RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak 55/86 ( *1 )
I — De feiten
De „Asociación provincial de Armadores de buques de pesca de Gran Sol de Pontevedra” is een vereniging waarbij 46 Spaanse visserijrederijen zijn aangesloten. Volgens artikel 7 van haar statuten heeft zij ten doel, de vertegenwoordiging en de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de bij haar aangesloten rederijen. Volgens artikel 8, sub f, van haar statuten vertegenwoordigt zij hen bij alle organisaties en lichamen, van welke aard en omvang ook, met inbegrip van internationale organisaties en lichamen.
A — De bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen ingevoerde regeling inzake de visvangst
De voorwaarden voor de toegang van schepen die onder Spaanse en Portugese vlag varen, tot de wateren van de oude Gemeenschap van Tien, van Portugese schepen tot de Spaanse wateren en ten slotte de toegang van schepen die onder de vlag van één der Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien varen, tot de Portugese en Spaanse wateren zijn geregeld in de artikelen 154 tot en met 166 en 347 tot en met 353 van de Akte betreffende de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen (PB 1985, L 302, blz. 23) (hierna: „Toetredingsakte”).
1. De regeling voor Spaanse vaartuigen
Met betrekking tot de niet-gespecialiseerde visserij bepaalt artikel 158 Toetredingsakte dat slechts 300 vaartuigen die zijn opgenomen op een lijst, de zogenaamde basislijst, in bijlage IX bij de Toetredingsakte, kunnen worden gemachtigd, hun visserijactiviteiten uit te oefenen in de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien. Artikel 158, tweede alinea, bepaalt echter, dat slechts 150 van deze vaartuigen gelijktijdig hun visserijactiviteiten kunnen uitoefenen, mits zij voorkomen op de periodiek door de Commissie vastgestelde lijsten (hierna: „periodieke lijsten”). Volgens artikel 163 worden door de Spaanse autoriteiten ontwerpen van periodieke lijsten opgesteld en bij de Commissie ingediend, die iedere maand nieuwe lijsten vaststelt.
Bovendien regelt artikel 160 Toetredingsakte voor Spaanse vaartuigen die zich met gespecialiseerde visserij bezighouden, de toegang tot de wateren van de oude Gemeenschap van Tien. In bepaalde gevallen worden basislijsten en periodieke lijsten voorzien, terwijl in andere gevallen alleen periodieke lijsten bestaan. Voor vaartuigen voor de tonijnvangst bestaat geen enkele beperking.
Ten slotte voorziet artikel 352, waaraan voor het eerst uitvoering is gegeven bij verordening nr. 3718/85 van de Commissie van 27 december 1985 (PB 1985, L 360, blz. 20), met betrekking tot de toegang van Spaanse vaartuigen tot de Portugese wateren voor bepaalde soorten visactiviteiten basislijsten en periodieke lijsten en voor andere activiteiten alleen periodieke lijsten.
2. De regeling voor Portugese vaartuigen
Met betrekking tot de toegang van Portugese vaartuigen tot de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien voorziet artikel 349 Toetredingsakte, waaraan voor het eerst uitvoering is gegeven bij verordening nr. 3715/85 van de Commissie van 27 december 1985 (PB 1985, L 360, blz. 1), voor sommige gevallen basislijsten en periodieke lijsten en voor andere gevallen alleen periodieke lijsten.
Met betrekking tot de toegang van Portugese vaartuigen tot de Spaanse wateren voorziet artikel 165 Toetredingsakte, waaraan voor het eerst uitvoering is gegeven bij verordening nr. 3717/85 van de Commissie van 27 december 1985 (PB 1985, L 360, blz. 14), basislijsten en op naam gestelde periodieke lijsten voor bepaalde soorten vis.
3. De regeling voor vaartuigen die varen onder de vlag van één der Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien
Met betrekking tot de toegang van deze vaartuigen tot de Spaanse wateren voorziet artikel 164 Toetredingsakte basislijsten en periodieke lijsten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de gespecialiseerde en de andere visserij.
Met betrekking tot de toegang van deze vaartuigen tot de Portugese wateren voorziet artikel 351, waaraan uitvoering is gegeven bij verordening nr. 3719/85 van de Commissie van 27 december 1985 (PB 1985, L 360, blz. 26), slechts een periodieke lijst voor vaartuigen die vissen op witte tonijn.
B — Verordening nr. 3 781/85 van de Raad
Volgens artikel 1 van verordening nr. 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 tot vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen tegen degenen die bepaalde voorschriften inzake visserijactiviteiten welke zijn vervat in de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, niet in acht nemen (PB 1985, L 363, blz. 26), worden bij deze verordening de maatregelen vastgesteld, die de naleving moeten garanderen van de regeling inzake de toelating tot de wateren en de visbestanden, als bedoeld in de artikelen 163, 164, 165, 349, 351 en 352 Toetredingsakte.
