Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Uit de in het rapport ter terechtzitting weergegeven samenvatting van de feiten en van de door de partijen in het hoofdgeding en de Commissie ingediende opmerkingen blijkt, dat de door het Bundesfinanzhof aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in wezen erop zijn gericht te vernemen, of de door het Hof in zijn arrest van 6 oktober 1982 ( zaak 302/81, Eggers, Jurispr . 1982, blz . 3443 ) geformuleerde beginselen eveneens van toepassing zijn op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is .
2 . In dit arrest heeft het Hof voor recht verklaard :
" De Lid-Staten zijn gerechtigd en verplicht het in artikel 10 van verordening nr . 223/77 bedoelde controle-exemplaar T nr . 5 achteraf af te geven teneinde het bewijs, bedoeld in artikel 11, lid 2, van verordening nr . 1380/75, met het oog op de betaling door de Lid-Staat van uitvoer van de compenserende bedragen die de Lid-Staat van invoer zou moeten toekennen, mogelijk te maken, wanneer het feit dat het document niet bij de verzending van de waren is aangevraagd of afgegeven, niet aan de belanghebbende is toe te rekenen en deze de voor de afgifte van het document vereiste bewijsstukken kan overleggen ."
3 . Het Hof kwam tot deze uitspraak op grond van de overweging, dat
" een algemeen beginsel, ingevolge hetwelk proceduregebreken die niet zijn toe te rekenen aan degene die normaliter aanspraak kan maken op de compenserende bedragen, geen nadelig gevolg voor deze persoon mogen hebben" ( r.o . 8 ).
4 . In zijn verwijzingsbeschikking geeft het Bundesfinanzhof als zijn mening te kennen dat dit beginsel eveneens van toepassing is wanneer, zoals in dit geval, om afgifte achteraf van het controle-exemplaar wordt gevraagd met het oog op het verkrijgen van een uitvoerrestitutie .
5 . Onder voorbehoud van wat ik hierna zal zeggen over de vervulling van de verzendingsformaliteiten, ben ik het daar volstrekt mee eens . Het volstaat te wijzen op het destijds ( 1 ) toepasselijke artikel 13, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 192/75 van de Commissie van 17 januari 1975 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1975, L 25, blz . 1 ), waarin uitdrukkelijk wordt bepaald, dat een nieuw controle-exemplaar T nr . 5 wordt afgegeven, wanneer het eerste exemplaar is zoekgeraakt en "als gevolg van omstandigheden die aan de belanghebbende niet zijn toe te rekenen" niet binnen een termijn van drie maanden na afgifte bij het kantoor van vertrek of bij de centraliserende instantie is teruggekeerd . Welnu, het is op grond van artikel 11, lid 5, van verordening nr . 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen ( PB 1975, L 139, blz . 37 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 1498/76 van 26 juni 1976 ( PB 1976, L 167, blz . 28 ) - dat in dezelfde bewoordingen is gesteld als genoemd artikel 13 - dat het Hof de mogelijkheid om het controle-exemplaar achteraf af te geven, heeft uitgebreid tot de gevallen waarin het controle-exemplaar niet was aangevraagd of afgegeven .
6 . De eerste prejudiciële vraag is er dan ook op gericht te vernemen of afgifte achteraf ook mogelijk is, wanneer, zoals in dit geval, geen enkele verzendings - of uitvoerformaliteit is vervuld .
7 . De verzendingsformaliteiten zijn de formaliteiten die moeten worden vervuld wanneer goederen binnen de Gemeenschap van een plaats in de ene Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat worden vervoerd . Deze formaliteiten worden geregeld in verordening nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 1 ) en bestaan voornamelijk uit het opstellen van een formulier T1 of T2 .
8 . De uitvoerformaliteiten zijn die welke moeten worden vervuld wanneer de goederen het grondgebied van de Gemeenschap verlaten . Het gaat voornamelijk om het opstellen van aangifte ten uitvoer en, voor landbouwprodukten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, om het opstellen van een uitvoercertificaat .
9 . Bij uitvoer vanuit een haven of vanaf een vliegveld behoeven de verzendingsformaliteiten niet te worden vervuld .
10 . Daar in dit geval zowel de verzendings - als de uitvoerformaliteiten moesten worden vervuld, mogen beide uitdrukkingen door elkaar worden gebruikt .
11 . De Commissie stelt voor de eerste vraag van de nationale rechter ontkennend te beantwoorden . Zo verrassend is dit niet, wanneer men bedenkt dat zij verordening nr . 1209/85 van 3 mei 1985 tot dertiende wijziging van verordening nr . 223/77 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer en tot derde wijziging van verordening nr . 1664/81 ( PB 1985, L 124, blz . 19 ) met name heeft vastgesteld om in het geschreven recht gevolg te geven aan het arrest van het Hof in zaak 302/81 en de bepalingen inzake de afgifte van het controle-exemplaar dienovereenkomstig aan te passen ( zie de tweede overweging van de considerans ). Zij heeft dit gedaan door in verordening nr . 223/77 van 22 december 1976 ( PB 1977, L 38, blz . 20 ) een artikel 13 ter in te voegen, waarin onder meer wordt bepaald, dat genoemd document achteraf kan worden afgegeven op voorwaarde dat "de belanghebbende het bewijs levert dat het controle-exemplaar T nr . 5 wel degelijk betrekking heeft op de goederen waarvoor de verzendings - of uitvoerformaliteiten zijn vervuld ".
12 . Het lijkt mij zinloos in te gaan op de vraag of deze bepaling al dan niet terugwerkende kracht heeft, daar het Hof de mogelijkheid van afgifte achteraf van het formulier T nr . 5 uit een algemeen rechtsbeginsel heeft afgeleid . Het blijft echter de vraag of dit algemene beginsel, wanneer het wordt toegepast op het gebied van de uitvoerrestituties, zich verzet tegen het vereiste dat de uitvoerformaliteiten zijn vervuld, dan wel of de destijds geldende bijzondere regeling ter zake het vervullen van die formaliteiten eiste .
13 . In dit verband wil ik allereerst twee opmerkingen maken over het arrest Eggers .
14 . 1 ) Anders dan de firma Toepfer in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen stelt, staat het helemaal niet vast dat in de zaak Eggers geen enkele douaneformaliteit was vervuld . Integendeel, in haar conclusie heeft advocaat-generaal Rozès uitdrukkelijk gezegd, dat enkel de aangifte voor douanevervoer en uitvoer en niet het formulier T nr . 5 aan het Duitse douanekantoor waren overgelegd ( Jurispr . 1982, blz . 3455, eerste alinea ). In de rechtsoverwegingen van het arrest wordt niets gezegd over de uitvoer - of verzendingsformaliteiten; in de tweede rechtsoverweging wordt gewoon vermeld dat de uitvoer plaatsvond "zonder dat een controle-exemplaar T nr . 5 was afgegeven ". In de vragen van de verwijzende rechter wordt overigens geen enkel belang gehecht aan het al of niet vervuld zijn van de andere formaliteiten .
15 . 2 ) Volgens het arrest Eggers heeft de betrokkene slechts recht op afgifte achteraf van het controle-exemplaar T nr . 5 "voor zover hij de voor deze afgifte vereiste bewijsstukken kan overleggen ".
16 . Het is evenwel duidelijk, dat bij gebreke van enig door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek opgesteld douanedocument, zoals aangiftes ter verzending of ten uitvoer, dit bewijs uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk, zal kunnen worden geleverd .
17 . Met betrekking tot deze zaak kunnen wij allereerst vaststellen dat de gemeenschapswetgever van mening was, dat
" in het belang van de gebruikers en ten einde de taak van de nationale administraties die met het toezicht op het goederenvervoer zijn belast zoveel mogelijk te verlichten, moet worden vermeden dat gelijktijdig verschillende administratieve regelingen worden toegepast; dat het derhalve van belang is de toepassing van de regeling voor communautair douanevervoer in het bijzonder voor te schrijven voor alle gevallen waarin toezicht op het gebruik of de bestemming van goederen nodig is" ( negende overweging van de considerans van verordening nr . 222/77 ).
18 . In deze zaak staan wij voor een geval waarin toezicht op de bestemming van de goederen nodig is, want het gaat niet om het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap, maar om bescherming van de financiële middelen van de Gemeenschap . Het hoofdgeding betreft namelijk in wezen het verlenen van uitvoerrestituties .
19 . Artikel 1, lid 2, sub b ), van verordening nr . 222/77 bepaalt met name, dat "de regeling voor extern communautair douanevervoer geldt voor het vervoer van goederen
...
b ) waarvoor, alhoewel zij voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld met het oog op de toekenning van restituties bij uitvoer naar derde landen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ".
20 . Artikel 12, lid 1, bepaalt in algemene bewoordingen, dat voor alle met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer te vervoeren goederen aangifte moet worden gedaan op een formulier T1, waarvan het model zich bevindt in bijlage 1 bij verordening nr . 223/77 . Deze aangifte moet ten minste in drievoud worden gedaan bij het kantoor van vertrek ( artikel 12, lid 3 ); dit kantoor maakt het document geldig, "stelt de termijn vast waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht en treft de identificatiemaatregelen die het nodig acht" ( artikel 17, lid 1 ). De identificatie van de goederen wordt in de regel verzekerd door middel van verzegeling ( artikel 18, lid 1 ). Het kantoor van bestemming moet de betrokken goederen controleren en onverwijld een exemplaar van het document T1, voorzien van de nodige aantekeningen, aan het kantoor van vertrek terugzenden ( artikel 26, lid 1 ).
21 . In artikel 15, lid 1, van verordening nr . 222/77 wordt overigens bepaald :
" Indien voor goederen, voordat daarop de regeling voor extern communautair douanevervoer toepassing kan vinden, een aangifte ten uitvoer of wederuitvoer moet worden gedaan, wordt voor deze aangifte en voor de aangifte voor communautair douanevervoer een enkel formulier T1 gebruikt ..."
22 . Verder bepaalt artikel 4 van verordening nr . 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 20 ), dat in die gevallen de formulieren voor de aangifte voor communautair douanevervoer tegelijk met het exemplaar of de exemplaren welke voor de uitvoer of de wederuitvoer vereist zijn, bij het douanekantoor in de Lid-Staat van vertrek moeten worden overgelegd .
23 . De functie en het nut van het controle-exemplaar T nr . 5 blijken uit de artikelen 10 tot en met 14 van verordening nr . 223/77 . Artikel 10 ( 2 ) luidt als volgt :
" Wanneer de toepassing van een communautaire maatregel welke inzake in - of uitvoer van goederen of inzake goederenverkeer binnen de Gemeenschap werd getroffen, afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de betrokken goederen het gebruik en/of de bestemming hebben gekregen die bij deze maatregel is voorzien of voorgeschreven, wordt genoemd bewijs geleverd door overlegging van het controle-exemplaar T nr . 5 ."
In dit geval is "de toepassing van een communautaire maatregel" de restitutieverlening en "het gebruik ... ( dat ) ... is voorzien" de uitvoer van de goederen uit de Gemeenschap .
24 . Voor dit geval bepaalt artikel 7 ( 3 ) van verordening nr . 192/75
" Indien, alvorens het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te verlaten of één van de in artikel 3 bedoelde bestemmingen te bereiken, een produkt, waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, wordt vervoerd via ander communautair grondgebied dan dat van de Lid-Staat, op wiens grondgebied deze formaliteiten werden vervuld, wordt het bewijs dat dit produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten of zijn voorziene bestemming heeft bereikt, geleverd door overlegging van het ... controle-exemplaar ."
25 . Al is het dus juist, dat bij extern communautair douanevervoer dat recht op uitvoerrestituties verleent, het formulier T nr . 5 geacht wordt te bewijzen dat de goederen het geografisch grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten, toch kan het, volgens de bewoordingen van de aangehaalde bepaling, dit bewijs enkel leveren ten aanzien van produkten waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer daadwerkelijk zijn vervuld . Het formulier T nr . 5 dient om te bewijzen dat een procedure die begint met de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer, haar beslag heeft gekregen .
26 . Dit vindt zijn verklaring in het feit dat ter zake van uitvoerrestituties de vervulling van genoemde formaliteiten van bijzonder belang is . Zo is krachtens artikel 2, leden 1 en 3, van verordening nr . 192/75 de overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde dag van het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer beslissend voor de bepaling van de toepasselijke restitutievoet en voor de vaststelling van de hoeveelheid, de aard en de eigenschappen van het uitgevoerde produkt . Bovendien wordt deze dag in dit artikel omschreven als, de dag "waarop de douanedienst het document in ontvangst neemt waarmee de declarant zijn voornemen te kennen geeft de betrokken produkten uit te voeren met toekenning van een restitutie ". De exporteur moet dus duidelijk te kennen geven dat hij restitutie wenst te verkrijgen, en hij dient dit te doen bij het vervullen van de douaneformaliteiten .
27 . Verder bepaalt artikel 4, dat de termijn waarbinnen de betrokken produkten, om voor uitvoerrestituties in aanmerking te kunnen komen, het geografische grondgebied van de Gemeenschap moeten hebben verlaten of hun voorgenomen bestemming moeten hebben bereikt, ingaat op de dag van de vervulling van genoemde formaliteiten .
28 . Ten slotte is het slechts mogelijk het restitutiebedrag na het stellen van een waarborg geheel of gedeeltelijk als voorschot uit te keren, wanneer de genoemde formaliteiten zijn vervuld ( artikel 12, lid 1 ) en wordt de restitutie betaald door de Lid-Staat op wiens grondgebied de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld ( artikel 13, lid 1 ).
29 . Daarbij komt, dat voor het produkt waar het hier om gaat, namelijk witte suiker, de exporteur krachtens artikel 10, lid 2, eerste alinea, van verordening nr . 192/75 "verplicht is aan te geven dat het betrokken produkt werd vervaardigd uit in de Gemeenschap geoogste suikerbieten of suikerriet ". Volgens artikel 15, lid 1, van verordening nr . 766/68 van de Raad van 18 juni 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de uitvoer van suiker ( PB 1968, L 143, blz . 6 ), kan restitutie bij uitvoer immers slechts worden verleend als de suiker aan deze voorwaarde voldoet .
30 . Het controle-exemplaar T nr . 5 heeft in het kader van al deze formaliteiten slechts de functie, te bevestigen "dat de produkten die de Gemeenschap verlaten of die met het oog op bepaalde bestemmingen worden geleverd, dezelfde produkten zijn als die waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld" ( zevende overweging van de considerans van verordening nr . 192/75 ). Dit formulier dient dus om te bewijzen dat de goederen die het geografisch gebied van de Gemeenschap verlaten, dezelfde goederen zijn als die waarvoor de douaneformaliteiten met het oog op het verkrijgen van uitvoerrestituties werden vervuld en die door één of meer andere Lid-Staten dan de Lid-Staat van vertrek werden vervoerd .
31 . In een geval als het onderhavige, waar tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is gebleken dat in de Bondsrepubliek Duitsland, de Lid-Staat van vertrek, bij het Hauptzollamt Hildesheim noch bij een douanekantoor aan de grens met Denemarken enige douaneformaliteit is vervuld, kan met het formulier T nr . 5 hoogstens worden bewezen dat bepaalde goederen, zonder nadere aanduiding, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten, maar niet dat deze goederen ook daadwerkelijk dezelfde waren als die welke in aanmerking kwamen voor uitvoerrestituties .
