgens de middelen onderzoeken die verzoeksters tegen de definitieve verordening inbrengen wat betreft de vaststelling van de normale waarde ( A ), de vergelijking van de normale waarde met de prijs bij uitvoer ( B ), de vaststelling van de schade ( C ), de vaststelling van het anti-dumpingrecht ( D ), de toepassing van het recht op onderdelen ( E ) en de inwerkingtreding van de definitieve verordening ( F ).
Ik wens onmiddellijk te stellen dat geen van deze middelen me kan overtuigen . Bovendien, al zouden sommige middelen gegrond zijn, dan nog leidt dit niet automatisch tot de nietigheid van de definitieve verordening . Dit geldt in het bijzonder voor de middelen volgens dewelke de Raad de dumpingmarge te ruim zou hebben vastgesteld . Verzoeksters tonen immers niet aan dat zonder dergelijke ruime berekening de dumpingmarge zou verdwijnen of althans lager zou komen te liggen dan het vastgestelde anti-dumpingrecht . Een dergelijk bewijs zou overigens moeilijk kunnen worden geleverd aangezien de Raad aanzienlijke dumpingmarges heeft vastgesteld variërend van 121 tot 146 % ( 14 ) en in verhouding daarmee een matig anti-dumpingrecht heeft ingesteld, met name een variabel recht gelijk aan het verschil tussen de prijs aan de eerste onafhankelijke afnemer en een minimumprijs die wordt berekend op basis van de kostprijs van de meest performerende communautaire producenten waarbij een winstmarge van amper 4 % wordt gevoegd . Het aldus vastgestelde anti-dumpingrecht betekent een verhoging van ongeveer 25 % bovenop de tijdens de referentieperiode toegepaste invoerprijzen . Het anti-dumpingrecht ligt dus beduidend lager dan de vastgestelde dumpingmarges . ( 15 )
A - Normale waarde
Toepasselijke bepalingen
11 . Het begrip dumping impliceert een vergelijking tussen twee elementen . In beginsel zijn dit : de prijs bij uitvoer van het betrokken produkt en de normale waarde van een soortgelijk produkt . Krachtens artikel 2, lid 3, onder a, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 wordt onder normale waarde verstaan :
"de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong ".
Wanneer het produkt wordt ingevoerd uit een land dat geen markteconomie heeft, kunnen de gemeenschapsinstellingen zich niet baseren op de prijs van dit produkt op de binnenlandse markt omdat deze prijs er niet het resultaat is van "normale handelstransacties ". Artikel 2, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 bepaalt daarom dat de normale waarde in dat geval "op passende en niet onredelijke wijze" wordt vastgesteld op basis van een van de volgende criteria : de prijs waartegen een soortgelijk produkt van een derde land met markteconomie werkelijk wordt verkocht voor verbruik op de binnenlandse markt van dat land of aan andere landen, ofwel de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie, ofwel, indien geen van beide criteria een deugdelijke basis verschaffen, de prijs die in de Gemeenschap werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt .
Artikel 2, lid 12, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 bepaalt wat onder "soortgelijk produkt" wordt verstaan : een produkt dat
"in alle opzichten gelijksoortig is aan het betrokken produkt, of, bij het ontbreken van een dergelijk produkt, een ander produkt dat kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken produkt grote overeenkomst vertonen ".
Samenvatting van de middelen van verzoeksters
12 . In het kader van het onderzoek dat tot de instelling van een definitief anti-dumpingrecht heeft geleid, heeft de Commissie - en de Raad was het hiermee eens - Joegoslavië als "derde land met een markteconomie" gekozen . Het gewogen gemiddelde van de binnenlandse verkoopprijzen van de Joegoslavische producenten van elektromotoren werd aldus in aanmerking genomen voor het definitief vaststellen van de normale waarde van de goederen afkomstig van de betrokken landen met staatshandel ( verordening nr . 864/87, overweging 8 ).
Enital ( 16 ), Neotype ( 17 ), Stanko ( 18 ) en Electroimpex ( 19 ) doen gelden dat de Raad bij het berekenen van de normale waarde van de elektromotoren zware beoordelingsfouten heeft gemaakt . Ik meen hun ( talrijke ) middelen in drie categorieën te kunnen indelen . Vooreerst wordt beweerd dat de in Joegoslavië geproduceerde elektromotoren niet "soortgelijk" zouden zijn met de elektromotoren van uitvoer uit de Sovjet-Unie ( Enital ). Een tweede categorie van middelen strekt ertoe de keuze van Joegoslavië als referentieland te betwisten : 1 ) de beslissing om Joegoslavië als referentieland te kiezen in plaats van een van de landen die in stadia voorafgaand aan de definitieve verordening als referentieland waren vooropgezet, zou onvoldoende zijn gemotiveerd ( Neotype en Stanko ); 2 ) Joegoslavië zou niet als een land met een markteconomie kunnen worden beschouwd ( Neotype, Stanko en Electroimpex ); 3 ) ook al zou Joegoslavië een markteconomie hebben, dan nog zou de keuze van dat land passend noch redelijk zijn, gelet op de manier waarop de binnenlandse prijzen voor elektromotoren er tot stand komen ( Neotype en Stanko ). De derde categorie van middelen betreft de methode van berekening van de normale waarde : 1 ) en 2 ) Raad en Commissie zouden de normale waarde foutief hebben vastgesteld door de berekeningen verkeerdelijk op de officiële koers van de dinar te hebben gebaseerd ( Neotype en Stanko ) en door geen rekening te houden met de hoog oplopende Joegoslavische inflatie ( Neotype, Stanko en Electroimpex ); 3 ) de normale waarde zou moeten zijn vastgesteld op basis van de aangenomen waarde overeenkomstig artikel 2, lid 5, onder b, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 ( Stanko ).
Beoordeling
- Vormen de Joegoslavische elektromotoren een soortgelijk produkt?
13 . Het antwoord op deze vraag lijkt me eenvoudig te zijn . De door de definitieve verordening beoogde produkten zijn gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren, met name elektromotoren waarvoor op internationaal vlak een verregaande standaardisering bestaat . De overeenkomstig deze standaardiseringsnormen vervaardigde motoren mogen derhalve geacht worden grote gelijkenissen te vertonen op het stuk van de fysieke kenmerken en daarenboven onderling omwisselbaar te zijn voor de gebruikers . Het wordt niet betwist dat de als referentie gekozen Joegoslavische elektromotoren overeenkomstig voornoemde standaardiseringsnormen werden vervaardigd . Het zijn dan ook "soortgelijke produkten" in de zin van artikel 2, lid 12, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 .
- Is de keuze van Joegoslavië als referentieland foutief?
a ) Over de motivering
14 . Neotype en Stanko zijn van oordeel dat de definitieve verordening onvoldoende gemotiveerd is wat betreft de keuze van het referentieland . Zij merken in het bijzonder op dat de verordening niet uitlegt waarom landen die in stadia voorafgaand aan het instellen van het definitief anti-dumpingrecht als referentieland waren vooropgezet ( d.i . Brazilië in het kader van verordening ( EEG ) nr . 724/82 van de Commissie van 30 maart 1982 ( 20 ) en Zweden in het kader van de voorlopige verordening ), niet langer als referentieland in aanmerking worden genomen .
Volgens een vaste rechtspraak van het Hof ( 21 ) moet de door artikel 190 EEG-Verdrag voorgeschreven motivering de redenering van de communautaire instellingen duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen . Toegepast op de hier besproken situatie, ben ik van oordeel dat de instellingen niet in gebreke blijven op het stuk van de motivering wanneer zij de voornaamste redenen opgeven waarom zij de prijzen in het uiteindelijk gekozen referentieland beschouwen als een "passende en redelijke" basis voor de berekening van de normale waarde . In dat opzicht heeft de Raad mijns inziens de keuze van de Joegoslavische prijzen genoegzaam gemotiveerd in overwegingen 6 tot en met 8 van verordening ( EEG ) nr . 864/87 .
b ) Is Joegoslavië een land met markteconomie?
15 . Neotype, Stanko en Electroimpex betwisten dat Joegoslavië als een land met markteconomie kan worden aangemerkt .