Volgens artikel 2 stellen de bevoegde instanties van de Lid-Staten de Commissie en de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert of waar het vaartuig is geregistreerd, onverwijld in kennis van elke door hen geconstateerde overtreding van deze regeling. Artikel 2, lid 2, bepaalt dat de Lid-Staat op grond van de kennisgeving van een rechterlijke uitspraak of in elk ander geval waarin een overtreding is geconstateerd, het betrokken vaartuig niet meer kan vermelden op de ontwerpen van periodieke lijsten die deze staat bij de Commissie indient.
Artikel 3 bepaalt zowel voor een eerste als voor een nieuwe overtreding, hoelang de Lid-Staat het schip niet meer kan vermelden. Deze duur bedraagt in ieder geval ten minste twee maanden.
C — De procedure in kort geding
Verzoekster heeft de president van het Hof in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3781/85 van de Raad verzocht.
Bij beschikking van 22 april 1986 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen, op grond dat verzoekster het bestaan van onherstelbare schade niet had aangetoond.
II — Conclusies van partijen
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 februari 1986, concludeert verzoekster dat het den Hove behage:
—
verordening nr. 3781/85 van de Raad nietig te verklaren.
De Raad van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het den Hove behage:
—
het verzoek om nietigverklaring van verordening nr. 3781/85 van de Raad nietontvankelijk te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die welke op de procedure in kort geding zijn gevallen.
Bij beschikking van 30 oktober 1986 heeft het Hof de Commissie van de Europese Gemeenschappen toegestaan, te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
Bij beschikking van 20 mei 1987 heeft het Hof besloten partijen uitsluitend over de ontvankelijkheid te horen en de zaak te verwijzen naar de Vijfde kamer.
III — Middelen en argumenten van partijen
De Raad, bij wiens argumenten de Commissie zich aansluit, heeft krachtens artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
In de eerste plaats betoogt hij, dat verordening nr. 3781/85 de visserijbetrekkingen tussen Spanje, Portugal en de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien op algemene wijze regelt om de naleving van de bij de Toetredingsakte ingestelde regeling te waarborgen. Deze regeling betreft niet slechts de Spaanse vissers, doch ook die van de andere Lid-Staten. De Raad leidt daaruit af, dat de bestreden verordening een algemene strekking heeft en dus zuiver normatief van aard is. Met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, in het bijzonder het arrest van 5 mei 1977 (zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr. 1977, blz. 797), meent de Raad daarom dat verzoekster niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt, in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag.
In de tweede plaats merkt de Raad op, dat de bestreden verordening de algemene belangen van een categorie economische subjecten treft, te weten de eigenaren en reders van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten van de Gemeenschap. Als vertegenwoordigster van een aantal reders, kan verzoekster derhalve niet aannemelijk maken, dat zij individueel wordt geraakt. De Raad herinnert aan de rechtspraak van het Hof, volgens welke een vereniging, als vertegenwoordigster van een categorie ondernemers, niet individueel wordt geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze categorie treft.
In de derde plaats merkt de Raad op, dat verordening nr. 3781/85 op zichzelf het visserijrecht van de betrokkenen niet beperkt. Slechts wanneer aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk wanneer er sprake is van een overtreding en wanneer deze overtreding naar behoren is vastgesteld, wordt het gestrafte vaartuig inderdaad het recht ontnomen om te vissen. Mocht de betrokken eigenaar in dat geval menen dat zijn rechten zijn geschaad en dat hij daardoor schade heeft geleden, dan moet hij daartegen opkomen door de daartoe openstaande rechtswegen te volgen.
Verzoekster betoogt om te beginnen, dat verordening nr. 3781/85 niet in het algemeen geldt voor de visserijbetrekkingen tussen Spanje en Portugal enerzijds en de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien anderzijds. Na onderzoek van de verschillende relevante visserijbepalingen betoogt zij namelijk, dat deze verordening, wat de niet-gespecialiseerde visserij betreft, in werkelijkheid slechts betrekking heeft op 300 Spaanse, elf Portugese en tien Franse vaartuigen. Voor alle soorten visserij heeft de verordening volgens verzoekster betrekking op 1268 al dan niet gespecialiseerde vissersvaartuigen van de 76818 vaartuigen die bij benadering de vissersvloot van de twaalf Lid-Staten van de EEG uitmaken. De betrokken schepen komen alle voor op de in de Toetredingsakte voorziene lijsten. De bestreden verordening heeft derhalve geen normatieve inhoud, daar zij van toepassing is op een bepaald aantal personen.
Met betrekking tot haar bevoegdheid om in rechte op te treden merkt verzoekster voorts op, dat zij volgens haar statuten gerechtigd is, de reders te vertegenwoordigen bij alle instanties en lichamen, van welke aard ook. Ingevolge het Spaanse recht zijn wettig gevormde redersverenigingen op het gebied van de zeevisserij bevoegd, op te treden namens rechtstreeks en individueel geraakte ondernemingen. In twee arresten van het Hof van 8 oktober 1974 (zaak 175/73, Union syndicale, Jurispr. 1974, blz. 917, en zaak 18/74, Syndicat général du personnel des organismes européens, Jurispr. 1974, blz. 933) zou worden erkend, dat deugdelijk gekwalificeerde beroepsverenigingen in het algemeen bevoegd zijn om in rechte op te treden. In casu vertegenwoordigt verzoekster vaartuigen die rechtstreeks en individueel door de bestreden verordening worden geraakt. Bovendien heeft zij gehandeld in uitdrukkelijke en afzonderlijke opdracht van 46 rechtstreeks en individueel door verordening nr. 3781/85 geraakte ondernemingen en niet slechts op grond van de haar in artikel 8 van haar statuten verleende, algemene delegatie.
In de derde plaats wijst verzoekster erop, dat tegen het bij verordening nr. 3781/85 ingevoerde stelsel op twee verschillende manieren kan worden opgekomen. De eerste, die zij heeft gevolgd, is het instellen van een beroep op grond van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag tegen de verordening zelf. De tweede is de nationale rechtsweg, die door elke gestrafte onderneming kan worden gevolgd.
IV — Door het Hof gestelde vragen
Naar aanleiding van twee vragen van het Hof heeft de Raad de lijst overgelegd van de teksten die na de Toetredingsakte op het gebied van de visserij zijn vastgesteld en heeft hij opgemerkt, dat van de 75000 vissersvaartuigen die bij benadering de communautaire vloot uitmaken, ongeveer 2700 worden geraakt door verordening nr. 3781/85.
R. Joliet
rechtcr-rapportcur
( *1 ) Procestaai: Spaans.
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
14 januari 1988 ( *1 )
In zaak 55/86,
Asociación provincial de armadores de buques de pesca de Gran Sol de Pontevedra (Arposol), te Vigo (Pontevedra, Spanje), vertegenwoordigd door J. L. Meseguer Sanchez, advocaat te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, 31, Grand-Rue,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde Y. Crétien, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
interveniente,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 tot vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen tegen degenen die bepaalde voorschriften inzake visserijactiviteiten welke zijn vervat in de Akte van toetreding van Spanje en Portugal (PB 1985, L 363, blz. 26), niet in acht nemen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. Bosco, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, U. Everling, Y. Galmot en R. Joliét, rechters,
advocaatgeneraal: J. Mischo
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 6 oktober 1987,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 28 oktober 1987,
het navolgende
Arrest
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 februari 1986, heeft de Asociación provincial de armadores de buques de pesca de Gran Sol de Pontevedra (hierna: Arposol) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 3781/85 van de Raad van 31 december 1985 tot vaststelling van de maatregelen die moeten worden genomen tegen degenen die bepaalde voorschriften inzake visserijactiviteiten welke zijn vervat in de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, niet in acht nemen (PB 1985, L 363, blz. 26).
2
Arposol is een vereniging die is opgericht ter vertegenwoordiging en behartiging van de belangen van 46 Spaanse visserijrederijen, waarvan de schepen de niet-gespecialiseerde visvangst uitoefenen in de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien.
3
Ingevolge artikel 158 van de „Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen” van 12 juni 1985 (hierna: Toetredingsakte; PB 1985, L 302, blz. 9) mogen slechts 300 niet-gespecialiseerde Spaanse vissersvaartuigen die in de zogenoemde„basislijst” in bijlage IX bij de Toetredingsakte zijn opgenomen, hun visserijactiviteiten uitoefenen in de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien. Onder andere alle leden van Arposol staan op deze lijst. Artikel 158, lid 2, bepaalt dat slechts 150 van deze schepen tegelijkertijd hun visserijactiviteiten mogen uitoefenen, op voorwaarde dat zij voorkomen op een periodieke lijst die door de Commissie wordt vastgesteld. Volgens artikel 163 dienen de Spaanse autoriteiten bij de Commissie ontwerpen van de periodieke lijsten in.
4
In de artikelen 160, 164, 165, 349, 351 en 352 van de Toetredingsakte zijn soortgelijke regelingen met basislijsten en periodieke lijsten voorzien voor de toegang van Spaanse gespecialiseerde vissersvaartuigen tot de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien, de toegang van Portugese schepen tot de Spaanse wateren en tot de wateren van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien en ten slotte voor de toegang van vaartuigen van de Lid-Staten van de oude Gemeenschap van Tien tot de Spaanse en Portugese wateren.
5
Verordening nr. 3781/85 van de Raad stelt maatregelen vast die de naleving moeten garanderen van de regeling inzake de toelating tot de wateren en visbestanden, bedoeld in de artikelen 163, 164, 165, 349, 351 en 352 van de Toetredingsakte, door vissersvaartuigen die varen onder de vlag van of zijn ingeschreven in een Lid-Staat.
6
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 3781/85 bepaalt, dat de bevoegde instanties van de Lid-Staten de Commissie en de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert of waar het vaartuig is geregistreerd, onverwijld in kennis moeten stellen van elke door hen geconstateerde overtreding van bovengenoemde bepalingen van de Toetredingsakte en daarbij dienen te vermelden : de naam en de identificatiekentekens van het betrokken vaartuig, de naam van de kapitein, de eigenaar en, eventueel, van de reder, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de strafrechtelijke, administratieve of andere maatregelen die eventueel zijn genomen, alsmede elk besluit van een rechterlijke instantie met betrekking tot deze overtreding. Volgens artikel 2, lid 2, kan de Lid-Staat op grond van de kennisgeving van een rechterlijke uitspraak of in elk ander geval waarin een overtreding van genoemde regeling van de Toetredingsakte is geconstateerd, het betrokken vaartuig niet meer vermelden op de ontwerpen van periodieke lijsten die deze staat bij de Commissie indient. Artikel 3 van de verordening voorziet perioden gedurende
welke een vaartuig niet meer kan worden vermeld op deze ontwerpen van periodieke lijsten; deze perioden zijn van uiteenlopende lengte, naar gelang het een eerste overtreding betreft of niet en naar gelang het gaat om een vaartuig waarmee gespecialiseerde visserij wordt uitgeoefend of niet. Deze verschillende perioden variëren van twee tot achttien maanden.
7
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de procedure, de relevante bepalingen en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
8
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 mei 1986, heeft de Raad krachtens artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Tot staving van zijn exceptie betoogt hij in de eerste plaats, dat de betrokken verordening verzoekster niet rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, aangezien zij een algemene strekking heeft en zuiver normatief van aard is. Verder is het beroep volgens de Raad niet-ontvankelijk, aangezien een vereniging, als vertegenwoordigster van een categorie ondernemers, niet individueel zou worden geraakt door een handeling die de algemene belangen van deze categorie treft. Ten slotte meent de Raad, dat het instellen van een nationaal beroep tegen de maatregelen waarbij toepassing wordt gegeven aan de verordening, de aangewezen procedure is om op te komen tegen verordening nr. 3781/85.
9
Daarentegen meent verzoekster dat de bestreden verordening in werkelijkheid slechts een beperkt aantal adressaten betreft, waaronder haar leden, en dat zij daardoor dus rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Voorts stelt zij, dat het Hof in ambtenarenzaken beroepen heeft toegelaten, die door verenigingen namens hun leden waren ingediend. Ten slotte meent zij, dat de procedure van artikel 173 EEG-Verdrag de aangewezen wijze is om beroep in te stellen tegen een gemeenschapshandeling.
10
Krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan iedere natuurlijke of rechtspersoon slechts beroep instellen tegen beschikkingen die zijn genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking, gericht tot een andere persoon, indien deze hem rechtstreeks en individueel raken.
11
In casu zij opgemerkt, dat een Lid-Staat de sanctie van niet-inschrijving slechts kan nemen, wanneer aan alle in artikel 2 van verordening nr. 3781/85 gestelde voorwaarden is voldaan, met name aan de voorwaarde dat een andere Lid-Staat de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert, in kennis heeft gesteld van een door een rechter of administratie vastgestelde overtreding. Bovendien wordt deze sanctie slechts definitief nadat de Commissie de periodieke lijsten heeft goedgekeurd, waarop de naam van het gestrafte vaartuig niet voorkomt.
12
De eigenaren van de in Arposol verenigde schepen kunnen dus slechts worden getroffen, wanneer de Lid-Staat op grond van artikel 2 van de bestreden verordening weigert hen in te schrijven op de ontwerpen van periodieke lijsten, die deze staat bij de Commissie indient, en indien deze lijsten als zodanig door de Commissie worden goedgekeurd.
13
Zo gezien moet worden vastgesteld, dat verzoekster door verordening nr. 3781/85 niet rechtstreeks wordt geraakt, aangezien haar leden in feite slechts worden getroffen door een nationaal besluit dat enkel wordt genomen wanneer aan verschillende voorwaarden is voldaan, en wanneer dit besluit wordt bekrachtigd door de Commissie.
14
Op grond van het voorgaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard en behoeven de andere middelen van niet-ontvankelijkheid niet te worden onderzocht.
Kosten
15
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij dus in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1)
Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2)
Verwijst verzoekster in de kosten.
Bosco
Moitinho de Almeida
Everling
Galmot
Joliet
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 januari 1988.
De griffier
P. Heim
De president van de Vijfde kamer
G. Bosco
( *1 ) Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy