Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Sedert 1955 opereren België en Luxemburg in het kader van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie ( BLEU ) met een dubbele wisselmarkt . De ene markt is gereglementeerd en de wisselkoers is er uitgedrukt in "converteerbare" of "commerciële" franken; schommelingen van die koers worden zo nodig - binnen de grenzen van het Europees Monetair Stelsel ( EMS ) - in de hand gehouden door interventies van de Nationale Bank van België . De andere markt is vrij en de wisselkoers wordt er grotendeels door vraag en aanbod bepaald .
Het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor de Wissel ( hierna : het BLIW ) heeft regels vastgesteld voor de werking van die dubbele wisselmarkt . Import - en exportverrichtingen zijn geregeld in reglement I van het BLIW . Ingevolge artikel 8, lid 2, sub b, van dat reglement moet de betaling in buitenlandse valuta van uitvoertransacties gebeuren door middel van een bankoverschrijving of een cheque en moeten die valuta binnen acht dagen op de gereglementeerde markt worden verkocht of, onder bepaalde voorwaarden, op een gereglementeerde buitenlandse deviezenrekening bij een erkende bank worden geboekt . Ingevolge lid 2, sub c, van dat artikel moeten betalingen in BFR/LFR worden ontvangen via debitering van een converteerbare buitenlandse deviezenrekening bij een erkende bank .
Belgische of Luxemburgse exporteurs kunnen zich dus normalerwijze niet in bankbiljetten laten betalen, want de bedoeling van de regel is dat alle ontvangsten uit exporten het land binnenkomen via de gereglementeerde markt; wanneer dat nodig blijkt, kan het BLIW evenwel bijzondere toelating verlenen om betaling in contant geld te ontvangen .
Lambert, een in Luxemburg wonende veehandelaar, heeft die regeling overtreden door Duitse, Nederlandse en Belgische bankbiljetten te aanvaarden ter betaling van een groot aantal exporten naar de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland in de periode 1981-1983 . Doordat de wisselkoersen op de vrije markt in die periode gedurende enige tijd bijzonder gunstig waren ten opzichte van de koersen op de gereglementeerde markt, wist hij meer dan vijf miljoen Luxemburgse franken ( hierna : LFR ) winst te maken door de deviezen op de vrije markt te verkopen .
Het tribunal correctionnel te Diekirch gelastte de verbeurdverklaring van die winst en legde Lambert een boete van 50 000 LFR op . Het openbaar ministerie ging van dat vonnis in beroep, waarop Lambert eveneens beroep aantekende, stellende dat de betrokken BLIW-regeling in strijd was met een aantal bepalingen van het EEG-Verdrag . Ten einde over dat punt uitspraak te kunnen doen, heeft de cour d' appel te Luxemburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële beslissing gevraagd over de volgende vragen :
"1 ) Is het in strijd met de in de artikelen 67, lid 2, en 106, lid 1, EEG-Verdrag voorziene vrijmaking van de betalingen betreffende het intracommunautaire goederenverkeer, dat een op het grondgebied van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie wonende exporteur wordt verplicht, de buitenlandse valuta die hij ter betaling van in Duitsland en Nederland verkochte goederen ontvangt, op de gereglementeerde wisselmarkt aan erkende banken te verkopen, in aanmerking genomen dat het in nationale valuta verkregen bedrag in dit geval 5 tot 10% lager ligt dan het bedrag dat hij op de vrije markt had kunnen verkrijgen?
2 ) Vormt het verbod om ter zake van bovenbedoelde exporten buitenlandse of nationale bankbiljetten als betaalmiddel te aanvaarden, een belemmering van het vrije betalingsverkeer?
3 ) Is het non-discriminatiebeginsel van artikel 7 EEG-Verdrag van toepassing op omgekeerde ongelijke behandeling, dat wil zeggen op nationale maatregelen die, hoewel niet beoogd, als feitelijk gevolg hebben dat de exporteurs van de betrokken Lid-Staat worden benadeeld ten opzichte van die welke in de andere Lid-Staten zijn gevestigd?
4 ) Verzetten de in artikel 3, sub a en f, EEG-Verdrag neergelegde beginselen, te weten afschaffing van maatregelen van gelijke werking als douanerechten bij uitvoer van goederen en invoering van een regime waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, zich tegen een dergelijke omgekeerde discriminatie, indien de gevolgen van de beperkende regeling, los van haar specifieke doel, een aanzienlijke bevoordeling van de exporteurs in de andere Lid-Staten inhouden en daardoor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren?
5 ) Zijn de 'standstill' -bepalingen van de artikelen 5, 31, 32 in 34 EEG-Verdrag van toepassing op de in de eerste twee vragen bedoelde maatregelen, die weliswaar dateren van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag, doch die thans merkbare distorsies veroorzaken wanneer het verschil tussen de wisselkoersen op de gereglementeerde en op de vrije markt oploopt tot ongeveer 5 à 10% van de tegenwaarde in nationale valuta van de in buitenlandse valuta gefactureerde prijs, zoals dit in casu het geval was in de jaren 1981, 1982 en 1983?"
De vraag die als eerste moet worden beantwoord, is of het gemeenschapsrecht het bestaan van een dubbele wisselmarkt verbiedt . Mijns inziens is dat niet het geval; de Lid-Staten kunnen in het algemeen vrij hun wisselkoersen bepalen . De mogelijkheid van een dubbele wisselmarkt is bovendien erkend in de twee richtlijnen van de Raad betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer, van 11 mei 1960 ( PB 1960, blz . 921 ) en 18 december 1962 ( PB 1963, blz . 62 ). Deze richtlijnen bepalen, dat wanneer overmakingen plaatsvinden op een buitenlandse deviezenmarkt waarop de koersschommelingen niet aan officieel vastgestelde grenzen zijn gebonden, de toegepaste wisselkoersen niet "aanzienlijk en blijvend" mogen afwijken van de koersen welke voor betalingen uit hoofde van lopende transacties gelden ( bij voorbeeld artikel 1 van de eerste richtlijn ). Een dubbele wisselmarkt is mijns inziens op zich niet verboden . Het is dus de vraag, of de beperking die door het hier in geding zijnde stelsel wordt opgelegd, verenigbaar is met de verdragsbepalingen .
De nationale rechter noemt in de eerste plaats artikel 67 . Betalingen aan een exporteur in België of Luxemburg voor goederen die naar andere Lid-Staten zijn uitgevoerd, vormen evenwel geen kapitaalverkeer in de zin van artikel 67 EEG-Verdrag . Volgens 's Hofs arrest van 31 januari 1984 ( gevoegde zaken 286/82 en 226/83, Luisi en Carbone, Jurispr . 1984, blz . 377, 404 ) moeten immers onder lopende betalingen worden verstaan "overmakingen van deviezen als tegenprestatie voor een bepaalde prestatie; kapitaalverkeer daarentegen bestaat uit financiële operaties die in wezen op belegging of investering van het betrokken bedrag zijn gericht en niet op vergoeding van een prestatie ... Materiële uitvoer van bankbiljetten kan dus niet als kapitaalverkeer worden aangemerkt wanneer de uitvoer beantwoordt aan een betalingsverplichting die het uitvloeisel is van een transactie op het gebied van het goederen - of dienstenverkeer" ( r.o . 21 en 22 ).
De betrokken regeling is derhalve niet in strijd met artikel 67 EEG-Verdrag .
De nationale rechter refereert vervolgens aan artikel 106, lid 1, dat luidt als volgt :
"Elke Lid-Staat verbindt zich, om in de valuta van de Lid-Staat waarin de schuldeiser of de begunstigde verblijf houdt, de betalingen welke betrekking hebben op het goederen -, diensten - en kapitaalverkeer, evenals de overmaking van kapitaal en loon, toe te staan, voor zover het goederen -, diensten -, kapitaal - en personenverkeer tussen de Lid-Staten met toepassing van dit Verdrag is vrijgemaakt ."
Op het eerste gezicht lijkt die bepaling tot de Lid-Staat van invoer te zijn gericht en niet tot die van uitvoer . Het gaat er over betalingen en niet over de ontvangst van betalingen . Die benadering komt mij echter te eng voor . De vrijheid van betaling impliceert noodzakelijkerwijs de vrijheid van de begunstigde om het ontvangen geld naar zijn land over te maken - een uitlegging die steun vindt in artikel 106, lid 2, luidende :
"Voor zover de beperkingen in het goederen -, diensten - en kapitaalverkeer slechts gelegen zijn in de daarmede verband houdende betalingen, worden, ter geleidelijke opheffing van die beperkingen, de bepalingen van de hoofdstukken inzake de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen, de vrijmaking van de diensten en het vrije kapitaalverkeer, op overeenkomstige wijze toegepast ."
Aangezien artikel 34, dat kwantitatieve uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking verbiedt, ten volle toepasselijk is, verbiedt artikel 106 bijgevolg maatregelen die de betaling voor exporten beperken .
Lambert betoogt, dat de betrokken regeling een volstrekte ontkenning vormt van het concept van een gemeenschappelijke markt en duidelijk met artikel 106 in strijd is .
Aan de andere kant blijkt uit de eerste vraag, dat de betrokken beperking niet is opgelegd om te beletten dat betaling in deviezen wordt ontvangen, maar om ervoor te zorgen, dat de ontvangen deviezen op de gereglementeerde markt aan een erkende bankinstelling worden verkocht . Artikel 106, lid 1, eerste alinea, verplicht de Lid-Staten weliswaar enkel, betalingen toe te staan "in de valuta van de Lid-Staat waarin de schuldeiser of de begunstigde verblijf houdt", maar gelet op lid 1, tweede alinea, en lid 2, komt het mij voor, dat artikel 106 de Lid-Staten verplicht, betalingen in de valuta van de andere Lid-Staten toe te staan voor zover hun economische situatie in het algemeen en de toestand van hun betalingsbalans in het bijzonder zulks toelaten .
Het is dan de vraag, of de verplichting om die valuta na ontvangst aan een erkende bankinstelling te verkopen, verenigbaar is met artikel 106 .
In het arrest Luisi en Carbone ( reeds aangehaald ) overwoog het Hof :
"De Lid-Staten hebben de bevoegdheid behouden om deviezentransfers te onderwerpen aan controles, ten einde na te gaan of het in werkelijkheid niet om niet-geliberaliseerd kapitaalverkeer gaat ... men dient derhalve de Lid-Staten de bevoegdheid toe te kennen om te controleren of de deviezentransfers die beweerdelijk bestemd zijn voor geliberaliseerde betalingen, niet aan dat doel worden onttrokken en voor niet toegestaan kapitaalverkeer worden gebruikt . Met het oog daarop hebben de Lid-Staten het recht de aard en de realiteit van de betrokken transacties en overmakingen te verifiëren" ( r.o . 31 en 33 ).
Dezelfde gedachte vindt men in artikel 5, lid 1, van de Eerste richtlijn betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer, dat bepaalt, dat de richtlijn niet het recht van de Lid-Staten beperkt, de aard en de realiteit van de overeenkomsten, handelingen of overmakingen te controleren of de maatregelen te treffen die nodig zijn om inbreuk op hun wetten en voorschriften te verhinderen; zij komt ook tot uitdrukking in het arrest van 11 november 1981 ( zaak 203/81, Casati, Jurispr . 1981, blz . 2595 ), waarin het Hof overwoog, dat de eerste twee leden van artikel 106 de Lid-Staten niet verplichten, de invoer en uitvoer van bankbiljetten met het oog op handelsverrichtingen toe te staan, wanneer dergelijke overdrachten niet noodzakelijk zijn voor het vrije verkeer van goederen, en dat in het kader van handelsverrichtingen die wijze van overdracht, die overigens niet gebruikelijk is, niet kan worden geacht aan een dergelijke noodzaak te beantwoorden ( r.o . 24 ).
Het komt mij voor, dat indien een dubbele markt in beginsel aanvaardbaar is, het voor de goede werking ervan van wezenlijk belang is dat bepaalde soorten verrichtingen naar één van die markten worden verwezen en alleen via die markt kunnen plaatsvinden, en men dient dan de regels te accepteren die noodzakelijk zijn om een correct gebruik van die markt en een afdoende controle voor fiscale en statistische doeleinden te verzekeren . Anders zou het maar al te gemakkelijk zijn, niet-geliberaliseerde kapitaalbewegingen te doen doorgaan voor lopende betalingen of geliberaliseerd kapitaalverkeer . Ik meen dan ook, dat de verplichting om de betaling van verkochte goederen via de normaal daarvoor aangewezen wisselmarkt ( in casu de gereglementeerde markt ) te doen verlopen, op zich geen met artikel 106 EEG-Verdrag strijdige beperking is . Ofschoon het in de zaak Luisi en Carbone om dienstverrichtingen ging, ben ik van mening, dat het in die zaak ontwikkelde beginsel ook geldt voor beperkingen op betalingen ter zake van levering van goederen . Het arrest Casati leert ons, dat het gemeenschapsrecht niet vereist dat de Lid-Staten lopende betalingen in contanten toelaten, indien die betalingswijze niet noodzakelijk is voor het vrije verkeer van goederen, inzonderheid wanneer betaling in contanten niet de in de handel gebruikelijke betalingswijze is . Evenmin kan men zeggen, dat een "vrije" wisselmarkt de noodzakelijke tegenhanger is van of een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde voor een vrije goederenmarkt . Zou er immers in België en Luxemburg slechts één wisselmarkt bestaan, dan zou dat de gereglementeerde markt zijn, waarop de centrale bank kan interveniëren .
Of voor alle geliberaliseerde kapitaalbewegingen en lopende verrichtingen één enkele wisselkoers dient te gelden, is een vraag die in de onderhavige zaak niet behoeft te worden beantwoord, ofschoon de Commissie met klem het tegendeel heeft betoogd .
Aan de opvatting waartoe ik ben gekomen, wordt mijns inziens niet afgedaan door de omstandigheid, dat het verschil tussen de koersen op de vrije en de gereglementeerde markt in de betrokken periode aanzienlijk en blijvend was, en dat de door de Eerste richtlijn toegelaten marge dus werd overschreden . Dat moge in strijd zijn geweest met de twee richtlijnen betreffende het kapitaalverkeer, maar het levert op zich geen schending op van artikel 106 EEG-Verdrag, waarom het in deze zaak gaat .
Ik meen ook niet, dat de betrokken regels een belemmering vormden voor de export en daardoor het goederenverkeer beperkten . Zo men de exporteurs de vrije hand liet bij de keuze van de wisselkoers, dan zouden de wisselkoersen waarschijnlijk convergeren en zou de dubbele wisselmarkt feitelijk tot één enkele markt worden .
Lambert heeft voorts aangevoerd, dat de dubbele wisselmarkt onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht niet om de technische redenen die ik hiervóór besprak, maar omdat zijn mededingingspositie ten opzichte van veehandelaars uit andere Lid-Staten erdoor werd verzwakt . Voor zover hij daarmee bedoelt, dat de BLIW-regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is, heb ik dat argument reeds afgewezen . Hij wees er echter op, dat hij met Duitse handelaars in concurrentie stond en dat hij zijn vee op dezelfde markt te Trier verkocht . Daarbij viel hij onder de BLIW-regeling, terwijl dat niet het geval was voor zijn Duitse concurrenten, en dat zou een met artikel 7 strijdige discriminatie op grond van nationaliteit zijn .
Het BLIW en de Commissie verwijzen naar arresten van het Hof, volgens welke er geen sprake is van discriminatie, wanneer de betrokken wettelijke regeling volgens objectieve criteria en ongeacht hun nationaliteit voor alle binnen zijn toepassingsgebied vallende personen geldt . Dit nu is het geval bij de BLIW-regeling, die niet aanknoopt bij de nationaliteit, maar bij het feit dat iemand woonplaats heeft binnen de BLEU . De Commissie merkt inzonderheid op, dat discriminatie onwettig is wanneer zij voortvloeit uit de wettelijke regeling of de administratieve praktijk van een zelfde staat en niet uit uiteenlopende nationale regelingen . In zijn arrest van 25 januari 1983 ( zaak 126/82, Smit Transport, Jurispr . 1983, blz . 73, blz . 92 ) overwoog het Hof :
"Toepassing van een nationale wettelijke regeling kan niet deswege worden aangemerkt als een met het Verdrag strijdige discriminatie, omdat andere Lid-Staten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen wellicht minder vergaande beperkingen opleggen . Artikel 7 EEG-Verdrag beoogt immers de afschaffing van discriminaties op grond van nationaliteit, die kunnen voortvloeien uit de wettelijke regeling of de administratieve praktijk van een zelfde Lid-Staat, en niet de opheffing van de ongelijke behandeling die de ondernemingen van de verschillende Lid-Staten ondervinden als gevolg van uiteenlopende nationale regelingen ... ( r.o . 27 )."
Mijns inziens lijdt het geen twijfel, dat de BLIW-regeling niet discrimineert - zelfs niet indirect - op grond van nationaliteit : iemand die de Duitse nationaliteit bezit, maar in Luxemburg woont, zou voor overeenkomstige uitvoerverrichtingen aan dezelfde regels onderworpen zijn als een Luxemburger .
Wat de vierde en de vijfde vraag betreft, ben ik het met de Commissie eens . Deze merkt in de eerste plaats op, dat de artikelen 3 en 5 een algemene formulering bevatten van beginselen die in andere verdragsartikelen nader zijn uitgewerkt, en dat zij op zichzelf beschouwd dus geen grondslag kunnen bieden voor een beroep . In de tweede plaats stelt zij, dat de artikelen 30 tot 32, die de invoer betreffen, in casu niet relevant zijn . Zij merkt voorts op, dat waar de BLIW-regeling - op gronden die ook mij hebben overtuigd - geen belemmering vormt voor het handelsverkeer of voor lopende betalingen, ook niet de vraag kan rijzen of zij in strijd is met de standstill-bepaling .
Er is dus geen onverenigbaarheid met de verdragsregels betreffende lopende betalingen, die Lambert zou kunnen aanvoeren als grond voor vernietiging van het tegen hem gewezen vonnis
Ik geef derhalve in overweging, de vragen van de cour d' appel te Luxemburg te beantwoorden als volgt :
Vragen 1 en 2
Het is niet met artikel 106 EEG-Verdrag in strijd, een exporteur te verplichten de verkoopopbrengsten in de valuta van de Lid-Staat van zijn woonplaats of van andere Lid-Staten over te maken via de gereglementeerde wisselmarkt, waarop alle geliberaliseerde lopende betalingen moeten plaatsvinden, en hem te verbieden die opbrengsten ( behoudens uitdrukkelijke toelating ) in bankbiljetten te ontvangen .
Vraag 3
Artikel 7 EEG-Verdrag is alleen van toepassing op discriminatie op grond van nationaliteit binnen een zelfde Lid-Staat en niet op ongelijke behandeling tussen verschillende Lid-Staten .
Gezien het antwoord dat ik heb voorgesteld voor de derde respectievelijk de eerste en de tweede vraag, behoeft op de vierde en de vijfde vraag niet afzonderlijk te worden geantwoord .
Over de kosten van de partijen in het hoofdgeding ( Lambert en het openbaar ministerie ) heeft de verwijzende rechter te beslissen . De kosten van de Belgische, de Franse, de Italiaanse en de Luxemburgse regering komen niet voor vergoeding in aanmerking .
(*) Vertaald uit het Engels .
Full & Egal Universal Law Academy