Op dit punt wil ik er vooreerst op wijzen dat het een vaste praktijk van de Raad en de Commissie is om Joegoslavië als een land met markteconomie aan te merken in het kader van de berekening van de normale waarde van "gedumpte" goederen afkomstig van Joegoslavië . Zo ook nemen de Raad en de Commissie geregeld de prijzen op de Joegoslavische markt als referentiebasis voor het vaststellen van de normale waarde van goederen afkomstig van landen zonder markteconomie ( 22 ). Deze praktijk steunt op artikel 2, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 . Deze bepaling geeft geen definitie van het begrip "land zonder markteconomie", maar verwijst naar verordeningen ( EEG ) nrs . 1765/82 ( 23 ) en 1766/82 ( 24 ) ter aanduiding van de landen die in elk geval als landen zonder markteconomie moeten worden aangemerkt . Joegoslavië wordt in die verordeningen niet genoemd .
De woorden "in het bijzonder" die in artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 worden gebruikt, wijzen erop dat de instellingen ook een niet in voornoemde verordeningen aangeduid land als een land zonder markteconomie mogen aanmerken . Ten aanzien van landen die partij zijn bij de Gatt-overeenkomst ( 25 ) moeten de instellingen evenwel rekening houden met aantekening 2 bij artikel VI van het Gatt . In deze aantekening wordt een afwijking van de normale prijsvergelijkingsmethode slechts erkend in het geval van een uitvoerland met een gemonopoliseerde handel waar de prijzen van overheidswege worden vastgesteld . ( 26 ) Dit is duidelijk niet het geval in Joegoslavië, zoals onder andere blijkt uit de stukken die Neotype bij haar verzoekschrift heeft gevoegd . ( 27 )
Overigens heeft het Hof in het voornoemde arrest Technointorg, zoniet expliciet dan toch impliciet, Joegoslavië als een land met markteconomie aangemerkt . In deze zaak stond precies een anti-dumpingverordening ter discussie waarbij Joegoslavië als referentieland was gekozen voor de vaststelling van de normale waarde van diepvriezers van uitvoer uit de Sovjet-Unie . In deze zaak heeft Technointorg doen gelden dat niet de prijzen op de Joegoslavische markt maar wel de aangenomen waarde van het betrokken produkt in Joegoslavië als criterium gekozen had moeten worden voor de vaststelling van de normale waarde . Het Hof heeft geoordeeld dat Technointorg niet had aangetoond dat de instellingen foutief zouden hebben gehandeld door de normale waarde vast te stellen op basis van de prijzen op de Joegoslavische markt .
Wat voorafgaat belet niet dat de Joegoslavische economie op sommige punten een gelijkenis kan vertonen met deze van landen met staatshandel . Zo onder andere lijkt het tekort aan deviezen mij een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk te zijn . Deze factor volstaat echter niet om Joegoslavië als een land zonder markteconomie aan te merken voor de toepassing van de anti-dumpingregeling . Omgekeerd maken de gelijkenispunten Joegoslavië speciaal geschikt als referentieland bij de berekening van de normale waarde van een goed uit een land met staatshandel .
c ) Vormen de Joegoslavische prijzen een passende en redelijke vergelijkingsbasis?
16 . Ook al zou Joegoslavië een land met markteconomie zijn, dan nog betwisten Neotype, Stanko en Electroimpex dat de keuze van de Joegoslavische prijzen een passende en redelijke vergelijkingsbasis zouden vormen .
17 . Bij de keuze van een referentieland moeten de instellingen mijns inziens een land trachten te vinden waar de prijzen van het soortgelijk produkt worden gevormd in omstandigheden die zo vergelijkbaar mogelijk zijn met deze in het uitvoerland, maar dan wel in het kader van een land met markteconomie . De normale waarde vastgesteld op basis van de gegevens van een referentieland vormt nochtans nooit een perfecte vergelijkingsbasis . Elk referentieland roept specifieke problemen op . Artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 beperkt er zich dan ook toe te stellen dat de keuze van het referentieland "passend en niet onredelijk" moet zijn .
Hieruit volgt dat de instellingen op dit punt een brede beoordelingsmarge hebben en dat de controle van het Hof beperkt blijft tot het onderzoeken of er onregelmatigheden in de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid werden begaan . Dit betekent dat het Hof dient na te gaan of de juridische voorwaarden voor de beleidsuitoefening voorhanden zijn en de procedurele waarborgen in acht werden genomen, of de feitelijke omstandigheden op grond waarvan de betwiste beslissingen werden genomen, vaststaan en juist werden gekwalificeerd en of de beleidsuitoefening zelf overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur heeft plaatsgehad . ( 28 ) Om uit te maken of dit hier het geval is, is het nuttig te herinneren aan de redenen die de Commissie en de Raad ertoe hebben gebracht om Joegoslavië als referentieland in aanmerking te nemen . ( 29 )
18 . Na het instellen van een voorlopig anti-dumpingrecht bij verordening nr . 3019/86 - waarvoor de Commissie Zweden als referentieland had gekozen - werd bij de Commissie een klacht ingediend volgens welke de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Joegoslavië met dumping plaatsvond . De Commissie is daarop een onderzoek begonnen dat haar de gelegenheid bood de Joegoslavische markt te leren kennen en controles ter plaatse te verrichten bij drie Joegoslavische producenten/exporteurs van elektromotoren . Hoewel de anti-dumpingprocedure ten aanzien van de invoer uit Joegoslavië - waarbij de normale waarde werd vastgesteld op basis van de prijzen op de Joegoslavische markt - een procedure was die los stond van de procedure die tot de in deze zaken betwiste verordening nr . 864/87 heeft geleid, had zij niettemin betrekking op soortgelijke produkten . Ten einde alle naar de Gemeenschap uitvoerende landen die bij de twee procedures waren betrokken, op gelijke voet te behandelen hebben de instellingen niet langer Zweden als referentieland genomen zoals dit in het kader van de voorlopige verordening was gebeurd, maar hebben zij in de definitieve verordening de prijzen op de Joegoslavische markt als basis van vergelijking voor de vaststelling van de normale waarde gekozen .
In die omstandigheden komt het me voor dat de keuze van Joegoslavië als referentieland geenszins willekeurig is, maar ingegeven door overwegingen van behoorlijk bestuur . Hebben de instellingen bij deze keuze onregelmatigheden begaan of beoordelingsfouten gemaakt? Dit lijkt me niet het geval te zijn, zoals blijkt uit de nu volgende analyse van de argumenten die verzoeksters en in het bijzonder Neotype ter zake hebben aangehaald .
19 . Neotype doet gelden dat de Joegoslavische markt van elektromotoren relatief klein zou zijn en er nagenoeg geen geïmporteerde motoren zouden worden verkocht . Zij is eveneens van oordeel dat de prijzen van de op de Joegoslavische markt verkochte elektromotoren niet door vraag en aanbod tot stand zouden komen en om die reden geen passende vergelijkingsbasis zouden bieden .
De Raad en de Commissie stellen daar tegenover dat de Joegoslavische markt een relevante markt is waarop jaarlijks zowat 250 000 elektromotoren afkomstig van drie Joegoslavische producenten worden verkocht . Zij wijzen er eveneens op dat er mededinging tussen deze producenten heerst, wel te verstaan wat betreft de produktie van dezelfde soorten motoren . In antwoord op vragen van het Hof hebben de Raad en de Commissie gepreciseerd dat de Joegoslavische producenten vrij zowel hun import - als exportprijzen kunnen vaststellen ( zie ook supra, randnummer 15, voetnoot 27 ) en dat er ten tijde van het onderzoek niet onbelangrijke prijsverschillen bestonden, zoniet in de brutoprijs dan toch in de nettoprijs die de klanten werd aangerekend . Aanzienlijke verschillen bestonden met name op het stuk van de betalingstermijnen wat van groot belang is in een land met hoge inflatie . Verzoeksters hebben geen precieze elementen aangevoerd van aard om deze vaststellingen te ontkrachten .
In die omstandigheden komt het me voor dat de keuze van de Joegoslavische prijzen als vergelijkingsbasis niet onregelmatig is, maar integendeel binnen de beoordelingsmarge blijft waarover Raad en Commissie beschikken . Dit lijkt me des te meer zo te zijn nu de keuze van de Joegoslavische prijzen geleid heeft tot de vaststelling van een beduidend kleinere - en dus voor verzoeksters voordeliger - dumpingmarge ( variërend van 121 tot 146 %) dan ingeval Zweden als referentieland ( 192 tot 283 %) zou zijn gekozen . Bovendien heeft geen van de verzoeksters aangetoond dat de prijzen in een derde land tot een nog kleinere dumpingmarge zou hebben geleid .
- Werd de normale waarde correct berekend?
a ) Over de koers van de Joegoslavische dinar
20 . De stelling van Neotype dat niet de officiële koers van de dinar, maar de aankoopkoers zoals vastgesteld door Westerse banken moet worden gebruikt voor de omrekening van de Joegoslavische prijzen, overtuigt me niet .
Voor een goed begrip dient het probleem in het algemeen te worden gesitueerd, namelijk in het raam van de bepalingen inzake vaststelling van de dumpingmarge . Overeenkomstig artikel 2, lid 13, onder a, van verordening nr . 2176/84 wordt een dumpingmarge vastgesteld door de prijs bij uitvoer te vergelijken met de normale waarde . ( 30 ) Ten aanzien van produkten van uitvoer uit een land met markteconomie wordt de normale waarde in beginsel vastgesteld op grond van de prijs die moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het betrokken land ( zie artikel 2, lid 3, onder a, van verordening nr . 2176/84 ). In die hypothese zijn bij de vaststelling van de dumpingmarge twee bedragen betrokken - de prijs bij uitvoer en de prijs voor verbruik op de binnenlandse markt - die beide het gevolg zijn van reële transacties, maar die meestal in verschillende munteenheden zijn uitgedrukt . Om met elkaar vergeleken te kunnen worden moeten beide bedragen dan in een zelfde rekeneenheid worden omgezet .
Zoals het Hof in Nachi Fujikoshi ( r.o . 53 ) heeft verklaard moet deze omzetting gebeuren
"aan de hand van de officiële wisselkoersen op basis waarvan de internationale handelstransacties worden verricht ".
Welnu, de door de Joegoslavische overheden vastgestelde wisselkoers voor de dinar is de enige officiële wisselkoers die als dusdanig door het Internationaal Muntfonds wordt erkend . ( 31 ) Alle handelstransacties met het buitenland, ongeacht of het om import - of exportverrichtingen gaat, moeten via speciaal daartoe erkende banken verlopen die de officiële wisselkoers toepassen voor het omzetten van dinars in vreemde munt of omgekeerd . De door Neotype gesuggereerde bankenkoers is geen officiële koers . Hij is bovendien een biljettenkoers die tot stand komt op een voor handelstransacties weinig relevante en niet representatieve, want weinig volumineuze en erratisch werkende markt . Deze markt wordt immers in hoofdzaak gevoed door verrichtingen van particulieren die biljetten in dinar wensen te verwerven in het kader van een verblijf in Joegoslavië . Dit wordt in het bijzonder geïllustreerd door de van instelling tot instelling sterk verschillende biljettenkoersen . Binnen eenzelfde instelling zijn bovendien fors uiteenlopende aankoop - en verkoop(biljetten)koersen van toepassing . De door Neotype gesuggereerde bankenkoers is geen middenkoers, maar een aankoopkoers . In het kader van de vaststelling van de dumpingmarge waar het erop aankomt twee in verschillende munten uitgedrukte bedragen met elkaar vergelijkbaar te maken, lijkt het gebruik van een dergelijke aankoopkoers mij om die reden eveneens verkeerd .
21 . Neotype wijst het gebruik van de officiële koers van de dinar niet af wanneer het gaat om een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van elektromotoren van oorsprong uit Joegoslavië . Zij is echter van oordeel dat, in het kader van een anti-dumpingprocedure waarin Joegoslavië niet het land van uitvoer maar het referentieland is voor het vaststellen van de normale waarde van produkten van oorsprong uit de Sovjet-Unie, niet langer de officiële koers, maar de voornoemde bankenkoers zou moeten worden gebruikt .
Dit standpunt kan ik niet volgen . Ik zie niet in waarom een niet officieel erkende en voor handelstransacties niet representatieve koers van de dinar zou moeten worden gebruikt bij het vaststellen van de dumpingmarge voor goederen afkomstig uit de Sovjet-Unie, wanneer deze koers omwille van zijn kenmerken niet mag worden gebruikt bij het vaststellen van de dumpingmarge van goederen afkomstig uit Joegoslavië zelf . Bovendien is het van algemene bekendheid dat de officiële koers van de roebel ( en niet de door Westerse banken toegepaste lagere ( aankoop)koers ) van toepassing is op handelstransacties met Sovjetexporteurs of -importeurs . Zou men de suggestie van Neotype volgen dan zou bij het vaststellen van de dumpingmarge voor produkten afkomstig uit de Sovjet-Unie een koers worden toegepast die voor de Sovjetexporteurs heel wat gunstiger is dan de koers die werkelijk wordt toegepast voor de omrekening van de opbrengst van hun verkopen in deviezen .
b ) Over de Joegoslavische inflatie
22 . Neotype, Stanko en Electroimpex voeren ook nog aan dat de door de instellingen vastgestelde normale waarde niet als basis van vergelijking kan dienen omdat ze geen rekening houdt met de hoge Joegoslavische inflatie die, tijdens de onderzoeksperiode, zowat 80 % op jaarbasis bedroeg .
Hierover door het Hof ondervraagd hebben Raad en Commissie eraan herinnerd dat in de definitieve verordening de normale waarde wordt vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de binnenlandse verkoopprijzen van de Joegoslavische producenten tijdens het referentiejaar 1985 . Volgens beide instellingen is het verschil tussen de inflatie in de EEG en de Joegoslavische inflatie tijdens dat jaar tot uiting gekomen in de ontwikkeling van de officiële wisselkoers ecu-dinar . Waar in januari 1985 deze verhouding nog 1 ecu/147 dinar bedroeg, was zij in december 1985 tot 1 ecu/264 dinar geëvolueerd . De opwaardering van de ecu tegenover de dinar stemt aldus overeen met het Joegoslavische inflatiepeil, zodat Raad en Commissie het niet nodig hebben geoordeeld om specifiek rekening te houden met de Joegoslavische inflatie bij de vaststelling van de normale waarde .
Deze houding van de Raad en de Commissie kan naar mijn mening niet als foutief worden bestempeld .
c ) Over de berekening op basis van de aangenomen waarde
23 . Stanko betoogt dat de normale waarde had moeten worden berekend op basis van de aangenomen waarde rekening houdend met de produktiekosten van de Joegoslavische producenten, dit overeenkomstig artikel 2, lid 5, onder b, van verordening nr . 2176/84 .
De Raad stelt hier tegenover dat de voorgestelde berekening op basis van de aangenomen waarde zich als methode pas opdringt indien de normale waarde niet op basis van de binnenlandse prijzen kan worden vastgesteld .
Het Hof heeft dit standpunt van de Raad uitdrukkelijk bevestigd in zijn voornoemd arrest van 5 oktober 1988 in zaak Technointorg . Daarin heeft het Hof gesteld dat de aangenomen waarde slechts moet worden toegepast wanneer de omstandigheden het gebruik van de binnenlandse prijs onredelijk maken ( r.o . 30 ).
Welnu, uit de hiervoor besproken argumenten is niet gebleken, dat een berekening van de normale waarde op basis van de binnenlandse Joegoslavische prijzen onredelijk zou zijn . Ook dit middel dient derhalve te worden verworpen .
B - Vergelijking van de normale waarde met de prijs bij uitvoer
Toepasselijke bepalingen
24 . Op grond van verordening nr . 2176/84 moeten de prijs bij uitvoer en de normale waarde van het "gedumpte" produkt op een vergelijkbare grondslag berusten wat betreft de fysieke hoedanigheden van het produkt, de hoeveelheden en de verkoopsvoorwaarden ( artikel 2, lid 9 ). Indien de uitvoerprijs en de normale waarde niet met elkaar vergelijkbaar zijn wat betreft voornoemde factoren, wordt naar behoren rekening gehouden met de verschillen die de prijsvergelijking beïnvloeden . De belanghebbende partij die verzoekt om een dergelijk verschil in aanmerking te nemen, moet bewijzen dat dit verzoek gerechtvaardigd is ( artikel 2, lid 10 ).
Samenvatting van de argumenten van verzoeksters
25 . Enital ( 32 ), Stanko ( 33 ) en Electroimpex ( 34 ) verwijten de Raad en de Commissie dat ze geen rekening hebben gehouden met talrijke verschillen tussen de onderscheiden elektromotoren .
Enital roept verschillen in fysieke hoedanigheden in die zouden bestaan tussen de Joegoslavische elektromotoren en de uitgevoerde elektromotoren, maar dit ter ondersteuning van haar stelling dat eerstgenoemde motoren geen "soortgelijk produkt" zouden zijn . Hiervoor ( nr . 13 ) heb ik er al op gewezen dat dit argument niet opgaat . Volledigheidshalve wens ik nochtans te onderzoeken of de ingeroepen verschillen niet tot een prijscorrectie hadden moeten leiden . Volgens Enital zouden bij de produktie van elektromotoren in de Sovjet-Unie grondstoffen van mindere kwaliteit worden gebruikt dan bij de produktie in Joegoslavië ( 35 ), zou de hoeveelheid actieve bestanddelen van motoren geringer zijn dan die van de Joegoslavische motoren, zou geen rekening zijn gehouden met technische verschillen inzake elektrische voeding, ashoogten en geluids - en trillingsniveaus .
Van haar kant roept Stanko volgende verschillen in tussen de respectievelijk in de Sovjet-Unie, in Joegoslavië en in de Gemeenschap geproduceerde elektromotoren, waarmee de Raad en de Commissie geen rekening zouden hebben gehouden :
- verschil in rationalisatie van de produktie gelet op de kleinschaligheid van de Joegoslavische markt evenals het ontbreken van een werkelijke mededinging op deze markt;
- verschil in produktiekosten gelet op de hogere loonkost voor de Joegoslavische producenten;
- verschillen inzake technische kenmerken, verpakking en vervoerkosten;
- kosten die worden gemaakt om de produkten aan de technische normen van de invoerlanden aan te passen;
- mindere kwaliteit van de ingevoerde produkten;
- minder goede reputatie van de ingevoerde produkten;
- minder doeltreffende na-verkoop-dienst;
- kosten voor de importeur voortvloeiend uit het aanleggen van een omvangrijke voorraad produkten .
Ten slotte voert Electroimpex een aantal verschillen aan tussen de Bulgaarse en de in de Gemeenschap geproduceerde elektromotoren . Deze verschillen tonen naar haar mening aan dat de kwaliteit van de in de Gemeenschap geproduceerde motoren veel hoger ligt, zodat de Bulgaarse motoren niet echt concurrerend zouden zijn .
Beoordeling
26 . Overeenkomstig artikel 2, lid 10, van verordening nr . 2176/84 moeten belanghebbende partijen die een correctie wegens verschillen in fysieke hoedanigheden wensen, dit tijdens de onderzoeksprocedure vragen en daarenboven het bewijs leveren dat deze verschillen de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden . De door Enital aangeduide verschillen werden reeds opgeworpen in het kader van het onderzoek dat aan de definitieve verordening is voorafgegaan ( zie overweging 12, lid 1, tweede streepje van verordening nr . 864/87 ). De Commissie heeft daarop een onderzoek ingesteld . Hieruit bleek dat het gebruik van materialen van verschillende oorsprong en de graad van optimalisering van de hoeveelheid actieve bestanddelen van de motoren, geen verschillen met betrekking tot de fysieke hoedanigheden tot gevolg hadden noch andere verschillen die van invloed konden zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen . Op het gebied van de fysieke hoedanigheden werd slechts één uitzondering gemaakt, met name voor de kogellagers ( zie overweging 12, leden 2 en 3, van verordening nr . 864/87 ).
Heeft de Commissie in het kader van dit onderzoek gegevens over het hoofd gezien? Dit wordt door Enital niet beweerd . Hebben de instellingen, in het kader van dit onderzoek, een beoordelingsfout gemaakt? Dit wordt door Enital impliciet wel beweerd, maar zij legt geen beoordelingselementen voor zodat het Hof niet in staat is na te gaan of de instellingen terzake een fout hebben begaan . Het op de beweerde verschillen inzake fysieke hoedanigheden gesteunde middel kan dan ook niet worden aanvaard .
27 . De door Stanko opgeworpen verschillen kunnen evenmin de stelling staven dat de instellingen de prijs bij uitvoer en de normale waarde op een verkeerde basis hebben vergeleken . Vooreerst weze opgemerkt dat deze verschillen in zeer algemene termen zijn aangeduid en niet met bewijsmiddelen worden gestaafd . Bovendien heeft de Raad, in tegenstelling met wat Stanko beweert, wel rekening gehouden met verschillen die als verschillen in verkoopsvoorwaarden kunnen worden beschouwd, onder andere op het stuk van garanties, verpakking en vervoer ( zie overweging 11 van verordening nr . 864/87 ). Wat de meeste andere door Stanko aangeduide verschillen betreft weze opgemerkt dat zij niet onder de categorieën van factoren vallen vermeld in artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84 . In het voornoemde arrest in zaak Technointorg ( r.o . 34 ) heeft het Hof gesteld dat uitsluitend de in de leden 9 en 10 van het betrokken artikel bedoelde factoren ( verschillen inzake de fysieke hoedanigheden, verschillen in hoeveelheden, verschillen in verkoopsvoorwaarden en verschillen in invoerbelastingen en indirecte belastingen ) aanleiding kunnen geven tot een aanpassing . Welnu, mogelijke verschillen op het stuk van rationalisatie van de produktie, loonkosten, reputatie van de ingevoerde goederen en doeltreffendheid van de na-verkoop-dienst vallen niet onder deze factoren . Ten slotte wijst de Raad in zijn verweerschrift erop dat hij, bij het vaststellen van het anti-dumpingrecht, een zeer brede gemiddelde winstmarge voor de importeurs in aanmerking heeft genomen ( 40 % van de invoerprijs ). Zodoende heeft de Raad de importeurs in de gelegenheid gesteld de kosten die voortvloeien uit het aanpassen van de ingevoerde elektromotoren aan de normen van de EEG-markt, forfaitair te verrekenen . Deze brede winstmarge moet de importeurs tevens hebben toegelaten de kosten van een mogelijk belangrijke voorraad te dekken .
Gelet op wat voorafgaat kan het op de ingeroepen verschillen tussen produkten gesteunde middel van Stanko mijns inziens niet worden aanvaard .
28 . Wat ten slotte de door Electroimpex ingeroepen verschillen tussen Bulgaarse en in de Gemeenschap geproduceerde motoren betreft, volstaat het op te merken dat zij niet door artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84 worden beoogd . Deze bepalingen behandelen de aanpassingen die nodig zijn om een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken tussen de prijs bij uitvoer en de normale waarde van het "gedumpte" produkt . Verschillen tussen het "gedumpte" produkt en het in de Gemeenschap geproduceerde produkt worden door deze bepalingen niet beoogd . Zouden dergelijke verschillen bestaan, dan zou Electroimpex wel kunnen betogen dat het ingevoerde produkt niet "soortgelijk" is met het in de Gemeenschap geproduceerde produkt en daarom niet bij machte de communautaire produkten te schaden . Hiervoor ( nr . 13 ) heb ik er echter al op gewezen dat de definitieve verordening gestandaardiseerde elektromotoren betreft die, ongeacht hun oorsprong, "soortgelijke produkten" zijn in de zin van artikel 2, lid 12, van verordening nr . 2176/84 . Hierna ( nrs . 31-36 ) zal verder blijken dat de Raad kon vaststellen dat de invoer met dumping van elektromotoren afkomstig uit de betrokken landen met staatshandel aanmerkelijke schade aan de communautaire producenten heeft toegebracht . In die omstandigheden is ook het middel van Electroimpex ongegrond .
C - Schade
Toepasselijke bepalingen
29 . Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr . 2176/84 volstaat het niet dat dumping met betrekking tot een produkt plaatsvindt om een anti-dumpingrecht te kunnen instellen . Het invoeren van het "gedumpte" produkt in de Gemeenschap moet bovendien schade veroorzaken . Artikel 4 van de voornoemde verordening preciseert wat onder schade wordt verstaan . Het moet gaan om een aanmerkelijke schade ( of schadedreiging ) aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap . Het artikel somt de factoren op waarop het onderzoek naar de schade betrekking heeft maar, zo voegt het eraan toe, één enkele of zelfs verscheidene van deze factoren zijn niet noodzakelijkerwijze doorslaggevend voor de beoordeling .
Samenvatting van de middelen van verzoeksters
30 . Alle verzoeksters komen in het verweer tegen de manier waarop de Raad de schade heeft vastgesteld ( 36 ): 1 ) de Raad zou de schade niet hebben mogen vaststellen op grond van de globale invoer in de Gemeenschap van elektromotoren uit de betrokken landen met staatshandel, maar had de schade voor elk uitvoerland apart moeten vaststellen ( Stanko en Electroimpex ); 2 ) de Raad zou evenmin het marktaandeel van de landen met staatshandel hebben mogen berekenen op basis van de ingevoerde produkten, maar had de effectieve verkopen in de Gemeenschap als criterium moeten nemen ( Neotype ); 3 ) er zou van schade geen sprake zijn aangezien het aantal in de Gemeenschap geproduceerde elektromotoren tijdens de referentieperiode is gestegen en het marktaandeel van de betrokken landen met staatshandel tijdens diezelfde periode is gedaald ( alle verzoeksters ). Ten opzichte van de periode 1977-1981 zou de invoer van elektromotoren uit de betrokken landen zelfs in absolute cijfers zijn gedaald ( Neotype ); 4 ) voor zover er schade zou zijn, zou er geen oorzakelijk verband zijn tussen deze schade en de invoer met dumping van elektromotoren uit de betrokken landen . De schade zou aan andere factoren toe te schrijven zijn, onder andere aan een verscherpte intracommunautaire concurrentie onder druk van vooral Italiaanse producenten ( Enital en Stanko ). Op dit punt zou de definitieve verordening daarenboven onvoldoende zijn gemotiveerd ( Enital ).
Beoordeling
- Is de cumulatieve berekening van de schade foutief?
31 . Stanko en Electroimpex zijn van oordeel dat de Raad foutief heeft gehandeld door de schade vast te stellen op grond van de gevolgen van de globale invoer met dumping uit de betrokken landen met staatshandel .
Wat dit middel betreft wil ik erop wijzen dat verordening nr . 2176/84 geenszins de verplichting oplegt om de door de Gemeenschap geleden schade voor elk uitvoerland afzonderlijk te beoordelen, evenmin als ze een aparte beoordeling oplegt van de schade veroorzaakt door elke exporteur of exclusieve importeur . Integendeel, zoals het Hof in het voornoemde arrest in zaak Technointorg heeft overwogen ( r.o . 41 ), moeten de gevolgen van invoer van "gedumpte" produkten afkomstig van verschillende landen in beginsel globaal worden beoordeeld .
In overweging 19 van de definitieve verordening heeft de Raad uitgebreid de redenen uiteengezet waarom, voor het bepalen van de schade, de invoer met dumping afkomstig van alle bij de procedure betrokken exporteurs in overweging werd genomen . Bij het nemen van deze beslissing heeft de Raad rekening gehouden met de gebruikelijke criteria om tot een globale beoordeling over te gaan, met name de vergelijkbaarheid en verwisselbaarheid van de ingevoerde produkten en de overeenstemming van de door de exporteurs toegepaste prijzen .
In die omstandigheden was er voor de Raad geen reden om van het beginsel van de cumulatieve beoordeling van de schade af te wijken .
- Had de schade moeten worden vastgesteld op basis van de effectieve verkopen in de Gemeenschap?
32 . Neotype werpt op dat de Raad het definitieve anti-dumpingrecht heeft ingesteld op basis van verkeerde cijfers omtrent het marktaandeel van de elektromotoren van uitvoer uit de landen met staatshandel . Dit marktaandeel werd berekend op basis van de invoercijfers, daar waar, volgens Neotype, de cijfers van de effectieve verkopen in de Gemeenschap als basis hadden moeten dienen . Er zou immers een verschil tussen beide cijfers zijn rekening houdend vooral met de noodzaak voor de importeurs om een belangrijke voorraad aan te leggen .
Dit laatste argument volstaat mijns inziens niet om aan te tonen dat de Raad de schade foutief zou hebben vastgesteld . De keuze van de instellingen om het marktaandeel te berekenen op basis van de invoercijfers, waarbij kan worden uitgegaan van statistieken die op douanegegevens steunen, lijkt me volstrekt verantwoord omwille van de hogere graad van betrouwbaarheid van deze berekeningsmethode . Bovendien mag worden aangenomen dat de noodzaak van een ruime voorraad hooguit in de aanlegfase daarvan een verschil kan opleveren tussen de invoercijfers en de verkoopcijfers .
- Kon schade worden vastgesteld gelet op de ontwikkeling van de produktie - en verkoopcijfers van elektromotoren in de Gemeenschap?
33 . Alle verzoeksters zijn van oordeel dat de Raad geen schade kon vaststellen rekening houdend met de ontwikkeling van de produktie - en verkoopcijfers tijdens de referentieperiode ( 1982-1985 ). Zij wijzen erop dat, enerzijds, de EEG-produktie van elektromotoren in absolute cijfers is gestegen van 907 000 in 1982 tot 990 000 in 1985 en dat, anderzijds, het marktaandeel van de betrokken landen met staatshandel is gedaald ( volgens overweging 31 van de definitieve verordening : van 23 % in 1982 tot 19,6 % in 1985 ). Neotype wijst er bovendien op dat wanneer de cijfers over een langere periode worden beschouwd, de invoer van elektromotoren uit landen met staatshandel zelfs in absolute cijfers is gedaald . Met name vertegenwoordigt de invoer in 1985 nog slechts 75 % van de invoer in de jaren 1979 en 1981 .
34 . Op dit laatste punt dient erop gewezen te worden dat de anti-dumpingprocedure die tot verordening nr . 864/87 heeft geleid, geopend werd om na te gaan of de in het kader van een vorige procedure door de Raad en de Commissie aanvaarde verbintenissen tot prijsverhoging van exporteurs uit landen met staatshandel ( 37 ), volstonden om de schadelijke gevolgen van de met dumping verrichte invoer op te heffen . Met de cijfers voor de periode 1981/1982 werd derhalve reeds rekening gehouden in het kader van deze vorige anti-dumpingprocedure . Voor de hier besproken procedure kwam het erop aan de evolutie van de cijfers in de periode na 1982 te bekijken om na te gaan of de ten tijde van de vorige procedure gebleken schade was opgeheven .
35 . In het middel van verzoeksters omtrent de schade worden daarenboven twee factoren geïsoleerd ( de toename van de EG-produktie van elektromotoren en de verbetering van het marktaandeel van de EG-producenten ). Hieruit leiden verzoeksters af dat de Raad geen schade kon vaststellen . Uit overwegingen 17 tot 32 van de definitieve verordening, die aansluiten bij overwegingen 18 tot 33 van de voorlopige verordening, blijkt evenwel dat de Raad schade heeft vastgesteld op grond van verschillende factoren die allen uitdrukkelijk in artikel 4, lid 2, van verordening nr . 2176/84 worden vermeld, met name :
. De toename, in absolute cijfers, van de invoer met dumping ( artikel 4, lid 2, onder a )
De gecumuleerde invoer van elektromotoren uit de betrokken landen met staatshandel bedroeg 716 000 stuks in 1982, was tot 604 000 stuks gedaald in 1983 en was vervolgens opnieuw gestegen tot 689 500 stuks in 1984 en 748 300 stuks in 1985, dus een peil dat in absolute cijfers hoger lag dan dat van 1982 . ( 38 )
. Een aanzienlijke prijsonderbieding ( artikel 4, lid 2, onder b ))
De wederverkoopprijzen van de elektromotoren van oorsprong uit de landen met staatshandel lag gedurende de referentieperiode ver beneden de kostprijs en de verkoopprijzen van de meest efficiënte communautaire producenten . ( 39 )
. De invloed op de EG-bedrijfstak ( artikel 4, lid 2, onder c )
Uit het dossier blijkt dat de EG-producenten, tegenover de concurrentie van de met sterke dumping ingevoerde motoren uit de landen met staatshandel, gekozen hebben voor handhaving van hun marktaandeel . Zodoende zagen zij zich echter gedwongen hun elektromotoren te verkopen tegen prijzen die ver beneden de prijzen lagen die nodig zouden zijn geweest om hun produktiekosten te dekken . De Raad heeft vastgesteld dat, ondanks de verbetering van de economische bedrijvigheid en het verbruik in de Gemeenschap, alle onderzochte communautaire producenten, op twee na, niet in staat waren om inzake elektromotoren met winst te werken . Daarbij komt dat het aantal rechtstreeks bij de produktie van elektromotoren betrokken werknemers tussen 1982 en 1985 voortdurend achteruit is gegaan . ( 40 )
In die omstandigheden komt het me voor dat de Raad, door vast te stellen dat de invoer met dumping van elektromotoren uit de betrokken landen met staatshandel aanzienlijke schade aan de communautaire producenten heeft toegebracht, de marge van zijn beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan .
- Is de schade het gevolg van andere factoren dan de invoer uit landen met staatshandel?
36 . Stanko en Enital doen ten slotte gelden dat de Raad niet heeft aangetoond dat de door de Gemeenschap geleden schade het gevolg zou zijn van de invoer uit landen met staatshandel . Naar hun mening zou vooral de intracommunautaire mededinging onder druk van bepaalde Italiaanse producenten de exploitatieverliezen van vele communautaire producenten verklaren .
Dit argument wordt door genoemde partijen zo summier ontwikkeld dat het elke overtuigingskracht mist . Hun betoog steekt schril af bij de manier waarop de Raad de band tussen schade en invoer uit de betrokken landen in de definitieve verordening heeft verantwoord . De Raad heeft daarbij bijzondere aandacht besteed aan het reeds tijdens de onderzoeksprocedure opgeworpen argument in verband met de invloed van bepaalde Italiaanse producenten en heeft het verwerpen van dit argument voldoende gemotiveerd . ( 41 ) Geen van beide partijen heeft derhalve aangetoond dat de Raad op dit punt een beoordelingsfout zou hebben gemaakt .
D - De vaststelling van het anti-dumpingrecht
Toepasselijke bepalingen
37 . Artikel 1, lid 4, onder a, van de definitieve verordening bevat een bijzondere regeling voor het vaststellen van het anti-dumpingrecht in het geval de importeur en de exporteur verbonden ondernemingen zijn :
"De nettoprijs per stuk, franco grens Gemeenschap, komt in dit geval overeen met de douanewaarde zoals die zou zijn bepaald overeenkomstig artikel 6 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 . Bij ontstentenis zal, in het geval dat voor een geassocieerd importeur de douanewaarde niet overeenkomstig de voorgaande bepalingen kan worden bepaald, de nettoprijs, franco grens, overeenkomen met de douanewaarde zoals deze zou worden bepaald overeenkomstig artikel 2, lid 3, van dezelfde verordening ."
Artikel 6, lid 1, onder a, van verordening nr . 1224/80 bepaalt wat volgt :
"1.a ) Indien de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Gemeenschap worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen ... gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen, op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, de ingevoerde goederen dan wel de ingevoerde identieke of soortgelijke goederen ... worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen ..."
Artikel 6, lid 1, onder b, van dezelfde verordening bepaalt verder :
"1.b ) Indien noch de ingevoerde goederen, noch ingevoerde identieke, noch ingevoerde soortgelijke goederen worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen ... gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen, dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen, in de staat waarin zij zijn ingevoerd, in de Gemeenschap worden verkocht op de vroegste datum na de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, doch binnen negentig dagen na die invoer ."
Artikel 2, lid 3, van dezelfde verordening bepaalt ten slotte wat volgt :
"3 . Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de artikelen 3, 4, 5, 6 of 7, wordt zij vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en algemene bepalingen van de Overeenkomst en van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, en op basis van de gegevens die beschikbaar zijn in de Gemeenschap ."
Samenvatting van de middelen van Neotype
38 . Neotype doet gelden dat de manier waarop de Raad het anti-dumpingrecht in het geval van de verbonden importeurs heeft vastgesteld, op twee punten strijdig is met het gemeenschapsrecht . Vooreerst zou verordening nr . 2176/84 aan de Raad niet de bevoegdheid geven een variabel anti-dumpingrecht in te stellen in functie van de prijs aan de eerste onafhankelijke afnemer . Vervolgens zou de door de Raad vastgestelde methode te onprecies zijn om met zekerheid het anti-dumpingrecht te kunnen bepalen . Wanneer met name de douanewaarde van de ingevoerde produkten niet kan worden bepaald overeenkomstig artikel 6 van verordening nr . 1224/80 ( d.i . wanneer, binnen 90 dagen na invoer, noch de ingevoerde goederen, noch ingevoerde identieke, noch ingevoerde soortgelijke goederen worden verkocht ), moet deze waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van voornoemde verordening, worden vastgesteld "met gebruikmaking van redelijke middelen ". Door zijn algemeenheid zou dit laatste criterium niet als basis voor het vaststellen van een anti-dumpingrecht kunnen worden gebruikt .
Beoordeling
39 . Verordening nr . 2176/84 evenmin als de Gatt-voorschriften inzake dumping regelen de vorm van de anti-dumpingmaatregelen . Artikel 13, lid 8, van deze verordening bepaalt evenwel dat de Lid-Staten de anti-dumpingrechten innen
"in de vorm, volgens het tarief en overeenkomstig de andere bij de instelling van deze rechten vastgestelde criteria ..."
Met de Raad ben ik het eens dat de instellingen, gelet op dit wettelijk kader, de anti-dumpingmaatregelen kunnen vaststellen onder de vorm die hen het meest geschikt voorkomt om de schade door dumping op te heffen . Daartoe doen zij in de praktijk regelmatig een beroep op het instellen van een variabel recht dat wordt berekend door het verschil te nemen tussen een minimumprijs en de uitvoerprijs ( of de prijs aan de eerste onafhankelijke afnemer ). Een variabel recht is overigens een voor de betrokkenen voordelige vorm omdat het hen de mogelijkheid biedt om via een verhoging van hun prijzen aan de betaling van een anti-dumpingrecht te ontsnappen .
Gelet op de vrijheid die verordening nr . 2176/84 op dit stuk aan de instellingen laat en de rechtmatige zorg om de anti-dumpingmaatregelen zo goed mogelijk op de vastgestelde schade af te stemmen, komt het mij voor dat de Raad, in het geval van bindingen tussen importeurs en exporteurs, het bedrag van het anti-dumpingrecht rechtsgeldig kon bepalen als zijnde het verschil tussen een minimumprijs en de douanewaarde van de ingevoerde goederen zoals bepaald overeenkomstig artikel 6 van verordening nr . 1224/80 .
40 . In haar tweede middel betwist Neotype het criterium dat subsidiair door de Raad in artikel 1, lid 4, van de definitieve verordening is bepaald voor het geval de douanewaarde niet overeenkomstig artikel 6 van verordening nr . 1224/80 zou kunnen worden vastgesteld . Als dusdanig kan dit middel niet tot nietigverklaring van de hele bepaling leiden . Bovendien gaat het uit van de zuiver theoretische hypothese dat de douaneautoriteiten, wanneer ze dit subsidiaire criterium overeenkomstig artikel 2, lid 3, van verordening nr . 1224/80 zouden moeten toepassen, dit op een willekeurige manier zouden doen en een dergelijke toepassing tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden . Zo begrepen past het middel niet in een beroep tot nietigverklaring van een verordening : zou deze situatie zich effectief voordoen, dan dienen de benadeelde importeurs zich tot de bevoegde nationale rechtsinstanties te wenden .
Ik meen dan ook dat de middelen van Neotype met betrekking tot de berekeningsmethode van het anti-dumpingrecht moeten worden verworpen .
E - De toepassing van het anti-dumpingrecht op onderdelen
41 . Enital is van oordeel dat de definitieve verordening in strijd is met artikel 2, lid 12, van verordening nr . 2176/84 in zover zij een anti-dumpingrecht zou hebben gelegd op onderdelen van elektromotoren, daar waar onderdelen niet als produkten soortgelijk aan elektromotoren kunnen worden beschouwd . ( 42 )
Verzoekster heeft dit middel reeds ontwikkeld in het verzoekschrift dat ze heeft neergelegd met het oog op het opschorten van de uitvoering van de voorlopige verordening . Zoals de president van het Hof reeds in zijn beschikking van 16 januari 1987 heeft gesteld ( 43 ), mist dit middel elke grond omdat de definitieve verordening geen anti-dumpingrecht op onderdelen heeft ingesteld . Artikel 1, lid 1, van de definitieve verordening stelt een anti-dumpingrecht in op de invoer van elektromotoren die vallen onder post ex 85.01 B I b van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenstemmend met Nimexe-codes ex 85.01-33, ex 85.01-34 en ex 85.01-36 van oorsprong uit zes landen met staatshandel . Uit de bijlage van het gemeenschappelijk douanetarief ( 44 ) blijkt duidelijk dat onderdelen van elektromotoren niet onder post 85.01 B vallen, aangezien hiervoor een aparte post is voorzien, met name post 85.01 C . Dit blijkt eveneens uit de Nimexe-codes ( 45 ): onderdelen van elektromotoren vallen er niet onder de in de definitieve verordening aangeduide Nimexe-posten, maar wel onder de specifieke posten 85.01-89 en 85.01-90 .
F - De inwerkingtreding van de definitieve verordening
42 . Artikel 4 van de definitieve verordening bepaalt dat de verordening in werking treedt op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen . Enital merkt op dat de Raad de onmiddellijke inwerkingtreding van de verordening niet heeft gemotiveerd en is van oordeel dat deze verordening om die reden zou moeten worden nietig verklaard . Enital is verder van oordeel dat de inwerkingtreding van de verordening op de dag volgend op die van bekendmaking in het Publikatieblad in feite voor gevolg heeft gehad dat het anti-dumpingrecht met terugwerkende kracht werd ingesteld, wat strijdig zou zijn met de basisverordening . ( 46 )
43 . Krachtens artikel 191, alinea 1, van het EEG-Verdrag treden verordeningen in werking op de in de verordeningen bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgend op die van hun bekendmaking . In zijn arrest van 13 december 1967 in zaak Neumann ( 47 ) - arrest waarop verzoekster voornoemd eerste middel steunt - heeft het Hof gesteld :
"dat men, zonder te kort te schieten in de om redenen van rechtszekerheid redelijkerwijze te verlangen zorgvuldigheid, verordeningen niet terstond in werking mag doen treden wanneer daartoe geen bijzondere redenen kunnen worden aangevoerd ".
In hetzelfde arrest heeft het Hof echter gesteld dat deze bijzondere redenen niet noodzakelijk in de overwegingen van de verordening moeten worden uiteengezet, voor zover het Hof aan de bepalingen van de verordening ernstige gronden kan ontlenen om aan te nemen dat ieder tijdsverloop tussen bekendmaking en inwerkingtreding de belangen van de Gemeenschap zou kunnen schaden .
Naar mijn mening zijn deze gronden hier aanwezig . Artikel 11, lid 5, van verordening nr . 2176/84 bepaalt dat voorlopige rechten een maximale geldigheidsduur van vier maanden hebben . Onder omstandigheden kan de geldigheidsduur van de voorlopige anti-dumpingrechten met ten hoogste twee maanden worden verlengd . In casu werd het bij verordening nr . 3019/86 van 30 september 1986 ingestelde voorlopige anti-dumpingrecht met ten hoogste twee maanden verlengd bij verordening nr . 254/87 van de Raad van 26 januari 1987 . ( 48 ) In deze laatste verordening werd uitdrukkelijk gepreciseerd dat de verlengde maatregel van toepassing was "ten laatste tot het tijdstip waarop een op 1 februari 1987 ingaand tijdvak van twee maanden verstrijkt ". Indien de Raad een hiaat in de bescherming van de belangen van de Gemeenschap wou vermijden, moest hij dan ook zorgen dat de definitieve verordening uiterlijk op 1 april 1987 in werking trad, zodat hij gegronde redenen had om verordening nr . 864/87 van 23 maart 1987 op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad in werking te doen treden .
Daarbij komt dat verzoekster niet kan aanvoeren dat de onmiddellijke toepassing van het definitieve anti-dumpingrecht onvoorzienbaar was, aangezien dit recht van kracht werd op het einde van de door verordening nr . 2176/84 bepaalde maximumtermijn voor de geldigheid van het voorlopige recht en de Commissie verzoekster bestendig op de hoogte heeft gehouden van de evolutie van de procedure .
44 . Het middel van Enital dat de inwerkingtreding van de definitieve verordening op de dag volgend op die van bekendmaking in het Publikatieblad in feite voor gevolg heeft gehad dat het definitieve anti-dumpingrecht met terugwerkende kracht werd ingesteld, is moeilijk te begrijpen . In feite heeft dit middel slechts zin indien verzoekster zou kunnen aantonen dat de verordening werd bekendgemaakt in een nummer van het Publikatieblad dat, ofschoon 27 maart 1987 gedagtekend, pas later werd verspreid en dat de bepalingen van de verordening niettemin vanaf 28 maart 1987 werden toegepast . ( 49 ) Verzoekster beweert dit niet . Van zijn kant heeft de Raad bij het Bureau voor officiële publikaties de bevestiging gekregen dat het nummer gedagtekend 27 maart 1987 op die dag daadwerkelijk werd verspreid .
In die omstandigheden mist ook dit laatste middel elke grond .
Algemene conclusie
45 . Gelet op wat voorafgaat stel ik het Hof voor :
- geen uitspraak te doen over het beroep in zaken 304/86, 305/86 en 320/86;
- het beroep van Elprom-Parma in zaak 157/87 onontvankelijk te verklaren;
- het beroep in zaken 157/87, 160/87, 185/87 en 188/87 te verwerpen;
- verzoeksters in de kosten van het geding te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie ( PB 1986, L 280, blz . 68 ). Deze verordening wordt in deze conclusie verder de voorlopige verordening genoemd . De in de verordening beoogde elektromotoren worden verder elektromotoren genoemd .
( 2 ) Verordening ( EEG ) nr . 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopige recht zijn gesteld ( PB 1987, L 83, blz . 1 ). Deze verordening wordt in deze conclusie verder de definitieve verordening genoemd .
( 3 ) Verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ). Deze verordening werd inmiddels vervangen door verordening ( EEG ) nr . 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 ( PB 1988, L 209, blz . 1 ).
( 4 ) Zie punt III.1.a van het rapport ter terechtzitting in zaken 305/86 en 160/87 waar de standpunten ter zake van de Commissie, Gimelec en Neotype zijn weergegeven .
( 5 ) Arrest van 5 oktober 1988 ( gevoegde zaken 294/86 en 77/87, Technointorg, Jurispr . 1988, blz . 6077 ).
( 6 ) Arrest van 5 oktober 1988 ( zaak 56/85, Brother Industries, Jurispr . 1988, blz . 5655 ).
( 7 ) Arrest van 21 februari 1984 ( zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation, Jurispr . 1984, blz . 1005 ).
( 8 ) Zie punt III.1 van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87, punt IV.2.a van het rapport ter terechtzitting in zaken 305/86 en 160/87, punt IV.3.a van het rapport ter terechtzitting in zaken 320/86 en 188/87 .
( 9 ) Beschikking van 8 juli 1987 ( zaak 279/86, Sermes, Jurispr . 1987, blz . 3109 ).
( 10 ) Arrest van 5 oktober 1988 ( zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr . 1988, blz . 5731 ). Rechtsoverweging 8 luidt :
"met exporteurs verbonden importeurs kunnen een verordening tot instelling van een anti-dumpingrecht betwisten, onder meer in het geval waar, zoals in deze zaken, de uitvoerprijs werd berekend op basis van hun verkoopprijzen op de gemeenschappelijke markt" ( mijn cursivering ).
( 11 ) Verordening ( EEG ) nr 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ).
( 12 ) Voor een verdere bespreking van de manier waarop het anti-dumpingrecht overeenkomstig de definitieve verordening moet worden berekend, zie infra nrs . 37 tot en met 40 .
( 13 ) Zie de arresten van 7 mei 1987 in zaken 240/84 ( NTN Toyo, Jurispr . 1987, blz . 1809 ), 255/84 ( Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861 ), 256/84 ( Koyo Seiko, Jurispr . 1987, blz . 1899 ) en 258/84 ( Nippon Seiko, Jurispr . 1987, blz . 1923 ).
( 14 ) Zie overwegingen 15 en 16 van de definitieve verordening .
( 15 ) Zie overweging 39 van de definitieve verordening .
( 16 ) Zie punt III.2.d.i van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87 .
( 17 ) Zie punt III.2.b.i van het rapport ter terechtzitting in zaken 305/86 en 160/87 .
( 18 ) Zie punt III.2.b.aa)i en ii van het rapport ter terechtzitting in zaken 320/86 en 188/87 .
( 19 ) Zie punt III.2.b van het rapport ter terechtzitting in zaak 157/87 .
( 20 ) Verordening ( EEG ) nr . 724/82 van de Commissie van 30 maart 1982 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, Polen, de Duitse Democratische Republiek, Roemenië, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie, en tevens houdende beëindiging van de procedure met betrekking tot de invoer van voornoemde produkten van oorsprong uit Hongarije ( PB 1982, L 85, blz . 9 ).
( 21 ) Zie onder andere het voornoemde arrest in zaak Nachi Fujikoshi, r.o . 39 .
( 22 ) Zie Vandoren, P.:"Mise en oeuvre de la politique anti-dumping de la CEE contre les importations en provenance des pays à commmerce d' État", Revue du Marché Commun, nr . 316, april 1988, blz . 198 en volgende .
( 23 ) Verordening ( EEG ) nr . 1765/82 van de Raad van 30 juni 1982 inzake de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer uit landen met staatshandel ( PB 1982, L 195, blz . 1 ).
( 24 ) Verordening ( EEG ) nr . 1766/82 van de Raad van 30 juni 1982 inzake de gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer uit de Volksrepubliek China ( PB 1982, L 195, blz . 21 ).
( 25 ) Joegoslavië is in 1966 tot de Gatt-overeenkomst toegetreden . In tegenstelling met het toetredingsprotocol dat met Polen, Roemenië en Hongarije werd gesloten, bevat het Joegoslavisch protocol geen uitzonderingen op de Gatt-beginselen .
( 26 ) Aantekening 2 bij artikel VI van het Gatt bepaalt wat volgt :
"It is recognized that, in the case of imports from a country which has a complete or substantially complete monopoly of its trade and where all domestic prices are fixed by the state, special difficulties may exist in determining price comparability for the purposes of paragraph 1, and in such cases importing contracting parties may find it necessary to take into account the possibility that a strict comparison with domestic prices in such a country may not always be appropriate ".
( 27 ) Zie in het bijzonder bijlage 25 waar wordt gesteld dat het Joegoslavisch economisch stelsel op wezenlijke punten ( geen centrale planning van de overheid, onafhankelijkheid van de ondernemingen o.a . op het stuk van prijsvorming, geen monopolie inzake handel met het buitenland ) verschilt van dat van landen uit Oost-Europa met een centraal gepland economisch stelsel .
( 28 ) Zie arrest van 4 oktober 1983 ( zaak 191/82, FEDIOL, Jurispr . 1983, blz . 2913, r.o . 30 ) evenals mijn conclusie in zaak 70/87, FEDIOL, Jurispr . 1989, blz . 1781, punt 19 .
( 29 ) Zie in het bijzonder de overwegingen 2 en 8 van verordening nr . 864/87 .
( 30 ) Artikel 2, lid 13, onder a, van verordening nr . 2176/84 bepaalt :
"Onder 'marge van dumping' wordt verstaan het bedrag waarmee de normale waarde de prijs bij uitvoer overschrijdt ."
( 31 ) Zie het jaarrapport 1989 van het IMF over "Exchange arrangements and exchange restrictions", waarin voor Joegoslavië ( positie op 31 december 1988 ) de "exchange arrangement" als volgt wordt beschreven :
"The currency of Yugoslavia is the Yugoslav dinar . The authorities do not maintain the exchange rate of the dinar within announced margins . All transactions, other than those effected under the procedures set forth for certain countries with which Yugoslavia has bilateral payments agreements ... take place at an exchange rate adjusted from time to time by the authorities ."
( 32 ) Zie punt III.2.d.i van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87 .
( 33 ) Zie punt III.2.b.aa)iii van het rapport ter terechtzitting in zaken 320/86 en 188/87 .
( 34 ) Zie punt III.2.c . van het rapport ter terechtzitting in zaak 157/87 .
( 35 ) In de opmerkingen van Enital staat dat de in Joegoslavië gebruikte grondstoffen van mindere kwaliteit zijn . Ik neem aan dat het hier om een verschrijving gaat en dat in feite een hogere kwaliteit wordt bedoeld . Zoniet zou dit argument bezwaarlijk passen in haar betoog dat erop gericht is de door de Raad vastgestelde dumpingmarge te vernauwen .
( 36 ) Zie punt III.2.e van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87, punt III.2.b.ii van het rapport ter terechtzitting in zaken 305/86 en 160/87, punt III.2.b.aa ) iv van het rapport ter terechtzitting in zaken 320/86 en 188/87, punt III.2.d van het rapport ter terechtzitting in zaak 157/87 .
( 37 ) Zie verordening ( EEG ) nr . 724/82 van de Commissie van 30 maart 1982 ( PB 1982, L 85, blz . 9 ), verordening ( EEG ) nr . 2075/82 van de Raad van 28 juli 1982 ( PB 1982, L 220, blz . 36 ) en besluit 84/189/EEG van de Commissie van 2 april 1984 ( PB 1984, L 95, blz . 28 ).
( 38 ) Zie overweging 25 van de voorlopige verordening .
( 39 ) Zie overweging 23 en 24 van de definitieve verordening .
( 40 ) Zie overweging 26 van de definitieve verordening .
( 41 ) Zie overwegingen 29 en 31 van de definitieve verordening .
( 42 ) Zie punt III . 2 . d)ii van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87 .
( 43 ) Beschikking van 16 januari 1987 ( zaak 304/86-R, Enital, Jurispr . 1987, blz . 267 ).
( 44 ) Bijlage zoals vastgesteld bij verordening ( EEG ) nr . 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 ( PB 1986, L 345, blz . 1 ).
( 45 ) Bijlage Nimexe zoals vastgesteld bij verordening ( EEG ) nr . 3840/86 van de Commissie van 16 december 1986 ( PB 1986, L 368, blz . 1 ).
( 46 ) Zie punt III.2.b en c van het rapport ter terechtzitting in zaken 304/86 en 185/87 .
( 47 ) Arrest van 13 december 1967 ( zaak 17/67, Neumann, Jurispr . 1967, blz . 556, op blz . 576 ).
( 48 ) Verordening ( EEG ) nr . 254/87 van de Raad van 26 januari 1987 houdende verlenging van het voorlopige anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije en de Sowjet-Unie ( PB 1987, L 26, blz . 1 ).
( 49 ) Zie arrest van 31 maart 1977 ( zaak 88/76, Suiker Export, Jurispr . 1977, blz . 709, r.o . 13-19 ).
Full & Egal Universal Law Academy