32 . In zijn arrest van 5 februari 1987 ( zaak 288/85, Plange Kraftfutterwerk, Jurispr . 1987, blz . 611, r.o . 11 ) verklaarde het Hof :
" De toekenning van de restitutie verschaft de handelaar een voordeel dat gerechtvaardigd is, indien aan bepaalde voorwaarden betreffende zowel de eigenschappen van het uitgevoerde produkt als de uitvoermodaliteiten is voldaan . Wanneer dit bij controle niet het geval blijkt te zijn geweest, heeft de exporteur geen recht op de restitutie ..."
33 . Uit het voorgaande volgt, dat de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer een absolute voorwaarde is voor de verlening van restituties bij uitvoer, en dat het niet mogelijk is, het niet-vervullen van deze formaliteiten en het niet in de voorgeschreven vormen opstellen van het controle-exemplaar T nr . 5 achteraf te verhelpen .
34 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de eerste vraag van het Bundesfinanzhof te antwoorden :
" In juni 1979 kon bij uitvoer naar een derde land van produkten die voor restitutie bij uitvoer in aanmerking kwamen het controle-exemplaar T nr . 5 bedoeld in verordening nr . 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer, niet achteraf worden afgegeven, wanneer de voorgeschreven douaneformaliteiten bij verzending of uitvoer niet waren vervuld ."
35 . Ik kom nu bij de tweede vraag van het Bundesfinanzhof, die is geformuleerd als volgt :
" Zo ja : Kan het kantoor van vertrek, waar de douaneformaliteiten voor verzending moesten worden vervuld, alleen dan overgaan tot afgifte achteraf van het controle-exemplaar T nr . 5 wanneer die formaliteiten aldaar zijn vervuld, of volstaat het dat bij een ander douanekantoor - eventueel in een andere Lid-Staat - uitvoerformaliteiten zijn vervuld ?"
36 . Op het eerste gezicht is deze vraag nogal verrassend . Zij wordt gesteld voor het geval bevestigend wordt geantwoord op de eerste vraag, dus op de vraag of het voor afgifte achteraf van het controle-exemplaar T nr . 5 vereist is dat de douaneformaliteiten bij verzending zijn vervuld . Welnu, in deze zaak lijkt vast te staan dat deze formaliteiten niet zijn vervuld, wat overigens de voornaamste reden was voor het stellen van de eerste vraag .
37 . Uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt evenwel, dat het Bundesfinanzhof eraan twijfelt of het kantoor van vertrek, het Hauptzollamt Hildesheim, in casu verweerder in het hoofdgeding, bevoegd is om het formulier T nr . 5 achteraf af te geven, wanneer de douaneformaliteiten voor verzending ( dat wil zeggen het maken van de nodige aantekeningen op de aangifte T1 ) niet bij dit kantoor zijn vervuld, ook al zijn er aan de Duits-Deense grens of bij het verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap aan de Deens-Noorse grens uitvoerformaliteiten vervuld . De Duitse rechter verklaart dienaangaande, dat het zijns inziens voor het hoofdgeding van weinig belang is te weten welk ander kantoor dan het Hauptzollamt Hildesheim eventueel bevoegd zou kunnen zijn .
38 . In het onderhavige geval heeft het douanekantoor Frederikshavn de laatste rubriek van exemplaar T nr . 5, namelijk de rubriek "controle van het gebruik en/of de bestemming" (" UEberwachung der Verwendung und/oder der Bestimmung ") ingevuld, terwijl de rubriek "controle door het kantoor van vertrek" (" Proefung durch die Abgangszollstelle ") leeg bleef .
39 . Deze actie van het douanekantoor Frederikshavn bedoelt het Bundesfinanzhof mijns inziens wanneer het spreekt over het vervullen van uitvoerformaliteiten, daarbij duidelijk onderscheid makend met het vervullen van de verzendingsformaliteiten .
40 . De door het kantoor Frederikshavn verrichte handeling is slechts een uitvoerformaliteit in de courante zin van het woord, maar niet in de zin van de gemeenschappelijke douaneregeling, waarvoor zij geldt als een gewone controlemaatregel die in dit geval ondoeltreffend was, omdat de voorafgaande controle bij het vertrek niet had plaatsgevonden .
41 . Laten wij deze kwestie nader onderzoeken . Krachtens artikel 12, lid 1 van verordening nr . 223/77 moet het controle-exemplaar T nr . 5 worden afgegeven door het kantoor van vertrek, waar ook de aangifte T1 moet worden gedaan ( zie artikel 12, lid 3, van verordening nr . 222/77 ). Ingevolge de leden 3 en 4 van dit artikel moet het origineel van het controle-exemplaar T nr . 5 de goederen tijdens het vervoer vergezellen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de aangifte T1, en moet het, net als een exemplaar van de aangifte T1, door het kantoor van bestemming onverwijld worden teruggezonden naar het kantoor van vertrek na van de nodige aantekeningen te zijn voorzien .
42 . Er is dus overduidelijk parallellisme tussen de voorwaarden voor afgifte en gebruik van deze twee soorten documenten .
43 . Uit de opmerkingen die ik zoëven in verband met de eerste prejudiciële vraag heb gemaakt, blijkt ook dat goederen slechts voor uitvoerrestituties in aanmerking kunnen komen wanneer de voorgeschreven douaneformaliteiten voor verzending zijn vervuld .
44 . Ten slotte wordt het kantoor van vertrek in artikel 11 van verordening nr . 222/77 betreffende communautair douanevervoer omschreven als "het douanekantoor waar het communautaire douanevervoer begint ". Deze definitie verwijst naar wat in werkelijkheid gebeurt en niet naar wat had moeten gebeuren .
45 . Derhalve moet worden geconcludeerd dat, wanneer de douaneformaliteiten voor verzending niet zijn vervuld bij het douanekantoor waar zij normaliter hadden moeten worden vervuld, dit kantoor niet kan worden beschouwd als het kantoor van vertrek en het controle-exemplaar T nr . 5 dus niet achteraf kan afgeven .
46 . Zijn de douaneformaliteiten voor verzending bij een ander kantoor in de Lid-Staat van vertrek vervuld, dan kan hoogstens dit kantoor als kantoor van vertrek worden beschouwd en bevoegd zijn tot afgifte achteraf .
47 . Ingeval bij uitvoer naar een derde land alle voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld in een douanekantoor van de Lid-Staat waar de goederen de Gemeenschap verlaten, kan het probleem van afgifte achteraf van het controle-exemplaar T nr . 5 zich niet voordoen . Krachtens artikel 7 van verordening nr . 192/75 dient dit document immers slechts als bewijs van uitvoer uit de Gemeenschap te worden overgelegd, wanneer de goederen waarop het betrekking heeft, worden vervoerd over het grondgebied van een of meer andere Lid-Staten dan de Lid-Staat op wiens grondgebied de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld . Bovendien wordt in artikel 13, lid 1, van verordening nr . 192/75 bepaald, dat de uitvoerrestituties worden betaald door de Lid-Staat op wiens grondgebied deze formaliteiten zijn vervuld .
48 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de tweede vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt :
" Wanneer de verzendings - of uitvoerformaliteiten niet zijn vervuld bij het normaal bevoegde kantoor van vertrek, kan dit kantoor niet bevoegd worden geacht tot afgifte achteraf van het controle-exemplaar T nr . 5 ."
(*) Vertaald uit het Frans .
( 1 ) Deze verordening is vervangen door verordening nr . 2730/79 van 29 november 1979, PB 1979, L 317, blz . 1 . Artikel 13 is artikel 30 geworden .
( 2 ) Dit artikel komt overeen met artikel 1 van verordening nr . 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969 betreffende het gebruik van de documenten voor communautair douanevervoer met het oog op de toepassing van communautaire maatregelen welke een controle op het gebruik en of de bestemming van goederen met zich brengen ( PB 1969, L 295, blz . 14 ), die bij artikel 83 van verordening nr . 223/77 is afgeschaft .
( 3 ) Dit artikel is artikel 11 van verordening nr . 2730/79 van 29 november 1979 geworden, zie voetnoot 1 .
Full & Egal Universal Law Academy