Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Mededinging - Gemeenschapsregels - Verplichtingen van Lid-Staten - Regeling die werking van vroegere mededingingsregelingen beoogt te versterken - Begrip
( EEG-Verdrag, artikelen 5, 85 en 86 )
Mededinging - Gemeenschapsregels - Verplichtingen van Lid-Staten - Wettelijke regeling die belastingvrijstelling beperkt tot inkomsten uit bepaalde categorieën spaardeposito' s - Verenigbaarheid - Grenzen
( EEG-Verdrag, artikelen 3, sub f, 5 en 85 )
Vrij verrichten van diensten - Bankactiviteiten - Verwezenlijking in overeenstemming met geleidelijke liberalisatie van kapitaalverkeer - Spaardeposito' s - Liberalisatie niet verwezenlijkt
( EEG-Verdrag, artikelen 59, 61, lid 2, en 67 )
Fiscale bepalingen - Binnenlandse belastingen - Verdragsbepalingen - Werkingssfeer - Begrip produkten - Spaardeposito' s - Daarvan uitgesloten
( EEG-Verdrag, artikelen 61, lid 2, 67 en 95 )
Samenvatting
De artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag hebben op zich slechts betrekking op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten . Uit de samenhang van deze artikelen met artikel 5 EEG-Verdrag volgt evenwel, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken . Dat zou bij voorbeeld het geval zijn, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken zou opleggen of begunstigen dan wel de werking ervan zou versterken of aan haar eigen regeling het overheidskarakter zou ontnemen door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen .
Een nationale regeling kan slechts worden geacht de werking van bestaande afspraken te versterken, indien zij de elementen van tussen ondernemingen gesloten akkoorden geheel of gedeeltelijk overneemt en die ondernemingen tot naleving ervan aanzet .
Een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito' s beperkt tot die deposito' s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden, is niet onverenigbaar met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen, voor zover deze nationale bepaling niet enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken en praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito' s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau .
Een nationale regeling die een belastingvrijstelling beperkt tot spaardeposito' s in nationale valuta bij in de betrokken staat gevestigde financiële instellingen, is bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet onverenigbaar met de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag . De vrijheid van de door banken verrichte diensten met betrekking tot spaardeposito' s hangt volgens artikel 61, lid 2, van het Verdrag samen met de liberalisatie van het kapitaalverkeer, die op genoemd gebied evenwel nog niet is verwezenlijkt .
Spaardeposito' s bij financiële instellingen verricht, in welke valuta ook, vallen binnen het toepassingsgebied van de artikelen 61, lid 2, en 67 EEG-Verdrag . Zij zijn dus geen produkten in de zin van artikel 95 van het Verdrag .
Partijen
In zaak 267/86,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Vrederechter van het kanton Beveren ( België ), in het aldaar aanhangig geding tussen
P . Van Eycke, te Beveren,
en
Naamloze vennootschap ASPA, te Antwerpen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 59 tot en met 66, 85, 86 en 95 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, waarnemend voor de president, J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresident, T . Koopmans, U . Everling, K . Bahlmann, Y . Galmot, C . N . Kakouris, R . Joliet en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : G . F . Mancini
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- P . Van Eycke, vertegenwoordigd door J . Cerfontaine, advocaat te Antwerpen,
- het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door G . Van Hecke en K . Lenaerts, advocaten, en R . Hoebaer en R . Devyver als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T . van Rijn als gemachtigde, bijgestaan door R . Overhoff,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 25 november 1987,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 april 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Bij vonnis van 28 oktober 1986, ingekomen ten Hove op 30 oktober daaraanvolgend, heeft de Vrederechter van het kanton Beveren ( België ) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 59 tot en met 66, 85, 86 en 95 van het Verdrag, ten einde de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht te kunnen beoordelen van een nationale regeling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over spaardeposito' s beperkt tot een bepaalde categorie van deposito' s .
Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen P . Van Eycke ( hierna : verzoeker ) en de naamloze vennootschap ASPA, een Belgische financiële instelling, met betrekking tot de creditrentevoet voor een spaardeposito dat verzoeker bij ASPA wenste te verrichten . Blijkens het dossier had verzoeker, na kennis te hebben genomen van de publiciteit van ASPA betreffende de rentevoeten voor spaardeposito' s, zich bij haar vervoegd om een spaardeposito onder de bekendgemaakte voorwaarden te verrichten . Toen ASPA hem daarop meedeelde, dat zij ingevolge het Koninklijk Besluit van 13 maart 1986 gedwongen was minder gunstige voorwaarden toe te passen dan zij in haar publiciteit had aangeboden, heeft verzoeker zich tot de nationale rechter gewend met het verzoek vast te stellen, dat ASPA zich voor de wijziging van haar spaarvoorwaarden niet kon beroepen op genoemd Koninklijk Besluit, daar dit in strijd was met de artikelen 85 en volgende EEG-Verdrag .
Voor een goed begrip van genoemd Koninklijk Besluit dient men dit te plaatsen in zijn juridische en economische context . In België bestaat al sinds jaren een belastingvrijstelling voor een gedeelte van de inkomsten uit spaardeposito' s, die om sociale redenen en ter bevordering van het sparen is ingevoerd en waarvan de basismodaliteiten zijn vervat in artikel 19, 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen .
Toen in het begin van de jaren tachtig een toenemend aantal spaarinstellingen overging op een politiek van hoge rente, heeft de Belgische regering, ten einde de omvang van de belastingvrijstelling te beperken, deze bij wet van 28 december 1983 afhankelijk gesteld van een aantal bij Koninklijk Besluit vast te stellen voorwaarden .
Bij het ter uitvoering van die wet vastgestelde Koninklijk Besluit van 29 december 1983 werd de belastingvrijstelling onder meer aan de volgende voorwaarde gebonden : de vergoeding voor spaardeposito' s moest bestaan uit a ) een basisrente die niet hoger mocht zijn dan de laagste gemiddelde rentevoet in de betrokken marktsector, en b ) een door iedere financiële instelling vrijelijk te bepalen getrouwheids - of aangroeipremie .
Nadien vatte bij de Belgische monetaire autoriteiten de mening post, dat de mededinging op het gebied van de getrouwheids - en aangroeipremies te fel was en de algemene tendens tot rentedaling, die de andere spaarvormen kenmerkte, tegenwerkte . Daar een blijvend hoge creditrentevoet voor spaardeposito' s, naar de mening van die autoriteiten, de debetrente op een even hoog niveau hield, met fatale gevolgen voor 's lands economische activiteit en de overheidsschuld, richtte de Belgische Bankcommissie in september 1985 een aanbeveling tot de financiële instellingen om de vergoeding voor spaardeposito' s te beperken . Deze aanbeveling leidde op 30 december 1985 tot een vrijwillige afspraak tussen de banken, de privéspaarkassen en de openbare kredietinstellingen om de vergoeding voor spaardeposito' s te verlagen tot maximaal 7 %.
Omdat niet alle financiële instellingen zich aan deze afspraak hielden, besloot de minister van Financiën een regeling in te voeren, waarbij de voorwaarden voor vorengenoemde belastingvrijstelling rechtstreeks door de overheid bepaald zouden worden .
Deze regeling werd ingevoerd bij het Koninklijk Besluit van 13 maart 1986, waarin het maximum zowel van de basisrente als van de getrouwheids - of aangroeipremie rechtstreeks werd vastgesteld .
In die context heeft de nationale rechter, op akkoordconclusie van beide partijen in het hoofdgeding, het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Of het bij K.B . dd . 29 december 1983 geïnstaureerde en bij K.B . dd . 13 maart 1986 bevestigde doch enigszins aangepast wettelijke regime inzake de vergoedingen die door de financiële instellingen voor ingezamelde spaargelden mogen worden betaald, regime dat erin bestaat - als voortzetting in reglementaire vorm van de voorheen bestaande interbancaire afspraken of parallelle gedragingen ter beperking van de vergoeding van spaardeposito' s - deze vergoeding(en ) dwingend op te leggen :
a ) als een voor alle marktdeelnemers uniform rentepercentage,
b ) anderzijds als een door de marktdeelnemers te respecteren marge bij het bepalen van de vergoedingen,
op straffe van algeheel verlies van het in hoofde van de spaarders-cliëntèle bestaande fiscaal gunstregime voor gewone spaardeposito' s, verenigbaar is met de communautaire mededingingsregels zoals bepaald in de artikelen 85 en volgende van het EEG-Verdrag;
2 ) Of, en slechts in de mate op de eerste vraag sub a . bevestigend wordt geantwoord, het dwingend opleggen, naast een uniform rentepercentage inzake de door de financiële instellingen te betalen basisrente, van een maximummarge inzake de eventueel verschuldigde getrouwheids - en/of aangroeipremie, onder uitsluiting van elke andere vorm van mededinging inzake depositowerving, op straffe van verlies van het onder vraag 1 genoemde fiscaal gunstregime ( K.B . dd . 13 maart 1986 art . 1 ), verenigbaar is met de communautaire mededingingsregels, zoals bepaald in de artikelen 85 en volgende van het EEG-Verdrag;
3 ) Of de toekenning van fiscale voordelen, waaronder de algehele vrijstelling van bevrijdende roerende voorheffing, ten voordele van enkel in Belgische frank verrichte spaardeposito' s, bij enkel in België gevestigde financiële instellingen, geen discriminatie inhoudt ten nadele van gelijkaardige deposito' s aangetrokken door niet in België gevestigde financiële instellingen of gelibelleerd in andere munten of muntformules, en of, bijgevolg, de toekenning van zulke fiscale voordelen nog verenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 59 tot 66 alsmede artikel 95 EEG-Verdrag ."
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de nationale wettelijke regeling en de opmerkingen van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De bevoegdheid van het Hof
De Belgische regering stelt in de eerste plaats, dat het verzoek van de nationale rechter om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk is, daar uit een aantal gegevens blijkt dat het bodemgeschil zuiver fictief is . In de tweede plaats betoogt zij, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht op generlei wijze relevant kan zijn voor de oplossing van dat geschil . Het Koninklijk Besluit van 13 maart 1986 zou ASPA immers niet beletten om ten aanzien van verzoeker haar vroegere, betere spaarvoorwaarden te hanteren, en het zou dus volledig buiten het hoofdgeding staan .
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat uit de in het verwijzingsvonnis vermelde feitelijke gegevens niet blijkt, dat men in werkelijkheid te doen heeft met een kennelijk fictief geschil .
Met betrekking tot het tweede argument van de Belgische regering kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof - laatstelijk bevestigd in het arrest van 12 juni 1986 ( gevoegde zaken 98, 162 en 258/85, Bertini, Jurispr . 1986, blz . 1893 ) - het aan de nationale rechter staat om in het licht van de concrete feiten te beoordelen of een prejudiciële vraag noodzakelijk is .
Mitsdien moet worden overgegaan tot het onderzoek van de door de nationale rechter gestelde vragen .
De eerste en de tweede vraag
Deze vragen moeten aldus worden verstaan, dat zij er in wezen toe strekken te vernemen, of met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen al dan niet verenigbaar is een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito' s beperkt tot die deposito' s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden .
Er zij aan herinnerd, dat de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag op zich slechts betrekking hebben op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten . Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit de samenhang van de artikelen 85 en 86 met artikel 5 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken . Volgens die zelfde rechtspraak is dat bij voorbeeld het geval, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen .
Naar de verwijzende rechter heeft vastgesteld, bestonden er voordat de in geding zijnde regeling werd vastgesteld, interbancaire akkoorden of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ter beperking van de vergoeding voor spaardeposito' s . Noch uit die vaststellingen noch uit de voor het Hof gemaakte opmerkingen valt echter af te leiden, dat die regeling tot doel heeft, de totstandkoming van nieuwe afspraken of de toepassing van nieuwe praktijken op te leggen of te begunstigen . Bij de toetsing van de ware strekking van deze regeling aan de door 's Hofs rechtspraak ontwikkelde criteria behoeft dus enkel te worden onderzocht, in de eerste plaats, of zij de werking van de vroegere afspraken beoogt te versterken, en in de tweede plaats, of er bepaalde omstandigheden zijn die aan de regeling haar overheidskarakter ontnemen .
Wat het eerste punt betreft, kan worden volstaan met de opmerking, dat volgens 's Hofs rechtspraak een overheidsregeling slechts kan worden geacht de werking van bestaande afspraken te versterken, indien zij de elementen van tussen ondernemingen gesloten akkoorden geheel of gedeeltelijk overneemt en die ondernemingen tot naleving ervan verplicht of aanzet . Weliswaar is het volledig verlies van het voordeel van het fiscaal gunstregime voor spaardeposito' s een sterke prikkel om de betrokken regeling in acht te nemen, doch uit het verwijzingsvonnis blijkt nergens, dat die regeling enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken of praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito' s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau . Het staat evenwel aan de nationale rechter om dit punt nader te onderzoeken, indien hij meent dat er daaromtrent twijfel kan bestaan .
Wat het tweede punt betreft, blijkt uit de betrokken regeling, dat de overheid zich de bevoegdheid heeft voorbehouden om zelf de maximale rentevoet voor spaardeposito' s vast te stellen, en deze taak niet aan een particuliere onderneming heeft gedelegeerd . De regeling heeft dus duidelijk het karakter van een overheidsmaatregel . Hieraan wordt niet afgedaan door de - door verzoeker sterk beklemtoonde - omstandigheid, dat het Koninklijk Besluit van 13 maart 1986 blijkens zijn considerans is vastgesteld na overleg met vertegenwoordigers van de verenigingen van de financiële instellingen .
Op de eerste en de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito' s beperkt tot die deposito' s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden, niet onverenigbaar is met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen, met dien verstande dat de nationale rechter eventueel zal moeten onderzoeken, of de nationale bepaling niet enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken en praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito' s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau .
De derde vraag
Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van nationaal recht die de hiervóór beschreven belastingvrijstelling beperkt tot spaardeposito' s in nationale valuta bij in de betrokken Lid-Staat gevestigde financiële instellingen, al dan niet verenigbaar is met de artikelen 59 tot en met 66 en 95 EEG-Verdrag .
Ten aanzien van de vraag of een dergelijke fiscale regeling, die betrekking heeft op de vergoeding voor een bepaalde categorie van bij banken verrichte spaardeposito' s, al dan niet verenigbaar is met de artikelen 59 en volgende EEG-Verdrag betreffende het vrije dienstenverkeer, zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 61, lid 2, van het Verdrag de liberalisatie van de door banken verrichte diensten waarmede kapitaalverplaatsingen gepaard gaan, moet worden verwezenlijkt in overeenstemming met de geleidelijke liberalisatie van het kapitaalverkeer .
Nu behoren spaarverrichtingen tot de als "openen en crediteren van rekeningen-courant en depositorekeningen bij kredietinstellingen, repatriëring of aanwending van tegoeden op deze rekeningen" omschreven categorie van kapitaalverkeer, die voorkomt in lijst D van bijlage I bij de Eerste richtlijn van de Raad van 11 mei 1960 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag ( PB 1960, nr . 43, blz . 921 ), en in lijst C van bijlage I in de versie van richtlijn 86/566 van de Raad van 17 november 1986 tot wijziging van de Eerste richtlijn ( PB 1986, L 332, blz . 22 ). De liberalisatie van dat kapitaalverkeer is nog niet verwezenlijkt .
Bijgevolg kan er in de onderhavige zaak geen sprake zijn van schending van de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van bankdiensten waarmede kapitaalverplaatsingen gepaard gaan .
Wat ten slotte de vraag betreft, of artikel 95 EEG-Verdrag op de in geding zijnde fiscale maatregel van toepassing is, kan worden volstaan met op te merken, dat het daarin vervatte verbod van discriminerende of protectionistische binnenlandse belastingen slechts geldt met betrekking tot "produkten" van andere Lid-Staten . Zoals hiervóór echter vermeld, vallen spaardeposito' s, in welke valuta ook, binnen het toepassingsgebied van de artikelen 61, lid 2, en 67 EEG-Verdrag . Zij zijn dus geen produkten in de zin van artikel 95 van het Verdrag .
Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die vorenbedoelde belastingvrijstelling beperkt tot spaardeposito' s in nationale valuta bij financiële instellingen die in de betrokken Lid-Staat zijn gevestigd, niet onverenigbaar is met de artikelen 59 tot en met 66 en 95 EEG-Verdrag .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Vrederechter van het kanton Beveren bij vonnis van 28 oktober 1986 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito' s beperkt tot die deposito' s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden, is niet onverenigbaar met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen, met dien verstande dat de nationale rechter eventueel zal moeten onderzoeken, of de nationale bepaling niet enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken en praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito' s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau .
2 ) Een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die vorenbedoelde belastingvrijstelling beperkt tot spaardeposito' s in nationale valuta bij financiële instellingen die in de betrokken Lid-Staat zijn gevestigd, is niet onverenigbaar met de artikelen 59 tot en met 66 en 95 EEG-Verdrag .
Full & Egal Universal Law Academy