Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen verordening waarbij voorlopig anti-dumpingrecht wordt ingesteld - Vaststelling, hangende geding, van eveneens bestreden verordening waarbij definitief anti-dumpingrecht tegen zelfde tarief wordt ingesteld - Beroep zonder voorwerp geraakt - Beslissing zonder afdoening
( EEG-Verdrag, artikel 173 )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Invoer uit landen die geen markteconomie hebben - Met prioriteit in aanmerking te nemen factor - Prijs die voor soortgelijk produkt in derde land met markteconomie werkelijk wordt toegepast
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 5 )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde en van uitvoerprijs - Aanpassingen om deugdelijke vergelijking mogelijk te maken - Factoren die aanpassingen kunnen rechtvaardigen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, leden 9 en 10 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - In aanmerking te nemen factoren - Omvang van met dumping verrichte importen - Totale beoordeling van gevolgen van importen en niet per exporteur afzonderlijk
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4, lid 2 )
5 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Aanbod van prijsverbintenissen - Aanvaarding - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 10 )
Samenvatting
1 . Een beroep tegen een verordening waarbij een voorlopig anti-dumpingrecht wordt ingesteld, raakt zonder voorwerp, zodat het Hof niet meer behoeft te beslissen, wanneer deze verordening in de loop van het geding wordt vervangen door een eveneens door de verzoeker bestreden verordening waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld en wanneer de als waarborg voor het voorlopige anti-dumpingrecht gestorte bedragen krachtens de verordening waarbij het definitieve anti-dumpingrecht is ingesteld, zijn geheven tegen het in laatstgenoemde verordening vastgestelde tarief .
2 . In het kader van de vaststellingsprocedure voor anti-dumpingrechten moet de normale waarde van het produkt waarop de dumping betrekking heeft, bij importen uit landen die geen markteconomie hebben, worden vastgesteld met inachtneming van de voorschriften in artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 . Deze bepaling, waarmee wordt beoogd te vermijden dat rekening wordt gehouden met - gewoonlijk niet uit de wetten van vraag en aanbod voortvloeiende - prijzen en kosten in landen die geen markteconomie hebben, geeft voorrang aan de prijs die voor een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie wordt toegepast .
3 . In het kader van de vaststellingsprocedure voor anti-dumpingrechten voorziet artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84, ten einde een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken tussen de prijs bij uitvoer en de normale waarde, nadat deze volgens de daartoe voorziene methode zijn berekend, in aanpassingen in verband met verschillen in de fysieke hoedanigheden van het produkt, in hoeveelheden, in verkoopvoorwaarden en in invoerbelastingen en indirecte belastingen, die van invloed zijn op de vergelijking van de prijzen . Deze aanpassingen moeten uitsluitend worden aangebracht in verband met verschillen betreffende voornoemde factoren .
4 . In de raming van de door dumping veroorzaakte schade is de omvang van de invoer volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr . 2176/84 slechts een van de in aanmerking te nemen factoren .
Wanneer de gedumpte produkten uit verschillende landen afkomstig zijn, moet in beginsel het totale effect van die invoer worden beoordeeld . Het strookt met de doelstellingen van vorengenoemde verordening, dat de gemeenschapsinstanties de mogelijkheid hebben om te onderzoeken welke invloed al deze importen te zamen hebben op de bedrijfstak van de Gemeenschap en om als uitvloeisel daarvan passende maatregelen te nemen ten aanzien van alle exporteurs, zelfs indien de omvang van de uitvoer van elk van hen afzonderlijk betrekkelijk gering is .
5 . Geen van de bepalingen van verordening nr . 2176/84 verplicht de gemeenschapsinstellingen tot het aanvaarden van prijsverbintenissen die zijn aangeboden door handelaren ten aanzien van wie een aan de vaststelling van anti-dumpingrechten voorafgaand onderzoek wordt ingesteld . Uit artikel 10 van deze verordening blijkt integendeel, dat de vraag of de aangeboden verbintenissen aanvaardbaar zijn, door de instellingen moet worden beoordeeld .
Wanneer de instellingen een aangeboden verbintenis na onderzoek afwijzen, op grond dat de voorgestelde prijsverhoging onvoldoende is om de schade op te heffen, zij over een te lange periode wordt gespreid en afhankelijk is van een voorwaarde waarvan zij de naleving niet kunnen controleren, blijven zij binnen de grenzen van hun discretionaire bevoegdheid .
Partijen
In de gevoegde zaken 294/86 en 77/87,
Technointorg, gevestigd te Moskou, vertegenwoordigd door E . Marissens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, ten kantore van L . Dupong, advocaat aldaar, 14 A, rue des Bains ( zaak 294/86 ),
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Temple Lang, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag tot nietigverklaring van verordening nr . 2800/86 van de Commissie van 9 september 1986 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit de Sovjetunie, houdende aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van het onderzoek met betrekking tot de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit Joegoslavië en de Duitse Democratische Republiek en houdende beëindiging van het onderzoek, alsook houdende beëindiging van de procedure met betrekking tot de invoer van bepaalde diepvriezers ( PB 1986, L 259, blz . 14 ), en in het bijzonder van artikel 1 van die verordening,
en
Technointorg, gevestigd te Moskou, vertegenwoordigd door E . Marissens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, ten kantore van L . Dupong, advocaat aldaar, 14 A, rue des Bains ( zaak 77/87 ),
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door de directeur van zijn juridische dienst, H.-J . Lambers en door het lid van die dienst E . H . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door F . Jacobs QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Temple Lang, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een beroep krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag, tot nietigverklaring van verordening nr . 29/87 van de Raad van 22 december 1986 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit de Sovjetunie, ( zaak 77/87 )
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida, U . Everling, Y . Galmot en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 1 juni 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juli 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 26 november 1986 en 18 maart 1987 heeft Technointorg krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag twee beroepen ingesteld, het eerste - zaak 294/86 - strekkende tot nietigverklaring van verordening nr . 2800/86 van de Commissie van 9 september 1986 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit de Sovjetunie ( PB 1986, L 259, blz . 14, hierna : de voorlopige verordening ), en in het bijzonder van artikel 1 van die verordening, en het tweede, - zaak 77/87 - strekkende tot nietigverklaring van verordening nr . 29/87 van de Raad van 22 december 1986 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit de Sovjetunie ( PB 1987, L 6, blz . 1, hierna : de definitieve verordening ), voorzover deze verordeningen op verzoekster van toepassing zijn .
2 Bij aparte verzoekschriften, eveneens neergelegd op 26 november 1986 en 18 maart 1987, heeft Technointorg twee verzoeken in kort geding ingediend, het eerste om de tenuitvoerlegging van de voorlopige verordening ten aanzien van haar te schorsen, en het tweede om de tenuitvoerlegging van de definitieve verordening ten aanzien van haar te schorsen, totdat het Hof in de beroepen in de hoofdzaak zal hebben beslist .
3 Bij beschikkingen van de president van het Hof van 17 december 1986, respectievelijk 9 april 1987 zijn deze verzoeken in kort geding afgewezen en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden .
4 Bij beschikking van 8 mei 1987 heeft het Hof de Commissie toegelaten om in zaak 77/87 te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad .
5 Bij beschikking van 8 juli 1987 zijn zaak 294/86 en zaak 77/87 voor de procedure en het arrest gevoegd .
6 Technointorg voert vrieskasten ( Nimexe-codes 84.15-41 en 84.15-46 ), van oorsprong uit de Sovjetunie, uit naar de EEG . In september 1985 diende het Europese Comité van fabrikanten van elektrische huishoudelijke apparaten, namens producenten die vrijwel de gehele communautaire produktie van diepvriezers voor hun rekening nemen, een klacht in bij de Commissie, inhoudende dat bij de invoer van bepaalde diepvriezers van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek, de Sovjetunie en Joegoslavië, dumpingpraktijken werden toegepast en schade werd berokkend aan de bedrijfstak van de Gemeenschap .
7 In de loop van de anti-dumpingprocedure, die was ingeleid op grond van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ), achtte de Commissie het noodzakelijk om met betrekking tot de beweerdelijk gedumpte diepvriezers onderscheid te maken tussen vrieskisten ( Nimexe-code 84.15-32 ) en vrieskasten ( Nimexe-code 84.15-41 en 84.15-46 ), aangezien dit geen soortgelijke produkten in de zin van de communautaire bepalingen waren .
8 De anti-dumpingprocedure met betrekking tot de vrieskisten heeft de Commissie beëindigd bij artikel 4 van de voorlopige verordening . Met betrekking tot vrieskasten heeft zij evenwel enerzijds de door de exporteurs uit Joegoslavië en de Duitse Democratische Republiek aangeboden verbintenissen aanvaard en het tegen hen lopende onderzoek beëindigd, en anderzijds in artikel 1 van de verordening een voorlopig anti-dumpingrecht van 33% ingesteld op diepvriezers van oorsprong uit de Sovjetunie .
9 Volgens artikel 6, tweede alinea, was de verordening voor zover daarin een voorlopig anti-dumpingrecht werd ingesteld, slechts van toepassing voor een periode van vier maanden of tot het tijdstip waarop de Raad vóór het verstrijken van deze periode definitieve maatregelen zou vaststellen . Hangende de procedure tegen die verordening, is zij vervangen door de definitieve verordening, die het onderwerp vormt van het tweede beroep, dat op 18 maart 1987 door Technointorg is ingesteld .
10 In een telexbericht van 20 maart 1987 stelde de Commissie, dat het beroep tot nietigverklaring van de voorlopige verordening ( zaak 294/86 ) zonder voorwerp was geraakt, nu die verordening niet meer van kracht was . In haar opmerkingen van 6 april 1987 betoogde Technointorg, dat de Raad met het besluit om over te gaan tot inning van de bedragen die waren gestort als waarborg voor het voorlopige anti-dumpingrecht slechts uitvoering gaf aan de verordening van de Commissie, en dat zij enkel restitutie van die bedragen kon vorderen indien het Hof de verordening waarbij zij waren ingesteld, nietig verklaarde . Bovendien zou zij in zoverre belang erbij hebben om tegen de voorlopige verordening op te komen, dat zij zich op elke door het Hof vastgestelde grond van onwettigheid kan beroepen om een vordering tot schadevergoeding in te dienen .
11 Preliminair dient dus te worden onderzocht, of Technointorg nog belang erbij heeft om tegen de voorlopige verordening op te komen, nu deze door de definitieve verordening is vervangen .
12 In aanmerking genomen dat de bedragen die als waarborg voor het voorlopige anti-dumpingrecht waren gestort, zijn geïnd op grond van artikel 2 van de definitieve verordening tegen het tarief van het definitieve recht, is er geen enkel rechtsgevolg van de voorlopige verordening, waarop Technointorg zich kan beroepen .
13 Met betrekking tot het belang van Technointorg bij de mogelijkheid om de nietigheid van de voorlopige verordening te doen vaststellen ten einde op basis daarvan schadevergoeding te vorderen, zij opgemerkt, dat Technointorg voor een vordering tot vergoeding van de eventueel door de voorlopige verordening veroorzaakte schade op de onwettigheid van de definitieve verordening zou kunnen aanvoeren .
14 Zo gezien moet worden geconcludeerd, dat het beroep in zaak 294/86 zonder voorwerp is geraakt en dat daarop dus niet behoeft te worden beslist .
15 Enkel de middelen die in zaak 77/87 zijn voorgedragen, behoeven dus te worden onderzocht .
16 Voor een nader overzicht van de voorschriften van de verordeningen, de feiten van het geschil en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven, voorzover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
A - Schending van het algemene beginsel dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd
17 Technointorg stelt, dat de Commissie en de Raad geen rekening hebben gehouden met de volmacht van de heer Astakhov, die Technointorg in de onderhavige anti-dumpingprocedure vertegenwoordigde, en meer in het bijzonder, dat de Commissie hem geen enkele inlichting heeft gevraagd en hem niet de vragenlijst voor exporteurs heeft toegestuurd, zulks in strijd met artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr . 2176/84 . Zij ontkent dan ook, dat zij heeft geweigerd medewerking te verlenen, zoals haar in overwegingen 2 en 3 van de definitieve verordening wordt verweten .
18 Blijkens de processtukken zijn exemplaren van de vragenlijst voor exporteurs en een kennisgeving van de aanvang van het anti-dumpingonderzoek per aangetekende post naar Technointorg gestuurd op haar adres in Moskou . Uit het bewijs van ontvangst van het postkantoor, dat aan het Hof is overgelegd, valt op te maken dat deze op 17 december 1985 zijn verzonden en in het telexbericht dat Technointorg op 18 februari 1986 aan de Commissie heeft gestuurd, bevestigt zij de ontvangst van de vragenlijst en vraagt zij om verlenging van de termijn voor antwoord . Ter terechtzitting heeft Technointorg bovendien toegegeven dat zij de vragenlijst nooit heeft ingevuld .
19 Technointorg had dus zelf de mogelijkheid om de Commissie alle nodige inlichtingen te verschaffen en heeft dit niet gedaan; onder die omstandigheden mochten de gemeenschapsinstanties uitgaan van de gegevens waarover zij beschikten, en behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of de Commissie de heer Astakhov al dan niet in staat heeft gesteld om aan de procedure deel te nemen .
20 Bijgevolg moet het eerste middel worden verworpen .
B - Schending van artikel 190 EEG-Verdrag : onvoldoende motivering
21 Technointorg acht de overwegingen 14, 17 en 18 van de definitieve verordening betreffende respectievelijk de vaststelling van haar marktaandeel, het begrip belang van de Gemeenschap en de oplegging van een anti-dumpingrecht van 33% onvoldoende gemotiveerd .
22 Met betrekking tot het argument van Technointorg, dat niet is ingegaan op haar stelling dat het feit dat haar marktaandeel in het Verenigd Koninkrijk en in België is toegenomen, nog niet wil zeggen dat haar totale marktaandeel in de Gemeenschap is toegenomen, kan worden volstaan met de opmerking, dat in overweging 14 van de definitieve verordening erop wordt gewezen, dat terwijl het verbruik in de Gemeenschap stabiel bleef, de invoer uit de Sovjetunie van 1981 tot 1985 met meer dan 20 000 eenheden is toegenomen . Bovendien wordt in overweging 13 van deze verordening verwezen naar de gedetailleerde bevindingen ter zake van de Commissie in de voorlopige verordening, en in het bijzonder in overweging 23 daarvan .
23 In verband met de weigering om de argumenten te aanvaarden van Peja BV, een van de importeurs in de Gemeenschap bij wie de Commissie inlichtingen heeft ingewonnen en controles heeft verricht, en in het bijzonder het argument dat het in het belang van de Gemeenschap was om de invoer van diepvriezers, van oorsprong uit de Sovjetunie, in Nederland te laten doorgaan om represaillemaatregelen te voorkomen, wordt in overweging 17 van de definitieve verordening genoegzaam uiteengezet, dat de moeilijkheden waarmee de bedrijfstak van de Gemeenschap te kampen heeft en het economische en sociale belang daarvan de redenen waren op grond waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat het belang van de Gemeenschap voor moest gaan en de instelling van een definitief anti-dumpingrecht vergde .
24 En ten slotte wordt in overweging 18 van de definitieve verordening met betrekking tot de vaststelling van het recht op 33% verklaard, dat een recht van 33% - dat lager is dan de vastgestelde dumpingmarge van 204% - gelet op de verkoopprijs die nodig is om de efficiënte producenten in de Gemeenschap van een redelijke winst te verzekeren, nodig is om de aan de communautaire produktie toegebrachte schade op te heffen .
25 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de motiveringsgebreken moet worden verworpen .
C - Bepaling van de normale waarde op basis van de prijs op de Joegoslavische markt
26 Technointorg stelt, dat de Commissie de keuze van Joegoslavië als land van vergelijking onvoldoende heeft gemotiveerd .
27 Het argument van Technointorg is ongefundeerd . In overweging 6 van de definitieve verordening wordt voldoende duidelijk uiteengezet waarom de Commissie de redenering van Technointorg op dit punt niet heeft aanvaard .
28 Vervolgens maakt Technointorg bezwaar tegen de vaststelling van de normale waarde op grond van de prijs die op de Joegoslavische markt geldt . Met een beroep op de typische verschillen tussen de Joegoslavische markt en de markt in de Sovjetunie op het punt van het inkomenspeil en de methodes voor de produktie van diepvriezers stelt zij, dat de aangenomen waarde in Joegoslavië had moeten worden bepaald . Door geen van de aanpassingen te aanvaarden die zij had voorgesteld om genoemde verschillen te neutraliseren, hebben de Commissie en de Raad haars inziens, in strijd met artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84, de normale waarde op niet-passende en onredelijke wijze vastgesteld .
29 In de eerste plaats wordt in artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 bepaald, dat in geval van invoer uit landen die geen markteconomie hebben, de normale waarde op passende en niet onredelijke wijze wordt vastgesteld op basis van : a ) de prijs waartegen een soortgelijk produkt van een derde land met een markteconomie werkelijk wordt verkocht; b ) de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie; of c ) wanneer deze criteria geen deugdelijke basis verschaffen, de prijs die in de Gemeenschap werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt, zo nodig naar behoren aangepast om er een redelijke winst in op te nemen . Doel van deze bepaling is te vermijden, dat rekening wordt gehouden met de - gewoonlijk niet uit de wetten van vraag en aanbod voortvloeiende - prijzen en kosten in landen die geen markteconomie hebben .
30 In de tweede plaats dient de aangenomen waarde in het systeem van artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 ter vervanging van de verkoopprijs op de binnenlandse markt van het land van produktie of uitvoer als grondslag voor de vaststelling van de normale waarde . De aangenomen waarde moet dus enkel worden gebruikt, wanneer het gezien de omstandigheden onredelijk is om de binnenlandse prijs te gebruiken . De aangenomen waarde dient zo worden te berekend, dat de verkregen resultaten de op de binnenlandse prijs gebaseerde normale waarde zo dicht mogelijk benaderen . De instellingen beschikken ten deze over een beoordelingsruimte en Technointorg heeft niet aangetoond, dat zij hiervan een onjuist gebruik hebben gemaakt met hun besluit om in casu de normale waarde te baseren op de prijzen die op de binnenlandse markt van Joegoslavië golden .
31 Het betoog van Technointorg, dat de aangenomen normale waarde had moeten worden bepaald ten einde rekening te houden met de genoemde verschillen tussen Joegoslavië en de Sovjetunie, kan niet worden aanvaard . Met de specifieke kenmerken van de markten moet overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84 worden rekening gehouden bij de vergelijking van de normale waarde en de prijs bij uitvoer . De instellingen handelden dus niet onjuist toen zij de normale waarde vaststelden op basis van de prijs die op de Joegoslavische markt gold .
32 Dit middel moet bijgevolg worden verworpen .
D - De vergelijking van de prijs bij uitvoer en de normale waarde
33 Technointorg stelt, dat de Commissie en de Raad met hun weigering om de aanpassingen in overweging te nemen met betrekking tot de gestelde kenmerken van de Joegoslavische markt, in het bijzonder op het punt van het inkomenspeil en de produktiemethoden in de Sovjetunie, in strijd hebben gehandeld met artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84 . De in dit artikel neergelegde verplichting om een deugdelijke vergelijking uit te voeren, houdt volgens haar de verplichting in om aanvullende aanpassingen aan te brengen, zelfs indien die aanpassingen niet uitdrukkelijk zijn voorzien in artikel 2, lid 10, dat geen uitputtende opsomming bevat .
34 Ten einde een deugdelijke vergelijking mogelijk te maken tussen de prijs bij uitvoer en de normale waarde, nadat deze volgens de daartoe voorziene methodes zijn berekend, voorziet artikel 2, leden 9 en 10, in aanpassingen in verband met verschillen in de fysieke hoedanigheden van het produkt, in hoeveelheden, in verkoopvoorwaarden en in invoerbelastingen en indirecte belastingen, die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen . Zoals het Hof reeds heeft overwogen in zijn arrest van 7 mei 1987 ( zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861 ) moeten deze aanpassingen uitsluitend worden aangebracht in verband met verschillen betreffende voornoemde factoren .
35 De door Technointorg gestelde verschillen betreffen het inkomenspeil en de hoge kosten van onderdelen van diepvriezers en vallen bijgevolg niet onder een van de categorieën, genoemd in artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr . 2176/84 .
36 Dit middel dient bijgevolg te worden verworpen .
E - De bepaling van de schade
37 Volgens Technointorg is de schade lager dan de door de Raad en de Commissie vastgestelde schade . Zij stelt in dit verband in essentie, dat de communautaire markt voor diepvriezers uit twee afzonderlijke segmenten bestaat : het eerste, de markt voor luxeprodukten, waarop bijna alle producenten van de Gemeenschap opereren, omvat de technisch meest verfijnde en duurste diepvriezers; het tweede, de onderlaag van de markt, waarop Oosteuropese producenten opereren, te zamen met een zeer klein deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, omvat de eenvoudigere en goedkopere diepvriezers . Aangezien de door Technointorg vervaardigde diepvriezers goedkope diepvriezers zijn, kunnen zij enkel schade berokkenen aan de bedrijfstak van de Gemeenschap die voor de onderlaag van de markt produceert, zodat de invloed van de invoer op de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap slechts minimaal kan zijn .
38 Technointorg heeft op geen enkele wijze aangetoond dat niet alle vrieskasten als gelijksoortige produkten zouden zijn te beschouwen overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 5, van verordening nr . 2176/84 .
39 Weliswaar hebben de gemeenschapsinstanties de diepvriezers uit de Sovjetunie vergeleken met de goedkoopste modellen in de Gemeenschap om de prijsonderbieding voor eerstgenoemde te kunnen vaststellen op grond van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr . 2176/84, maar dat wil nog niet zeggen dat andere modellen in de Gemeenschap niet met de diepvriezers uit de Sovjetunie concurreren en dat de totale produktie in de Gemeenschap niet door de invoer van de betrokken produkten wordt geraakt .
40 Technointorg wijst voorts op het geringe aantal eenheden dat zij naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd - 20 000 in 1985 - en verklaart, dat noch de Commissie noch de Raad heeft aangetoond hoe de invoer van Technointorg, op zich zelf beschouwd, de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft kunnen berokkenen .
41 Met betrekking tot het aantal door Technointorg uitgevoerde eenheden zij opgemerkt, dat de omvang van de invoer volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr . 2176/84 slechts een van de factoren is die voor de vaststelling van schade in aanmerking moeten worden genomen . Ook dient te worden bedacht, dat wanneer, zoals in casu, de gedumpte produkten uit verschillende landen afkomstig zijn, in beginsel het totale effect van die invoer moet worden beoordeeld . Het strookt met de doelstellingen van verordening nr . 2176/84, dat de gemeenschapsinstanties de mogelijkheid hebben om te onderzoeken welke invloed al deze importen te zamen hebben op de bedrijfstak van de Gemeenschap en om als uitvloeisel daarvan passende maatregelen te nemen ten aanzien van alle exporteurs, zelfs indien de omvang van de uitvoer van elk van hen afzonderlijk betrekkelijk gering is .
42 Technointorg stelt voorts, dat de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van de omvang van de schade hun conclusie omtrent het cumulatieve effect niet met redenen hebben omkleed . Deze stelling is ongegrond . De redenen die in dit verband worden gegeven in de overwegingen 11 tot en met 15 van de definitieve verordening, waarin in het bijzonder de in overweging 24 van de voorlopige verordening neergelegde conclusies van de Commissie worden bekrachtigd, volstaan om aan de eisen van artikel 190 EEG-Verdrag te voldoen .
43 Het middel dient bijgevolg te worden verworpen .
F - Afwijzing van de aangeboden verbintenissen
44 Volgens Technointorg heeft de Commissie artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr . 2176/84, artikel 190 EEG-Verdrag en het non - discriminatiebeginsel geschonden door de voorgestelde verbintenissen af te wijzen en zelfs te weigeren om over hun inhoud te praten .
45 Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 10, leden 1 en 3, van verordening nr . 2176/84, zij in de eerste plaats eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( met name het arrest van 7 mei 1987, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861 ) geen van de bepalingen van die verordening de gemeenschapsinstellingen verplicht tot het aanvaarden van prijsverbintenissen . Uit artikel 10 van deze verordening blijkt integendeel, dat de vraag of de aangeboden verbintenissen aanvaardbaar zijn, door de instellingen moet worden beoordeeld .
46 Uit de stukken blijkt bovendien, dat de Commissie weliswaar een ontmoeting met Technointorg heeft geweigerd, maar dat zij desondanks de voorstellen van laatstgenoemde heeft bestudeerd en haar heeft uitgenodigd om te reageren op de kritiek die zij op deze voorstellen had geuit .
47 In het bijzonder uit de telexberichten van 18 en 28 november 1986 en de brief van 11 december 1986, alle van de Commissie aan Technointorg, blijkt, dat de voorgestelde verbintenissen niet zijn aanvaard om drie redenen : a ) de voorgestelde prijsverhoging lag ver onder het niveau dat nodig was om de schade op te heffen; b ) de verhoging zou over een aantal jaren worden gespreid en pas in 1989/1990 haar maximum bereiken; c ) de maximale prijsverhoging van 25% hing af van de voorwaarde, dat een nieuwe fabriek in gebruik zou worden genomen, een voorwaarde waarvan de nakoming zich aan het toezicht van de Commissie onttrok . Technointorg heeft de juistheid van deze omstandigheden niet betwist .
48 Door op bovengenoemde gronden, die volstaan en die aan Technointorg zijn meegedeeld, de voorgestelde verbintenissen van laatstgenoemde af te wijzen, heeft de Commissie haar discretionaire bevoegdheid niet overschreden .
49 Met betrekking tot de gestelde schending van het non-discriminatiebeginsel zij opgemerkt, dat de Commissie zich niet heeft schuldig gemaakt aan discriminatie door de verbintenissen af te wijzen die Technointorg aanbood, terwijl zij de verbintenissen van de exporteurs uit de Duitse Democratische Republiek en uit Joegoslavië had aanvaard . Gelijk in overweging 34 van de voorlopige verordening wordt gepreciseerd, leidden de verbintenissen van laatstgenoemde exporteurs namelijk tot prijsverhogingen die voldoende waren om de schade op te heffen en was het mogelijk om de naleving ervan te verzekeren . De verbintenissen die Technointorg had aangeboden, waren daarentegen, gelijk hierboven reeds werd opgemerkt, kennelijk ontoereikend en de noodzakelijke voorwaarden voor toezicht op de naleving ervan door de Commissie ontbraken in casu .
50 Het laatste middel van Technointorg moet bijgevolg eveneens worden verworpen en daarmee het beroep in zaak 77/87 in zijn geheel .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
51 In zaak 77/87 : ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering dient de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen . Aangezien Technointorg in het ongelijk is gesteld, dient zij zowel in de hoofdzaak als in de procedure in kort geding in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen de kosten van interveniënte, die hiertoe heeft geconcludeerd .
52 In zaak 294/86 : wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, beslist het Hof, ingevolge artikel 69, paragraaf 5, van het Reglement voor de procesvoering, vrijelijk ten aanzien van de proceskosten . Gelet op het feit, dat Technointorg in het ongelijk is gesteld in het beroep dat zij heeft ingesteld tegen de definitieve verordening die in de plaats is gekomen van de voorlopige verordening, dient zij in zaak 294/86 in de kosten te worden verwezen, zowel wat betreft de hoofdzaak als wat betreft de procedure in kort geding .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde kamer ),
rechtdoende, verstaat :
1 ) Op het beroep in zaak 294/86 behoeft niet te worden beslist .
2 ) Het beroep in zaak 77/87 wordt verworpen .
3 ) Verzoekster wordt in beide zaken verwezen in de kosten, zowel met betrekking tot de hoofdzaken als met betrekking tot de procedures in kort geding, daaronder begrepen de kosten van de interveniërende partij .
Full & Egal Universal Law Academy