Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Verbod op verhandeling van surrogaat van voedingsmiddel - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Bescherming van consumenten - Eerlijkheid van handelstransacties - Geen rechtvaardiging
( EEG-Verdrag, artikel 30 )
2 . Vrij verkeer van goederen - Afwijkende nationale maatregelen - Verbod - Ondersteuning van in kader van gemeenschappelijke marktordening gevoerd beleid - Ontoelaatbare rechtvaardiging
Samenvatting
1 . Ter rechtvaardiging van een verbod op de verhandeling op zijn grondgebied van surrogaten van een voedingsmiddel mag een Lid-Staat zich niet verschuilen achter de vereisten van de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid van de handelstransacties, door zich te beroepen op het gevaar van verwarring ten aanzien van de aard van het surrogaat en van misleiding die voortvloeit uit de verhandelingen van produkten die slaafse nabootsingen zijn . Die doelstellingen kunnen immers worden bereikt met middelen die het vrije verkeer van goederen minder beperken, met name door een passende regeling inzake aanduiding en etikettering .
2 . Zodra de Gemeenschap in een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening heeft ingesteld, mogen de Lid-Staten niet eenzijdige maatregelen vaststellen, ook al worden zij noodzakelijk geacht ter bereiking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . Het is aan de Gemeenschap en niet aan een Lid-Staat om naar een oplossing te zoeken voor problemen op het vlak van het gemeenschappelijk landbouwbeleid .
Nationale maatregelen ter ondersteuning van een gemeenschappelijk beleid van de Gemeenschap mogen niet ingaan tegen een der grondbeginselen van de Gemeenschap, zoals het vrije verkeer van goederen, behoudens wanneer zij hun rechtvaardiging vinden in door het gemeenschapsrecht zelf erkende gronden .
Partijen
In zaak 76/86,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door M . Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, en P . Rohland, Oberregierungsrat bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden, nadien door M . Seidel, als gemachtigde, bijgestaan door M . Loschelder, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Duitse ambassade,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G . Guillaume, directeur van de afdeling juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, nadien door E . Belliard, plaatsvervangend directeur bij dezelfde afdeling, als gemachtigde, bijgestaan door B . Botte, attaché van de centrale administratie bij hetzelfde ministerie, als plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade,
interveniënte,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de verhandeling op de Duitse markt van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte melksurrogaten te verbieden, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn, G . F . Mancini, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 maart 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de verhandeling op de Duitse markt van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte melksurrogaten te verbieden, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
2 Ingevolge paragraaf 36, lid 1, van het Milchgesetz van 31 juli 1930 ( RGBl . I, blz . 421 ) is het in de Bondsrepubliek verboden, melk en zuivelprodukten met het oog op gebruik als levensmiddel na te maken of dergelijke nagemaakte levensmiddelen te koop aan te bieden, te verkopen of anderszins in het verkeer te brengen . Krachtens paragraaf 36, lid 2, juncto paragraaf 12, lid 2, Margarinegesetz in de versie van 1 juli 1975 ( BGBl . I, blz . 1841 ) geldt dat verbod niet voor margarine en halvarine .
3 Van oordeel dat het verbod op de invoer en de verhandeling van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte melksurrogaten een met artikel 30 EEG-Verdrag in strijd zijnde maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is, die noch door artikel 36 EEG-Verdrag noch door andere overwegingen van algemeen belang of dwingende eisen gerechtvaardigd wordt, heeft de Commissie een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid .
4 Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Raad verordening nr . 1898/87 van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen ( PB 1987, L 182, blz . 36 ) vastgesteld . Artikel 2 daarvan bepaalt de voorwaarden waaraan melk en zuivelprodukten moeten voldoen om de benaming "melk" of een reeks in een bijlage bij de verordening vermelde beschermde benamingen te mogen dragen . Krachtens artikel 5 van de verordening kunnen de Lid-Staten tot het einde van de vijfde toepassingsperiode van artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ), dit wil zeggen tot 31 maart 1989, met inachtnemning van de algemene bepalingen van het Verdrag, hun nationale voorschriften handhaven die de bereiding en het in de handel brengen van produkten die niet voldoen aan de in artikel 2 van de verordening genoemde voorwaarden, op hun grondgebied beperken .
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De ontvankelijkheid
6 Volgens de Duitse regering is het beroep niet-ontvankelijk, omdat verordening nr . 1898/87 in casu de rechtssituatie aanzienlijk heeft gewijzigd . Zij meent, dat zij onder deze omstandigheden in de gelegenheid had moeten worden gesteld, haar standpunt daaromtrent te bepalen in het kader van de precontentieuze procedure van artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag . Aangezien de Commissie heeft nagelaten om de precontentieuze procedure te heropenen, is het beroep thans niet-ontvankelijk .
7 De Commissie merkt op, dat zij de feitelijke en juridische omstandigheden, waarop zij zich baseert, reeds in de aan het beroep voorafgegane precontentieuze procedure heeft uiteengezet en dat zij geen schending van de nieuwe verordening stelt . Derhalve zouden de rechten van de verdediging niet zijn geschonden .
8 Dienaangaande zij gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof, laatstelijk in de arresten van 7 mei 1987 ( zaak 186/85, Commissie/België, Jurispr . 1987, blz . 2029, r.o . 13 ) en 14 juli 1988 ( zaak 298/86, Commissie/België, Jurispr . 1988, blz . 4343, r.o . 10 ), dat het onderwerp van een beroep krachtens artikel 169 EEG-Verdrag wordt afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze fase . Het met redenen omkleed advies van de Commissie en het verzoekschrift moeten op dezelfde overwegingen en middelen berusten, zodat het Hof geen rekening kan houden met een grief die niet in het met redenen omkleed advies is aangevoerd .
9 Vastgesteld moet worden, dat de Commissie in casu geen nieuwe grieven heeft aangevoerd naar aanleiding van de vaststelling van verordening nr . 1898/87 en dat de inwerkingtreding van die verordening verweersters positie niet verslechtert . Integendeel, verweerster vindt daarin nieuwe argumenten om te ontkennen, dat het bestreden nationale verbod een schending van het gemeenschapsrecht vormt . Er is dus geen sprake van schending van de rechten van de verdediging en het beroep blijft ontvankelijk .
Ten gronde
10 De Duitse regering merkt vooraf op, dat het verbod van paragraaf 36 van het Milchgesetz slechts geldt voor produkten die op grond van hun uiterlijk waarneembare kenmerken nabootsingen van melk of zuivelprodukten zijn . Vervangingsprodukten met andere kenmerken daarentegen mogen zonder meer in de Bondsrepubliek Duitsland in de handel worden gebracht .
11 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de Commissie gedurende de gehele procedure weliswaar in het algemeen van melksurrogaten heeft gesproken, doch dat niet wordt betwist, dat de betrokken nationale maatregel uitsluitend vervangingsprodukten betreft die soortgelijke uiterlijke kenmerken als melk vertonen en dus met melk kunnen worden verward . Onder die omstandigheden kan geen twijfel bestaan betreffende het voorwerp van het onderhavige geschil en staat niets eraan in de weg dat het Hof onderzoekt, of het aldus omschreven verbod zich verdraagt met artikel 30 EEG-Verdrag .
12 In het arrest van 23 februari 1988 ( zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, blz . 793, r.o . 6 ) stelde het Hof vast, dat het bij gebreke van gemeenschappelijke of geharmoniseerde bepalingen inzake de bereiding en het in de handel brengen van melksurrogaten aan elke Lid-Staat staat om, ieder op zijn grondgebied, een regeling te treffen voor al hetgeen de samenstelling, de bereiding en het in de handel brengen van die produkten raakt .
13 Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt echter uit de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag, dat de toepassing van een dergelijke nationale regeling op de uit andere Lid-Staten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, ingevoerde produkten slechts verenigbaar is met genoemd Verdrag, voor zover zij noodzakelijk is om te voldoen aan de in artikel 36 opgesomde redenen van algemeen belang, of aan dwingende eisen, onder meer verband houdend met de eerlijkheid van de handelstransacties en met de bescherming van de consumenten . Ook volgt eruit, dat een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van een invoerbeperkende maatregel slechts op deze redenen van algemeen belang of op dwingende eisen kan beroepen, wanneer hetzelfde doel niet kan worden bereikt met een andere maatregel die het vrije verkeer van goederen minder beperkt .
14 De verschillende middelen die de Duitse regering aanvoert om het verbod op de handel in de betrokken produkten te rechtvaardigen, moeten derhalve in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht .
De eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument
15 De Duitse regering, ondersteund door de Franse regering, meent dat de bestreden maatregel noodzakelijk is op grond van dwingende eisen verband houdende met de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument . Uit het feit dat de bepalingen van het Milchgesetz slechts van toepassing zijn op produkten die met melk kunnen worden verward, blijkt dat zulks de functie en de doelstelling van die bepalingen is . Het daaruit voortvloeiende verbod is ook in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien andere, minder radicale middelen niet volstaan om de consument te beschermen tegen misleiding, die voornamelijk ontstaat door de verhandeling van produkten die slaafse nabootsingen zijn .
16 In het reeds aangehaalde arrest van 23 februari 1988 had het Hof zich uit te spreken over een Franse wettelijke bepaling vergelijkbaar met paragraaf 36 van het Milchgesetz . Het Hof overwoog, dat de voorlichting van de consument onder meer kan worden verzekerd door een passende etikettering en dat die voorlichting ook mogelijk is, wanneer de produkten worden verkocht via drankautomaten alsook, in beginsel, in kantines . Weliswaar kan een volledige en gedetailleerde voorlichting van de consumenten in het laatste geval bepaalde moeilijkheden opleveren, doch dit probleem doet zich met betrekking tot alle aldaar aangeboden levensmiddelen voor . Er is geen bijzondere reden, waarom de consumenten bij melksurrogaten beter zouden moeten worden voorgelicht ( r.o . 10 ). Overeenkomstige overwegingen gelden met betrekking tot de noodzaak om oneerlijke concurrentie te verhinderen .
17 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof ( arrest van 16 december 1980, zaak 27/80, Fietje, Jurispr . 1980, blz . 3839, r.o . 11 ), dat nationale maatregelen, indien zij noodzakelijk zijn om de correcte aanduiding van produkten te garanderen ten einde zo elke verwarring bij de consument te voorkomen en om de eerlijkheid van de handelstransacties te verzekeren, geen inbreuk vormen op het in de artikelen 30 en volgende van het Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen . Het gemeenschapsrecht verzet zich dus niet tegen een nationale maatregel die een correcte voorlichting van de consumenten garandeert en aldus elke verwarring voorkomt . De betrokken maatregel gaat evenwel verder dan het geven van een dergelijke garantie .
18 Bijgevolg is een absoluut verbod op de verkoop van melksurrogaten niet noodzakelijk om de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consumenten te verzekeren, zodat het eerste verweer van de Duitse regering moet worden verworpen .
De vraag, of de betrokken maatregel noodzakelijk is ter bereiking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
19 Met betrekking tot het argument van de Duitse regering, dat het verbod om de betrokken produkten in de handel te brengen, noodzakelijk is ter bereiking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, besliste het Hof reeds in de arresten van 23 februari 1988 ( r.o . 18-19 ), van 14 juli 1988 ( zaak 407/85, Drei Glocken, Jurispr . 1988, blz . 4233, r.o . 26 ) en van 2 februari 1989 ( zaak 274/87, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1989, blz . 0000, r.o . 21-22 ), dat de Lid-Staten, zodra de Gemeenschap in een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening heeft ingesteld, niet eenzijdig maatregelen mogen treffen die uit dien hoofde tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoren . Bijgevolg is het aan de Gemeenschap en niet aan een Lid-Staat om naar een oplossing te zoeken voor problemen op het vlak van het gemeenschappelijk landbouwbeleid .
20 In dit verband moet nog worden opgemerkt, dat de nationale maatregelen, ook al ondersteunen zij een gemeenschappelijk beleid van de Gemeenschap, niet mogen ingaan tegen een der grondbeginselen van de Gemeenschap, in casu het vrije verkeer van goederen, behoudens wanneer zij hun rechtvaardiging vinden in door het gemeenschapsrecht erkende gronden .
21 Uit het voorgaande volgt, dat de litigieuze maatregel niet kan worden gerechtvaardigd door de eisen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . Derhalve moet worden vastgesteld, dat hij in strijd is met het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag .
Artikel 5 van verordening nr . 1898/87 als rechtvaardiging voor de litigieuze maatregel
22 De Duitse regering, ondersteund door de Franse regering, beroept zich voorts op artikel 5 van verordening nr . 1898/87, bepalende dat de Lid-Staten gedurende een bepaalde periode, "met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag, hun nationale voorschriften (( kunnen )) handhaven die op hun grondgebied een beperking inhouden van de bereiding en het in de handel brengen van produkten die niet voldoen aan de in artikel 2 van de onderhavige verordening genoemde voorwaarden"; hieruit leidt zij af, dat de betrokken Duitse wettelijke regeling in ieder geval verder mag worden toegepast .
23 Dit argument kan niet worden aanvaard . Zonder dat behoeft te worden uitgemaakt of de betrokken bepaling terugwerkende kracht heeft, volstaat de opmerking, dat zij de handhaving van een nationale regeling slechts toestaat op voorwaarde dat de algemene regels van het EEG-Verdrag in acht worden genomen . Gelijk het Hof echter hierboven heeft vastgesteld, is de betrokken regeling in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag en voldoet zij dus niet aan de voorwaarden van artikel 5 van verordening nr . 1898/87 .
24 Uit het voorgaande volgt, dat de gestelde niet-nakoming bewezen is . Derhalve moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de verhandeling op de Duitse markt van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte melksurrogaten te verbieden, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen . De interveniërende partij dient haar eigen kosten te dragen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door de verhandeling op de Duitse markt van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte melksurrogaten te verbieden, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten van de procedure . De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen .
Full & Egal Universal Law Academy