Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Harmonisatie van wetgevingen - Motorvoertuigen - Installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen - Richtlijn 76/756 - Uitputtend karakter - Nationale regeling op grond waarvan niet in richtlijn voorzien voorschrift moet worden nageleefd - Ontoelaatbaarheid
( Richtlijn 76/756 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/276, artikel 2, lid 1 )
Samenvatting
Richtlijn 76/756 van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/276, heeft een uitputtend karakter; voertuigen die voldoen aan de technische voorschriften van de richtlijn, moeten in de gemeenschappelijke markt vrij in het verkeer kunnen worden gebracht . Een Lid-Staat kan niet op eenzijdige wijze verlangen van constructeurs die zich aan de richtlijn houden, dat zij zich schikken naar een voorschrift dat in die richtlijn niet is voorzien .
Partijen
In zaak 60/86,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door B . McHenry van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, 28, boulevard Royal,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door in strijd met richtlijn 76/756/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( PB 1976, L 262, blz . 1 ), het gebruik te verbieden van na 1 oktober 1986 vervaardigde en na 1 april 1987 in het verkeer gebrachte motorvoertuigen die niet zijn uitgerust met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, waarnemend voor de president, O . Due en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T . Koopmans, C . Kakouris, T . F . O' Higgins en F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : G . F . Mancini
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 15 oktober 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 maart 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door in strijd met richtlijn 76/756/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( PB 1976, L 262, blz . 1 ), het gebruik te verbieden van na 1 oktober 1986 vervaardigde en na 1 april 1987 in het verkeer gebrachte motorvoertuigen die niet zijn uitgerust met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting .
2 In de Road Vehicles Lighting Regulations 1984 ( Statutory Instrument 1984, nr . 821 - hierna : de nationale regeling ) wordt de in het verzoekschrift bedoelde "dim-dip"-verlichtingsinrichting omschreven als een verlichtingsinrichting die voldoet aan de voorschriften van Part I van Schedule 3 van de nationale regeling . Volgens die voorschriften stelt de "dim-dip"-verlichtingsinrichting, wanneer de verplichte koplichten van het motorvoertuig zijn ontstoken en de motor loopt of het contact wordt aangezet, automatisch en tegelijkertijd ofwel de dimlichten met verminderde intensiteit ofwel twee afzonderlijke "stadslichten" in werking . Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken kan de "dim-dip"-verlichtingsinrichting zowel fysiek gescheiden zijn van de andere verlichtingsinrichtingen als daarin opgenomen zijn .
3 Artikel 16 van de betrokken nationale regeling verbiedt het gebruik op de wegen van het Verenigd Koninkrijk van na 1 oktober 1986 vervaardigde en na 1 april 1987 in het verkeer gebrachte motorvoertuigen die niet met een dergelijke verlichtingsinrichting zijn uitgerust .
4 Richtlijn 76/756 betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen is een van de bijzondere richtlijnen, bedoeld in de kaderrichtlijn 70/156 van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( PB 1970, L 42, blz . 1 ). Artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/756, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/276 van de Raad van 26 mei 1983 ( PB 1983, L 151, blz . 47 ), luidt als volgt :
"De Lid-Staten mogen :
- voor een type voertuig de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring niet weigeren,
- de verkoop, de registratie, het in het verkeer brengen of het gebruik van voertuigen niet weigeren of verbieden,
om redenen die verband houden met de installatie van de verplichte of facultatieve verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen, vermeld onder de punten 1.5.7 tot en met 1.5.20 van bijlage I, indien deze inrichtingen overeenkomstig de voorschriften van bijlage I zijn aangebracht ."
5 Voor een nadere uiteenzetting van de nationale wettelijke regeling, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 De Commissie betoogt, dat ingevolge artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/756 het gebruik van een motorvoertuig niet mag worden verboden om redenen die verband houden met de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen, indien deze inrichtingen overeenkomstig de voorschriften van bijlage I bij de richtlijn zijn aangebracht . Zij wijst erop, dat de verplichting om de typegoedkeuring niet te weigeren, en de verplichting om het gebruik van motorvoertuigen niet te verbieden, complementair zijn en zodanig zijn geformuleerd, dat de technische voorschriften precies dezelfde zijn .
7 Het Verenigd Koninkrijk daarentegen gaat uit van een letterlijke uitlegging van artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/756 en betoogt, dat de woorden "deze inrichtingen" uitsluitend verwijzen naar de inrichtingen, vermeld onder de punten 1.5.7 tot en met 1.5.20 van bijlage I bij de richtlijn . Zij is van oordeel, dat richtlijn 76/756 geen volledige harmonisatie beoogt van de vereisten met betrekking tot de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen, zodat de Lid-Staten bijkomende vereisten mogen stellen, zoals de installatie van een "dim-dip "- verlichtingsinrichting .
8 In de eerste plaats zij erop gewezen, dat volgens de vierde overweging van de considerans van kaderrichtlijn 70/156 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, "de geharmoniseerde technische voorschriften voor elk der verschillende voertuigen in bijzondere richtlijnen dienen te worden vastgesteld ". Voorts voorziet richtlijn 70/156 in de invoering van een communautaire goedkeuringsprocedure voor ieder type voertuig ten einde te kunnen controleren of het beantwoordt aan de geharmoniseerde technische vereisten, zodra de bijzondere richtlijnen betreffende de verschillende onderdelen of kenmerken van voertuigen in werking zijn getreden . Die procedure is evenwel nog niet ingevoerd, omdat de specificaties van een aantal onderdelen en kenmerken nog niet in een bijzondere richtlijn zijn omschreven . In tussentijd, en bij wege van overgangsmaatregel, bepaalt richtlijn 70/156, dat de goedkeuring op basis van de communautaire voorschriften kan geschieden, "naarmate de bijzondere richtlijnen betreffende de verschillende onderdelen of kenmerken van voertuigen in werking treden, en voor het overige op de grondslag van de nationale voorschriften" ( zevende overweging van de considerans en artikel 10 ).
9 Zoals reeds gezegd, is richtlijn 76/756 de in richtlijn 70/156 bedoelde bijzondere richtlijn met de geharmoniseerde technische voorschriften voor de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan . Volgens de derde overweging van de considerans van richtlijn 76/756 zullen weliswaar de gemeenschappelijke voorschriften voor de constructie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen worden opgenomen in andere bijzondere richtlijnen, doch dat geldt niet voor de voorschriften betreffende de installatie van die inrichtingen . De tekst van artikel 2, lid 1, waarin sprake is van "de verplichte of facultatieve verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen" vermeld in bijlage I, impliceert dat in bijlage I alle verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen zijn vermeld waarmee motorvoertuigen moeten of mogen worden uitgerust ( de punten 1.5.1 tot en met 1.5.6 omschrijven enkel bepaalde manieren om dit soort lichten te monteren ).
10 Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt, dat de reden waarom de "dim-dip"-verlichtingsinrichting zelfs niet als facultatieve inrichting in de tekst is vermeld, is dat het technisch comité van nationale deskundigen die inrichting bij de toenmalige stand der techniek niet aanvaardbaar achtte . Evenmin achtte men het gewenst, richtlijn 76/756 na haar inwerkingtreding volgens de procedure van artikel 13 van richtlijn 70/156 en artikel 5 van richtlijn 76/756 in dier voege aan de technische vooruitgang aan te passen, dat de "dim-dip"-verlichtingsinrichting onder laatstbedoelde richtlijn werd gebracht .
11 Deze opvatting inzake het uitputtend karakter van de lijst van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen in bijlage I bij richtlijn 70/156, is in overeenstemming met het oogmerk van die richtlijn, namelijk vermindering of zelfs opheffing van de belemmeringen die voor het handelsverkeer in de Gemeenschap voortvloeien uit het feit dat de dwingende technische voorschriften van land tot land verschillen ( zie de eerste en de tweede overweging van de considerans van richtlijn 70/156 ). In het kader van richtlijn 76/756 komt dat oogmerk tot uitdrukking in de aan de Lid-Staten opgelegde verplichting, "dezelfde voorschriften aan te nemen, hetzij ter aanvulling, hetzij in de plaats van hun huidige regelingen" ( tweede overweging van de considerans ).
12 Daaruit volgt, dat de Lid-Staten niet op eenzijdige wijze van de constructeurs die zich houden aan de geharmoniseerde technische voorschriften van richtlijn 76/756, kunnen verlangen dat zij zich schikken naar een voorschrift dat in die richtlijn niet is voorzien; motorvoertuigen die voldoen aan de technische voorschriften van die richtlijn, moeten immers in de gemeenschappelijke markt vrij in het verkeer kunnen worden gebracht .
13 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Verenigd Koninkrijk, door in strijd met richtlijn 76/756 van de Raad van 27 juli 1976 het gebruik te verbieden van na 1 oktober 1986 vervaardigde en na 1 april 1976 in het verkeer gebrachte motorvoertuigen die niet zijn uitgerust met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting, de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat :
1 ) Door in strijd met richtlijn 76/756 van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings - en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, het gebruik te verbieden van na 1 oktober 1986 vervaardigde en na 1 april 1987 in het verkeer gebrachte motorvoertuigen die niet zijn uitgerust met een "dim-dip"-verlichtingsinrichting, is het Verenigd Koninkrijk de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) Het Verenigd Koninkrijk wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Full & Egal Universal Law Academy