Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . EGKS - Produktie - Stelsel van produktie - en leveringsquota voor staal - Invoering en belangrijkste elementen van stelsel - Noodzaak van instemming van Raad - Aanpassing van quota van ondernemingen die gevolgen van beperking van uitvoermarkten ondergaan - Eigen bevoegdheid van Commissie
( EGKS-Verdrag, artikel 58 )
2 . EGKS - Produktie - Stelsel van produktie - en leveringsquota voor staal - Vaststelling van bepalingen die vaststelling op billijke grondslag mogelijk maken - Aanwending door Commissie van voor invoering quota voorziene procedure - Misbruik van bevoegdheid
( EGKS-Verdrag, artikelen 33 en 58; Algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS, artikel 5 )
Samenvatting
1 . Artikel 58 moet aldus worden uitgelegd, dat de instemming van de Raad enkel vereist is voor de invoering en de belangrijkste elementen van het quotastelsel en dat de Commissie ingevolge haar eigen bevoegdheden de bijzonderheden van het stelsel moet regelen ten einde de quota op een billijke grondslag vast te stellen .
Hieruit volgt, dat weliswaar de instemming van de Raad noodzakelijk is in het geval van een voorstel tot algemene aanpassing van de quota voor een gehele groep van ondernemingen met bepaalde structurele kenmerken waarvan de situatie dus niet verandert, doch dat dit niet zo is in het geval van een voorstel tot aanpassing van de quota die zijn toegekend aan ondernemingen in relatie tot de verhouding tussen hun uitvoer en hun leveringen op de gemeenschappelijke markt tijdens een bepaalde periode vóór de invoering van het quotastelsel . Daar immers bij de invoering van het stelsel viel te voorzien dat, wilde de Commissie voldoen aan haar verplichting om de quota op een billijke grondslag vast te stellen, bij een bijzonder ongunstige ontwikkeling op de exportmarkt een aanpassing van die verhouding noodzakelijk zou kunnen worden, is een dergelijke aanpassing te beschouwen als een organisatorisch detail van het stelsel, waarvoor de instemming van de Raad niet nodig is .
2 . De door het EGKS-Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheden zouden in strijd met hun wettige doel worden aangewend, indien zou blijken dat de Commissie ervan gebruik had gemaakt met het uitsluitende - of althans doorslaggevende - oogmerk om de toepassing van een speciale procedure te ontgaan, welke het Verdrag heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden . Hetzelfde geldt indien de Commissie zonder noodzaak de voor de invoering van het quotastelsel voorziene procedure volgt en nalaat gebruik te maken van haar eigen bevoegdheden ter vaststelling van de regels die zij noodzakelijk acht om het billijke karakter van de quota te waarborgen .
Dit is het geval wanneer de Commissie na de bijzondere situatie van verscheidene ondernemingen te hebben onderzocht, tot de conclusie is gekomen dat, om tot quota op een billijke grondslag te komen, de verhouding tussen de produktiequota van deze ondernemingen en het gedeelte van deze quota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, moet worden aangepast, doch zij, in plaats van op basis van artikel 58, lid 2, de daartoe vereiste bepalingen vast te stellen, enkel overeenkomstig artikel 58, lid 1, een voorstel bij de Raad indient en nadat de Raad daaraan zijn instemming heeft onthouden, een nieuwe algemene beschikking vaststelt, waarbij het quotastelsel ongewijzigd wordt gehandhaafd .
Mitsdien levert artikel 5 van algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie misbruik van bevoegdheid op en moet het bijgevolg nietig worden verklaard, voor zover op grond hiervan geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de verhouding tussen het produktiequotum en het leveringsquotum aanmerkelijk lager is dan het communautaire gemiddelde .
Partijen
In de gevoegde zaken 33, 44, 110, 226 en 285/86,
Stahlwerke Peine-Salzgitter AG, te Salzgitter, vertegenwoordigd door Deringer, Tessin, Herrmann en Sedemund, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
en
Hoogovens Groep BV, te IJmuiden, vertegenwoordigd door B . H . ter Kuile en F . O . W . Vogelaar, advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . Waegenbaur en Th . van Rijn, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 5 van beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie ( PB 1985, L 340, blz . 5 ), alsmede van de individuele beschikkingen van de Commissie van 30 december 1985 en 21 maart 1986 houdende vaststelling van de quota van Stahlwerke Peine-Salzgitter AG voor het eerste respectievelijk het tweede kwartaal van 1986, en van 14 juli 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 5 augustus 1986 ) en 6 oktober 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 28 november 1986 ) houdende vaststelling van de quota van Hoogovens Groep BV voor het derde respectievelijk het vierde kwartaal 1986,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, waarnemend voor de president, O . Due en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . Kakouris, R . Joliet, T . F . O' Higgins en F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 oktober 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 december 1987,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 7 februari 1986, heeft Stahlwerke Peine-Salzgitter Aktiengesellschaft ( hierna : Stahlwerke Peine-Salzgitter ) krachtens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag een beroep ingesteld ( zaak 33/86 ), strekkende tot nietigverklaring van artikel 5 van algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie ( PB 1985, L 340, blz . 5 ), voor zover dat artikel niet voorziet in de mogelijkheid van een billijke aanpassing van de leveringsquota ( dat wil zeggen het gedeelte van de produktiequota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd ) van de ondernemingen wier leveringsquota aanzienlijk lager zijn dan het communautaire gemiddelde .
2 Bij op 17 februari en 9 mei 1986 neergelegde verzoekschriften heeft Stahlwerke Peine-Salzgitter krachtens genoemde bepaling van het EGKS-Verdrag twee beroepen ingesteld ( zaken 44/86 en 110/86 ), strekkende tot nietigverklaring van de op 30 december 1985 en 21 maart 1986 tot haar gerichte individuele beschikkingen van de Commissie, voor zover daarbij haar leveringsquota voor de categorieën Ia, Ib, Ic en III voor het eerste respectievelijk het tweede kwartaal van 1986 zijn vastgesteld .
3 Bij op 20 augustus en 20 november 1986 neergelegde verzoekschriften heeft Hoogovens Groep BV ( hierna : Hoogovens ) krachtens genoemde bepaling van het EGKS-Verdrag twee beroepen ingesteld ( zaken 226 en 285/86 ), strekkende tot gehele althans gedeeltelijke nietigverklaring van de individuele beschikkingen van de Commissie van 14 juli 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 5.8.1986 ) en 6 oktober 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 28.11.1986 ) betreffende de quota van deze onderneming voor het derde en het vierde kwartaal van 1986, respectievelijk tot nietigverklaring van algemene beschikking nr . 3485/85 van de Commissie .
4 In deze vijf zaken beroepen verzoeksters zich in wezen op onwettigheid van genoemde algemene beschikking nr . 3485/85, met name van artikel 5 ervan .
5 Gelet op de verknochtheid van de vijf zaken, heeft het Hof ( Zesde kamer ) bij beschikking van 30 juni 1987 de voeging ervan gelast voor de mondelinge behandeling en het arrest . In zaak 33/86 is Hoogovens toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoekster in die zaak .
6 Ingevolge het stelsel van toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie stelt de Commissie per kwartaal de produktiequota vast en het gedeelte daarvan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd . Zij gaat daarbij uit van de bij de invoering van het stelsel vastgestelde referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden, waarop zij bepaalde, per kwartaal vastgestelde verminderingspercentages toepast .
7 Verzoeksters zijn ondernemingen in de sector ijzer en staal . Stahlwerke Peine-Salzgitter produceert onder meer produkten van de categorieën Ia, Ib, Ic en III . Hoogovens produceert onder meer produkten van de categorieën Ia en Ib . Voor die categorieën is in het geval van verzoeksters de verhouding tussen het produktiequotum en het gedeelte van dat quotum dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd ( de zogenoemde I : P-relatie ), bijzonder ongunstig, zowel absoluut gezien als in vergelijking met het communautaire gemiddelde; soms ligt die verhouding bijna 25% lager dan dit gemiddelde . Vaststaat dat deze ongunstige I : P-relatie voor verzoeksters tot buitengewone economische moeilijkheden leidt .
8 Wel wetend van deze moeilijkheden, heeft de Commissie zich herhaaldelijk bereid verklaard het vraagstuk van de I : P-relatie opnieuw te onderzoeken alvorens de quotaregeling voor een nieuwe periode van twee jaar te verlengen . Na raadpleging van het Raadgevend comité verzocht zij de Raad om zijn instemming met nieuwe bepalingen, die waren voorgesteld in een op 25 september 1985 aan de Raad verzonden mededeling van de Commissie inzake de "Invoering van een systeem van produktiequota krachtens artikel 58 van het EGKS-Verdrag na 31 december 1985 ". De Commissie merkte daarin op, dat de handelsstromen in de ijzer - en staalsector tussen de Gemeenschap en de rest van de markt sinds de invoering van de quotaregeling ingrijpende veranderingen hadden ondergaan en dat derhalve de positie moest worden herzien van die bedrijven waarvan de verhouding tussen de leveringsquota en de produktiequota voor alle onder het stelsel vallende produkten ver onder het communautaire gemiddelde lag, daar deze situatie niet meer in overeenstemming was met het doel van de gemeenschappelijke staalpolitiek . De Commissie stelde voor, de I : P-relatie van elke onderneming terug te brengen tot een waarde die niet meer dan 10% onder het communautaire gemiddelde lag .
9 De Raad heeft dit document op 29 oktober 1985 besproken . In antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft de Raad verklaard, dat hij niet had ingestemd met de aanpassing van de I : P-relatie .
10 Op 27 november 1985 heeft de Commissie algemene beschikking nr . 3485/85 vastgesteld, die niet voorziet in de aanpassing van de I : P-relatie die door de Commissie aan de Raad was voorgesteld . Volgens artikel 5 van deze beschikking stelt de Commissie per kwartaal voor elke onderneming de produktiequota vast en het gedeelte ervan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, op basis van de referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden en door toepassing op die referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden van de verminderingspercentages . Binnen bepaalde limieten mag de Commissie op verzoek van de betrokken onderneming zo nodig overgaan tot aanpassing van de aldus vastgestelde quota, maar deze aanpassing, die dient te geschieden volgens de in genoemd artikel vastgestelde modaliteiten, mag niet leiden tot quota van meer dan een bepaald maximum per kwartaal voor het totaal van de produkten van een categorie .
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van deze zaken, het procesverloop en de argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Ontvankelijkheid ( zaak 33/86 )
12 De Commissie betwist enkel in zaak 33/86 de ontvankelijkheid van het door Stahlwerke Peine-Salzgitter ingestelde beroep tegen algemene beschikking nr . 3485/85 . Zij stelt dat verzoekster niet heeft bewezen, dat deze beschikking te haren aanzien misbruik van bevoegdheid oplevert .
13 Volgens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag staat voor de ondernemingen en verenigingen bedoeld in artikel 48, beroep open tegen de hen individueel betreffende beschikkingen of tegen algemene beschikkingen die volgens hun mening te hunnen opzichte misbruik van bevoegdheid inhouden .
14 Volgens vaste rechtspraak van het Hof mag een beroep reeds worden geacht ontvankelijk te zijn wanneer de verzoekster een onderneming of een vereniging van ondernemingen is die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 33, tweede alinea, en 48 EGKS-Verdrag en zich beroept op misbruik van bevoegdheid jegens haar, met duidelijke opgave van de redenen waaruit haars inziens het gestelde misbruik van bevoegdheid voortvloeit . Aan deze voorwaarden is in casu voldaan . De vraag of het bestaan van een dergelijk misbruik van bevoegdheid jegens verzoekster ook daadwerkelijk is bewezen, moet echter bij de beoordeling van de grond van de zaak worden beantwoord .
15 Hieruit volgt, dat het beroep in zaak 33/86 ontvankelijk is .
Ten gronde ( zaken 33, 44, 110, 226 en 285/86 )
16 Tussen partijen staat vast, dat de Raad zijn goedkeuring heeft onthouden aan het voorstel van de Commissie om de leveringsquota te wijzigen in het geval van bepaalde ondernemingen waarvan de I : P-relatie zeer ongunstig was . De vraag is evenwel, of de Commissie wel verplicht was de Raad om instemming te vragen, dan wel alleen had moeten handelen en dit niet heeft gedaan .
17 Volgens Stahlwerke Peine-Salzgitter en Hoogovens blijkt al uit de tekst van artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag, dat de vaststelling van quota op billijke grondslag tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie behoort . Volgens de in artikel 58 voorziene bevoegdheidsverdeling zou de instemming van de Raad enkel vereist zijn voor het principebesluit om een quotastelsel in te voeren, maar zou de Commissie bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de vaststelling van quota op billijke grondslag .
18 De Commissie betoogt, dat ingevolge artikel 58, lid 1, de instemming van de Raad weliswaar nodig is voor de invoering van een quotastelsel, maar dat dit niet betekent dat over de details van de organisatie, de verlenging of de wijziging van dat stelsel beslist kan worden zonder de goedkeuring van de Raad . Volgens de bepalingen van de geldende algemene beschikking, die ingevolge artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag moet worden vastgesteld met instemming van de Raad, bepaalt de Commissie krachtens artikel 58, lid 2, de quota op een billijke grondslag . Er zou dus een nauw verband bestaan tussen de leden 1 en 2 van artikel 58 en deze zouden niet los van elkaar mogen worden gelezen .
19 De Commissie is van mening, dat zij, indien zij de quota om billijkheidsredenen wil aanpassen, de algemene beschikking enkel kan wijzigen in het kader van de daartoe voorziene procedure, namelijk hetzij door wijziging van de algemene beschikking met instemming van de Raad, hetzij door toepassing van artikel 18 van de geldende algemene beschikking . Volgens dit artikel kan de Commissie langs de weg van een algemene beschikking de vereiste aanpassing aanbrengen, met name indien zich op de ijzer - en staalmarkt ingrijpende wijzigingen voordoen .
20 Nadat de Raad in casu had geweigerd in te stemmen met de voorstellen van de Commissie in verband met de noodzaak de I : P-relatie te wijzigen, zou de Commissie dat standpunt bij de vaststelling van beschikking nr . 3485/85 onmogelijk hebben kunnen negeren . Omdat de geldigheidsduur van algemene beschikking nr . 234/84 juist was verstreken, kon een aanpassing van de quota ook niet op artikel 18 van deze beschikking worden gebaseerd . Weliswaar was dit artikel 18 overgenomen in beschikking nr . 3485/85, maar zo kort na de vaststelling van deze algemene beschikking en zonder dat zich ingrijpende wijzigingen hadden voorgedaan, zou een beschikking op grond van deze bepaling niet in aanmerking zijn gekomen .
21 Artikel 58 EGKS-Verdrag, lid 1, eerste alinea, en lid 2, eerste alinea, luidt :
"1 . Indien de Hoge Autoriteit, bij het afnemen van de vraag, meent, dat de Gemeenschap zich in een uitgesproken crisisperiode bevindt en dat de maatregelen, voorzien in artikel 57, niet voldoende zijn om aan deze toestand het hoofd te bieden, moet de Hoge Autoriteit na raadpleging van het Raadgevend Comité en met instemming van de Raad een stelsel van produktiequota invoeren, vergezeld voor zover nodig van de maatregelen, bedoeld in artikel 74 ...
2 . De Hoge Autoriteit stelt, op grondslag van de in samenwerking met de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen gemaakte studies, de quota op een billijke grondslag vast, daarbij rekening houdend met de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 . Zij kan met name de bezettingsgraad van de ondernemingen regelen door het leggen van daartoe geschikte heffingen op de hoeveelheden, waarmede de produktie een bij algemene beschikking vastgesteld peil overschrijdt ."
22 In zijn arrest van 11 mei 1983 ( zaak 244/81, Kloeckner-Werke AG, Jurispr . 1983, blz . 1451 ) merkte het Hof op, dat de in artikel 58 voorziene vorm van overleg tussen Commissie en Raad niet nader wordt uitgewerkt . Volgens het Hof is aan de in artikel 58 gestelde eisen dan ook voldaan, wanneer bedoelde samenwerking ertoe leidt dat de Raad met de quotaregeling die de Commissie zich voorstelt in te voeren, akkoord gaat, waartoe door beide instellingen geen in bijzonderheden uitgewerkte ontwerp-beschikking behoeft te worden besproken . Uit dit arrest volgt, dat artikel 58 aldus moet worden uitgelegd, dat de goedkeuring van de Raad enkel vereist is voor de invoering en de belangrijkste elementen van het quotastelsel en dat de Commissie ingevolge haar eigen bevoegdheden de bijzonderheden van het stelsel moet regelen ten einde de quota op een billijke grondslag vast te stellen .
23 Gelijk het Hof laatstelijk overwoog in zijn arrest van 21 februari 1984 ( gevoegde zaken 140, 146, 221 en 226/82, Walzstahl-Vereinigung en Thyssen AG, Jurispr . 1984, blz . 951 ), zouden de door het EGKS-Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheden met name in strijd met hun wettige doel worden aangewend, indien zou blijken dat de Commissie ervan gebruik had gemaakt met het uitsluitende - of althans doorslaggevende - oogmerk om de toepassing van een speciale procedure te ontgaan, welke het Verdrag heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden . Hetzelfde geldt indien de Commissie zonder noodzaak de voor de invoering van het quotastelsel voorziene procedure volgt en nalaat gebruik te maken van haar eigen bevoegdheden ter vaststelling van de regels die zij noodzakelijk acht om het billijke karakter van de quota te waarborgen .
24 Om vast te stellen of er in casu sprake is geweest van een dergelijk misbruik van procedure, moet eerst worden nagegaan, of de Commissie bevoegd was om zonder instemming van de Raad te besluiten tot wijziging van de I : P-relatie . Mocht dit het geval zijn, dan kan het feit dat de Commissie zich bij de vaststelling van artikel 5 van beschikking nr . 3485/85 gebonden achtte aan het negatieve antwoord van de Raad wiens instemming zij had gevraagd, daadwerkelijk misbruik van bevoegdheid opleveren .
25 Volgens voornoemd arrest van het Hof is de in artikel 58, lid 1, EGKS-Verdrag bedoelde instemming van de Raad noodzakelijk in het geval van een voorstel tot algemene aanpassing van de quota voor een gehele groep van ondernemingen met bepaalde structurele kenmerken .
26 Men dient evenwel onderscheid te maken tussen aanpassing van de quota van een gehele groep van ondernemingen met bepaalde structurele kenmerken, waarvan de situatie dus niet verandert, en aanpassing van de quota van de ondernemingen waarom het hier gaat, die gekenmerkt worden door de verhouding tussen hun uitvoer en hun leveringen op de gemeenschappelijke markt tijdens een bepaalde periode vóór de invoering van het quotastelsel . Was dit stelsel niet ingevoerd, dan had deze verhouding kunnen veranderen onder invloed van de conjunctuur op de gemeenschappelijke markt en op de exportmarkt . Bij de invoering van het stelsel viel dus te voorzien dat, wilde de Commissie voldoen aan haar verplichting om de quota op een billijke grondslag vast te stellen, bij een bijzonder ongunstige ontwikkeling op de exportmarkt een aanpassing van die verhouding noodzakelijk zou kunnen worden . Een dergelijke aanpassing is dus te beschouwen als een organisatorisch detail van het stelsel, waarvoor de instemming van de Raad niet nodig is .
27 In casu is de Commissie, na de bijzondere situatie van ondernemingen als Stahlwerke Peine-Salzgitter en Hoogovens naar de eis van artikel 58, lid 2, te hebben onderzocht, tot de conclusie gekomen dat, om tot quota op een billijke grondslag te komen, de I : P-relatie van deze ondernemingen moest worden aangepast . Doch in plaats van op basis van artikel 58, lid 2, de daartoe vereiste bepalingen vast te stellen, heeft zij enkel overeenkomstig artikel 58, lid 1, een voorstel bij de Raad ingediend . Toen de Raad daaraan zijn instemming onthield, heeft de Commissie de nieuwe algemene beschikking nr . 3485/85 vastgesteld, waarbij het quotastelsel ongewijzigd werd gehandhaafd . Door in de I : P-relatie niet de wijzigingen aan te brengen die zij voor noodzakelijk hield om de quota overeenkomstig artikel 58, lid 2, op een billijke grondslag te kunnen vaststellen, heeft de Commissie een ander doel nagestreefd dan zij krachtens die bepaling behoorde te verwezenlijken, en aldus haar bevoegdheid misbruikt . Waar de Commissie had vastgesteld dat het noodzakelijk was de voor de bijzondere situatie van ondernemingen als verzoeksters kenmerkende onevenwichtigheid van de I : P-relatie ongedaan te maken, moet worden geoordeeld dat het misbruik van bevoegdheid ten aanzien van verzoeksters is begaan .
28 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat artikel 5 van algemene beschikking nr . 3485/85 misbruik van bevoegdheid oplevert ten aanzien van verzoeksters en bijgevolg nietig moet worden verklaard .
29 Daar de op 30 december 1985 en op 21 maart 1986 tot Stahlwerke Peine-Salzgitter gerichte individuele beschikkingen gedeeltelijk op artikel 5 van algemene beschikking nr . 3485/85 zijn gebaseerd, moeten zij nietig worden verklaard voor zover daarbij de leveringsquota van deze onderneming voor de categorieën Ia, Ib, Ic en III voor het eerste respectievelijk het tweede kwartaal van 1986 zijn vastgesteld .
30 Daar de tot Hoogovens gerichte individuele beschikkingen van 14 juli 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 5.8.1986 ) en van 6 oktober 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 28.11.1986 ) gedeeltelijk op artikel 5 van algemene beschikking nr . 3485/85 zijn gebaseerd, moeten ook deze beschikkingen nietig worden verklaard voor zover daarbij de leveringsquota van deze onderneming voor het derde respectievelijk het vierde kwartaal van 1986 zijn vastgesteld .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig artikel 5 van beschikking nr . 3485/85 van de Commissie van 27 november 1985, voor zover op grond hiervan geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de verhouding tussen het produktiequotum en het leveringsquotum aanmerkelijk lager is dan het communautaire gemiddelde .
2 ) Verklaart nietig de door de Commissie op 30 december 1985 en 21 maart 1986 tot Stahlwerke Peine-Salzgitter Aktiengesellschaft gerichte individuele beschikkingen, voor zover daarbij de leveringsquota van deze onderneming voor de categorieën Ia, Ib, Ic en III voor het eerste respectievelijk het tweede kwartaal van 1986 zijn vastgesteld .
3 ) Verklaart nietig de door de Commissie tot Hoogovens Groep BV gerichte individuele beschikkingen van 14 juli 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 5.8.1986 ) en van 6 oktober 1986 ( zoals gewijzigd bij beschikking van 28.11.1986 ), voor zover daarbij de leveringsquota van deze onderneming voor het derde respectievelijk het vierde kwartaal van 1986 zijn vastgesteld .
4 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy