Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Beroep tot nietigverklaring - Beroep, door een onderneming ingesteld tegen niet tot haar gerichte individuele EGKS-beschikking - Beschikking waarbij voordelen worden verleend aan concurrenten
( EGKS-Verdrag, artikel 33, tweede alinea )
2 . Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Handeling die niet is openbaar gemaakt of waarvan niet aan verzoeker is kennis gegeven - Kennis van de exacte inhoud en motivering - Verplichting om, zodra het bestaan van een handeling bekend is, binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken
( EGKS-Verdrag, artikel 33, derde alinea )
3 . EGKS - Produktie - Stelsel van produktie - en leveringsquota voor staal - Vaststelling van referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden in geval van concentratie - Aanpassing - Toekenning van aanvullende referentiecijfers om sluiting van installatie aan te moedigen - Ontbreken van rechtsgrondslag in algemene beschikking nr . 3485/85
( Algemene beschikking nr . 3485/85, artikel 13 )
Samenvatting
1 . Een onderneming is door een individuele beschikking van de Commissie betroffen in de zin van artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag, wanneer daarbij voordelen worden verleend aan een of meer ondernemingen waarmee zij in concurrentie staat .
Een onderneming die slechts produkten van één categorie produceert, is in het kader van het stelsel van produktie - en leveringsquota voor staal door een beschikking van de Commissie betroffen, voor zover hierbij aan een concurrerende onderneming voor genoemde categorie aanvullende referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden worden toegekend .
2 . Bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking, ligt het op de weg van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken . Dit neemt echter niet weg dat de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij van zijn beroepsrecht gebruik kan maken .
3 . Artikel 13, sub 4, van algemene beschikking nr . 3485/85 geeft de Commissie de bevoegdheid om, in geval van concentratie, splitsing of van oprichting van onafhankelijke ondernemingen, de nodige aanpassingen aan te brengen in de referentiecijfers voor de produktie en voor de levering . Met andere woorden : zij mag afwijken van de resultaten die voortvloeien uit de berekeningen die voor de toekenning van nieuwe referentiecijfers in dergelijke gevallen zijn voorgeschreven in de in de punten 1, 2 en 3 van dat artikel vervatte basisregels .
Noch uit de bewoordingen van deze bepaling, noch uit de motivering van de algemene beschikking zijn echter criteria te destilleren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, onder welke voorwaarden dergelijke aanpassingen "nodig" moeten worden geacht, zodat men te rade dient te gaan bij het doel van het quotastelsel, dat erin bestaat, de door de staalcrisis noodzakelijk geworden produktiebeperkingen zo billijk mogelijk over alle ondernemingen te verdelen . Bijgevolg kunnen de aanpassingen waartoe de Commissie uit hoofde van artikel 13, sub 4, kan overgaan, enkel worden geacht nodig te zijn, wanneer toepassing van de basisregels tot onbillijke resultaten zou leiden . Gezien het voorgaande is in artikel 13, sub 4, geen rechtsgrondslag te vinden voor de toekenning van aanvullende referentiecijfers als maatregel om de sluiting van een installatie aan te moedigen .
Het staat de Commissie vrij om, in het kader van de onder haar verantwoordelijkheid vallende crisisbeheersing in de staalsector, een beleid te voeren waardoor de herstructurering wordt aangemoedigd, waarbij zij in voorkomend geval kan overgaan tot de toekenning van aanvullende referentiecijfers als beloning voor de sluiting van installaties waardoor de capaciteit wordt verminderd . Zij mag dit echter niet doen door middel van individuele beschikkingen waarvoor in de toepasselijke algemene beschikking geen rechtsgrondslag te vinden is .
Partijen
In zaak 236/86,
Dillinger Huettenwerke AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Dillingen ( Saarland ), vertegenwoordigd door A . Deringer, C . Tessin, H . Herrmann en J . Sedemund, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . Waegenbaur als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de krachtens artikel 13, leden 1 en 4, van beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie tot British Steel Corporation gerichte individuele beschikking SG ( 86 ) D/3794 van de Commissie van 26 maart 1986,
wijst
HET HOF VAN JUSITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, G . C . Rodríguez Iglesias, T . Koopmans, K . Bahlmann en C . Kakouris, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 januari 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 5 september 1986, heeft Dillinger Huettenwerke AG krachtens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de tot British Steel Corporation ( hierna BSC ) gerichte individuele beschikking SG ( 86 ) D/3794 van de Commissie van 26 maart 1986 .
2 BSC produceert een uitgebreid pakket staalprodukten, met name diverse platte produkten van de categorieën Ia, Ib, Ic en II van de communautaire staalregeling . Ingevolge een overeenkomst tussen BSC en Alpha Steel Ltd, die zich in haar fabriek in Newport ( Wales ) had gespecialiseerd in de produktie van warmgewalst breedband, werd in 1985 een nieuwe vennootschap opgericht, Newport Plant Co . Ltd geheten, die de installaties in Newport overnam en waarin BSC alle aandelen verwierf . Deze concentratie in de zin van artikel 66 EGKS-Verdrag werd door de Commissie goedgekeurd . Daarna werden de installaties in Newport gesloten .
3 Over het tijdstip waarop die installaties werden gesloten, bestaat tussen partijen verschil van mening . Op grond van het door de Commissie op verzoek van het Hof aangedragen bewijsmateriaal moet er, bij gebrek aan tegenbewijs van de kant van verzoekster, van worden uitgegaan dat de installaties op 20 december 1985 definitief zijn stilgelegd .
4 Met de bestreden beschikking, die was gebaseerd op beschikking nr . 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 tot verlenging van het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie ( PB 1985, L 340, blz . 5 ), deelde de Commissie aan BSC haar nieuwe referentiecijfers met ingang van het eerste kwartaal van 1986 mee . Daarbij kende zij BSC, naast de oorspronkelijke referentiecijfers waarover Alpha Steel op basis van haar produktie in de fabriek te Newport had beschikt, aanvullende referentiecijfers toe van 345 108 ton voor de produktie en 228 892 ton voor levering op de gemeenschappelijke markt, die zij, naar rato van de referentiecijfers van BSC in de verschillende categorieën produkten, over alle door BSC vervaardigd platstaal verdeelde .
5 Volgens verzoekster, die uitsluitend platstaal van categorie II produceert, zijn de aan BSC toegekende verhogingen van haar referentiecijfers onrechtmatig, in de eerste plaats omdat deze verhogingen de som van de referentiecijfers overschrijden, waarover BSC en Alpha Steel voor hun installaties in Newport beschikten vóór de verkoop ervan aan BSC, en in de tweede plaats omdat de Commissie BSC verhogingen heeft toegekend voor categorieën produkten, waarvoor Newport vóór de overname niet over referentiecijfers beschikte .
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de juridische context en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Ontvankelijkheid
7 De Commissie betwist niet, dat verzoekster door de bestreden beschikking is betroffen in de zin van artikel 33, lid 2, EGKS-Verdrag, ook al is zij niet tot haar gericht .
8 Gelijk het Hof reeds eerder heeft beslist ( met name in de arresten van 15 juli 1960, gevoegde zaken 24 en 34/85, Chambre syndicale de la sidérurgie de l' Est, Jurispr . 1960, blz . 573, en 19 september 1985, gevoegde zaken 172 en 226/83, Hoogovens Groep, Jurispr . 1985, blz . 2831 ), is een onderneming door een beschikking van de Commissie "betroffen" in de zin van genoemde bepaling, wanneer daarbij voordelen worden verleend aan een of meer ondernemingen waarmee eerstgenoemde onderneming in concurrentie staat .
9 Verzoekster en BSC nu zijn staalondernemingen, die als producent van staal van categorie II van de communautaire staalregeling met elkaar in concurrentie staan . Bijgevolg is verzoekster door de omstreden beschikking betroffen, voor zover hierbij aan BSC voor produkten van genoemde categorie aanvullende referentiecijfers zijn toegekend .
10 Daarentegen moet ambtshalve worden vastgesteld, dat de omstreden beschikking verzoekster - een monoproducent - niet kan betreffen, voor zover hierbij aan BSC aanvullende referentiecijfers voor produkten van andere categorieën zijn toegekend .
11 Voorts betoogt de Commissie, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien het na het verstrijken van de in artikel 33, lid 3, EGKS-Verdrag gestelde termijn van een maand is ingesteld . Bij gebreke van openbaarmaking of kennisgeving van de aangevochten handeling, zou deze termijn ingaan - zoals ook voorzien in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag - op de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen . In casu zou verzoekster van de wezenlijke inhoud van de bestreden beschikking kennis hebben gekregen, met name door een schrijven van de Europese Vereniging voor de IJzer - en Staalindustrie ( Eurofer ) van 14 mei 1986 .
12 Verzoekster brengt daartegen in, dat zij eerst door middel van het verweerschrift van de Commissie van de exacte inhoud en de motivering van de beschikking kennis heeft gekregen . Bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking, aldus verzoekster, kan de beroepstermijn pas ingaan op de dag waarop de verzoeker van de exacte inhoud van de handeling heeft kennis gekregen .
13 Dienaangaande moet het volgende worden vastgesteld . In de eerste plaats is naderhand weliswaar gebleken, dat in het schrijven van Eurofer van 14 mei 1986 de wezenlijke inhoud van de bestreden beschikking juist was weergegeven, maar verzoekster kon niet weten dat dit het geval was en kon dus met name geen volledige zekerheid hebben over de motivering van de beschikking . Volgens de door haar niet weersproken bewering van verzoekster, heeft de Commissie bovendien in haar antwoord op een van 9 juni 1986 daterend verzoek van Eurofer om nadere gegevens over de omstreden beschikking geweigerd, de beschikking aan Eurofer te doen toekomen, en enkel de rechtsgrondslag ervan bevestigd en daarnaar verwezen .
14 Volgens de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag ( arresten van 5 maart 1980, zaak 76/79, Koenecke, Jurispr . 1980, blz . 665, en 5 maart 1986, zaak 59/84, Tezi, Jurispr . 1986, blz . 887 ) ligt het, bij gebreke van kennisgeving of openbaarmaking, op de weg van degene die kennis krijgt van het bestaan van een hem betreffende handeling, om binnen een redelijke termijn om de volledige tekst ervan te verzoeken; dit neemt echter niet weg dat de beroepstermijn pas kan ingaan op de dag waarop de betroffen derde kennis krijgt van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling, zodat hij met vrucht van zijn beroepsrecht gebruik kan maken .
15 In het onderhavige geval verzocht Eurofer - een vereniging waarbij verzoekster is aangesloten - dringend om aanvullende informatie over de bestreden beschikking . De Commissie wilde hieraan echter geen gevolg geven, zodat verzoekster zich genoodzaakt zag tegen de beschikking op te komen, zonder dat zij er zeker van kon zijn, alle essentiële punten ervan te kennen .
16 Onder deze omstandigheden kan het argument van de Commissie niet worden aanvaard .
17 Mitsdien is het beroep tot nietigverklaring van de tot BSC gerichte beschikking ontvankelijk, voor zover daarbij aan BSC aanvullende referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden zijn toegekend voor produkten van categorie II .
Ten gronde
18 Tot staving van haar beroep voert verzoekster als eerste middel aan, dat het de aangevochten beschikking aan een rechtsgrondslag ontbreekt . Zij is van mening, dat de Commissie haar besluit om BSC de omstreden aanvullende referentiecijfers toe te kennen, niet kon baseren op artikel 13 van algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS .
19 Artikel 13 bevat de algemene regels voor de vaststelling van de referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie in geval van concentratie ( sub 1 ), splitsing ( sub 2 ) of oprichting van nieuwe onafhankelijke ondernemingen door ondernemingen die aan deze installaties overdragen die voorheen deel uitmaakten van hun eigen produktieapparaat ( sub 3 ). Sub 4 is het volgende bepaald :
"De Commissie gaat in voorkomend geval over tot de nodige aanpassingen, eventueel op basis van het advies van een groep deskundigen ."
20 De Commissie heeft zich bij de toekenning van de omstreden aanvullende referentiecijfers aan BSC op laatstgenoemde bepaling gebaseerd . Zij is van mening dat zij op grond van artikel 13, sub 4, gemachtigd is om door middel van de toekenning van aanvullende referentiecijfers die ondernemingen te belonen, die overgaan tot een concentratie, en in verband daarmee tot de sluiting van installaties, ten einde een vermindering van de produktiecapaciteiten met het oog op de herstructurering van de staalsector aan te moedigen .
21 Om na te gaan of deze - door verzoekster bestreden - uitlegging juist is, moet artikel 13, sub 4, in verband worden gebracht met het bepaalde sub 1 tot en met 3; ook moeten de desbetreffende bepalingen in de algemene beschikkingen betreffende het stelsel voor toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ijzer - en staalindustrie voor de voorgaande jaren in aanmerking worden genomen .
22 In artikel 13, sub 2 en 3, van de algemene beschikkingen voor de jaren 1982, 1983 en 1984 ( nr . 1696/82/EGKS van 30 juni 1982, PB 1982, L 191, blz . 1; nr . 2177/83/EGKS van 28 juli 1983, PB 1983, L 208, blz . 1, en nr . 234/84/EGKS van 31 januari 1984, PB 1984, L 29, blz . 1 ) was de bevoegdheid van de Commissie om over te gaan tot de "nodige aanpassingen" enkel voorzien voor de gevallen van splitsing en van oprichting van onafhankelijke ondernemingen .
23 In de achtste overweging van algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS zette de Commissie uiteen :
"Deze mogelijkheid moet worden uitgebreid tot concentraties, vooral wanneer deze leiden tot de sluiting van warmwalserijen die een uitzonderlijke bijdrage tot de vermindering van de capaciteiten oplevert en noch door een verhoging van capaciteiten wordt gecompenseerd noch als tegenprestatie voor het verlenen van overheidssteun moet worden beschouwd ."
24 Uit bewoordingen en opzet van artikel 13 van deze algemene beschikking en uit de aangehaalde achtste overweging blijkt, dat het nieuwe punt 4 betrekking heeft op de gevallen van concentratie, splitsing en oprichting van ondernemingen, zoals onderscheidenlijk bedoeld in artikel 13, sub 1, 2 en 3 . De bevoegdheid van de Commissie om in geval van concentratie tot de nodige aanpassingen over te gaan, is dus dezelfde als die waarover zij in geval van splitsing of van oprichting van onafhankelijke ondernemingen beschikt .
25 Voor deze drie in artikel 13 bedoelde gevallen zijn sub 1, 2 en 3 nauwkeurige regels voor de toekenning van nieuwe referentiecijfers neergelegd . Uit de opzet van artikel 13 valt op te maken, dat het bij de sub 4 genoemde "aanpassingen" gaat om wijzigingen van de resultaten van de berekeningen voorzien in de voorgaande punten, die de basisregels bevatten .
26 Noch uit de bewoordingen van de onderhavige bepaling, noch uit de motivering van de algemene beschikking zijn criteria te destilleren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, onder welke voorwaarden dergelijke aanpassingen "nodig" moeten worden geacht . Derhalve dient men te rade te gaan bij het doel van het quotastelsel, dat blijkens artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag erin bestaat, de door de staalcrisis noodzakelijk geworden produktiebeperkingen zo billijk mogelijk over alle ondernemingen te verdelen .
27 Bijgevolg kunnen de aanpassingen waartoe de Commissie uit hoofde van artikel 13, sub 4, kan overgaan, enkel worden geacht "nodig" te zijn wanneer toepassing van de basisregels tot onbillijke resultaten zou leiden .
28 Om na te gaan of zulks het geval is beschikt de Commissie, die in voorkomend geval het advies van een groep deskundigen kan inwinnen, over een ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de bijzondere omstandigheden van elke concentratie, splitsing of oprichting van onafhankelijke ondernemingen . Zo kan zij met name rekening houden met de omstandigheid, dat een concentratie - zoals in casu - de stillegging van installaties tot gevolg heeft . In de achtste overweging van beschikking nr . 3485/85/EGKS wordt hiervan terecht melding gemaakt .
29 Blijkens het dossier heeft de Commissie BSC in casu de omstreden aanvullende referentiecijfers toegekend als beloning voor de door deze genomen herstructureringsmaatregel, de sluiting van de installaties te Newport . Die sluiting heeft immers een belangrijke capaciteitsvermindering tot gevolg gehad, die, zo stelt de Commissie, zonder de betrokken aanmoedigingsmaatregel niet zou hebben plaatsgevonden . Uit het voorgaande volgt echter, dat een dergelijke aanmoediging verder gaat dan de in artikel 13, sub 4, bedoelde "nodige aanpassingen ".
30 Deze conclusie vindt steun in een vergelijking tussen de opzet van algemene beschikking nr . 3485/85/EGKS en die van de overeenkomstige algemene beschikkingen voor de voorgaande jaren . De algemene beschikkingen voor de jaren 1983 en 1984 bevatten namelijk een artikel 14 b respectievelijk 14 B, dat de Commissie de bevoegdheid verleende om een onderneming in het kader van een door haar goedgekeurd herstructureringsprogramma onder bepaalde in genoemd artikel neergelegde voorwaarden, aanvullende quota toe te staan . Blijkens het dossier had de Commissie aanvankelijk voor ogen, aan dit instrument tot aanmoediging van de herstructurering van ondernemingen nog meer gewicht toe te kennen in de algemene beschikking tot verlenging van het stelsel voor het jaar 1985 . Zij zag van dit voornemen echter af, toen bleek dat het binnen de Raad op weerstand stuitte .
31 Derhalve kan artikel 13, sub 4, van beschikking nr . 3485/85 niet aldus worden uitgelegd dat het de Commissie, enkel in geval van concentraties, de bevoegdheid verleent om aanvullende referentiecijfers toe te kennen ten einde de met verminderingen van capaciteiten gepaard gaande sluitingen van installaties aan te moedigen, waar de Commissie er juist zelf van heeft afgezien, zich een bijzondere rechtsgrondslag te verschaffen die haar deze bevoegdheid in het algemeen zou verlenen .
32 Het staat de Commissie vrij om, in het kader van de onder haar verantwoordelijkheid vallende crisisbeheersing in de staalsector, een beleid te voeren waardoor de herstructurering wordt aangemoedigd, waarbij zij in voorkomend geval kan overgaan tot de toekenning van aanvullende referentiecijfers als beloning voor de sluiting van installaties waardoor de capaciteit wordt verminderd . Zij mag dit echter niet doen door middel van individuele beschikkingen waarvoor in de toepasselijke algemene beschikking geen rechtsgrondslag te vinden is .
33 Uit het voorgaande volgt, zonder dat op de overige middelen behoeft te worden ingegaan, dat de omstreden beschikking moet worden nietig verklaard, zij het, gelet op de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep, enkel voor zover daarbij aan BSC aanvullende referentiecijfers voor de produkten van categorie II zijn toegekend .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
rechtdoende, verstaat :
1 ) Verklaart nietig de tot British Steel Corporation gerichte beschikking SG ( 86 ) D/3794 van de Commissie van 26 maart 1986, voor zover daarbij voor produkten van categorie II aanvullende referentiecijfers voor de produktie ( 161 500 ton ) en de levering ( 128 100 ton ) worden toegekend .
2 ) Verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk .
3 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy